9. Bijlage 1. Toelichting op raadsvoorstel samenwerking warmtetransitie (1891088)
Tekst van het document
Toelichting op raadsvoorstel: “Samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WLQ+” versie 30 maart 2021 In regionaal verband (gemeenten Leiden, Leiderdorp, Katwijk, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude) zijn dit raadsvoorstel en de bijlagen tot stand gekomen. In het raadsbesluit zijn de gezamenlijke beslispunten opgenomen met daarbij de lokale motiveringen en kanttekeningen. In deze aanvullende toelichting zijn aanvullende regionale kaders en regionale onderbouwing van de beslispunten opgenomen. 1. Kaders voor de warmtetransitie op verschillende schaalniveaus vergen acteren als één overheid en het nemen van collectieve verantwoordelijkheid Samenvatting: Vanuit van landelijke kaders (Klimaatakkoord), regionale kaders (RES Holland Rijnland), lokale kaders (coalitieakkoord, duurzaamheidsbeleid, transitievisie warmte) en de vertaling daarvan naar het wijkniveau (wijkuitvoeringsplannen) wordt de warmtetransitie vorm gegeven. Deze kaders en keuzes vertalen in uitvoering vergt acteren als één overheid en zo collectieve verantwoordelijkheid nemen voor de warmtetransitie. Landelijke opgave Het landelijk kader voor de warmtetransitie is vastgelegd in de afspraken over het Klimaatakkoord. Daarin is afgesproken dat gemeenten verantwoordelijkheid nemen in de vormgeving van de warmtetransitie.
Hierbij zijn de randvoorwaarden als benoemd in de VNG Ledenbrief van 17 juli 2019 leidend. Dit betekent dat haalbaarheid en betaalbaarheid voor de inwoner, het krijgen van juiste bevoegdheden en een wettelijk instrumentarium en een vergoeding voor toename in uitvoeringslasten cruciaal zijn vanuit landelijk perspectief. De gemeenten in de Leidse regio dringen er op aan dat vanuit de rijksoverheid de systeemregie zo wordt vormgegeven dat de te nemen besluiten op elkaar aansluiten en zo samen de collectieve verantwoordelijkheid voor de warmtetransitie wordt vormgegeven. Regionale opgave In de RES Holland Rijnland is een regionaal kader geschetst, die dit voorjaar ter besluitvorming aan de raden wordt aangeboden. Op basis van het huidige warmteverbruik en de potentie van duurzame warmtebronnen is Leiden afhankelijk van de regio voor de levering van warmte om aan de vraag te voldoen. Dit leidt tot een afhankelijkheidsvraagstuk van levering van warmte door de regio en dilemma’s en bestuurlijke keuzes als het gaat om de verdeling van (mogelijk schaarse) duurzame warmte tussen gemeenten. Dit pakken we op via besluitvorming over de Regionale Energie Strategie Holland Rijnland in de zogenaamde Regionale structuur Warmte. De regio Holland Rijnland is afhankelijk van restwarmte van buiten Holland Rijnland.
Om die reden neemt restwarmte uit Rotterdam een belangrijke plaats in binnen de RES. Lokale opgave Het lokale kader wordt gevormd door de keuzes die de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Katwijk, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude in raden en colleges hebben gemaakt of dit jaar nog gaan maken als het gaat om duurzaamheid, de energietransitie of specifiek de
1
warmtetransitie. Op lokaal niveau moet de schaarse warmte verdeeld worden en er moeten keuzes gemaakt worden welke wijk en/of doelgroep wanneer van het aardgas gaat. Daarnaast is de energietransitie een maatschappelijke opgave, waar private en maatschappelijke partijen eigen verantwoordelijkheid hebben in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het betrekken van deze partijen en het creëren van samenhang en verbinding is hierin de opgave. Dit wordt vormgegeven in de lokale transitievisies warmte. Deze moeten eind 2021 in alle gemeenten zijn vastgesteld. Wijkniveau Op het niveau van de wijken gaat het om welk gebouw je wilt aansluiten op welke warmtevoorziening. Welke keuze moet hierin worden gemaakt en hoe ga je om met initiatieven van bewoners of organisaties die aan de slag willen met de energietransitie en het verduurzamen van hun wijk en/of bezit? Dit wordt uitgewerkt in de wijkuitvoeringsplannen in 2022.
2. Situatieschets: restwarmte beschikbaar als gevolg van contract tussen Warmtebedrijf Rotterdam en Vattenfall, via aan te leggen WarmtelinQ+ en daarnaast naar verwachting geothermie beschikbaar in Holland Rijnland Samenvatting: De aanleiding om samen te werken was om betaalbare en duurzame warmte uit de Rotterdamse haven te kunnen benutten via het transportnetwerk WarmtelinQ+ in de warmtetransitie van de Leidse regio. De samenwerking tussen de zes gemeenten is noodzakelijk om als regio effectief te kunnen samen werken met Gasunie, het ministerie van EZK en de provincie Zuid-Holland. Het mogelijk maken van de realisatie van het open bovenregionaal transportnetwerk WarmtelinQ+ in de Leidse regio zal zowel strategisch als tactisch en operationeel een behoorlijke inspanning vergen op diverse dimensies (publiekrechtelijk, ruimtelijke inpassing, beheer en onderhoud openbare ruimte ondergronds en bovengronds). Daar bovenop is de constatering gekomen dat naar verwachting ook geothermie beschikbaar is voor de Leidse regio. Ook hierop is gecoördineerde samenwerking met bovenregionale partijen zoals Energiebeheer Nederland (EBN), netbeheerders en marktpartijen naar verwachting noodzakelijk. Dit versterkt ook de noodzaak om samen te werken op de regionale warmteketen.
Restwarmte via WLQ+ als gevolg van contract Warmtebedrijf Rotterdam (WbR-Vattenfall In regionaal verband is het afgelopen jaar hard gewerkt om met bovenregionale partners zoals Gasunie, het ministerie van EZK, de provincie Zuid-Holland de randvoorwaarden te scheppen voor de totstandkoming van een warmtetransportnet tussen Rijswijk en de Leidse regio (WarmtelinQ+). De aanleiding hiertoe is het contract tussen Warmtebedrijf Rotterdam en Vattenfall. Deze situatie schetsen we hieronder. Vattenfall heeft een bestaand gasgestookt warmtenet (40 MW) in de Leidse regio dat warmte levert aan Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest. Gasunie heeft een opdracht van het Ministerie van EZK om een transportnetwerk restwarmte in Zuid-Holland te realiseren. De aandeelhouders van WbR - Rotterdam en de Provincie Zuid-Holland (PZH)- hebben zich verplicht tot het leveren van duurzame warmte per 2026 aan Vattenfall. Het college van B&W Rotterdam en Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland (GS PZH) hebben tot april mandaat om tot overeenstemming te komen met WbR-Gasunie-Vattenfall over een bijdrage aan de business
2
case WLQ+ als alternatief voor afkopen van leveringsverplichting van WbR aan Vattenfall. Gasunie wil in juni in de Raad van Bestuur (RvB) een investeringsbesluit nemen om per 2026 een transportnet te hebben gerealiseerd waarmee Rotterdamse restwarmte kan worden geleverd aan het warmtenet van Vattenfall. . Dit hangt samen met het investeringsbesluit inzake de warmteleiding naar Den Haag.
De potentie van het transportnet zal naar verwachting tussen de 40MW en ruim 100MW zijn. Hiervan wordt 40MW als vanouds geleverd aan het bestaande net. Voor de resterende 60MW geldt niet dat deze automatisch door Vattenfall benut hoeft te worden. Voor het bepalen van de parameters van de WarmtelinQ+ en het investeringsbesluit daarover heeft Gasunie voldoende comfort nodig vanuit de Leidse regio. Dit comfort kan worden geboden door aan te geven welke inspanningen de regio bereid is te doen om wijken aan te sluiten op restwarmte via de WarmtelinQ+. Verwachte beschikbaarheid van geothermie in Holland Rijnland Naast de beschikbaarheid van restwarmte is de verwachting dat geothermie ook in voldoende mate beschikbaar zal komen in de RES regio Holland Rijnland om de vraag voor hoge- en middentemperatuur warmte in te vullen in ieder geval de Leidse regio en de Duin- en Bollenstreek. Dit biedt de mogelijkheid om op termijn geothermie te combineren met
restwarmte in de energiemix van de Leidse regio en de Duin- en Bollenstreek. Gasunie en EBN (het adviesorgaan van de overheid in de warmtetransitie). hanteren als uitgangspunt dat de mix van restwarmte en geothermie een meer robuuste energiemix oplevert. Voor de Leidse regio geldt dan des te meer dat een open regionaal transport- en distributienet van belang is om meerdere (lokale en bovenlokale) bronnen van duurzame warmte aan te sluiten. Samengevat, door de omstandigheid van de verplichting van het Warmtebedrijf Rotterdam om per medio 2026 duurzame warmte te leveren aan het Leidse warmtenet van Vattenfall, de overcapaciteit die in de warmtetransportleiding van Rotterdam naar de Leidse regio zit, en de verwachte beschikbaarheid van geothermie ontstaat een kans voor Katwijk om de warmtetransitie regionaal en lokaal en op het niveau van de wijk te versnellen. Het is wel van belang deze kans in perspectief te zien van de rol van gemeenten in de Leidse regio + Katwijk en specifiek vanuit deze rol de sturing op publieke waarden in de warmtetransitie. 3. Bestuurlijke keuze voor samenwerking tussen de 6 gemeenten.
(beslispunt 1) Samenvatting: Voorgesteld wordt om de keuze te maken voor samenwerking op de warmtetransitie en de uitgangspunten, reikwijdte, te verkennen varianten van organisatieen rechtsvorm en het proces van verkenning van de samenwerking vast te leggen in een samenwerkingsconvenant. De samenwerking tussen de zes gemeenten is nodig om zowel de warmteketen als het open energie-systeem (warmte, elektriciteit en gas) en de sturing op publieke waarden daarbinnen verder vorm te geven. Deze sturing op publieke waarden vergt een versterking van het acteren als lokale overheid, ook naar warmtebedrijven (zoals Vattenfall) en in samenwerking met lokaal en regionaal actieve woningcorporaties en met andere netbeheerders zoals Alliander en TenneT.
3
Voor de gemeenten in de Leidse regio staat het realiseren van de doelstellingen uit de warmtetransitie (CO2 reductie) en daarmee borgen van een duurzame1, betaalbare, haalbare, betrouwbare warmtevoorziening voor alle inwoners centraal. Deze publieke waarden vormen het vertrekpunt voor sturing en rolneming in de warmtetransitie. De zes gemeenten erkennen de regionale afhankelijkheden in de warmteketen (zoals eerder in deze bijlage geschetst) en beschouwen een daadkrachtige sturing op de warmteketen en rolneming van gemeenten in relatie tot maatschappelijke partners en marktpartijen in de warmtetransitie als noodzakelijk, om voldoende slagkracht te hebben als regisseur van de energietransitie. Deze constatering vormt de basis voor de keuze om als zes gemeenten samen te werken op de warmtetransitie en een gezamenlijke organisatie en passend financieel instrumentarium vorm te geven. In de gesprekken over de ambitie om een open regionale warmteketen vorm te geven is het onderstaande schema als referentiekader gehanteerd:
Als WarmtelinQ+ wordt gerealiseerd zal het bestaande warmtenet van Vattenfall in de Leidse regio (distributie en levering) door netbeheerder Gasunie via een de WarmtelinQleiding (transport) worden verbonden met de warmte uit bronnen (productie & opslag) van Warmtebedrijf Rotterdam. In de verhouding tussen overheden en marktpartijen is de inzet van de Leidse regio om een open regionale warmteketen mogelijk te maken, waarbij meerdere marktpartijen een bron van warmte kunnen aansluiten, bij voorkeur ook lokale bronnen van warmte. Daarnaast kunnen in een open warmteketen meerdere marktpartijen maar ook publiek-private samenwerkingsvormen en coöperatieve modellen de distributie en levering voor hun rekening kunnen nemen. Verder wordt overwogen of het model van een geïntegreerde rolneming op transport en distributie door een regionaal netbeheerder ook mogelijk gemaakt kan worden. Dit lijkt meer voor de hand te liggen als het netbeheer voor de combinatie van warmte, gas en elektriciteit (geïntegreerd energiesysteem) in de Leidse regio georganiseerd moet worden. De keuze voor samenwerking in de periode medio 2021 tot en met eind 2022 kan worden genomen zonder vooruit te lopen op de bestuurlijke en politieke keuzes over de lokale transitievisies warmte. Deze keuze kan worden gemaakt in aanvulling op de regionale structuur warmte (RSW) als onderdeel van de RES Holland Rijnland.
Deze keuze kan de komende tijd verder worden geconcretiseerd voor de Leidse regio.
1
geen lock-in die een overschakeling naar meer duurzame bronnen tegenhoudt, bij gelijke geschiktheid, duurzaamheid en betaalbaarheid lokale bronnen eerst
4
Als voorlopige uitgangspunten voor de samenwerking worden in ieder geval gehanteerd: slagvaardigheid, deskundigheid, democratische legitimiteit, doelmatigheid en flexibiliteit. Een eventuele aanvulling en nadere uitwerking van deze uitgangspunten volgt voor 1 augustus 2021. Als voorlopige reikwijdte van de samenwerking wordt voorgesteld om deze minimaal te omschrijven als de gezamenlijke voorbereiding van besluitvorming en juridische en planologische procedures nodig voor de operationalisering van de vormgeving van de warmteketen in ontwerp, totstandkoming en beheer. Verder om in deze samenwerking ook specifiek te kijken naar de samenwerking met woningcorporaties en andere relevante partners. De komende 1,5 jaar zullen worden benut om te verkennen welke organisatie- en rechtsvorm benodigd en passend is om de warmtetransitie in de Leidse regio vanaf 1 januari 2023 te organiseren. Hiermee krijgt de organisatie de tijd om los van mogelijke onzekerheden rondom de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen voldoende vorm te krijgen. In deze verkenning is het nodig ook te kijken hoe dit zich verhoudt tot de bestaande lokale organisaties en samenwerkingsverbanden en mogelijke vormgeving van een regionale uitvoeringsorganisatie voor de energietransitie in Holland Rijnland (uitvoering RES 1.0 en doorontwikkeling naar RES 2.0).
Daarbij wordt expliciet gekeken ook naar samenwerking met de Duin- en Bollenstreek, onder andere als het gaat om geothermie. Voorgesteld wordt om de samenwerking vast te leggen in een samenwerkingsconvenant. Hierbij raadplegen we de raden en informeren wij hen periodiek over het proces van verkenning van de samenwerking, te starten met de raad voor 1 augustus 2021 via een raadsinformatiebrief te informeren over een voorlopige processchets. Voor het aangaan van de Regeling zonder meer door het college is o.g.v. art. 1 lid 2 Wet gemeenschappelijke regelingen toestemming van de gemeenteraad nodig. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Voor komende tijd betekent dit een borging van de stabiele programma-organisatie tot eind 2022. 4. Bestuurlijke keuze voor benutting restwarmte (beslispunt 2) Samenvatting: In de concept RES is vastgelegd om restwarmte te benutten in de warmtetransitie in de Leidse regio. Deze keuze is gebaseerd op vier argumenten: voldoende vraag, best beschikbare duurzame warmte als basis in de energiemix, maatschappelijke kosten-batenafweging en een rol als startmotor voor de totstandkoming van de vraagontwikkeling en aanleg van distributienetten. De bestuurlijke keuze om restwarmte te benutten is gebaseerd op een aantal argumenten.
Ten eerste betreft dit de constatering van de opgave om in de regio 125.000 woningequivalenten(weqs) te verduurzamen. In de regio kunnen naar inschatting zo’n 50.000 woningequivalenten – in aanvulling op het bestaande Vattenfall warmtenet – worden voorzien van hoge of midden temperatuur duurzame warmte. Dit kan om restwarmte gaan en in de Leidse regio naar verwachting ook om geothermie. Deze inschatting wordt hieronder geduid in de verdeling per gemeente:
5
Ten tweede wordt restwarmte via WarmtelinQ+ met de kennis van nu gezien als een vorm van duurzame warmte die het best beschikbaar is als bron van collectieve warmtevoorziening. Restwarmte vormt voorlopig in de energiemix de basis en is complementair aan andere vormen van duurzame warmte op een midden of lagere temperatuur naarmate de behoefte aan hoge temperatuur warmte als gevolg van meer isolatie afneemt. Restwarmte is een vorm van duurzame warmte. In onderstaande tabel uit onderzoek door GreenVIS in opdracht van het ministerie EZK 2 is te zien hoe duurzaam restwarmte is in vergelijking met andere warmtetechnieken. Duurzaamheid wordt hier gemeten aan de hand van de CO2 uitstoot per GJ. In de tabel is te zien dat restwarmte op termijn steeds duurzamer wordt. Dit heeft te maken met twee ontwikkelingen: 1. De sector industrie, waar de restwarmte vandaan komt, verduurzaamt zelf ook. De industrie heeft een eigen opgave met doelen om te verduurzamen waardoor restwarmte als bron duurzamer wordt. Dat neemt niet weg dat restwarmte nu ook al als duurzaam wordt gezien omdat de warmte anders de lucht of het water in zou gaan in de Rotterdamse haven. Nu wordt deze warmte opnieuw benut. 2. Het systeem wordt efficiënter doordat de Piek- en Back-up voorzieningen op termijn meer gebruik zullen maken van hernieuwbare energie en door technologische ontwikkeling.
Geothermie Restwarmte Aquathermie Aardgas (cv-ketel)
in 2019 14,3 kg C02/GJ 18,6 kg C02/GJ 33,6 kg C02/GJ 58,5 kg C02/GJ
in 2030 8,6 kg C02/GJ 9,5 kg C02/GJ 11,7 kg C02/GJ 58,5 kg C02/GJ
In de tabel is goed af te lezen dat de duurzame warmteoplossingen steeds duurzamer worden omdat de techniek in ontwikkeling is. Dit geldt niet voor aardgas.
2 ‘Inventarisatie duurzaamheid warmtenetten. Normstelling CO2-emissie Wet collectieve Warmtevoorziening’,
pag. 21
6
Restwarmte is ook duurzame warmte omdat die warmte anders de lucht of het water in zou gaan in de Rotterdamse haven. Nu wordt deze warmte opnieuw benut. CO2 uitstoot restwarmte haven Rotterdam wordt toegerekend aan industrie, met eigen opgave en doelen om te verduurzamen. Ten derde is een keuze voor restwarmte ook een keuze vanuit maatschappelijke kostenbatenperspectief. Alliander geeft aan dat voor de verzwaring van het elektriciteitsnet bij 100% elektrificatie van warmtevraag in Leidse regio (excl. kosten eindgebruikers, isolatie e.d.) een bedrag van 190 miljoen euro moet worden geinvesteerd. Dit bedrag moet worden vergeleken met de investering voor de realisatie van transport- en distributienetten en de kosten voor eindgebruikers (aanpassing op woningniveau bij collectieve warmtevoorziening). Ook het ruimtebeslag van een uitbreiding van de elektriciteitsinfrastructuur en opwek duurzame elektriciteit in vergelijking met het ruimtebeslag van warmtenetten en installaties (bovengronds en ondergronds) weegt daarin mee. Tenslotte wordt vanuit de RES Holland Rijnland ook een keuze voor restwarmte gemaakt, omdat de beschikbaarheid van HT-bronnen in de regio niet voldoende is en er dus bovenregionale bronnen moeten worden ingezet. Over een meer precieze duiding of objectivering van deze maatschappelijke kosten en baten beschikken wij momenteel niet.
Wij zien dit als een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en de provincie om dergelijke afwegingen te maken. De Provincie heeft hier al een zogenaamde warmteladder voor opgesteld, die ook in RES-verband is overgenomen. Wij beschouwen op basis van dit argument het benutten van restwarmte en andere duurzame bronnen van warmte als een inspanning van provincie, gemeenten en Alliander als partners in RES-regio Holland Rijnland. Ten vierde kan restwarmte via WarmtelinQ+ met name voor de periode tot 2035 als startmotor een belangrijke rol kan vervullen in het op gang brengen van de warmtetransitie: vraagontwikkeling en de noodzakelijke aanleg van distributienetten. Deze distributienetten zijn ook nodig voor de benutting van andere duurzame bronnen zoals geothermie en aquathermie. De verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke benutting van restwarmte ligt niet bij gemeenten, met uitzondering van aansluiting van eigen vastgoed. Noodzakelijk is dat de betaalbaarheid door het rijk gefaciliteerd zal worden. De mogelijkheid om SDE++ subsidie beschikbaar te krijgen voor de benutting van duurzame warmtebronnen in de Leidse regio wordt de komende tijd verkend in samenwerking met de nationale partners. De betaalbaarheid zal in grote mate het tempo van de transitie bepalen en kan met de SDE++ subsidie verbeteren.
7