8. Brief van het college van 21 juni 2023 inzake monitoringsinstrument Index071 (3146908)
Tekst van het document
Postbus 589 – 2220 AN Katwijk
Contactpersoon:
Aan de gemeenteraad
Arjenne Vlietstra Afdeling:
Beleid Fysieke Leefomgeving Te bereiken op:
071- 406 5000 a.Vlietstra@katwijk.nl Ons kenmerk:
Z3146908D3146914 1 Bijlage(n): Verzenddatum: 21 juni 2023 Uw kenmerk: Onderwerp: monitoringsinstrument Index071 Katwijk, 20 juni 2023 .
Geachte leden van de raad, De economie van de Leidse regio (Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude) blijft zich ontwikkelen ondanks de impact van de coronapandemie en andere uitdagingen zoals klimaatverandering, de oorlog in Oekraïne en de tekorten op de arbeidsmarkt. Dit is één van de uitkomsten van de jaarlijkse monitoring met behulp van de Index071. Middels de voorliggende informatiebrief informeert het college u over de vaststelling van de Index071 door de Stuurgroep Economie071 op 15 mei jongstleden. Index071 De Index, is een monitoringsinstrument dat jaarlijks wordt opgesteld door bureau Blaauwberg, in opdracht van het samenwerkingsverband Economie071. De Index signaleert onder andere trends, geeft houvast voor regionaal debat en brengt de veelzijdigheid van de regionale economie in kaart. Op advies van de gemeente Katwijk en de Katwijkse Ondernemersvereniging is de Index jaargang 20222023 herijkt, leesbaarder gemaakt en inhoudelijk sterker geworden. De blik is daarnaast verschoven van Leiden e.o. naar het functioneren van de regio als geheel. De indeling van de Index bestaat uit 5 thema’s. In de onderstaande tabel vindt u de thema’s. Tevens laat de tabel zien of er sprake is van groei (of krimp), waarbij het basisjaar 2016 op 100 is gesteld. Een score boven de 100 betekent groei sinds 2016, hoe hoger het indexcijfer, hoe beter.
gemeente Katwijk: Koningin Julianalaan 3, 2224 EW Katwijk, Postbus 589, 2220 AN Katwijk, website: www.katwijk.nl, (T) 071 - 406 5000, (F) 071 - 406 5065, IBAN: NL13BNGH0285120271, BIC: BNGHNL2G, KvK: 27.37.09.56 Op alle opdrachten zijn, tenzij anders overeengekomen, de algemene inkoopvoorwaarden leveringen en diensten gemeente Katwijk 2017 van toepassing. Deze zijn te raadplegen op www.katwijk.nl en www.overheid.nl
*3041581*
2/3
Ons kenmerk: Z
Tabel 1: indexering voor de 5 thema’s
Uitkomsten Index Stuwende kracht De index toont sterke regionale scores op de thema’s ‘kenniseconomie’, ‘ondernemerschap’ en ‘onderwijs’. De stuwende kracht hiervan is door de coronapandemie niet merkbaar aangetast. Kennis, zorg, onderwijs en innovatie zullen zich verder ontwikkelen als stuwmotor van de regio, met goed verzorgende bedrijvigheid en leisure als ondersteuning, aldus Bureau Blaauwberg. De vier thema’s van de Economische Agenda Katwijk 2021-2026 die onze koers bepalen, sluiten hier haarfijn op aan. Hieruit kan geconcludeerd worden dat gemeente Katwijk de focus legt op relevante thema’s. De volgende thema’s zijn vastgelegd in de Economische Agenda Katwijk: •
•
•
Innovatie aanjagen: De gemeente Katwijk ondersteunt ondernemers en brengt hen in verbinding met elkaar om daarmee innovatieve groei van de Katwijkse economie aan te jagen. De gelegde verbinding tussen UMV en Greenport om op een milieuvriendelijke manier met drones schadelijke insecten te bestrijden en de Regiodeal MKB zijn hier voorbeelden van; Starters faciliteren: De gemeente Katwijk biedt ondersteuning aan starters om de stap naar ondernemerschap te kunnen maken. De inzet van accountmanagement is hier een voorbeeld van; Onderwijs & Arbeidsmarkt: Een voorbeeld hiervan is het project ’t Klaslokaal in Katwijk aan
Zee. In de raadsinformatiebrieven Regionale Arbeidsmarkt (Z3129952) en Resultaten lokale acties Arbeidsmarkt en Onderwijs (Z3090120) wordt hier verder op ingegaan; •
Ruimte voor ondernemen: De gemeente versterkt het ondernemersklimaat en faciliteert ondernemers zo goed mogelijk. De inzet van accountmanagement en de intaketafel t.b.v. vergunningverlening zijn hier voorbeelden van.
Regiomarketing De index toont een regionale krimp op het thema ‘regiomarketing’. Dit komt mede doordat er nog geen actuele cijfers over bezoekersaantallen beschikbaar zijn. Daarnaast heeft de coronapandemie veel impact gehad. De gemeente Katwijk zet met de Economische Agenda in op het cluster Vrijetijdseconomie, waarbij de gemeente nauw samenwerkt met o.a. Leiden & Partners (Streek van Verrassingen) en inzet op kwalitatieve groei en geen massatoerisme. Daarnaast wordt in de Duin- en Bollenstreek de komende tijd gewerkt aan de ontwikkeling en implementatie van een regiobrand (regiomerk). Deze regiobrand moet onder andere gaan bijdragen aan de realisatie van de opgave om aantrekkelijke voorzieningen en een aantrekkelijke fysieke omgeving te behouden voor bewoners, bezoekers én bedrijven & instellingen. Ondernemerschap, onderwijs en talent Een belangrijk punt is het aantrekken en behouden van voldoende opgeleid personeel, zowel theoretisch geschoold als met name technisch talent op mbo 3 en 4 niveau. Daarnaast is er een grote behoefte aan stageplaatsen in de regio. Dit komt onder andere door de opmars van kleine bedrijven en de toegenomen werkdruk. Er is relatief veel MKB in de gemeente Katwijk. Dit vraagt om een brede kijk op ruimte voor werken, bijvoorbeeld in de vorm van wijkeconomieën.
De gemeente Katwijk heeft een grote woningbouwopgave, waarmee nieuwe arbeidskrachten kunnen worden aangetrokken en het regionale vestigingsklimaat verbetert. Ook wonen er veel mbo-geschoolden in de gemeente Katwijk. Hiermee levert de gemeente een belangrijke bijdrage aan het veerkrachtig houden van de
3/3
Ons kenmerk: Z
regio. De roep om stageplaatsen wordt een vast gesprekspunt van de gesprekken tussen de accountmanagers van de gemeente Katwijk en het bedrijfsleven. Samenwerking met kennisregio’s Het wordt steeds belangrijker om samen te werken met andere kennisregio's om interessant te blijven voor investeerders, bedrijven en jong talent. De 071-regio heeft massa nodig om succesvol te blijven. De kenniseconomie (incl. Life, Science en Health en Gezondheidszorg) is nu nog voornamelijk geconcentreerd in het BioSciencePark Leiden en Oegstgeest. De gemeente Katwijk zet samen met de regio in op de doorontwikkeling van topcampussen, werkt aan de accommodatie van 15 hectare kennisintensieve bedrijvigheid en de verbinding van alle kennisintensieve sectoren. Dit draagt bij aan het krachtiger maken van de Kennisas, inclusief onder andere het Bio Science Park, Unmanned Valley en Esa-Estec. Bruikbare inzichten De Index levert bruikbare inzichten op en houvast voor de toekomst. Het geeft ook de sterke veerkracht en flexibiliteit van bedrijven en organisaties in de regio weer. De komende periode zal binnen de Triple Helix van de Leidse regio verder ingegaan worden op de regionale opgaven die er liggen en de inzet en de rol van Economie071 daarin. Indien er relevante ontwikkelingen plaatsvinden dan stellen wij u hiervan op de hoogte.
Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Katwijk, de secretaris, de burgemeester,
mr. drs. R.T. Jie Sam Foek
ir. C.L. Visser
Index071 Jaargang 2022-2023
De Index071 is het economische monitoringsinstrument van de Leidse regio. Opgesteld door onderzoeksbureau Blaauwberg in opdracht van Economie071.
Rob Manders Aart van Bochove Fianne de Boer
22 mei 2023
2
3
Inhoudsopgave
1
Over de Index071
2
Index071 in vogelvlucht
3
Kenniseconomie
4
Ondernemerschap en starters
5
Onderwijs en talent
6
Intermezzo: 071 vergeleken
7
Vestigingsklimaat
8
Regiomarketing
4
Over de Index071 Wat is de Index071? De Index071 is een jaarlijkse update – sinds 2015 - over de economie van het 071-gebied: de gemeenten Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude. In dit gebied werken gemeentebesturen, kennisinstellingen en ondernemers samen in het ‘triple helix’ netwerk Economie071. De index is hun jaarlijkse ‘thermometer’. De update bestaat uit een dertigtal parameters waarvan de ontwikkeling (positief of negatief) per jaar wordt weergegeven. Door een wegingssystematiek van die 30 parameters mondt de index uit in een enkel getal. Zoals het in het publieke debat gaat: dat ene getal heeft een iconische waarde – iedereen vindt het mooi om zoiets ingewikkelds als een regionale economie in een enkel getal gevat te zien. Maar in de vormgeving en presentatie van de index wordt zorgvuldig gewaakt tegen ‘eendimensionaal’ gebruik. De verschillende parameters worden voorzien van een duiding en toelichting. Het voorbeeld voor de Index071 was ooit de Amsterdam City Index, de oudste in z’n soort en met hetzelfde bureau en dezelfde methode ontworpen als de Index071. Beide indexen delen drie beperkingen: •
Een index verwijst alleen naar zichzelf. Het grote voorbeeld van deze beperking is natuurlijk de reguliere beursindex. De periodieke verschuivingen zijn belangrijk en hebben een relatie met economie en samenleving buiten de beurs, maar ze vallen daar niet mee samen
•
Een regionale index maakt geen interregionale vergelijking mogelijk. Elke regio is weer anders. In de Amsterdam City Index, bijvoorbeeld, spelen de cruisevaart en het grootwinkelbedrijf een belangrijke rol. Die zijn in het 071-gebied helemaal niet aan de orde. Omgekeerd zou Amsterdam City niets hebben met een parameter over life science
•
De index071 brengt niet DE economie in kaart, maar alleen dat deel van de economie waarvan is afgesproken dat het onderdeel uitmaakt van de gezamenlijke beleidsinspanningen. Dat is overigens een heel groot stuk.
Tenslotte is het zaak om op te merken dat de index niet de beleidsinspanningen meet, maar het feitelijke verloop van de parameters. Corona, bijvoorbeeld, had niets met het beleid te maken, maar had wel invloed op de index. En in de toekomst kunnen we verwachten dat door vergrijzing en ontgroening het studentenaantal gaat teruglopen. Een parameter die zich negatief ontwikkelt, zegt niet dat het beleid niet klopt, maar dat er een noodzaak is voor analyse en urgentie. De index071 wordt altijd gepresenteerd als een cijfermatige uitkomst, inclusief een duiding en een verklaring.
Doel index De index dient sinds 2015 verschillende doelen. Het eerste doel is houvast bieden aan de deelnemers aan het regionale economisch debat. Je kunt met elkaar discussiëren op basis van gevoelens, observaties en krantenkoppen. Dat is volkomen 5
legitiem, maar de kwaliteit van een debat is gediend met pluriformiteit. Van meer perspectieven wordt een debat beter. En de Index draagt een empirisch-cijfermatig fundament aan voor uitspraken over de regionale economie. Het tweede doel is de veelzijdigheid van de economie in beeld brengen. Er verschijnen periodiek berichten over groei en stagnatie van de regionale economie op basis van een enkele parameter, zoals de toegevoegde waarde of de werkgelegenheid. Die berichten hebben niet meer waarde dan die van een dagafschrift voor een bankrekeninghouder: het is een weetje, meer niet. De index vervangt dit beeld door een mix van structurele en conjuncturele parameters. Met 30 parameters is er een behoorlijke balans tussen aan de ene kant veelzijdigheid en aan de andere kant eenvoud. Die beide waarden - pluraliteit en eenvoud - zijn wezenlijk in sociale statistiek. Daarmee is direct gezegd dat een doel van de index ook is het dempen van de emotionaliteit van het debat. Een slecht toeristisch seizoen is vervelend en kan tot veel onvrede onder ondernemers en consumenten leiden. Maar het tast de lange termijn perspectieven van een kenniseconomie niet aan. Een ander doel van de index is het signaleren van trends in het economisch debat. De afgelopen jaren is daar vaak de toelichting bij de index voor gebruikt.
Zo is bijvoorbeeld een kwalitatieve vergelijking tussen ‘kennisecosystemen’ in heel Europa aan de orde geweest en in het kielzog van de index gepubliceerd. In het beleidsdebat kwam de vraag op tafel wat het eigenlijk betekent wanneer het Leidse science complex tot de top-5 van Europa wil behoren. Hoe ziet die top eruit? Wie stelt hem vast? Of zijn dat zinledige vragen? De interregionale vergelijking leent zich niet voor een indexcijfer, maar het netwerk en de deskundigheid rondom de index maakten het wel mogelijk hier kwalitatief iets over te zeggen (met als uitkomst: het zijn inderdaad zinledige vragen...). Tenslotte is de index te beschouwen als een regionale bijdrage aan het debat over ‘brede welvaart’. Van verschillende kanten wordt betoogd dat het bruto nationaal product en het bruto regionale product onvoldoende zijn om de welvaart weer te geven. Er zijn meer parameters nodig. In oorspronkelijke vorm is het begrip ‘brede welvaart’ te herleiden tot het rapport ‘Our Common Future’ uit 1987, ook bekend als rapport van de commissie-Brundlandt. Dat rapport heeft geleid tot de breed geaccepteerde SDG’s, de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties. De Index071 is stellig geen finale regionale invulling van die SDG’s, maar is er wel een geloofwaardig begin van en Economie071 is een goed platform om het gesprek over verdere invulling te voeren.
Aanleiding voor een update De stuurgroep van Economie071 heeft de wens uitgesproken over een actualisering van de index te kunnen beschikken. Er wordt niet op voorhand uitgegaan van een breuk in stijl of inhoud, maar er zijn wel ‘going concern’ redenen om weer eens goed naar de index te kijken: •
De deelnemers aan Economie071 hebben ingestemd met een nieuwe samenwerkingsperiode, van 2023 tot en met 2026. Dat is een goed moment om te bezien of de doelen van het programma nog op een goede manier in de index aan de orde worden gesteld
•
Sowieso is een periodieke update geboden. Statistici zijn vanuit hun professie conservatief: je moet niet teveel veranderen, anders kun je niet meer vergelijken. Maar geleidelijke aanpassingen zijn altijd nodig
•
We leven – hopelijk – in de nadagen van een pandemie. De wereld ziet er in 2023 een stuk ‘volatieler’ uit dan in het coronavrije jaar 2019. Volatiel, in de zin van heftig en disruptief. In het verband van Economie071 is eerder gerapporteerd over het antwoord op een grillige en 6
onberekenbare buitenwereld, namelijk veerkracht of ‘resilience’: het toerusten van een regio niet op ‘objectief’ pieken, maar op het vermogen om tegenslagen op te vangen en kansen te benutten. Kan ‘veerkracht’ betekenis hebben voor de index? Hoe zijn we te werk gegaan? We hebben het volgende gedaan om tot een geactualiseerde index te komen. Het begint bij een inventarisatie van wat er aan cijfermateriaal voorhanden is. Het heeft geen zin om een ideaal vast te stellen aan cijfers die je wilt hebben als die gegevens er in de praktijk simpelweg niet zijn. De grote verwachtingen van ‘big data’, algoritmes en ‘artificial intelligence’ ten spijt; niet alles wordt gemeten of is in een publicabel cijfer bekend. De belangrijkste dataleveranciers voor het publieke debat zijn over het algemeen nog steeds de bekende en betrouwbare instituties, het CBS voorop. Ieder beschikbaar cijfer toetsen we vervolgens aan een aantal criteria. • • • • • •
•
Er moet een relatie zijn met het beleidsprogramma van Economie071 Ze moeten uit een stabiele bron – betrouwbaar en niet-eenmalig - komen, die ook in volgende jaren actueel is en vergelijking tussen jaarscores mogelijk maakt Het moet om echte tellingen gaan, niet om enquêtes over gevoelens en niet om zeggedrag Ze moeten valide zijn, meten wat je wilt meten Ze moeten zoveel mogelijk publiek toegankelijk zijn, de lezer moet kunnen volgen waar de cijfers vandaan komen Ze moeten plausibel zijn en zich lenen voor een duiding en verklaring. Volkomen verrassende cijfers waar geen navolgbare verklaring voor is, moeten terzijde worden geschoven: ze hebben vermoedelijk meer met meetfouten of definitiefouten te maken dan met echte empirische inzichten Ze moeten betekenis hebben, in de zin dat ze zeggingskracht hebben in het economisch debat.
Deze exercitie heeft geleid tot een eerste proefopstelling die is getoetst bij de partners van Economie071. Dat heeft geleid tot een aantal toevoegingen op dit technische raamwerk. Vervolgens hebben we alle parameters van een weging voorzien. Niet iedere parameter wordt immers als even belangrijk ervaren. Kennis hebben over het aantal internationale studenten in de regio is prettig, maar voor de stand van de regio-economie is zoiets basaal als de banengroei van meer importantie. Die weging is niet een kwestie van het toepassen van een mathematisch model, daarmee zou de index te veel een studieus ding worden. Bovendien bestaat er niet zoiets als een geobjectiveerde weging, iedere keuze leent zich voor discussie. We hebben gekozen voor een weging door twee expert-groepen met in totaal 25 personen. De eerste groep bestond uit regio-experts met vertegenwoordiging vanuit de verschillende bloedgroepen van Economie071. Gevolg door een groep externe experts – uit bovenregionale verbanden of zuster-regio’s - die met enige afstand naar de regio kijken. In de sessies hebben we uitvoerig nut en noodzaak van de verschillende parameters besproken. En ook hier zijn suggesties gedaan voor nieuwe cijfers, die – indien beschikbaar – in de index thuis horen. Aan het einde van beide sessies is het totale raamwerk voorzien van een weging.
We hebben tot slot de cijfers ingevoerd en het geheel voorzien van analyse en duiding.
7
De belangrijkste wijzigingen
De actualisatie heeft geleid tot de volgende wijzigingen in het raamwerk. •
Het basisjaar is opgeschoven naar 2016, een technische reden is dat de databestanden vaak niet verder terug gaan. En sowieso is het goed om de grens zo nu en dan weer te verleggen, we hebben gewoon niet zo’n goed beeld meer van hoe het tien jaar geleden was. Een terugblik tot pak ‘m beet acht jaar is misschien wel lang genoeg.
•
Het aantal mandjes is teruggebracht naar vijf, ze vallen min of meer samen met de thema’s die Economie071 hanteert in haar beleidsprogramma. De indeling sluit bovendien goed aan op de selectie van parameters. Natuurlijk houd je altijd een paar twijfelgevallen over, de parameter ‘energietransitie bedrijven’ is nu toegeschreven aan vestigingsklimaat al voelt dat een tikje oneigenlijk. Maar grosso modo corresponderen mandjes en parameters aardig met elkaar.
•
De volgende parameters zijn nieuw dan wel sterk gewijzigd ten opzichte van de vorige editie o Banen clustereconomie: toevoeging van drones en space o Bedrijven clustereconomie: idem o Bedrijvigheid hightech en kennisbedrijven: suggestie expertgroepen o Aantal banen per 100 leden beroepsbevolking: suggestie uit coördinatiegroep o Banendichtheid bedrijventerreinen: suggestie uit coördinatiegroep o Toegevoegde waarde 071 regio (ipv corop): suggestie expertgroepen o Aantal mbo gediplomeerden niveau 3 en 4: suggestie expertgroepen o Wijkeconomie (ook wel ’15 minuten economie’): suggestie coördinatiegroep o Omzet uit Koopstromenonderzoek toegevoegd aan parameter retail: suggestie stuurgroep o Percentage kantoorpanden met energielabel vanaf A: suggestie expertgroepen
Een één op één vergelijking van deze index met de vorige edities is om deze methodische wijzigingen niet goed mogelijk. Alleen al de keuze voor een ander basisjaar leidt immers tot flinke afwijkingen in de getallen. Maar ondanks die verschillen zal de geharnaste index-lezer ook veel van de inhoud herkennen uit de vorige edities. Dat is ook niet zo vreemd. We volgen immers de structuur van de economie en een aantal terugkerende variabelen. Het is bovendien een erkenning van de koersvastheid van Economie071. De reeks aan programma’s en projecten is gevarieerd maar de achterliggende lange termijnstrategie is intact gebleven. Het gaat nog steeds om innovatie, kennis, jonge mensen en ondernemerschap.
8
Index071 in vogelvlucht De index meet de ontwikkeling van 29 parameters die een relatie hebben met de agenda van Economie071. Per parameter komen we tot een indexcijfer die de groei (of krimp) sinds basisjaar 2016 meet. Een score boven de 100 betekent groei sinds 2016, hoe hoger het indexcijfer, hoe beter. In onderstaande matrix staan de indexscores van de vijf verschillende thema’s. De afzonderlijke scores van alle 29 onderliggende parameters zijn in het vervolg van dit rapport te vinden. De definities en bronvermelding per parameter staan in de bijlage.
Weging in Index
2016
2020
2021
2022
Kenniseconomie
22%
100
116
121
126
Ondernemerschap en starters
24%
100
108
109
111
Onderwijs en talent
26%
100
116
119
121
Vestigingsklimaat
18%
100
96
98
103
Regiomarketing
10%
100
88
87
91
Index071
100%
100
107
110
113
Thema’s
Het is eerder betoogd: we leven in ‘volatiele’ tijden. Het komt nu aan op ‘resilience’. In het Nederlands: heftige tijden, grote schommelingen. Die vragen om veerkracht. Corona kwam als een dief in de nacht en bleef lang hangen. Toen de wereld weer open ging, was er geen tijd om rustig de schade op te nemen. Er begon een oorlog, met in het kielzog een energiecrisis. Inflatie. Een wooncrisis. En inmiddels kunnen we ook van een vacaturecrisis spreken: tal van economische activiteiten komen niet van de grond, omdat er geen mensen zijn om ze uit te voeren. Er is koopkracht genoeg voor de industrie en de horeca; maar dan moet je wel de mensen hebben om te produceren en te bedienen. Voor talloze publieke doelen geldt hetzelfde. Onderwijs, zorg, gemeentebesturen, de energietransitie ... geld genoeg, maar geen mensen te vinden om het werk uit te voeren. Alleen veerkrachtige bedrijven en organisaties gaan dit overleven: organisaties met een sterke basis, die berekend zijn op tegenslagen en wendbaar en getalenteerd genoeg zijn om kansen te benutten. En dat op een stabiele basis voor de langere termijn. De Index071 is een instrument om te beoordelen hoe het gebied er in dat opzicht voor staat. De index draagt materiaal aan over de onderliggende structuur – aantallen bedrijven, aantallen 9
hoogopgeleiden, innovatief vermogen; over de wendbaarheid en het benutten van kansen – aantallen ‘internationals’, aantal startende ondernemingen; en ook over het reguliere beleid – de manden over vestigingsklimaat en regiomarketing. ‘Regulier’, in de zin dat bijna elke streek of gemeente in Nederland zich met deze twee ‘manden’ bezig houdt. Daarmee komen we direct op een opvallende conclusie. De index landt dit jaar op 113 punten, een vooruitgang met 13 punten ten opzichte van het peiljaar 2016. Maar die vooruitgang zit niet in die twee ‘reguliere’ manden vestigingsklimaat en regiomarketing. De winst komt volledig voor rekening van drie regiospecifieke manden ‘kenniseconomie, ondernemerschap en onderwijs. Op zich is dat geen nieuws. In 1990 was 071 economisch een wat kleurloos gebied. De centrumstad Leiden was herstellend van een diep trauma, namelijk het verdwijnen van de industrie. De middenklasse had de stad verlaten en was in de suburbane gemeenten elders in het gebied neergestreken. Maar niet om te werken, alleen om te wonen. 071 was feitelijk een woon- en forensengebied in dienst van de Haagse agglomeratie. Voor sommige delen van het gebied gold dat letterlijk. Het is weinig bekend, maar de Leidse Merenwijk – ooit woonoord voor 20.000 mensen – was bestemd voor de Haagse en niet voor de Leidse of regionale woningbehoefte. In 30 jaar tijd is dat radicaal veranderd.
Naast de universiteit is eerst een compleet onderwijspakket gegroepeerd, met hbo en mbo. Daaromheen is een sciencepark ontstaan met kennisgerelateerde bedrijvigheid, met een hoog en duurzaam verdienvermogen. Wat we de laatste jaren zien, is dat het ondernemerschap zich als een derde schil is gaan ontwikkelen. Steeds meer kleinere en startende ondernemingen. De dynamiek uit dit cluster van kennis en bedrijven beïnvloedt een steeds groter deel van de regio. De index wordt dus voortgeduwd door drie regiospecifieke manden. We kunnen de conclusie ook omdraaien. Zonder wending naar kennis als drager van de economie, was 071 nog steeds een wat gezichtloos woongebied geweest, met een bescheiden verzorgende economie en wellicht wat bezoekerseconomie rondom de toeristische attracties. De stuwende kracht van de manden kenniseconomie, ondernemerschap en onderwijs is door de coronapandemie niet merkbaar aangetast. Dat is een mooi teken. Naarmate steeds minder arbeid nodig is voor de productie van industriële goederen en voedsel, neemt het gewicht van ‘mensgericht werk’ in de economie toe. Daar passen de sectoren onderwijs en zorg bij uitstek bij. Bij de voorbereiding van deze editie van de index is de vraag gesteld of 071 te vergelijken is met andere kennisclusters. Die vraag is niet een-twee-drie te beantwoorden: elke regio is weer anders. En alle grenzen van een regio zijn arbitrair.
Wat langzamerhand wel duidelijk begint te worden, is dat kennisregio’s op elkaar beginnen te lijken. Verhuisbewegingen, cultureel klimaat, verdienvermogen en zelfs electorale uitkomsten vormen steeds meer bruggen tussen 071, GrootAmsterdam, Utrecht, Centraal-Groningen, Nijmegen en gebieden over de grens, zoals de Vlaamse Ruit. Het blijft in volatiele tijden hachelijk om de toekomst te voorspellen, maar als er geen majeure rampen gebeuren, zullen kennis, zorg, onderwijs, onderzoek en technologische innovatie zich in deze gebieden verder ontwikkelen als stuwmotor van de regio, met goede verzorgende bedrijvigheid en leisure als ondersteuning. Ze dragen gezamenlijk een risico. Kennis is een menselijk product. Het krijgt waarde door ‘zachte’ factoren als vertrouwen in wetenschap, nieuwsgierigheid naar wat er voorbij de horizon ligt, bereidheid tot samenwerking en hoge verwachtingen van het onderwijs. Zodra het draagvlak – regionaal en nationaal – onder het vertrouwen in dit soort waarden wegvalt, is het verdienmodel van het gebied kapot.
10
Kenniseconomie Binnen het thema ‘kenniseconomie’ brengen we de economische ontwikkeling van het bètacluster (life sciences& health, space/drones) in kaart en de banengroei in andere kennisintensieve bedrijven. ‘Kenniseconomie’ bestaat uit zes parameters. Per parameter wordt de groei of daling conjunctureel gemeten waarbij wij 2016 als basisjaar nemen. De cijfers worden als indexcijfers uitgedrukt. De parameters krijgen ieder een gewicht mee en dat leidt tot een gecombineerd indexcijfer van het thema.
Gewicht
2016
2020
2021
2022
Werkzame personen in kennisclusters (Bio Science Park en Space/drones)
18%
100
107
111
116
Aantal bedrijven in kennisclusters
17%
100
144
154
169
R&D budgetten
20%
100
127
130
.
Studenten bèta en zorg
21%
100
113
115
113
Academische reputatie
10%
100
103
106
108
Kennisintensieve bedrijvigheid
15%
100
107
108
113
100
116
121
126
Kenniseconomie
Leiden is een ‘knowledge hub’. Het wordt ook steeds meer een echte ‘071 hub’. De uitbreiding van het sciencepark ten westen van de A44 – in de gemeente Oegstgeest –is in enkele jaren tijd goed zichtbaar geworden. Er wordt volop gesproken over een verdere uitbreiding ten zuiden van de N206, in de gemeente Katwijk. En dat is dan alleen nog maar de ruimtelijke gedaante. De motorfunctie van het sciencepark voor de regionale economie is goed zichtbaar in de index. Het eindcijfer – een klim naar 126 indexpunten in 2022 ten opzichte van het ijkjaar 2016 – duidt op een stabiele groei. Er zijn wel enkele meer specifieke opmerkingen te maken: •
Voor het eerst tellen dit jaar ook werkzame personen en bedrijven in space en drones mee. We doen dat wel met een zekere aarzeling. Life science (Leiden), drones (Katwijk) en space (Leiden/Noordwijk/Delft) kennen elkaars bestaan natuurlijk, maar er is nog niet echt sprake van een samenhang. Als ze praten, is dat goeddeels in de sfeer van kennismaken en nog niet in de sfeer van co-creatie en samenwerking in zaken als onderwijs, personeel en marketing. Ook technologisch moeten space en drones hun basis nog in de regio vinden. De kennisrelatie ligt op dit moment vooral met Delft en andere universiteiten. We moeten 11
afwachten hoe de clusters zich tot elkaar verhouden: volledig los van elkaar, op weg naar integratie of iets daar tussen in. •
Betekenisvol is de grote spurt van het aantal bedrijven. Onder de Nederlandse scienceparken gold Leiden altijd al als bijzonder – zelfs jaloezie wekkend – omdat er zoveel commerciële bedrijvigheid was. Leiden heeft echt een bedrijventerrein, met geïntegreerde kennisinstituten (UL, HSL, LIS). De andere scienceparken zijn wat meer een campus met toegevoegde bedrijvigheid. De ‘Leidse’ kwaliteit staat er met een index score van 169 goed voor. De groei van het aantal bedrijven gaat veel harder dan de groei van het aantal werkzame personen. Dat is op zich een teken van ‘progressiviteit’: steeds meer kleinere bedrijven voegen diversiteit en veerkracht toe.
•
Goed nieuws is ook dat het aantal studenten bèta en zorg sinds 2016 gegroeid is. In een kenniseconomie zijn jonge, goed opgeleide mensen het belangrijkste en steeds schaarser wordende kapitaal. In onze vergrijzende samenleving zijn steeds meer problemen en steeds meer hardnekkigheid van problemen terug te voeren op een tekort aan dat kapitaal. Een sterk cluster is toegerust om de concurrentie voor dat kapitaal aan te kunnen. Een kanttekening bij dit goede nieuws is dat in het hbo en met name mbo de aantallen beginnen terug te lopen. De toestroom van de zo gewenste technici en lab specialisten uit eigen opleidingsinstituten droogt steeds meer op.
•
De groei van de kenniseconomie is ook buiten de gevestigde clusters zichtbaar. Onder de noemer ‘kennisintensieve bedrijvigheid’ monitoren we de banen- en bedrijvengroei van hoogopgeleide sectoren: hightech industrie, IT bedrijven en specialistische zakelijke dienstverlening.
Als we proberen de vakliteratuur over economische clusters te volgen, dan stuiten we wel op enkele kritische vragen. De eerste is dat je een cluster niet alleen meer moet ‘determineren’ op z’n lokale presentie, maar ook op z’n kracht om in een keten te functioneren. 071 is, met andere woorden, niet alleen afhankelijk van wat hier gebeurt, maar ook van het vermogen om vanuit 071 samen te werken met Den Haag, Delft, Rotterdam, de Vlaamse Ruit, Duitse en Engelse locaties. Naarmate de schaarste aan personeel acuter wordt, worden de schakels in de ketting belangrijker. Als de Leidse regio niet in staat is om op eigen kracht in de behoefte aan specialistische kennis te voorzien, kan dan gebruik gemaakt worden van kennis en capaciteit elders in de keten? In het verlengde van deze vraag ligt de kwestie van internationalisering. Het maatgevende cluster in Nederland - dat van Brainport Eindhoven – kan niet meer zonder een gestage instroom van technisch talent uit Zuid-Azië. Brainport kon wel eens het voorland van 071 zijn. 071 heeft een groot en direct belang bij open grenzen en internationalisering. Een tweede vraag is de omvang van het cluster.
In 2022 hebben we als nevenproduct van de index een overzicht opgeleverd van ‘knowledge hubs’ elders in Europa, inclusief een overzicht van de verschillende samenwerking strategieën (het rapport is zowel in het Nederlands als in het Engels beschikbaar). Dat rapport droeg signalen aan dat er een soort natuurlijke grens is voor de omvang van een cluster. Boven de 30.000 arbeidsplaatsen lijken clusters de neiging te hebben zich op te splitsen, of satellieten te vormen. Mogelijk is 30.000 arbeidsplaatsen (plus hun organisaties en instituten en infrastructuur) een maximumomvang van wat je nog kunt overzien. Per slot van rekening blijft een cluster mensenwerk: je moet elkaar kunnen ontmoeten. 071 is dat mogelijke 12
maximum aan het benaderen. Dat zou beteken dat we over enkele jaren moeten stoppen met het succes van het cluster in de huidige parameters te beschrijven. We zouden dan moeten kijken naar ketenkracht, satellietvorming of wat ook.
Over de groei van het Leiden Bio Science park
De hub van het kenniscluster in de regio, het Leiden Bio Science Park (LBSP), is in 2022 onverminderd doorgegroeid. Noemenswaardige nieuwe aanwinsten zijn MIDA Biotech, een bedrijf dat zich specialiseert in gen- en celtherapie, en het Amerikaanse Bristol Myers Squibb, één van de grootste farmaceutische bedrijven ter wereld. Het LBSP verwacht de groei ook de komende jaren door te zetten. Waar er nu zo’n 20.000 mensen werkzaam zijn, wordt er verwacht dat het park in 2027 goed is voor 27.000 tot 30.000 banen. De zoektocht naar de mensen om deze vacatures te vullen is een belangrijk aandachtspunt. Er is een speciale Human Capital Agenda opgesteld, en vanuit het Innovation Quarter is er ook een International Talent Program en een “Zuid Hollands Job Board” gecreëerd met het doel meer internationaal talent aan te trekken.
Het LBSP breidt met de huidige groei ook zijn expertise uit. Het grootste deel van de bedrijven valt nog steeds onder Life Science & Health, maar het park omarmt nu ook twee andere sectoren: biodiversiteit en “space”. De ontwikkeling van de space sector vindt echter vooral plaats op een andere plek in de regio, namelijk de Unmanned Valley in Valkenburg. Dit “field lab” voor het uittesten van drones en andere sensor technologie is opgericht in 2020 als samenwerking tussen de gemeente Katwijk en de Universiteit Delft. Nu zijn er 18 bedrijven gevestigd en kunnen ook studenten van de universiteit, HBO of MBO hun producten hier testen. Het doel van de Unmanned Valley is ambitieus: uitgroeien tot dé Europese hotspot voor sensor technologie en werkgelegenheid bieden aan meer dan 1000 mensen.
13
Ondernemerschap en talent Het thema ondernemerschap en talent bestaat ui zes verschillende parameters. We meten per parameter de groei of daling ten opzichte van het basisjaar 2016 en drukken dit in indexcijfers uit. De scores van de gewogen parameters tellen we bij elkaar op om te komen tot het algehele indexcijfer voor het thema.
Gewicht
2016
2020
2021
2022
Aantal banen per 100 leden beroepsbevolking
21%
100
101
102
101
Aantal starters
16%
100
130
136
141
Aantal banen zzp en kleinbedrijf
9%
100
121
125
129
Aantal banen mkb
16%
100
97
98
99
Banendichtheid bedrijventerreinen
19%
100
98
97
95
Toegevoegde waarde
19%
100
107
113
.
100
108
109
111
Ondernemerschap en talent
De indexmand ‘ondernemerschap en talent’ maakt een goede ontwikkeling door. Dat is op zich goed nieuws, als we bedenken dat het normale proces van start, groei, stabilisatie en beëindiging van bedrijven nog steeds last heeft van de naweeën van de coronacrisis. Zo zijn er nog grote belastingschulden op te lossen. Toch is de nieuwswaarde van deze index wat anders. Dat wordt door de net wat andere samenstelling van deze mand met parameters duidelijk. Het aantal banen per 100 leden van de beroepsbevolking groeit niet. Maar het aantal startende ondernemingen en kleinbedrijven groeit juist spectaculair. Er vindt, met andere woorden, een herverdeling van de beschikbare arbeidskracht plaats: van bestaande bedrijven naar nieuwe, kleine en startende bedrijven. Gezien het tempo waarin dat gebeurt, lijkt het op een complete generatiewisseling. Er kunnen twee dingen aan de hand zijn: •
De late babyboomers naderen hun pensioendatum en beëindigen hun bedrijven. Er zijn wel wat overnames, maar voor veel bedrijven geldt toch dat pensioen van de eigenaar ook einde bedrijf betekent. De generatiewisseling gaat schoksgewijs: de vertrekkende generatie was ook wel erg groot. Maar het is op zich een ‘natuurlijk’ verschijnsel.
•
Er is sprake van een uittocht uit loondienst. Het is een bekend patroon onder kenniswerkers: professionele autonomie is een belangrijke waarde. Ze laten zich moeilijk 14
managen, althans op de klassieke manier. In Amsterdam is deze ontwikkeling al eerder zichtbaar. Die stad is hard op weg naar een beroepsbevolking die voor een derde deel bestaat uit zelfstandigen en micro-ondernemers, doorgaans goed geschoold en in creatieve beroepen. Wellicht dat 071 diezelfde kant op gaat. Het kan natuurlijk ook om een combinatie van oorzaken gaan. De gevolgen zijn wellicht ingrijpend, ook voor het samenwerkingsverband Economie071 zelf. Dat verband gaat nu nog uit van ondernemersverenigingen met een vertegenwoordigende status en met een bedrijfsleven dat in staat is tot articulatie van opinies en belangen. Maar hoe moet dat met een universum van kleine ondernemingen? Hoe waarborg je de kennis, de woordvoering namens de bedrijven, hoe zorg je voor zichtbaarheid van bedrijven in aanbestedingen?
Aantal banen ‘grootbedrijf’ Een andere relevante factor is het aantal banen bij grotere bedrijven en instellingen (vanaf 250 werkzame personen). We hebben deze parameter niet opgenomen i.v.m. de stabiliteit – een besluit van één groot bedrijf kan al van flinke invloed zijn op het indexcijfer – en omdat het wat verder wegstaat van de agenda van Economie071. Toch is het wel interessant om de ontwikkeling in deze categorie te volgen. We presenteren de cijfers over 2016 tot en met 2022. In totaal werken er ruim 38.000 personen bij een grotere organisatie, dat is iets minder dan 29% van het totaal. Daarmee werken er in 071 minder mensen in de categorie ‘grootbedrijf’ dan onder de zzp en microbedrijven. Het aantal neemt licht toe met 4% tussen 2016 en 2022.
Aantal werkzame personen grootbedrijf
2016
2020
2021
2022
37.231
37.609
38.076
38.640
15
Onderwijs en talent Het thema ‘onderwijs en talent’ bestaat in deze Index uit zes verschillende parameters. We meten per parameter de groei of daling ten opzichte van het basisjaar 2016 en drukken dit in indexcijfers uit. De scores van de gewogen parameters tellen we bij elkaar op om te komen tot het algehele indexcijfer voor het thema.
Gewicht
2016
2020
2021
2022
Aantal studenten
22%
100
113
115
113
Aantal internationale studenten
10%
100
183
203
213
Aantal hoogopgeleiden
21%
100
116
120
122
Gediplomeerden mbo
12%
100
104
110
.
Omvang beroepsbevolking
22%
100
103
105
107
Stagemarkt mbo
12%
100
91
99
97
100
116
119
121
Onderwijs en talent
Geoefende lezers van de index zullen deze mand herkennen. Het gaat goed met de onderwijsfunctie van het gebied, met de kanttekening dat de stagemarkt voor mbo-studenten onder druk staat. Dat is al jaren zo. Maar er is wel iets gaande. Om met dat laatste te beginnen: de stagemarkt voor mbo’ers is niet onbeweeglijk. Intensieve marktbewerking kan zeker resultaten opleveren. Maar het tij zit tegen. Dat heeft met tenminste twee factoren te maken: •
Door de schaarste aan arbeid zijn de werkdruk en het tempo in veel bedrijven zeer hoog. Er is nauwelijks tijd om stagiaires te begeleiden. In het mbo zelf zijn geluiden dat er wellicht weer simulatiebedrijven moeten komen, om het tekort aan stageplekken op te vangen. Dat zou jammer zijn: de simulatiebedrijven zijn opgeheven omdat ‘gaan voor het echie’ veruit de betere stagestrategie is.
•
Het lijkt er op dat er een schaalverkleining van bedrijven aan het plaatsvinden is. Allemaal nieuwe en kleine bedrijven, als gevolg van de elders in deze index gesignaleerde generatiewisseling. Dat is zeker een teken van economische vitaliteit. Maar in kleine bedrijven is het minder eenvoudig om te voldoen aan de eisen voor een stage-omgeving.
Dan de andere parameters. De stijging van de parameter ‘omvang beroepsbevolking’ van 7 indexpunten in zes jaar lijkt bescheiden, maar is in het licht van de vergrijzing een mooie opbrengst. 16
Het aantal mensen dat zich voor werk aanbiedt, blijft maar stijgen. Het lijkt bijna een mobilisatie: alles en iedereen die nog een beetje kan werken, biedt zich ook aan. De laatste berichten zijn dat de stijging met name bij de 55-plusers zit. Pensioendata worden uitgesteld. Landelijk gezien is het beeld dat de populaties voor mbo en hbo niet meer groeien, of zelfs krimpen. Aan de ‘randen van het land’ wordt een daling van de mbo-populatie verwacht tot zelfs 40%. In de Randstad is dat minder (in de 071-regio groeit het aantal gediplomeerden mbo’ers nog steeds), maar dat er een daling gaat optreden, is wel zeker. Ook de hbo-populatie stabiliseert en zal gaan teruglopen. Alleen de wo-populatie groeit nog en het lijkt er op dat dat grotendeels met de internationalisering te maken heeft. Mbo’ers en hbo’ers zijn simpelweg te jong om al massaal de grens over te gaan, wo-studenten doen dat wel. Bovendien is er minder Engelstaligheid in het mbo en hbo. De stijging van het aantal studenten met 13 indexpunten sinds 2016 is een teken dat 071 z’n marktaandeel goed heeft kunnen vasthouden. Maar de parameter ‘internationale studenten’ wijst er op dat de internationalisering daarvoor cruciaal is. Er is op dit moment veel te doen over de internationalisering van het universitair onderwijs: te veel congestie in de collegezalen, te grote druk op de woningmarkt.
Vanuit de index valt alleen maar te zeggen: pas op met het afremmen van de internationalisering. Zonder de ‘internationals’ gaat het zelfs in het bloeiende 071-gebied stil worden. Opmerkelijk is de voortgaande stijging van het aantal hoogopgeleiden. Het aantal hoogopgeleiden is in heel Nederland snel gestegen, gemiddeld met 0,7% per jaar. Structuur en competenties van de beroepsbevolking en van de economie zijn in twintig jaar grondig veranderd. Met name Leiden en Oegstgeest zijn al hoogopgeleide gemeenschappen, vergelijkbaar met Amsterdam, Utrecht en Groningen. Het indexcijfer van 122 geeft aan dat die stijging nog volop aan het doorrollen is.
Vacaturemarkt Bij de opmaak van deze Index is de suggestie gedaan om een cijfer over de vacaturemarkt op te nemen. Dat is om een aantal redenen lastig. •
•
•
Er zijn geen betrouwbare metingen. Vacatures worden niet centraal geregistreerd. Er zijn wel schattingen op basis van het aanbod op diverse vacaturewebsites. Maar die zijn slechts beschikbaar op provinciaal niveau of hoogstens voor de arbeidsmarkt ‘Holland Rijnland’ (071, Alphen en omgeving, en Bollenstreek). Het aanbod aan vacatures is een steeds matigere voorspelling van de vraag naar arbeid. Veel bedrijven hebben zoveel moeite om personeel te vinden dat er geen pogingen meer worden gedaan om dat in aparte vacatures te kwantificeren. De boodschap is steeds vaker dat iedereen met een relevant diploma direct kan beginnen. Er zijn zelfs bedrijven die overgaan tot ‘open hiring’, iedereen met motivatie en gezonde arbeidsethos is welkom. De noodzakelijke competenties kunnen ter plaatse worden aangeleerd of via eigen onderwijsmodules. Voor een opname in de index is de vraag; wanneer is een ontwikkeling goed of niet goed voor de regio? Een toename van het aantal vacatures is over het algemeen een teken van economische voorspoed…het heeft weer zin om te investeren in personeel. Maar bezien vanuit de huidige krapte kan je net zo goed andersom redeneren. Minder vacatures zou kunnen betekenen dat de bedrijven hun vraag naar capaciteit beter weten in te vullen (maar nogmaals, dat hoeft dus niet zoals hierboven betoogd).
Maar dat leidt weer tot rare sprongen in de Index, de coronapandemie zou een substantiële stijging van deze parameter betekenen
Desondanks is het wel goed om de ontwikkelingen op de vacaturemarkt te volgen. Hieronder twee figuren afkomstig van het UWV: het geschatte aantal vacatures (openstaand en nieuw aangeboden) en de spanningsindicator op de arbeidsmarkt. Beide cijfers hebben betrekking op de regio Holland Rijnland.
17
Eerst de vacatures: het UWV noteert een flinke stijging vanaf pandemiejaar 2020. De piek ligt in het tweede kwartaal van 2022 met 12.650 vacatures. Maar eind 2022 noteren we nog steeds 10.500 baanopeningen.
Dan de spanningsindicator, een cijfer om de krapte op de arbeidsmarkt uit te drukken. Het aantal vacatures wordt hier gedeeld door het aantal mensen dat korter dan 6 maanden WW ontvangt. Al in 2019 was er sprake van een krappe arbeidsmarkt, meer baanopeningen dan beschikbare mensen om ze in te vullen. We zien het effect van de pandemie, maar al vanaf begin 2021 neemt de krapte weer snel toe. Het gehele jaar 2022 is er sprake van een ‘zeer krappe’ arbeidsmarkt, zowel in Holland Rijnland als de rest van het land.
De lijst aan beroepsgroepen met een zeer krappe arbeidsmarkt is groot. Hieronder een selectie die duidelijk maakt dat de krapte in alle sectoren speelt, op wo, hbo en mbo niveau. Elektriciens en elektronicamonteurs Elektrotechnisch ingenieurs Ingenieurs (geen elektrotechniek) Gespecialiseerd verpleegkundigen Laboranten Leidsters kinderopvang Leerkrachten basisonderwijs Loodgieters en pijpfitters Machinemonteurs
Managers productie Managers detail- en groothandel Managers ict Managers zorginstellingen Medisch praktijkassistenten Overheidsambtenaren Productieleiders industrie en bouw Productiemachinebedieners Schoonmakers
18
Sociaal werkers Software en applicatieontwikkelaars Specialisten hr Technici bouwkunde en natuur Timmerlieden Transportplanners Verpleegkundigen mbo Verzorgenden Vrachtwagenchauffeurs
Intermezzo: 071 vergeleken Tijdens de voorbereiding van deze index editie is gevraagd naar een vergelijking van 071 met andere gebieden. Die vraag is veel ingewikkelder dan hij lijkt. We laten die ingewikkeldheid hier voor wat hij is. In 2022 publiceerde Economie071 de notitie ‘Lokaal en mondiaal in de kenniseconomie’ (ook beschikbaar in het Engels), waarin uitvoerig op de theorievorming achter ‘knowledge hubs’ wordt ingegaan. Daarin is veel materiaal voor overweging en discussie samengebracht. We laten het in deze paragraaf bij twee eenvoudige statistische oefeningen, die toch een vergelijkend perspectief bieden. •
We zoeken de vergelijking in de 11 universiteitssteden die Nederland telt. Op zich een arbitraire keuze, maar om mee te beginnen niet verkeerd. En we beperken de vergelijking tot slechts een enkele parameter: het aantal hoogopgeleiden.
•
We vergelijken 071 op drie centrale ‘veerkracht’ parameters met acht andere kennisregio’s. Daaronder ook de regio’s Groot-Amsterdam (inclusief Haarlemmermeer met Schiphol), Utrecht (de gehele provincie) en Brainport Eindhoven (21 gemeenten in Zuidoost Brabant). Dat laat direct zien, ook deze keuze is nogal arbitrair. Want wat kwalificeer je nog als regio, en wat zegt zo’n vergelijking tussen groot en klein precies. Toch is ook dit geen onlogisch startpunt, we houden ons aan de gegeven statistische indelingen – corop regio’s – zoals die al sinds 1970 gangbaar zijn. Alleen voor 071 maken we een uitzondering, anders zouden we de bollenstreek erbij moeten nemen en dan is de relatie met de agenda van 071 wel heel diffuus aan het worden.
Eerst de interstedelijke vergelijking op de parameter hoogopgeleiden. Hoogopgeleid ben je volgens internationale statistische criteria met een diploma van hbo of wo. Universiteitssteden hebben dus niet per se veel hoogopgeleiden: studenten hebben nog geen diploma en tellen als middelbaar opgeleid. De begrippen hoogopgeleid en laagopgeleid worden in sommige politieke documenten ingeruild voor theoretisch en praktisch. Dat is voor een statistische redenering niet verhelderend. In de internationale beroepenclassificatie telt een registeraccountant als praktisch opgeleid en een cardioloog als zowel praktisch als theoretisch opgeleid. De begrippen praktisch en theoretisch slaan op de beroepsinhoud. Een beter alternatief zou zijn kort opgeleid, middelbaar opgeleid en lang opgeleid. Want daar komt het eigenlijk op neer: hoeveel onderwijs wil je aanbieden? Uit allerlei onderzoek blijkt dat een langere onderwijsloopbaan goed is voor zowel het individu als de samenleving. Hoe dan ook: het doel van nationale overheden – ook die van Nederland- is om op termijn over een beroepsbevolking te beschikken met tenminste 50% hbo- en wo-gediplomeerden. De achterliggende gedachte is heel simpel: hoogopgeleiden (of langopgeleiden) hebben meer verdienvermogen, een betere gezondheid, een langere levensverwachting en een veel kleinere kans op werkloosheid of sociale afhankelijkheid dan laagopgeleiden.
Het verhogen van het opleidingsniveau is om die reden lange tijd (en nog steeds) een doel op zich geweest. De strategie werkt ook: het gemiddeld opleidingsniveau van de Nederlandse beroepsbevolking blijft maar stijgen, en parallel daarmee de welvaart en de levensverwachting. We gaan er daarom vanuit dat het aantal hoogopgeleiden een legitieme en veelzeggende parameter is in interstedelijke en interregionale vergelijkingen. 19
Hieronder maken we de beweging duidelijk binnen de 11 universiteitssteden. Aantal hoogopgeleiden 2005
Aantal hoogopgeleiden 2012
Aantal hoogopgeleiden 2022
Amsterdam
46
55
61
Delft
46
44
52
Eindhoven
39
42
51
Enschede
25
31
40
Groningen
47
51
52
Leiden
50
54
56
Maastricht
36
42
45
Nijmegen
50
53
57
Rotterdam
30
37
47
Tilburg
32
38
40
Utrecht
53
60
68
Alle universiteitssteden hebben potentieel veel hoogopgeleiden, vanwege de studenten. Maar de verschillen tussen de steden zijn toch groot. Dat heeft te maken met het karakter van de werkgelegenheid. Maastricht, Tilburg en Enschede hebben mooie universiteiten, maar er is te weinig werk dat aansluit op de verworven competenties. Afgestudeerden verlaten de regio weer. Dat gold lange tijd ook voor Rotterdam. Het is lastig om er precies een vinger achter te krijgen: hoogopgeleiden gaan naar plekken waar veel hoogopgeleide werkgelegenheid is; en bedrijven met een hoge waardetoevoeging strijken neer op plekken waar veel hoogopgeleiden zijn. Een kip of ei kwestie, dus. Wellicht wordt die kwestie beslecht door bijkomende ‘clusterfactoren’: cultureel klimaat, verwelkoming, ruimte voor innovatie. In elk geval zitten Leiden, Nijmegen en Groningen in een andere categorie dan Tilburg, Maastricht en Enschede. Maar tussen 2012 en 2022 gebeurt iets opmerkelijks in bovenstaande matrix. Amsterdam en Utrecht nemen afstand van Nijmegen, Leiden en Groningen. En Rotterdam komt vanuit de achterhoede in razende vaart naar voren stuiven. In dit tempo, gaat Rotterdam over nog eens tien jaar Leiden voorbij.
De suggestie uit deze cijferopstelling is dat het om schaal gaat: Amsterdam, Utrecht en in de toekomst mogelijk Rotterdam binden veel hoogopgeleiden en veel stuwende werkgelegenheid omdat ze gelaagd, divers en gewoon groot zijn. Ze zijn beter in staat om hoofdkantoren te werven en te ontwikkelen, beter in staat om besluitvormers te werven en te ondersteunen. Leiden is te klein aan het worden. Goede regio, prachtig sciencepark, maar net niet de plek waar alles bij elkaar komt. Als de suggestie klopt, dan zou Leiden iets aan z’n massa moeten doen. Daar zijn twee strategieën voor: 20
•
Massa maken met de regio. Een samenhangend dienstenpakket aanbieden, een gecoördineerde woningmarkt, een regionale groenstructuur. Brainport Eindhoven doet dat. Brainport is een samenwerkingsverband van 21 gemeenten, maar alles gaat onder de vlag van de centrumgemeente. Die strategie blijkt in de omstandigheden van Zuidoost-Brabant zeer succesvol. Het maakt ook niet uit dat het allergrootste private trekpaard – ASML – in de regiogemeente Veldhoven staat. Brainport Eindhoven is het merk en de identiteit van het gebeid
•
Massa maken door samen te werken in de keten van kennissteden. Een goed georkestreerde taakverdeling en wederzijdse complementariteit met Den haag, Delft, Rotterdam en andere steden. Deze aanpak staat bekend als de Hanze strategie, naar het handelsverbond uit de late middeleeuwen dat tot grote bloei kwamen dor onderlinge, grensoverschrijdende samenwerking van de steden, los van hun regio’s.
We breiden deze signalering slechts uit met één matrix met interregionale cijfers. Ook nu kijken we naar het aantal hoogopgeleiden (kolommen links). En we voegen twee datasets toe: • •
Het aantal banen per 100 leden beroepsbevolking (middelste kolommen) Het aantal ‘internationals’ als percentage van de totale bevolking (rechterkolommen) 1
2016
2022
2016
2022
2016
2022
Groot Amsterdam
47%
54%
123
131
11,1%
16,1%
Utrecht e.o.
44%
52%
97
103
4,3%
5,6%
Haarlem e.o.
45%
52%
69
73
6,0%
8,6%
Den Haag e.o.
42%
47%
93
92
11,6%
14,8%
071 regio
42%
48%
84
85
7,0%
8,2%
Groningen e.o.
39%
44%
92
98
4,8%
6,7%
Arnhem/Nijmegen
40%
46%
88
91
3,6%
4,6%
Brainport Eindhoven
35%
44%
98
101
5,9%
9,1%
Rotterdam Rijnmond
33%
41%
89
90
6,8%
8,8%
De sprongen zijn minder groot nu de stedelijke scores worden gecombineerd met hun suburbane gordel. En toch zien we ook hier dat Amsterdam en Utrecht afstand aan het nemen zijn. En Rotterdam en Eindhoven zijn in opmars. De laatste indicator laat goed zien waar een deel van die nieuwe welvaart vandaan komt: het aantal internationals stijgt het hardste in de twee economische trekpaarden van het land (Amsterdam en Eindhoven). Tot zover een korte vergelijkende blik. Wellicht dat in latere jaren de index inzicht verschaft op hoe de positie van het gebied zich ontwikkelt.
1 Bewoners met een niet-Nederlandse nationaliteit, dus exclusief kinderen van migranten of genaturaliseerde migranten.
21
Vestigingsklimaat Het thema ‘vestigingsklimaat’ bestaat uit met zes verschillende parameters. We meten per parameter de groei of daling ten opzichte van het basisjaar 2016 en drukken dit in indexcijfers uit. De scores van de gewogen parameters tellen we bij elkaar op om te komen tot het algehele indexcijfer voor het thema.
Gewicht
2016
2020
2021
2022
Toegankelijkheid woningmarkt 2
23%
100
67
64
79
Veiligheid en overlast
17%
100
98
101
96
Retail
17%
100
98
102
116
Filedruk
18%
100
111
113
106
Wijkeconomie
13%
100
113
116
121
Energietransitie bedrijven
11%
100
105
117
117
100
96
98
103
Vestigingsklimaat
Het begrip ‘vestigingsklimaat’ komt in het hele land in overvloedige mate voor in partijprogramma’s en coalitieakkoorden. Ook gemeenten die niet of nauwelijks specifiek economisch beleid voeren – omdat ze geen sciencepark hebben, geen centrumfuncties of grote bedrijventerreinen – spannen zich nog steeds in om het vestigingsklimaat aantrekkelijk te houden voor reeds aanwezige ondernemingen en mogelijke nieuwkomers. De indexmand ‘vestigingsklimaat’ dekt natuurlijk maar een deel van dit veelomvattende begrip, maar het zegt wel iets. Het algemene beeld is dat het indexcijfer voor het vestigingsklimaat nauwelijks verder komt. Is dat goed of slecht? Het is in elk geval een ‘fact of life’. Zo zijn criminaliteit en overlast in een groot deel van de westerse wereld al enkele decennia aan het dalen (in weerwil van de veiligheidsbeleving van veel inwoners). Criminologen leggen een verband met de krimp (door ontgroening en vergrijzing) van een prominente dadergroep: mannelijke adolescenten. Recent wordt in de Verenigde Staten in herinnering gebracht dat de jeugdcriminaliteit ongeveer 15 jaar na het arrest ‘Roe versus Wade’ van het Hooggerechtshof begon te dalen. Dat arrest legaliseerde abortus in het hele land in 1973 en maakte kennelijk een einde aan de komst van niet echt gewenste kinderen.
Die dynamiek wordt nu weer belicht, teneinde zicht te krijgen op wat het beperken van de toegang tot abortus door datzelfde hof voor de Amerikaanse samenleving gaat betekenen.
2 Loopt één jaar vooruit, meest recente cijfer dus van januari 2023
22
Voor 071 is de stabilisatie van de parameter veiligheid en overlast een tikje jammer, maar ook wel begrijpelijk: op enig moment is de bodem in de daling wel bereikt. Als we bedenken dat de coronacrisis tot veel onrust heeft geleid, is het indexgetal zelfs nog een meevaller. Het grote probleem in het vestigingsklimaat is natuurlijk de woningmarkt. De congestie wordt door iedereen gevoeld, bewoners en hun kinderen, bedrijven, nieuwkomers. Het acquisitieargument van een goed functionerende woningmarkt bestaat gewoon niet. Maar of dat de concurrentiepositie van 071 echt belemmert, is nog een vraag. Want de steden waarmee met name Leiden op voet van zowel concurrentie als samenwerking staat – andere kennissteden in binnen- en buitenland – hebben bijna allemaal met een gespannen woningmarkt en verkeerscongestie te maken. Potentiële nieuwkomers hebben die congestie al ingecalculeerd. Sterker nog: de woondruk en de filelengte in de Randstad vallen in Europees perspectief nog mee. De verrassing in deze mand is de parameter ‘wijkeconomie’. Die meet het aantal banen in microondernemers en midden- en kleinbedrijf buiten bedrijventerreinen en buiten de binnenstad. Dat aantal banen groeit robuust. Dat is een signaal dat de aloude functiescheiding – wonen in woonwijken en werken op terreinen en in stadscentra – op z’n einde loopt. Woonwijken worden functioneel meer gemengd.
Aan steeds meer voordeuren in buitenwijken zitten bordjes geschroefd met bedrijfsnamen. Voor een levendige en vitale woonomgeving is dat een gunstige ontwikkeling. De laatste indicator van deze mand zit niet helemaal verrassend in de lift. De energiecrisis heeft de overgang van grijze naar groene stroom voor veel bedrijven in een stroomversnelling gebracht. We meten bij deze parameter drie zaken: het aantal bedrijfspanden met minimaal een energielabel A (dus goed geïsoleerd), het gasverbruik van de industrie en bouw (een daling betekent een stijging van het indexcijfer) en het opgestelde vermogen aan zonnepanelen op ‘niet-woningen’ (= zakelijk vastgoed). Die laatste parameter ontwikkelt zich zo spectaculair dat hij eigenlijk nog niet goed te indexeren is. Tussen 2016 en 2021 is het vermogen van zonnepanelen op bedrijfsdaken meer dan 13x zo groot geworden (een theoretische indexscore van 1300 dus..). We meten daarom de scores vanaf het aangepaste basisjaar 2020. Nog een bijkomend probleem is het ontbreken van actuele cijfers, alleen over de energielabels zijn cijfers over 2022 bekend. En juist die parameter stabiliseert. Tot slot nog over twee vestigingsvoorwaarden voor bedrijven die niet goed zijn uit te drukken in een indexcijfer. Om te beginnen de fysieke ruimte voor bedrijvigheid.
Periodiek worden er rapporten uitgebracht die aandacht besteden aan de ruimtelijke vraag naar bedrijfsruimte. Het gaat dan met name om hectaren bedrijventerrein, waarbij de geschatte vraag wordt afgezet tegen de huidige voorraad en de geplande meters terrein. Het is relevante beleidsinformatie maar als economisch kengetal is hij minder geschikt. Want wat voor getal moet je aanhouden voor indexering: het aantal gebruikte hectares aan bedrijventerrein? Het aantal geplande hectaren? En gaat het dan om ‘harde plannen’ (vastgelegd in ruimtelijke planologie) of ‘zachte plannen’ (nog niet concreet vastgelegd)? Of is de gemonitorde vraag naar bedrijfsruimte leidend? Nog even los van het feit dat een groot deel van de vraag naar bedrijfsruimte zich buiten de klassieke werkterreinen afspeelt (in de wijken, in de binnenstad). Bovendien worden dit soort monitors vaak maar om de paar jaar herhaald. Dan de netcapaciteit, waar in de meetings met de expertgroepen terecht een punt over werd gemaakt. Stroomzekerheid was in Nederland decennialang een gegeven. Het punt was zelfs zo vanzelfsprekend dat op internationale rankings de cijfers simpelweg niet werden ingevuld. Wat weer leidde tot merkwaardige duikelingen van Nederland op diezelfde rankings, maar dat terzijde.
De laatste jaren komt die zekerheid door de massale opwekking en teruglevering van hernieuwbare energie (vooral zon en wind) echter onder druk te staan. Niet voor de huidige gebruikers – althans 23
nog niet – maar wel voor nieuwe bedrijven en investeerders. De beschikbare netcapaciteit in een regio is een geduchte concurrentievoorwaarde aan het komen. Want zonder aansluiting op het net mis je als regio veel investeringen en kansen op verduurzaming.
Dat laat zich (vooralsnog) niet goed uitdrukken in een indexcijfer. Er zijn wel kaartbeelden die het probleem inzichtelijk maken. Hieronder links een kaart met de opname capaciteit voor nieuwe bedrijven dan wel uitbreidingen die een zware netaansluiting nodig hebben.3 Rood betekent niet mogelijk, oranje is vooralsnog niet mogelijk, geel is beperkt mogelijk en alleen transparant geeft aan dat er geen barrières zijn. De 071 regio staat er – met een groot deel van de Randstad – niet goed op. De rechterkaart laat de mogelijkheid zien om grootschalig stroom te leveren aan het net, denk aan een zonnepark of een geschakeld systeem van zonnepanelen op een aangesloten bedrijventerrein. Die kaart ziet er een stuk gunstiger uit, al blijft de vraag voor hoe lang.
3 Netaansluiting groter dan 3x80A
24
Regiomarketing Het thema ‘regiomarketing’ bestaat uit vijf verschillende parameters. We meten per parameter de groei of daling ten opzichte van het basisjaar 2016 en drukken dit in indexcijfers uit. De scores van de gewogen parameters tellen we bij elkaar op om te komen tot het algehele indexcijfer voor het thema.
Gewicht
2016
2020
2021
2022
Aantal nieuwe bewoners
21%
100
93
98
111
Aantal internationals
20%
100
119
116
121
Hotelovernachtingen
23%
100
50
.
.
Bezoekers musea
18%
100
69
60
.
Banen in toerisme & recreatie sector
13%
100
117
118
119
100
88
87
91
Regiomarketing
De mand ‘regiomarketing’ is getekend door de coronapandemie. Er is om te beginnen een methodologisch probleem: de cijfers over hotelovernachtingen en museumbezoekers komen pas na enkele jaren beschikbaar. In een normale, trendmatig verlopende tijd is dat niet zo’n punt, maar met de coronajaren in de tijdreeks wordt het indexcijfer onpeilbaar. Inhoudelijk is deze mand verder extreem gevoelig voor een crisis als corona. Regiomarketing gaat voor een flink deel over de bezoekerseconomie en die is door de pandemie natuurlijk zeer ernstig getroffen. Met al dit voorbehoud, zijn er wel twee bijzondere ontwikkelingen af te leiden. Het aantal banen in de bezoekerseconomie is onaangetast gebleven. Dat heeft zeker te maken met de stabilisatiemaatregelen van de rijksoverheid. Goed nieuws, maar er kan nog wel een na-ijleffect komen. Veel horecabedrijven verkeren alsnog in financiële problemen, nu opgebouwde schulden moeten worden afbetaald. En verder is de toekomstige personeelsvoorziening van de ontmoetingsindustrie onzeker. Corona heeft het structurele probleem op de arbeidsmarkt – een groot tekort aan arbeid door vergrijzing en generatiewisseling – even versluierd, maar het is nu weer in alle heftigheid zichtbaar geworden. De vraag is hoe sterk de horeca staat in het gevecht om het schaarse talent op de arbeidsmarkt.