7. Bijlage 2. Participatie aanpak (1888867)(versie 17 mei)(vastgesteld)
Tekst van het document
Participatie onder de Omgevingswet Aanvullingen op het bestaande beleid burgerparticipatie en bestuursstijl van Katwijk
Inleiding In de Omgevingswet worden regels gesteld over participatie. Participatie houdt in dat personen die te maken hebben met een plan daarbij worden betrokken. Participatie is één van de belangrijkste onderwerpen van het werken met de Omgevingswet. Het gemeentelijke participatiebeleid voldoet nu nog niet in alle opzichten aan de regels van de Omgevingswet. In de werkgroep Participatiebeleid zijn de oude spelregels vergeleken met de regels van de Omgevingswet. Daarop is de aanpak voor participatie onder de Omgevingswet beschreven. De aanpak kan worden toegevoegd aan het beleid voor burgerparticipatie en bestuursstijl. Daarmee voldoet de gemeente aan de doelen van de Omgevingswet. Hierbij gelden drie perspectieven: 1. Er zijn spelregels voor initiatiefnemers (gemeente is deelnemer participatie) en er zijn spelregels voor de gemeente (gemeente is eigenaar participatie). 2. De gemeente ondersteunt initiatiefnemers met een participatiehandleiding en waar nodig met advies. Daarbij kan de gemeente ook initiatiefnemer van activiteiten zijn. In dat geval gelden dezelfde regels als voor andere initiatiefnemers. 3. De gemeente geeft het goede voorbeeld.
Spelregels Participatie (Omgevingswet) Initiatiefnemer 1. De initiatiefnemer participeert om draagvlak te maken. De initiatiefnemer houdt in het plan of ontwerp rekening met wat het beste is voor personen die met het plan te maken hebben.
Gemeente als initiatiefnemer De gemeente participeert om de omgeving in evenwicht in te delen. Dit doet zij samen met personen die te maken hebben met het plan voor de omgeving. Bijvoorbeeld een goede relatie tussen gebouwen, wegen, parken en bossen. De gemeente heeft een plicht om haar visies en plannen te motiveren.
2.
Participatie vindt het liefst voor het aanvragen van de omgevingsvergunning plaats. Hoe, wanneer en hoeveel er geparticipeerd wordt, hangt af van wat het plan inhoudt en de fase waarin het plan is.
Participatie vindt het liefst plaats in de fase waarin het idee gevormd wordt. Hoe, wanneer en hoeveel er geparticipeerd wordt, hangt af van wat het plan inhoudt en de fase waarin het plan is. Het is belangrijk dat personen die te maken hebben met het plan er zo vroeg mogelijk worden bijgehaald.
3.
De initiatiefnemer is eigenaar van het participatieproces. De initiatiefnemer beoordeelt met welke mensen hij de participatie moet doen en welke vorm van participatie daarbij past.
De gemeente is eigenaar van het participatieproces. De gemeente zoekt actief de samenwerking op met de omgeving. Zij vraagt personen die te maken hebben met het plan mee te denken, mee te praten en waar dat kan mee te beslissen. In het geval van het omgevingsplan geeft de gemeente een kennisgeving participatie af. Daarin geeft de gemeente aan hoe burgers, bedrijven en organisaties met een openbaar/publiek gezag worden samengebracht bij de voorbereiding.
Bij het vaststellen van de omgevingsvisie, programma’s en het omgevingsplan geeft de gemeente aan hoe de personen die met het plan te maken hebben bij de voorbereiding zijn samengebracht. Ook geeft de gemeente aan wat de resultaten van de participatie zijn en hoe het participatiebeleid is gevolgd. 4.
5.
6.
7.
Er is genoeg tijd en ruimte nodig om te participeren. Vooraf is voor personen die te maken hebben met het plan duidelijk hoe, wanneer en hoe lang er geparticipeerd wordt. De initiatiefnemer zorgt ervoor dat alle deelnemers aan het participatieproces dezelfde informatie hebben als het gaat om inhoud, proces en aanpak. De communicatie over participatie door de initiatiefnemer is duidelijk, op tijd en makkelijk te begrijpen. Het participatieproces wordt na afloop onderzocht. Niet participeren is voor activiteiten waarbij participatie niet verplicht is geen reden om het plan af te wijzen. Wel kan het resultaat van de participatie worden meegenomen bij het beoordelen van wat het beste is voor de omgeving.
Er is genoeg tijd en ruimte nodig om te participeren. Vooraf is voor personen die te maken hebben met het plan duidelijk hoe, wanneer en hoe lang er geparticipeerd wordt De gemeente zorgt ervoor dat alle deelnemers aan het participatieproces dezelfde informatie hebben als het gaat om inhoud, proces en aanpak. De communicatie over participatie door de gemeente is duidelijk, op tijd en makkelijk te begrijpen.
Als niet genoeg duidelijk is wat het beste is voor de omgeving, maar het plan hier wel om vraagt, kan de gemeente (1) de initiatiefnemer vragen om alsnog personen die te maken hebben met het plan samen te brengen, (2) zelf contact zoeken met personen die te maken hebben met het plan óf (3) een zienswijzenprocedure starten en de termijn waarbinnen moet worden beslist verlengen met zes weken. De gemeente heeft bij een zienswijzenprocedure inzage in alle documenten van een ontwerp of plan.
De ketenpartners van de gemeente hebben een adviserende rol in het participatieproces. Ketenpartners zijn onder andere de Omgevingsdienst en de Veiligheidsregio.
8.
Na afloop onderzoekt de gemeente hoe personen die te maken hebben met het plan de participatie hebben ervaren, met als doel de participatie te verbeteren.
Toelichting op de spelregels Initiatiefnemer 1.
De gemeente biedt in haar gedrag zoveel mogelijk ruimte voor ideeën van inwoners, zoals bijvoorbeeld co-creatie of ‘right-to-challenge’.
Participatie door de initiatiefnemer wordt aangemoedigd, omdat het samenbrengen van de omgeving waardevolle inzichten op kan leveren. Het plan kan hierdoor beter gemaakt worden. Het is belangrijk dat de initiatiefnemer participeert om draagvlak te maken. Hiernaast is het belangrijk dat er in het plan of ontwerp rekening wordt gehouden met
Gemeente als initiatiefnemer Het doel van de Omgevingswet is: 1. een veilige en gezonde omgeving en een goede kwaliteit van de omgeving bereiken en bewaren en; 2. de omgeving slim beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke wensen mee te vervullen.
wat het beste is voor de omgeving. Dit is in het belang van de initiatiefnemer, omdat het bezwaren tegen de vergunning later in het proces kan voorkomen.
Door te participeren met bewoners, bedrijven, organisaties met een openbare/publiek gezag, ketenpartners en andere personen die te maken hebben met het plan probeert de gemeente in samenwerking een evenwicht te bereiken. Op basis van de Omgevingswet participeert de gemeente in ieder geval bij het vaststellen of aanpassen van de omgevingsvisie, het omgevingsplan en het programma.
2.
De Omgevingswet zegt over participatie ‘het in een vroegtijdig stadium samenbrengen van personen die te maken hebben met het plan […] bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit’. Het is in de geest van de Omgevingswet om zo vroeg mogelijk in het proces te participeren, omdat in deze fase de gedachten van personen die te maken hebben met het plan nog kunnen worden meegenomen. Tegelijkertijd is participatie vormvrij: er is geen vaste vorm voor succes.
De Omgevingswet zegt over participatie ‘het in een vroegtijdig stadium samenbrengen van personen die te maken hebben met het plan […] bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit’. Het is in de geest van de Omgevingswet om zo vroeg mogelijk in het proces te participeren, omdat in deze fase de gedachten van personen die te maken hebben met het plan nog kunnen worden meegenomen. Tegelijkertijd is participatie vormvrij: er is geen vaste vorm voor succes.
3.
Een bijzonder onderdeel onder de Omgevingswet is participatie door initiatiefnemers. Als er door een initiatiefnemer wordt geparticipeerd, is hij of zij eigenaar van het proces. Dat bekent dat de initiatiefnemer: (1) personen die te maken hebben met het plan uitnodigt, (2) de vorm van participatie kiest en (3) bepaalt hoe hij omgaat met het resultaat van de participatie. De gemeente kan deelnemer zijn aan dit participatieproces, maar is daarmee geen eigenaar.
Als de gemeente participatie start dan is zij eigenaar van het proces. De gemeente geeft het goede voorbeeld en zoekt actief de samenwerking op. De gemeente stelt zich open op. Hiernaast probeert de gemeente om personen die te maken hebben met het plan, afhankelijk van het plan, zoveel mogelijk invloed te geven. De gemeente kiest de vorm van participatie en bepaalt hoe zij omgaat met het resultaat van de participatie. Dit legt de gemeente vast in een plan van aanpak. Dit plan van aanpak wordt in het geval van de omgevingsvisie, het omgevingsplan en het programma om te lezen gepresenteerd aan de raad. Voor het omgevingsplan heeft de gemeente een plicht om kennis te geven. De gemeente moet aangeven hoe burgers, bedrijven en organisaties met een openbaar/publiek gezag worden samengebracht bij het participatieproces. In de kennisgeving geeft de gemeente aan wie er wordt bijgehaald, waarover en wanneer, wat de rol is van de gemeente en de initiatiefnemer en waar meer informatie beschikbaar komt. Voor het vaststellen van de omgevingsvisie, het programma en het omgevingsplan heeft de gemeente een plicht om te motiveren (Omgevingsbesluit artikelen 10.7, 10.8, 10.2 eerste lid). De gemeente geeft bij vaststelling aan hoe burgers, bedrijven en organisaties met een openbaar/publiek gezag zijn samengebracht en wat de resultaten hiervan zijn.
Ook geeft de gemeente aan hoe invulling is gegeven aan het participatiebeleid. Meer informatie over de wettelijke grondslag is hier te raadplegen.
De gemeente probeert het participatietraject zo hoog mogelijk op de participatieladder in te vullen. De participatieladder is opgenomen in de bijlage. De gemeente streeft zoveel als mogelijk naar een hoge invloed van de participant en stelt zich zo open mogelijk op. 4.
5.
Een doel van de Omgevingswet is dat participatie zo vroeg mogelijk in het proces plaatsvindt. Om goed te kunnen participeren is het aan te raden om voor het proces zoveel mogelijk tijd en ruimte te bieden. In het geval van een omgevingsvergunning vindt participatie vóór de aanvraag plaats. De initiatiefnemer zorgt voor het op tijd en duidelijk informeren van personen die te maken hebben met het plan.
Een doel van de Omgevingswet is dat participatie zo vroeg mogelijk in het proces plaatsvindt. Om goed te kunnen participeren biedt de gemeente voor het proces zoveel mogelijk tijd en ruimte. De gemeente zorgt voor het op tijd en duidelijk informeren van personen die te maken hebben met het plan.
Om participatie een succes te maken is het belangrijk dat alle deelnemers aan het proces dezelfde informatiepositie hebben. Dat houdt in dat er door de initiatiefnemer in ieder geval informatie wordt gedeeld over de inhoud, het proces van participatie en de aanpak. Om de aanpak vorm te geven ondersteunt de gemeente initiatiefnemers via de handleiding ‘in gesprek met de omgeving’. Hierin worden de belangrijkste vragen over participatie voor initiatiefnemers beantwoordt en worden er suggesties gedaan voor de vorm van participatie.
Uit verschillende eigen en externe onderzoeken blijkt dat burgers het fijn vinden als er op een makkelijk te begrijpen manier contact met hen wordt gezocht.
Voor het opstellen of aanpassen van het omgevingsplan en het opstellen van een programma geldt er een plicht om kennis te geven. Hierin geeft de gemeente aan wat de vorm van de participatie zal zijn.
Op tijd communiceren houdt in dat er zo vroeg mogelijk wordt gecommuniceerd én dat burgers genoeg mogelijkheden krijgen om momenten in te plannen in hun agenda. Duidelijke communicatie houdt in dat er wordt gecommuniceerd over de rol en invloed van de burger en de gemeente. Er wordt dus niet alleen over de inhoud gecommuniceerd, maar ook over het proces en de keuzes die daarbij gemaakt zijn. Bij de communicatie kan het participatieplan als basis dienen. Makkelijk te begrijpen communicatie houdt in dat de manier van communiceren wordt afgestemd op de doelgroep. Het is aan te raden mensen op te zoeken in hun eigen omgeving, in plaats van hen naar het gemeentehuis te halen. De tijd van mensen is niet veel en daar moet rekening mee worden gehouden. De gemeente kan mensen ook digitaal benaderen.
Informele communicatie houdt in dat er heft liefst niet officiële bijeenkomsten en communicatie wordt gebruikt. Hierbij wordt persoonlijk contact mogelijk. Formele participatievormen zoals inspraak in de gemeenteraad, zienswijzen en bezwaarschriften worden minder graag gebruikt. 6.
Niet participeren is voor activiteiten waarbij participatie niet verplicht is geen reden om het plan af te wijzen. Wel kan het resultaat van de participatie worden meegenomen bij het beoordelen van wat het beste is voor de omgeving. Voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA’s) stelt de gemeenteraad een lijst op met activiteiten waarbij participatie verplicht is. Buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn activiteiten die niet overeenkomen met het omgevingsplan. Het niet doen van participatie is voor de activiteiten die op de lijst staan wel een reden om het plan af te wijzen.
7.
8.
Voor een goed besluit is het belangrijk dat rekening wordt gehouden met wat het beste is voor de omgeving. Dit gebeurt op grond van de algemene wet bestuursrecht art. 3.2. Zo vroeg mogelijke participatie en het delen van de resultaten daarvan bij de aanvraag vormen hier een onderdeel van. Er kunnen plannen zijn waarbij de initiatiefnemer niet genoeg heeft geparticipeerd. Hierdoor kan niet goed worden beoordeeld wat het beste is voor de omgeving. In dat geval is het mogelijk dat de gemeente de initiatiefnemer vraagt om alsnog te participeren (Awb art. 4.5. lid 1 sub c). Ook is het mogelijk dat de gemeente zelf participeert (Awb art. 4.8) of de beslistermijn met zes weken verlengt en zienswijzen verzamelt (Awb. Afd. 4.3.)
Mogelijk maken en gebruiken van inbreng zijn van belang. Uit het onderzoek “Waarstaatjegemeente” blijkt dat mensen vinden dat de gemeente niet soepel is als het gaat om initiatieven van burgers. Er wordt nog te veel gedacht vanuit eigen regels. Het is belangrijk om vanuit de burger te denken en zoveel mogelijk te zoeken naar mogelijkheden voor inbreng van burgers. Dit heeft ook met het gedrag van de gemeente te maken. Het gedrag voor de organisatie is vastgelegd in de kerncompetenties. Het gedrag van college en raad volgt uit de gekozen bestuursstijl (vastgelegd in de participatieladder van Partners en Pröpper). Onder de Omgevingswet moet ook samenwerking met ketenpartners een plek krijgen. De regels van de gemeente kunnen een relatie hebben met wat belangrijk is voor de ketenpartners. Ketenpartners zijn bijvoorbeeld andere overheden (buurgemeenten, provincie, Waterschap), maar ook de Veiligheidsregio, en de Omgevingsdienst.
De tevredenheid van alle personen die te maken hebben met het plan wordt gemeten door het afnemen van de participatiemonitor®. De resultaten worden gebruikt om participatie te verbeteren. Ook worden de resultaten gebruikt om ervaringen uit te wisselen.
Bronnen Spelregel 1: https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/participatieomgevingswet/participatie-instrumenten/participatieomgevingsvergunning/ Spelregel 2: https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/participatieomgevingswet/participatie-instrumenten/overzicht-regelsparticipatie/
Spelregel 4. https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/participatieomgevingswet/participatie-instrumenten/participatieomgevingsplan/ https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/participatieomgevingswet/participatie-instrumenten/overzicht-regelsparticipatie/ Spelregel 6: https://vng.nl/sites/default/files/publicaties/2018/20181102-checklist-voor-de-gemeenteraad.pdf Spelregel 8: Rode draad behoeftenonderzoeken
Bijlage 1: Participatieladder
Bijlage 2: Bestaande Spelregels Burgerparticipatie Bijlage 1. Instrument Datum Steller Bron Inleiding Tool
10 spelregels voor burgerparticipatie Beleid voor participatie en bestuursstijl 1 juli 2015 Wg. Mariëlse Goddijn-Glashouwer ca. Bijeenkomst raad, college, externen op 12 maart 2015 en interne sessie met ambtelijke organisatie. Raad, college, burgermeester en organisatie van de gemeente Katwijk voelen zich gezamenlijk verantwoordelijk voor het bieden van zorgvuldige en behoorlijke participatie aan burgers*, waarbij hun inbreng serieus genomen wordt. Hierbij volgt de gemeente de volgende spelregels: 1. De gemeente** kiest voor burgerparticipatie, verder dan informeren, wanneer het onderwerp burgers direct raakt, er voldoende juridische beleidsruimte, tijd en middelen zijn, en er ook echt wat te kiezen valt voor burgers. 2.
De gemeente biedt in houding en gedrag zoveel mogelijk ruimte voor inbreng en initiatieven van burgers.
3.
Burgers worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken.
4.
Bij het maken van beleid en het uitvoeren van projecten stelt de gemeente samen met betrokken burgers een participatieplan op.
5.
In het participatieplan wordt vastgelegd wat de rol van de burger is en welke bestuursstijl de gemeente hanteert. Ook wordt vastgelegd op welke momenten burgers worden betrokken, op welke wijze en met welk doel. En wat er met de inbreng gebeurt.
6.
Alle betrokken partijen committeren zich aan het participatieplan.
7.
Het participatieplan zorgt voor realistische en gedeelde verwachtingen, waarop gemeente en burgers elkaar kunnen aanspreken.
8.
De communicatie over participatie door de gemeente is duidelijk en tijdig, laagdrempelig en informeel.
9.
De gemeente bevordert de respons en de representativiteit van de burgerparticipatie door een mix van middelen in te zetten. Zij spant zich hierbij in om voor alle belanghebbenden burgerparticipatie laagdrempelig te maken.
10. Na afloop wordt geëvalueerd hoe betrokkenen en gemeente de participatie hebben ervaren ,met als doel de participatie continu te verbeteren. Terminologie
* Met de term ‘burgers’ bedoelen we alle inwoners, bedrijven, verenigingen, maatschappelijke partners, etc. van de gemeente Katwijk. ** Met de term ‘gemeente’ bedoelen we raad, college, burgemeester en organisatie van de gemeente Katwijk.
Toelichting
Bij spelregel 1 Het vereist een zorgvuldige afweging of burgerparticipatie zinvol is in het betreffende beleidsproces of plan. Het afwegingskader van ProDemos is een hulpmiddel om in te schatten of aan de randvoorwaarden voor participatie kan worden voldaan. Alléén dan kan aan het bestuur worden geadviseerd om burgers te laten participeren. De keuze om al dan niet voor burgerparticipatie te kiezen wordt door het college, de burgemeester en/of de raad genomen, afhankelijk van de beslissingsbevoegdheid. Met behulp van de participatiewijzer van ProDemos wordt een keuze gemaakt over de rol van de burger (gekwalificeerd op de participatieladder), de fase van het beleidsproces waarin de burger wordt betrokken, en de wijze waarop de burger wordt betrokken. De keuze voor participatie in het beleidsproces wordt vastgelegd in de startnotitie. Bij de start van een project gebeurt dit in de bestuursopdracht. Bij spelregel 2 Faciliteren, waardering tonen en daadwerkelijk gebruiken zijn hierbij van belang. Uit onderzoek “Waarstaatjegemeente” blijkt dat men vindt dat de gemeente weinig flexibel is als het gaat om initiatieven van burgers. Er wordt nog teveel gedacht vanuit eigen beleid en regelgeving. Het is van belang vanuit de burger te denken en – binnen de kaders – te zoeken naar mogelijkheden. Dit heeft ook met houding en gedrag van bestuur en medewerkers te maken.
Houding en gedrag voor de organisatie is vastgelegd in de kerncompetenties. Houding en gedrag van college en raad volgt uit de gekozen bestuursstijl (zoals geformuleerd in de participatieladder van Partners en Pröpper). Bij spelregel 3 Uit het Katwijkse behoeftenonderzoek onder inwoners, wijkraden, verenigingen en bedrijfsleven blijkt dat men een duidelijke voorkeur heeft om aan het begin van het beleidsproces betrokken te worden en niet pas aan het eind. Tot nog toe echter werden burgers vaak pas in latere fasen betrokken (zie rode draad burgerjaarverslagen). De volgende 5 stadia worden onderscheiden in het beleidsproces of planvorming: agendavorming, beleidsvorming, besluitvorming, uitvoering en evaluatie volgens participatiewijzer ProDemos.
Er wordt naar gestreefd de burger al bij de agendavorming en beleidsvorming te betrekken en niet pas bij de uitvoering. Bij de gemeente Katwijk worden de volgende stadia onderscheiden in het beleidsproces of planvorming of bij projectmanagement: Beleidsfasen participatiewijzer ProDemos Agendavorming Beleidsvorming
Beleidsproces gemeente Katwijk Agendavorming > Startnotitie > Participatieplan Beleidsvorming
Besluitvorming Uitvoering Evaluatie
Besluitvorming Uitvoering Evaluatie
Projectmanagement gemeente Katwijk Idee fase > Bestuursopdracht > Participatieplan Initiatieffase Definitiefase Ontwerpfase Voorbereidingsfase Realisatie Nazorg
Bij spelregel 4 Het participatieplan heeft een vaststaand format. Bij spelregel 5 Het participatieplan is gebaseerd op de keuzes zoals gemaakt in het afwegingskader en de participatiewijzer van ProDemos. De rol van de burger en de bijbehorende bestuursstijl worden geformuleerd op basis van de participatieladder van Partners en Pröpper. Van belang daarbij is dat de rol van burger en bestuursstijl op elkaar aansluiten. Bijvoorbeeld, wanneer wordt gekozen voor de burger als adviseur past daar geen open autoritaire maar participerende bestuursstijl bij. Er wordt aan burgers expliciet gemaakt tot welke concrete resultaten de inbreng heeft geleid. Ook worden argumenten genoemd wanneer inbreng niet één op één werd overgenomen. Het is hierbij van belang te verwijzen naar de afspraken zoals die aan het begin zijn gemaakt in het participatieplan. Bij spelregel 6 Het participatieplan biedt een handvat om elkaar op de afspraken te kunnen aanspreken tijdens het participatieproces. Bij spelregel 7 Het is van belang de verwachtingen van alle betrokkenen aan de orde te laten komen en expliciet te benoemen en vast te leggen in het participatieplan. Vooral als het gaat om de daadwerkelijke invloed van de burger in relatie tot de beslissingsbevoegdheid van het gemeentebestuur.
In de participatieladder van Partners en Pröpper wordt per burgerrol en bestuursstijl helder beschreven wie uiteindelijk beslissingsbevoegd is. Deze ladder dient dan ook als basis om het gesprek te voeren, zodat alle betrokkenen ‘dezelfde taal spreken’ en zich terdege realiseren wat de consequenties zijn. Dit om te voorkomen dat aan het eind van het proces blijkt dat de partijen verschillende verwachtingen hadden en men teleurgesteld raakt. Bij spelregel 8 Uit diverse eigen en externe onderzoeken blijkt, dat burgers een voorkeur hebben voor informele en laagdrempelige benaderingswijzen. Tijdige communicatie houdt in dat er in een vroeg stadium van het beleidsproces wordt gecommuniceerd én dat burgers voldoende gelegenheid krijgen participatiemomenten in te plannen in hun agenda. Duidelijke communicatie houdt in dat er wordt gecommuniceerd over de rol en invloed van de burger en de bestuursstijl en bevoegdheden van de gemeente. Er wordt dus niet alleen over de inhoud gecommuniceerd maar vooral ook over het proces van participatie en de keuzes die daarbij gemaakt zijn. Bij de communicatie kan het participatieplan als basis dienen. Laagdrempelig: uit onderzoek blijkt dat diverse doelgroepen een andere benaderingswijze vragen.
Over het algemeen is het aan te raden mensen op te zoeken in hun eigen leefomgeving en verbanden, in plaats van hen naar het gemeentehuis te halen voor langdurige sessies. De tijd van mensen is beperkt en daar moet spaarzaam beslag op gelegd worden. Overigens kunnen ook digitale ontmoetingsplaatsen worden benut door de gemeente. Informeel: uit behoefteonderzoek blijkt dat veel mensen een voorkeur hebben voor informele bijeenkomsten en benaderingswijzen waarbij persoonlijk contact met bestuurders en medewerkers mogelijk is. Formele participatievormen zoals inspraak in de gemeenteraad, zienswijzen en bezwaarschriften worden minder graag gebruikt. Bij spelregel 9 Bij participatietrajecten worden over het algemeen burgers bereikt die een direct belang hebben en die negatieve gevolgen van het plan of beleid verwachten (zei bestuurlijke dilemma’s en rode draad behoeftenonderzoeken). Burgers die positief tegenover het plan staan of een minder direct belang hebben worden minder gemakkelijk bereikt. Daardoor staat de representativiteit van de participanten voor de doelgroep onder druk. Een mix van middelen kan worden ingezet om de representativiteit te vergroten. Een overzicht van middelen en werkwijzen is te vinden in de participatiewijzer ProDemos. Verder dienen uitdrukkelijk ook digitale mogelijkheden en nieuwe media benut te worden.
Enquêtes en behoeftepeilingen – al dan niet uitgezet via een burgerpanel – zijn behulpzaam om de mening van ‘de zwijgende meerderheid’ in kaart te brengen. Bij spelregel 10 De tevredenheid van alle betrokkenen (burgers en gemeente) wordt gemeten door het afnemen van de participatiemonitor®. De resultaten worden gebruikt om het participatieproces van het eigen project of beleidsplan te verbeteren. Ook worden de resultaten gemeentebreed gebruikt om ervaringen uit te wisselen en continu te verbeteren.