7. Bijlage 1. Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022 (vastgesteld)(2757897)
Tekst van het document
pagina 20
maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het onderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 5, tweede lid. Artikel 5. Gesprek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet opgenomen.
In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij. In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz.
183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Artikel 6. Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 21
cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Artikel 7.
Aanvraag Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.
HOOFDSTUK 3 - MAATWERKVOORZIENING Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 22
limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Het eerste lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet. Het gebruik van ‘of’ tussen de twee onderdelen van het tweede lid maakt duidelijk dat deze onderdelen niet cumulatief zijn bedoeld. Het derde lid van artikel 8 betreft een ‘kan’-bepaling en weet eveneens zijn grondslag in artikel 2.1.3, (eerste lid en) tweede lid, aanhef en onder a, van de wet. In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator).
Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat met artikel 8, derde lid, nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd.
Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24). Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het derde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Het vierde lid van artikel 8 kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostengoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert. Criteria die de verantwoordelijkheid van gemeenten in het kader van de Wmo 2015 begrenzen. •
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 23
Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Algemeen gebruikelijke voorzieningen hoeven niet vanuit de Wmo te worden verstrekt. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die: o o o o
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van cliënt; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
Heel duidelijk zijn deze criteria niet. De jurisprudentie verwoordt het zo: “een voorziening waarvan aannemelijk is te achten dat belanghebbende daarover ook zou (hebben kunnen) beschikken als hij niet gehandicapt was” (zie o.a. CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 fiets met trapondersteuning is voor 16-jarige algemeen gebruikelijk). Uitzondering op deze criteria kan zijn een situatie waarin: - de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal aangeschaft of vervangen moeten worden; Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn: vervoersvoorzieningen -
tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem); fiets met lage instap, ligfiets; spartamet/ tandemmet; elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap); bakfiets, fietskar, aanhangfiets; kinderfietszitjes; buggies; rollator; personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; kinderautozitjes;
woonvoorzieningen 1
mengkranen (zowel eengreeps als thermostatisch); keramische- of inductiekookplaat; verhoogd toilet of toiletverhoger; tweede toilet/sanibroyeur; renovatie van badkamer en keuken1; antislipvloer/coating;
Bij een aanvraag voor een aanpassing van een badkamer of keuken kan er rekening worden gehouden met de
conditie waarin de badkamer of keuken verkeert. Wanneer bijvoorbeeld de badkamer technisch functioneel is en in goede staat verkeert, dan is het niet vanzelfsprekend dat de eigenaar van de woning (volledig) verantwoordelijk is voor het vernieuwen van de badkamer. Indien de badkamer in een slechte staat verkeert en/of technische gebreken heeft dan is de eigenaar zelf verantwoordelijk voor het aanpassen van de badkamer.
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 24
-
-
•
wandbeugels; zonwering (inclusief elektrische bediening); badzitje standaard; centrale verwarming; douche(kop op glijstang); losse airco-units; luchtbevochtigers en ontvochtigers; stangen voor raambediening van hoge ramen (er is ook een elektrische variant van een raamopener); verhuizing, die in relatie tot de leeftijd van de cliënt voor de betrokken cliënt voorzienbaar en algemeen gebruikelijk is; woningaanpassing of andere voorziening aan/in de woning, die in relatie tot de leeftijd, de gezinssituatie of de woonsituatie van de cliënt voor de betrokken cliënt voorzienbaar en algemeen gebruikelijk is; vaatwasser; wasdroger; ophogen tuin/bestrating bij verzakking.
Algemene voorzieningen
De definitie van een algemene voorziening in de Wmo 2015 luidt: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen voorzieningen in de markt, waarmee de gemeente geen bemoeienis heeft en voorzieningen die geheel of gedeeltelijk door de gemeente worden bekostigd. In de eerste situatie (voorziening in de markt) is het overigens – gezien jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – wetstechnisch geen ‘algemene voorziening’ in de zin van de Wmo 2015. Deze beide voorzieningen zijn voorliggend aan de maatwerkvoorziening. Dit betekent dat de gemeente eerst beoordeelt of het probleem van een persoon met een beperking kan worden opgelost door middel van een algemene voorziening. De landelijke eigen bijdrageregeling is niet van toepassing op algemene voorzieningen. De gebruiker betaalt of de marktprijs of een al dan niet kostendekkend tarief waar het een door de gemeente gesubsidieerde voorziening betreft. De zin ”zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk” moet wel in de context worden bekeken. Het betekent in dit verband dat de gemeente voor deze voorziening geen beschikking afgeeft.
De voorziening in kwestie zal wel een toegangstoets doen of iemand tot de doelgroep van de voorziening behoort. Bijvoorbeeld: om gebruik te maken van een passantenverblijf zal de cliënt moeten aantonen dat hij dakloos is. Voorbeelden van algemene voorzieningen die door de overheid (mede) gefinancierd zijn: -
Peuterspeelzalen Scholen Algemeen maatschappelijk werk Schuldhulpverlening en budgettering GGD
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 25
-
Welzijnswerk (voor ouderen) Jongerenwerk Informatie en advieswerk Formulierenbrigade Klussendienst Sportvoorzieningen Maaltijdvoorziening Passantenverblijf voor dak- en thuislozen Sociale alarmering Cliëntondersteuning (kosteloos)
Voorbeelden van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen in de markt zijn: -
Kinderopvang Boodschappendiensten (supermarkten) Glazenwasser Tuinonderhoud Commercieel sportaanbod Gemaksdiensten van de zorgverzekeraar
De Wmo 2015 biedt gemeenten meer mogelijkheden om voor voorzieningen die onder de huidige Wmo individuele voorzieningen zijn, te verwijzen naar gesubsidieerde of commerciële algemene voorziening. Voorbeelden zijn een algemene voorziening voor schoonmaakondersteuning, collectief vervoer, een scootmobiel of rolstoelpool, en een dagopvangcentrum voor ouderen. •
Gebruikelijke hulp en/of zorg
Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen en voordeur door elkaar lopen. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen en het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken.
Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke hulp wel voor geïndiceerd worden. In situaties korter dan drie maanden moet alle zorg door de aanwezige gebruikelijke hulp worden geboden.
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 26
Gebruikelijke begeleiding Gebruikelijke begeleiding valt bij kinderen veelal onder gebruikelijke hulp. Hiervoor wordt aansluiting gezocht bij de AWBZ richtlijn voor gebruikelijke zorg voor ouders ten opzichte van hun kinderen. Onder gebruikelijke begeleiding valt: - het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie; - het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek en huisarts; - het bieden van hulp of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie; - het leren omgaan van derden (familie en vrienden) met de cliënt; - het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is tenminste tot een leeftijd van 17 jaar zowel in kortdurende als langdurige situaties gebruikelijk. •
Mantelzorg en bovengebruikelijke zorg
Mantelzorg wordt in de Wmo 2015 gedefinieerd als “hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van hulpverlenend beroep”. In de Wmo 2015 blijft mantelzorg in principe vrijwillig. Wel krijgen gemeenten vanuit de Wmo 2015 de opdracht om eerst na te gaan of het probleem van de cliënt met inzet van eigen netwerk kan worden opgelost. Dat zou kunnen inhouden dat met het eigen sociaal netwerk of de mantelzorger wordt afgesproken dat deze bovengebruikelijke zorg levert.Bij deze afweging dient de gemeente de belangen en de draagkracht van de mantelzorger mee te wegen. Inzet van respijtzorgvoorzieningen kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. Artikel 8 lid 4 Goedkoopst adequaat Dit begrip is ontleend aan de praktijk van de voormalige Wet voorzieningen gehandicapten en wordt ook in de AWBZ en de huidige Wmo toegepast. De gemeente mag de voorziening die het goedkoopst adequaat is inzetten. Dit begrip betekent zoveel als dat de voorziening doelmatig moet zijn. Het begrip heeft zowel betrekking op een voorziening in natura als op een pgb.
Om tot een budgetbepaling te komen, wordt de hoogte van het pgb gekoppeld aan de tegenwaarde van de in natura te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Een gemeente die door het afsluiten van een contract met een leverancier een inkoopvoordeel heeft behaald, kan bij het bepalen van de hoogte van het pgb rekening houden met dit voordeel. Een cliënt die een duurdere voorziening wenst dan de voorziening die het goedkoopst adequaat is, betaalt de meerkosten zelf. Voor het vervoer van en naar de dagbesteding kan het principe goedkoopst adequaat tot gevolg hebben dat een cliënt die naar een andere dagbestedingslocatie wil dan de voorziening die het dichtst bij zijn woonplaats is gevestigd, de meerkosten van het vervoer zelf moet betalen. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 27
Artikel 9. Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Artikel 10. Inhoud beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget. Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.
Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Artikel 11. Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Het derde lid berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 28
volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.
Het vierde lid geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. Onder b en c is geregeld dat het pgb ten hoogste bestaat uit het bedrag dat de tegenwaarde is van de zaak die de belanghebbende op dat moment ontvangen zou hebben als deze in natura zou zijn verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met een afschrijvingstermijn, bijvoorbeeld voor een scootmobiel en rolstoel is dit vijf jaar. Het bedrag kan in één keer worden uitbetaald. Bij het vijfde lid, de onderdelen b tot en met g, maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Er worden meerdere verdelingen gemaakt: -
een pgb voor een opgeleid persoon en een niet opgeleid persoon en/of een pgb voor een zelfstandige zonder personeel en/of een pgb voor een persoon die wel en die niet voor een daartoe gekwalificeerde instelling werkt.
In alle gevallen zal, op basis van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, een bedrag beschikbaar gesteld moeten worden dat voldoende is om de hulp in te huren. Bij het inhuren van een persoon uit het sociaal netwerk is voor de hoogte van het persoonsgebonden budget deze relatie leidend en niet de opleiding die deze persoon genoten heeft. Voor de situaties waarin bij hulp bij het huishouden met een pgb hulp ingehuurd wordt bij een individueel persoon dan wel een zelfstandige zonder personeel moet voor een adequaat bedrag minstens gedacht worden aan het wettelijk minimumloon. De gehanteerde bedragen vinden hun oorsprong in de prijzen, die in dit verband zijn bepaald voor aanbieders, die deze hulp op basis van een contract met de gemeente in natura leveren. Bij een individueel persoon wordt het tarief, op basis van o.a. ervaringsgegevens, gesteld op 65% van het bedrag dat gehanteerd wordt voor een professionele aanbieder, die deze hulp in natura levert. Voor een zelfstandige zonder personeel wordt, omdat deze geen dan wel minder overheadkosten heeft, begrensd op 80%. Voor het inhuren met een pgb voor hulp bij het huishouden via een daartoe gekwalificeerde instelling is het bedrag waarvoor instellingen door de gemeente gecontracteerd zijn om hulp in natura te bieden het uitgangspunt. Van dat
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 29
bedrag staat immers vast dat daarmee hulp bij een daartoe gekwalificeerde instelling ingehuurd kan worden. In principe is dat bedrag daarmee dus adequaat en toereikend. Uit het begrip ‘inhuren’ vloeit voort dat er sprake moet zijn van een zakelijke relatie tussen de hulpbehoevende en de hulpverlener. Dit moet expliciet tot uitdrukking komen in bijvoorbeeld een (volwaardige)schriftelijke arbeidsovereenkomst, een (volwaardige) schriftelijke overeenkomst opdrachtgever - opdrachtnemer dan wel anderszins genoegzaam, ter beoordeling door het college, aangetoond worden. Eerst dan kan een persoonsgebonden budget toegekend worden. Bij Begeleiding (inclusief Kortdurend Verblijf) is aangesloten bij de goedkoopst adequate tarieven (zie bijlage). Dit kunnen de pgb-tarieven begeleiding de tarieven zijn zoals die in natura met de leveranciers zijn overeengekomen. In de tariefstelling wordt een onderscheid gemaakt tussen een opgeleid persoon en een niet opgeleid persoon. Voor een niet opgeleid persoon die individuele begeleiding uitvoert geldt het bepaalde onder c sub 1. Dit zou een mantelzorger kunnen zijn of iemand uit het sociale netwerk van de cliënt. Uitgangspunt hierbij blijft dat dit waar mogelijk als voorliggende voorziening gezien wordt en om die reden onbetaald verricht wordt.
Voor de pgb tarieven voor een opgeleid persoon/ beroepskracht die niet werkt via een daartoe gekwalificeerde instelling geldt dat het gangbare praktijk is dat deze circa 20% lager kunnen liggen dan tarieven waarmee vergelijkbare zorg in natura wordt ingekocht. Dat heeft ermee te maken dat er minder overheadkosten hoeven te worden mee berekend. Dit komt terug in de hoogte van een pgb bij reguliere of gespecialiseerde begeleiding en kortdurend verblijf / respijtzorg. Er wordt niet méér vergoed dan de daadwerkelijke kosten die belanghebbende maakt. Belanghebbende moet in dat kader inzichtelijk maken wat de concrete kosten zijn, voordat het pgb wordt uitbetaald. Bij de vervoerskosten onder f is aangesloten op de tarieven zoals deze voor zorg in natura per etmaal zijn overeengekomen. Onder formeel vervoer valt vervoer door inzet van taxibedrijven. Al het overige vervoer is informeel vervoer. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor verhuishulp wordt rekening gehouden of de cliënt al dan niet gebruik zal maken van een erkende verhuizer. In aanvulling hierop gelden op grond van het vijfde lid voorwaarden waaronder de ontvanger van een pgb een voorziening kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Hieruit kan volgen dat de cliënt in aanmerking komt voor een lager tarief dan berekend overeenkomstig het vierde lid.
Ten aanzien van het vijfde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 30
woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gangbare tarief voor personen uit het sociale netwerk – waar in dit artikel naar wordt verwezen – bedraagt op dit moment overeenkomstig artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg € 20. Door de dynamische verwijzing naar het stelsel van de Wet langdurige zorg stijgt het bij de uitvoering van deze verordening gehanteerde tarief mee als het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gehanteerde tarief stijgt.
HOOFDSTUK 4 - BIJDRAGE IN DE KOSTEN Artikel 12. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de wet. De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.
Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorzieningen (artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet) en in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in het derde lid. Het zesde lid van dit artikel zorgt er voor dat de mantelzorger, die door het verlenen van zorg overbelast is geraakt of overbelast dreigt te raken, tijdelijk ondersteund kan worden in huishoudelijke taken (werkzaamheden ten behoeve van het behalen van een basisniveau van een schoon en leefbaar huis), zonder dat daar voor hem financiële lasten tegen over staan. Met deze ondersteuning wordt beoogd dat de mantelzorg voortgang kan blijven vinden en wordt tevens de mogelijkheid en de tijd geboden om naar een meer structurele oplossing te zoeken. Het betreft hier mantelzorgers, die niet op hetzelfde adres wonen als de zorgbehoeftige, en die de zorg in Katwijk verlenen aan een extramuraal wonende zorgbehoeftige.
Voor intramuraal wonende zorgbehoeftigen geldt dat er van uit gegaan wordt
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 31
dat deze dusdanige zorg krijgen vanuit de beroepsmatige zorgverleners, dat mantelzorg in het kader van deze korting niet aan de orde hoeft te komen. De verrichte mantelzorg moet ook van enige omvang en duur zijn, minimaal 8 uur per week en langer dan 3 maanden. Wat onder mantelzorg verstaan moet worden, valt niet altijd precies te zeggen. Benadrukt hierbij wordt dat er sprake moet zijn van ‘zorg’. Het is daarmee in ieder geval meer dan een ‘helpende hand’. Het dient daarnaast het niveau van een ‘vriendendienst’ te overschrijden. Of er daadwerkelijk sprake is van mantelzorg, zal per individuele situatie beoordeeld moeten worden. In het zevende lid is beschreven voor welke voorzieningen geen eigen bijdrage wordt geïnd. In een aantal gevallen mag op grond van de geldende regelgeving geen eigen bijdrage worden geheven dan wel wordt dit niet opportuun geacht. Een eigen bijdrage voor een rolstoel (in natura dan wel met een persoonsgebonden budget) is gezien(de totstandkoming van) het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet toegestaan. Ook aan de verhuiskostenvergoeding hoeft door belanghebbende niet meebetaald te worden. Dit om te voorkomen, dat dit een drempel voor belanghebbende opwerpt om mee te werken aan het goedkoopst-adequate resultaat. Een voorziening in een gemeenschappelijke ruimte van een wooncomplex wordt in de regel niet verstrekt.
Dit omdat de voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn gericht op het individu en op diens eigen woonruimte. Van een voorziening in een gemeenschappelijke ruimte kunnen ook anderen gebruikmaken. Deze kunnen daarmee ook ten goede komen van andere personen met een beperking. Om die reden wordt in dat geval bij de individuele belanghebbende geen eigen bijdrage geheven. Belanghebbende blijft eveneens gevrijwaard van een financiële claim op zijn inkomen bij een collectieve voorziening in het kader van vervoer en bij het verstrekken van een tegemoetkoming voor vervoer op basis van artikel 16 lid 2 van de verordening.
HOOFDSTUK 5 - KWALITEITSEISEN Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 32
In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.
HOOFDSTUK 6 - WIJZIGINGEN, HERZIENING, INTREKKING OF TERUGVORDERING Artikel 14. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het tweede, derde en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).
In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het zesde en zevende lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.
HOOFDSTUK 7 - OVERIGE BEPALINGEN Artikel 15. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 33
voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Artikel 16. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking en kan meer in het bijzonder een subsidiebeschikking zijn. De bepalingen in de Awb, onder andere over bezwaar en beroep en subsidies zijn hierop van toepassing. Op grond van de uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2018:396) kan de tegemoetkoming ook onder de maatwerkvoorziening in de zin van artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 vallen. De tegemoetkoming kan een alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening of pgb.
Hiervoor is wel vereist dat de cliënt zelf kiest voor een tegemoetkoming. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening of pgb en die tijdens het onderzoek naar de aanvraag de keuze krijgt om een tegemoetkoming te ontvangen voor de door hem gewenste voorziening. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee hij meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming. Nadere toelichting artikel 16 lid 2 onder a tot en met c: Met de tegemoetkoming voor vervoer wordt belanghebbende in staat geacht een vervoersbehoefte van minimaal 1500 kilometer per jaar in te kunnen vullen. Dit is in overeenstemming met de daarover gevormde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De tegemoetkoming wordt op declaratiebasis uitbetaald. Voor vervoer met de (eigen) auto wordt een kilometerprijs gehanteerd van € 0,42.
Met dit bedrag wordt belanghebbende geacht niet alleen de variabele kosten voor het gebruik van de (eigen) auto te kunnen dekken, maar ook de vaste kosten zoals onderhoud en reparatie, verzekeringen, belastingen en afschrijving. Een ‘besparingsbedrag’ van ongeveer € 0,07 per kilometer wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Dit is het bedrag per kilometer aan algemene kosten, verbonden aan het (regulier) openbaarvervoer, dat bij vervoer met een vergoeding vanuit de Wmo 2015 wordt bespaard. Voor vervoer met een taxi wordt een (all-in) kilometerprijs van € 2,36 gehanteerd en voor vervoer met een rolstoeltaxi van € 2,89.
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 34
Vanaf 1 oktober 2011 geldt de volgende systematiek bij het bepalen van de tariefstelling:. De nieuwe ritprijs bestaat uit 3 delen: -
een starttarief; een prijs per gereden kilometer; een prijs voor de duur van de rit.
In de onderstaande tabel staan de maximumtarieven die taxiondernemingen mogen hanteren. Tabel Maximum tarieven taxi’s per 1.1.2021 Soort taxi vervoer
Maximum start tarief
Maximum km tarief
Maximum tijdtarief per minuut
Personenauto (max. 4 personen)
€ 3,29
€ 2,42
€ 0,40
Busje (5 – 8 personen)
€ 6,69
€ 3,05
€ 0,45
Wachttarief taxi De chauffeur kan een wachttarief in rekening brengen als u dat met hem voorafgaand aan de taxirit bent overeengekomen. Bijvoorbeeld voor het wachten tijdens een bezoek aan een café of als een vergadering uitloopt. Het wachttarief is € 45,33 per uur. Taxitarieven vergelijken De tarieven moeten aan de buitenkant van de taxi goed leesbaar zijn. Daartoe moet een tariefkaart achter een van de ramen van de taxi zijn bevestigd. De kaart moet ook in de taxi goed leesbaar zijn. Vaste ritprijs: Een taxichauffeur mag u een vaste ritprijs aanbieden. Ook mag hij voor aanvullende diensten een toeslag rekenen, bijvoorbeeld voor het dragen van uw koffers. De toeslag is echter alleen toegestaan als u hierover voorafgaand aan de rit afspraken maakt met de taxichauffeur of het taxibedrijf. Gezien de marktwerking en de concurrentie in de taxiwereld wordt er echter van uit gegaan dat met de bedragen van € 2,36 en € 2,89 per kilometer voldaan wordt aan het compensatiebeginsel van de Wmo 2015 en dat de klant met deze vergoeding in staat is om 1.500 kilometers te reizen. In dit artikel staat het bedrag dat op declaratiebasis als tegemoetkoming wordt verstrekt. Een combinatie met andere (vervoers)voorzieningen kan leiden tot een lagere tegemoetkoming. Dit wordt verder uitgewerkt in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022.
artikel 3 onder d Een verhuiskostenvergoeding wordt verstrekt als een woning gezien de beperkingen van betrokkene niet of niet volledig aan te passen valt of als de aanpassingen dermate duur zijn dat verhuizen het goedkoopst adequaat is. Hierbij wordt rekening gehouden met de grens
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 35
van het primaat van verhuizen van € 10.000,00. Dat wil zeggen dat als de noodzakelijke aanpassingen duurder zijn dan € 10.000,00 dan wordt in de regel een verhuiskostenvergoeding verstrekt als er ook de intentie is om te verhuizen. Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Eerste lid In dit lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.
Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit lid genoemde kostprijselementen.
Vierde lid Dit lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Vijfde lid Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet en artikel 1 van de toelichting bij deze verordening). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 36
Artikel 18. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid.
Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 19. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels.
Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
pagina 37
4. Afhankelijk van specifieke onderwerpen gaat het college de dialoog aan met andere groeperingen en/of organisaties dan de Inwonersadviesraad die specifieke en waardevolle kennis kunnen delen. Naast groeperingen kunnen ook individuele burgers of belangenbehartigers van individuen gevraagd worden mee te denken over te vormen beleidskaders.
HOOFDSTUK 8 - SLOTBEPALINGEN Artikel 21. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2015, versie januari 2020 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2015 van eerdere datum en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2015, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2022. Bij gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2015 versie januari 2020. 2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Katwijk in zijn openbare vergadering van 20 januari 2022
De griffier
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2022
De voorzitter
pagina 14