CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21. Bijlage 3. Toelichting UP Nieuw Rijnvaert (2759622)

Raad 23 december 2021, gemeente KatwijkBij agendapunt: A.Voor kennisgeving aan te nemen:23.362 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

uitwerkingsplan

Nieuw Rijnvaert Gemeente Katwijk

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0537.upRBGnieuwrijnvaer-va01

Datum:

2021-11-23

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR190009

Opdrachtgever:

Adriaan van Erk Ontwikkeling | Ouwehand Bouw

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 16 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 16 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 18 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 22 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 25

4 Toetsing aan de uitwerkingsregels ....................................................................................................... 28 5 Omgevingsaspecten .............................................................................................................................. 30 5.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 30 5.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 31 5.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 41 5.4 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 45 5.5 Ecologie ............................................................................................................................................................. 49 5.6 Archeologie .......................................................................................................................................................

51 5.7 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 52 5.8 Duurzaamheid ................................................................................................................................................... 52

6 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 54 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 54 6.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 54 6.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 54 6.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 55

7 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 58 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 59 8.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 59 8.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 60 8.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 60

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de rand van de Rijnsburgse woonwijk Frederiksoord (gemeente Katwijk) en de Kamphuizerpolder (gemeente Oegstgeest) bevindt zich een gebied met grasland en kassen. Het voornemen is hier een gevarieerde woonwijk met een dorpse schaal te realiseren. Deze woonwijk staat bekend onder de naam 'Nieuw Rijnvaert' en ligt in twee gemeenten: Katwijk en Oegstgeest. De ontwikkelende partijen zijn in samenwerking met de gemeenten Katwijk en Oegstgeest gekomen tot een gezamenlijk gedragen stedenbouwkundig plan voor het gebied. Het stedenbouwkundig plan 'Nieuw Rijnvaert' van 26 maart 2021 vormt het uitgangspunt voor het voorliggende uitwerkingsplan, dat het Katwijkse deel van Nieuw Rijnvaert mogelijk maakt. De beoogde sfeer van de woningen en de openbare ruimte is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan 'Nieuw Rijnvaert' van 26 maart 2021. Bestemmingsplan 'Frederiksoord Zuid', waarin het deel van Nieuw Rijnvaert dat in de gemeente Katwijk ligt zich bevindt, beschikt over een uit te werken woonbestemming met bijbehorende uitwerkingsregels. Voorliggend uitwerkingsplan voorziet in de toetsing aan de uitwerkingsregels en maakt inzichtelijk waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend uitwerkingsplan is gelegen in het zuiden van de gemeente Katwijk, aan de rand van het dorp Rijnsburg. Het plangebied bestaat uit het beoogde woongebied Nieuw Rijnvaert, de nieuwe fietsbrug naar Frederiksoord (Paesenakker) en de gronden waar groen, water en wegen voorzien zijn. De oppervlakte van het plangebied van het voorliggende uitwerkingsplan bedraagt circa 6 ha. De gehele ontwikkeling Nieuw Rijnvaert beslaat een oppervlakte van circa 9 ha. Het plangebied van voorliggende uitwerkingsplan is als volgt begrensd:

• • • •

noordzijde: woonwijk Frederiksoord; oostzijde: woningen aan de Rijnsburgerweg 69-77; zuidzijde: grens gemeenten Oegstgeest en Katwijk; westzijde: Valkenburgerweg.

5

De navolgende afbeeldingen tonen achtereenvolgens de globale ligging en begrenzing van het plangebied van het voorliggende uitwerkingsplan.

Globale ligging van het plangebied (rode druppel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Begrenzing van het plangebied van voorliggend uitwerkingsplan (witte omkadering). Het plangebied van het bestemmingsplan van de gemeente Oegstgeest is rood omkaderd.

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden die onderdeel zijn van het voorliggende uitwerkingsplan geldt het bestemmingsplan 'Frederiksoord Zuid', vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rijnsburg op 27 oktober 2005. In dit bestemmingsplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming ‘Uit te werken woondoeleinden’ (zie navolgende afbeelding).

Bestemmingsplan 'Frederiksoord Zuid'

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Uit te werken woondoeleinden' uitwerken, met inachtneming van de uitwerkingsregels van artikel 3 lid 2. Deze toetsing vindt plaats in toelichting hoofdstuk 4. De woningen aan de Rijnsburgerweg 69-77 maken geen onderdeel uit van voorliggend plan. Bestemmingsplan Archeologie gemeente Katwijk Het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Archeologie gemeente Katwijk' regelt dat alle geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Katwijk voorzien worden van een archeologisch protocol met bijbehorende regels. Parapluplan Parkeren Katwijk Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Katwijk' is geregeld dat een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet kan worden gebouwd wanneer op eigen terrein niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Hierbij moet voldaan worden aan de normen van het 'Parkeernormenbeleid Katwijk'. Parapluplan Standplaatsen Katwijk Het bestemmingsplan 'Parapluplan Standplaatsen Katwijk' voorziet in een eenduidige regeling voor standplaatsen in de gemeente Katwijk. Hierdoor wordt voorkomen dat vergunningaanvragen voor het innemen van een standplaats in de toekomst moeten worden geweigerd.

7

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat de toetsing aan de uitwerkingsregels van het geldende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van de omgevingsaspecten en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Hoofdstuk 7 bevat de economische uitvoerbaarheid van het plan en hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid, waarbij de uitkomsten van de inspraak- en overlegmomenten zijn opgenomen. De voorliggende toelichting vormt de toelichting bij het uitwerkingsplan 'Nieuw Rijnvaert' van de gemeente Katwijk. Vanwege de samenhang met het deel van de ontwikkeling Nieuw Rijnvaert in de gemeente Oegstgeest wordt in de voorliggende toelichting in diverse hoofdstukken en paragrafen gerefereerd naar de gehele ontwikkeling. Dit betreft met name de paragrafen 2.1, 2.2, 3.1 t/m 3.3 en 5.1 t/m 5.8.

8

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Functionele structuur In de huidige situatie is het plangebied van de ontwikkeling Nieuw Rijnvaert grotendeels onbebouwd en ingevuld met grasland en kassen. Voorheen bestond het gebied grotendeels uit kassen, waarvan inmiddels een deel gesloopt is. Op dit moment bevinden zich met name in de zuidoostelijke hoek van het plangebied nog kassen. Direct ten zuiden hiervan is een caravanstalling aanwezig. De planlocatie ligt direct ten zuiden van de Rijnsburgse woonwijk Frederiksoord, met een diversiteit aan grondgebonden woningen. Verder wordt de planlocatie geflankeerd door de Rijnsburgerweg aan de oostzijde en de Valkenburgerweg aan de westzijde. Ten oosten van de planlocatie bevindt zich een strook met bestaande bebouwing aan de Rijnsburgerweg, die voornamelijk uit vrijstaande woningen bestaat. Achter deze strook is, direct ten zuiden van het plangebied, een transportbedrijf gevestigd. Het gebied ten zuiden van het plangebied is van oorsprong een tuindersgebied, waarbij het voornemen bestaat tot transformatie naar een landschappelijk, recreatief gebied met enkele woningen (de 'Tuin van Oegstgeest'). In het gebied ten westen van de locatie, aan de overzijde van de Valkenburgerweg, is recent de Oegstgeestse wijk Rijnvaert gerealiseerd. Dit is een nieuwe woonwijk met twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen.

De ontsluiting van deze wijk vindt plaats via de Langenakker, een weg die door het plangebied van Nieuw Rijnvaert voert en aan de oostzijde aansluit op de Rijnsburgerweg.

Ligging ten opzichte van omgeving (plangebied is wit omkaderd)

9

Impressie huidige situatie

Ruimtelijke structuur De ruimtelijke structuur van de locatie zelf wordt bepaald door een rechtlijnig oost-westgerichte landschapsverkaveling. Daarnaast bepalen de verschillende randen rondom het plangebied het ruimtelijke karakter van de locatie. De noordelijke rand bevat grotendeels woonpercelen die met de achterzijde naar de planlocatie zijn gericht. Slechts incidenteel zijn er woningen met de voorzijde naar het plangebied gericht. Een smalle sloot op de grens met de planlocatie begeleidt deze woonpercelen. De woningen zijn vrijwel allemaal één tot twee bouwlagen met kap en er is veelal sprake van aaneengesloten bebouwing. Ook aan de oostelijke rand keren de woonpercelen zich met de achterzijde naar de planlocatie. Het beeld is hier echter meer open dan aan de noordzijde. De bouwhoogte is vrijwel overal één bouwlaag met kap. De zuidzijde kent een tweeledig karakter. Enerzijds is er sprake van een relatief groen en open tuindersgebied. Anderzijds is het bedrijfsperceel met bijbehorende bedrijfshal van het transportbedrijf dominant. Aan de westzijde is de Valkenburgerweg de bepalende structuur. Ter hoogte van de planlocatie en verder naar het zuiden is dit een incidenteel bebouwd lint met verspreide groen omkaderde woonpercelen. Direct tegenover de planlocatie verandert dit karakter door de realisatie van Rijnvaert.

Hier ontstaat in relatie met de Oude Rijn een waterrijke woonwijk met vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen van twee bouwlagen met kap.

10

2.2 Toekomstige situatie Stedenbouwkundig plan Het stedenbouwkundig plan van de ontwikkeling Nieuw Rijnvaert (Buro SRO, nr. SR190009, 26 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 1) vormt de basis voor het voorliggende uitwerkingsplan. De hoofdstructuur van dit stedenbouwkundig plan is het uitgangspunt voor de bestemmingssystematiek. Deze hoofdstructuur is gebaseerd op de aanwezige oost-westgerichte landschapsstructuur. Naast de woonstraten die deze structuur volgen komt dit tot uiting door een centrale singel, die van oost tot west de drager van de buurt vormt. De weg langs de singel loopt door naar het aangrenzende Rijnvaert.

Stedenbouwkundig plan

Bebouwing Het plan is zodanig opgezet dat alle woningen een oriëntatie op de openbare ruimte krijgen. Voorzijden van woningen begeleiden dus zowel de singel, de woonstraten als de groene ruimten. Nabij de entree worden hoogteaccenten tot vijf bouwlagen mogelijk gemaakt. Naast deze hoogteaccenten komen er accenten op de bijzondere punten in de structuur. Deze beëindigen de voornaamste zichtlijnen en benadrukken zo de hoofdstructuur. Het beoogde woonmilieu is een gevarieerde wijk met een dorpse schaal, afgestemd op korrel van de Rijnsburgse Vliet. Een afwisseling in traditionele en eigentijdse Hollandse architectuur is daarbij passend. Bewust gekozen accenten vormen unieke gebouwen die het plan verder verbijzonderen. Er zijn vier deelgebieden te onderscheiden: Singel, Nieuwe Vliet, Woonstraten en Valkenburgerweg. Voor de eerste drie deelgebieden wordt dezelfde sfeer beoogd, maar is het ambitieniveau bij de Singel en Nieuwe Vliet wat hoger dan bij Woonstraten. Het deelgebied Valkenburgerweg maakt minder onderdeel uit van de wijk, maar juist meer van de bestaande structuur. Voor dit deelgebied gelden daarom andere criteria. In het beeldkwaliteitsplan (Buro SRO, nr. SR190009, 26 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 2), dat als aanvulling op de welstandsnota wordt vastgesteld, zijn per deelgebied richtlijnen opgesteld.

Woningbouwprogramma Voor een gevarieerd beeld is het zaak verschillende woningtypen (vrijstaand, twee-onder-een-kapwoningen, rij- en hoekwoningen en appartementen) te mengen over de wijk als geheel. Delen met een herhaling van steeds hetzelfde woningtype zijn nadrukkelijk niet de bedoeling. Wel is het streven om aan de westzijde het

11

accent op vrijstaande woningen en tweekappers te leggen. Zo wordt aangesloten op het aangrenzende Rijnvaert. Aan de oostzijde is juist een compacter beeld met meer aaneengesloten bebouwing passend. Het woningbouwprogramma, dat vanwege de gewenste flexibiliteit enkele extra woningen mogelijk maakt ten opzichte van het stedenbouwkundig plan, bestaat indicatief uit de volgende woningaantallen: Woningtype

Totaal

vrijstaande woningen

17

twee-onder-een-kapwoningen

46

rij- en hoekwoningen

104

grondgebonden starterswoningen (XS-woningen)

18

appartementen

48

sociale huurwoningen (grondgebonden of gestapeld)

71

totaal

304 + 7 extra = 311

waarvan in de gemeente Katwijk (voorliggend uitwerkingsplan)

164 + 5 extra = 169

Het voorliggende uitwerkingsplan biedt de mogelijkheid om binnen de stedenbouwkundige hoofdstructuur verschillende woningtypen te realiseren en hierin, afhankelijk van de marktomstandigheden en de behoefte naar bepaalde type woningen, te variëren. Door het vastleggen van de stedenbouwkundige hoofdstructuur, die bestaat uit de water-, groen- en verkeersstructuur (zie navolgend), in combinatie met (bouw)regels van het voorliggende uitwerkingsplan en de sturing via het beeldkwaliteitsplan, is de ruimtelijke kwaliteit van beoogde woonmilieu verzekerd. Groen Bij de centrale entree tot de wijk is er sprake van een losse bebouwingsstructuur met bouwvolumes in het groen. Dit zorgt ervoor dat het aangrenzende groengebied de 'Tuin van Oegstgeest’ de nieuwe wijk inkomt tot aan de centrale singel. In het centrum van de wijk is daardoor de groene, landschappelijke sfeer voelbaar. De oevers en het straatprofiel langs de singel vormen het belangrijkste structuur- en beeldbepalende groen in de wijk. Daarnaast zijn er op meerdere locaties grotere groene ruimtes aanwezig:

• • • • •

bij de entree tot de wijk in de vorm van een ruime groene voet waarop de beide appartementengebouwen zijn gesitueerd; tegenover de centrale entree, aan de noordzijde van de singel; op de kop van de singel aan de Valkenburgerweg; op beide uiteinden van de oostelijke woonstraat; in het verlengde van de fietsbrug naar Frederiksoord.

12

Groenstructuur

Water De centrale singel is de dragende structuur voor Nieuw Rijnvaert. De singel bestaat aan de westzijde uit een circa 8 tot 13 m brede watergang met groene oevers en sluit aan op de waterstructuur van Rijnvaert. Daarmee ontstaat ook een vaarverbinding naar de Oude Rijn. In het westelijke deel komen aan de zuidelijke oever overtuinen en aanlegmogelijkheden voor boten. De tweede oost-westgerichte watergang ligt tussen Frederiksoord en Nieuw Rijnvaert. Dit betreft een opwaardering van de bestaande sloot tot een 6 tot 8 m brede watergang. De woningen komen er met de achtertuin aan te liggen en krijgen aanlegmogelijkheden voor boten. Beide watergangen worden op twee punten met elkaar verbonden; centraal in het gebied en aan de oostzijde. Vanuit alle woningen die met de (over)tuin aan het water grenzen is er een vaarverbinding met de Oude Rijn. Op de daarvoor noodzakelijke delen komen bruggen of vaarduikers. Overige kruisingen bestaan uit duikers. Met deze waterstructuur ontstaat er meer watercompensatie dan nodig, wat een bewuste keuze voor een waterrijk woonmilieu is.

13

Waterstructuur

Ontsluiting en parkeren Voor auto’s is Nieuw Rijnvaert uitsluitend te bereiken vanaf de Rijnsburgerweg. Na het transportbedrijf buigt de weg af en vormt deze een centrale entree tot de wijk. Vanaf daar leidt de route ten noorden van de singel verder naar de aangrenzende wijk Rijnvaert. Op meerdere punten takken woonstraten aan op de ontsluitingsweg. Aan de singel worden dit, de ontsluitingsweg uitgezonderd, eenrichtingsstraten. De woonstraat aan de noordoostzijde wordt tevens een eenrichtingsstraat. Alle straten worden 30 km/uurstraten. Centraal in het gebied komt een fietsverbinding met Frederiksoord. Deze takt aan op de straat Paedsenakker en doet tevens dienst als calamiteitenroute. Met deze verbinding ontstaan zowel in oostwest- als in noord-zuidrichting soepele fietsverbindingen over de 30 km/uurstraten naar de Valkenburgerweg. De routes kunnen aansluiten op de fietspaden in de ‘Tuin van Oegstgeest’, indien dat gebied zich ontwikkelt. Het parkeren vindt zoveel mogelijk plaats uit het zicht van de straten. Dit gebeurt door parkeerhoven en parkeerkoffers achter en tussen de blokken en indien mogelijk achter of onder de appartementen of groen ingepast. Slechts aan één zijde van de rijbaan komen langsparkeerplaatsen en een enkele keer haakse parkeerplaatsen.

14

Verkeersstructuur auto (boven) en fiets (onder)

15

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is niet specifiek van toepassing op de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling moet echter wel in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking verantwoord worden. Deze verantwoording is opgenomen in toelichting paragraaf 3.1.3. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen op het gebied van een goede ruimtelijke ordening in het geding komen, kunnen krachtens de provinciale verordening of de algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt binnen de indicatieve zone van de Romeinse Limes, die een erfgoed van uitzonderlijke universele waarde zijn. Bij provinciale verordening worden de kernkwaliteiten van dit erfgoed van uitzonderlijke universele waarde uitgewerkt en geobjectiveerd. In toelichting paragraaf 3.2.3 en toelichting paragraaf 5.6 wordt dit nader toegelicht. De voorgenomen ontwikkeling raakt verder niet aan één van de nationale belangen zoals benoemd in het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden.

16

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen, afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen plan bestaat uit ten hoogste 311 woningen, waarvan ten hoogste 169 woningen binnen het plangebied van het voorliggende uitwerkingsplan. Het voorgenomen plan wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Behoefte De behoefte aan de betreffende stedelijke ontwikkeling dient beschreven te worden. Uit het Programma ruimte van de provincie Zuid-Holland (zie toelichting paragraaf 3.2.2) volgt dat er in de Duin- en Bollenstreek tot 2030 een regionale woningbouwbehoefte van 11.000 woningen en een bovenregionale woningbouwbehoefte van 4.600 woningen is. In de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland (zie toelichting paragraaf 3.3.2) wordt de woningbouwbehoefte nader uitgewerkt en gefaseerd.

Hieruit blijkt dat het voorgenomen plan in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin tegemoet komt aan de woningbouwbehoefte. Bestaand stedelijk gebied De gronden waarop de woningen zijn voorzien zijn in het verleden grotendeels gebruikt voor agrarische doeleinden, waaronder glastuinbouw. In het thans geldende bestemmingsplan hebben deze gronden een uit te werken woonbestemming. Volgens artikel 1.1,1, eerste lid, onder h van het Bro is bestaand stedelijk gebied 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Uitgaande van deze definitie kunnen de gronden in het plangebied niet aangemerkt worden als bestaand stedelijk gebied. De inbreidingscapaciteit in de gemeenten Oegstgeest en Katwijk is onvoldoende om te voorzien in de actuele gemeentelijke en regionale woningbehoefte. Voor een woningbouwontwikkeling met een omvang als het voorgenomen plan wordt daarom gekozen voor uitbreiding van de bestaande kernen. Deze uitbreiding maakt onderdeel uit van de Knoop Leiden West, een integrale ontwikkeling van (woningbouw)projecten in de as Leiden-Katwijk (zie ook toelichting paragraaf 3.2.2). Er dient geconcludeerd te worden dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

17

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

2.

Ambities en sturing

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

18

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Wel sluit het voorgenomen plan aan op de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het Zuid-Hollandse kustlandschap. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan. Laag van de ondergrond Op de laag van de ondergrond is de planlocatie aangewezen als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' en 'rivierdeltacomplex - jonge zeeklei'. In dit gebied kunnen natuurlijke hoogteverschillen voorkomen. Dit betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Richtpunten hierbij zijn:

•

Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.

•

Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

In het plangebied zijn geen onregelmatige patronen aanwezig en is geen reliëf in het landschap herkenbaar. Uit toelichting paragraaf 5.6 volgt of er archeologische waarden aanwezig zijn. De gronden in het rivierdeltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Ontwikkelingen in dit gebied moeten bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoetzoutovergangen in de deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Met het beoogde plan wordt de waterstructuur zoals die aanwezig is ten (zuid)westen van de Valkenburgerweg doorgezet in het plangebied. Hiermee ontstaan er mogelijkheden voor natuurlijke processen. Laag van de beleving De Valkenburgerweg is aangewezen als fiets- en wandelroute. De ontsluiting van de woningen van Rijnvaert en de beoogde woningen van Nieuw Rijnvaert is voorzien via de as Hartjespan-Langenakker-Rijnsburgerweg. De Valkenburgerweg wordt niet gebruikt voor de ontsluiting en is/wordt ingericht als fietsstraat, wat past bij de status van fiets- en wandelroute.

19

Laag van de stedelijke occupatie Op de laag van de stedelijke occupatie is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Ontwikkelingen dienen hier bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. De groen- en waterstructuur die in de omgeving aanwezig is wordt met het plan doorgetrokken in het plangebied. De stedenbouwkundige hoofdstructuur en uitgangspunten zijn afgeleid van de omgeving (Frederiksoord, Rijnvaert en de 'Tuin van Oegstgeest'). Hiermee wordt voortgebouwd op het bestaande stads- en dorpsgebied en wordt de overgangskwaliteit met een nieuwe dorpsrand versterkt. De gronden ten zuiden van het plangebied zijn indicatief aangewezen als stedelijke groen- en waterstructuur. Deze groen- en waterstructuur is op hoofdlijnen vastgelegd in het bestemmingsplan 'Kamphuizerpolder - Buitenlust'. Op deze gronden ligt reeds een ontsluitingsweg. De ontsluiting van de beoogde woningen zal plaatsvinden via deze weg. De gronden rondom deze weg zullen ingericht worden als groenvoorziening. De entree van het plangebied, rondom het appartementengebouw, zal een groen karakter krijgen, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de (toekomstige) groen- en waterstructuur ten zuiden van het plangebied. Binnen het plangebied wordt deze structuur verder doorgezet in de vorm van de centrale singel met groen en water.

4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit', 'stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied' en 'verstedelijking en wonen'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voornoemde lagen van de kwaliteitskaart. Uit de toetsing van het voorgenomen plan aan de kwaliteitskaart volgt dat het plan grotendeels voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Met het voorgenomen plan wordt een deel van de vraag naar woningen opgevangen. De vraag naar woningen kan in kwantitatieve zin niet volledig binnen het bestaand stads- en dorpsgebied opgelost worden. Met het plan wordt een kwalitatief hoogwaardige woonomgeving gerealiseerd, waar ruimte is voor groen en water. Het woningbouwprogramma bestaat uit passende woningen voor verschillende doelgroepen. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en past binnen de provinciale ambities ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en wonen. Daarmee vormt de Omgevingsvisie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.2 Programma ruimte In het Programma ruimte is het strategische beleid uit de Visie ruimte en mobiliteit doorvertaald naar operationeel beleid en is aangegeven welke mix aan instrumenten de provincie voornemens is om in te zetten en aan wil bieden om deze doelen te realiseren.

De Actualisering 2018 is vastgesteld op 30 mei 2018. Op 15 februari 2019 is de meest recente geconsolideerde versie gepubliceerd. Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stadsen dorpsgebied. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of zij ook behoefte hebben aan regionale visies ter afstemming van het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen en detailhandel, of aan regionale ruimtelijke visies. Gedeputeerde Staten kunnen echter voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken.

20

De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt een belangrijk handvat in de fase van regionale visievorming. Als het plan qua regionale behoefteraming past in een actuele regionale visie die de instemming heeft van Gedeputeerde Staten, kan daarnaar worden verwezen bij de beschrijving van de behoefte als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau volgens de provincie geheel of gedeeltelijk is doorlopen (zie toelichting paragraaf 3.3.1). Stedelijke ontwikkelingen buiten BSD groter dan 3 ha Volgens de Verordening ruimte 2014 moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten BSD van meer dan 3 ha in het door Provinciale Staten (PS) vastgestelde Programma ruimte staan. Daarmee ligt het eindoordeel over omvangrijke verstedelijking buiten BSD bij PS. Indien in regionale visies of bestemmingsplannen locaties worden opgenomen buiten bestaand stads- en dorpsgebied die groter zijn dan 3 ha, dienen die dus door PS in het Programma ruimte te worden opgenomen, voor zover zij daar al niet in opgenomen zijn. Bij een verschil tussen het Programma ruimte en de regionale visie, is het programma leidend.

Planspecifiek Op kaarten bij het Programma ruimte is de planlocatie aangemerkt als 'bebouwde ruimte' en 'steden en dorpen'. De ambitie van de provincie is dat het bestaand stads- en dorpsgebied beter benut wordt. Het voorgenomen plan geeft invulling aan deze ambitie. De planlocatie wordt in het Programma ruimte genoemd als onderdeel van de Knoop Leiden West. De Knoop Leiden West is één van de vier locaties uit het Programma ruimte die is aangewezen voor het realiseren van een bovenregionale woningbouwopgave. In de Overeenkomst Knoop Leiden West is een stelsel van bestuurlijke afspraken gemaakt voor een integrale ontwikkeling van de 'Knoop' in samenhang met andere projecten in de as Leiden-Katwijk. De planlocatie is één van de woningbouwlocaties in de Knoop Leiden West. De ontwikkeling van de Knoop Leiden West is verwerkt en uitgewerkt in de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland (zie toelichting paragraaf 3.3.2). 3.2.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de

21

ii.

fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van transformatie (sub c). Het gebied verandert dusdanig van aard en omvang dat er een nieuw stedelijk gebied ontstaat met een nieuwe gebiedsidentiteit. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied kan grotendeels aan de richtpunten van de kwaliteitskaart worden voldaan, wat blijkt uit toelichting paragraaf 3.2.1. Met het nieuwe integrale ontwerp (zie toelichting paragraaf 2.2) ontstaat er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit die niet is ondervangen in de richtpunten. Hierbij is aansluiting gezicht bij structuren en patronen in de omgeving, zoals het doorzetten van de groen- en waterstructuur. Als onderdeel van het voorgenomen plan zijn/worden kassen gesaneerd, wat een aanvullende ruimtelijke maatregel als bedoeld in lid 3 is. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking (sub a). De ontwikkeling kan niet worden voorzien binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en is groter dan 3 ha, namelijk circa 9 ha in totaal en circa 6 ha in het voorliggende uitwerkingsplan. De locatie wordt in het Programma ruimte genoemd als onderdeel van de Knoop Leiden West. Op kaarten bij het Programma ruimte is de locatie aangemerkt als 'bebouwde ruimte' en 'steden en dorpen'. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Archeologie en Romeinse Limes Artikel 6.27 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde. De gronden in het plangebied zijn op de kaart bij de Omgevingsverordening niet aangewezen als Romeinse Limes of gebied met (zeer) hoge archeologische waarde. Desondanks is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De resultaten hiervan zijn opgenomen in toelichting paragraaf 5.6. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Regio Holland Rijnland is gelegen in de Randstad en bestaat uit de gemeenten Hillegom, Kaag en Braasem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. Gezamenlijk geven zij hun ruimtelijke visie op de regio. In deze visie wordt gestreefd naar een regio waar het prettig wonen, werken en recreëren is en die kansen benut en bedreigingen tegengaat. De vijftien aangesloten gemeenten werken samen aan hun ambities en opgaven. Met als doel: een goede balans realiseren tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter.

22

In de structuurvisie zijn zeven kernbeslissingen opgenomen waarin de gemeenten hun belangrijkste keuzes weergeven. De zeven kernbeslissingen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Holland Rijnland is een topwoonregio; Leiden vervult een centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groene-blauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open, twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Het voorgenomen plan draagt bij aan kernbeslissing 1 van de Regionale Structuurvisie door het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Het woonmilieu dat hierbij beoogd wordt is een gevarieerde wijk met een dorpse schaal. Daarmee worden woningen in een aantrekkelijke omgeving gerealiseerd, waar sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Met het voorgenomen plan is onderdeel van de ontwikkeling Knoop Leiden West, die is aangewezen als een locatie voor het realiseren van een bovenregionale woningbouwopgave (zie ook toelichting paragraaf 3.2.2). De afspraken uit de Overeenkomst Knoop Leiden West hebben tot gevolg dat stedelijke ontwikkeling geconcentreerd wordt (kernbeslissing 3). Door de ligging van de beoogde woningbouwontwikkeling nabij Leiden wordt de centrumfunctie van Leiden indirect versterkt (kernbeslissing 2). 3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.

Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 3 en 9. Het plan komt tegemoet aan de regionale en bovenregionale vraag naar woningen. Het woningbouwprogramma bestaat uit verschillende woningtypen, waarvan circa 25% sociale huurwoningen en 18 grondgebonden starterswoningen (XS-woningen). In de gemeente Oegstgeest is in de periode 2017-2022 vraag naar 220 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 280 extra woningen. De totale behoefte van 500 extra woningen in de

23

periode 2017-2030 is indicatief voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'rustig stedelijk, woonwijk laagbouw'. De woningbehoefte in de gemeente Katwijk in de periode 2017-2022 bedraagt 1.290 extra woningen. In de periode 2022-2030 is de behoefte 1.500 extra woningen. De totale behoefte tot 2030 bedraagt daarmee 2.790 woningen. Van dit woningaantal zijn 1.760 woningen indicatief voorzien in het woonmilieu 'rustig stedelijk', woonwijk laagbouw'. De overige 1.030 woningen zouden in het woonmilieu 'luxe woonwijk, dorps, landelijk' gerealiseerd moeten worden. Er wordt een gevarieerde wijk met een dorpse schaal nagestreefd. De beoogde woningen bestaan uit verschillende typen grondgebonden woningen en gestapelde woningen (tot vijf bouwlagen). Het woonmilieu dat hiermee ontstaat is vergelijk met 'rustig stedelijk', woonwijk laagbouw' en 'luxe woonwijk, dorps, landelijk'. 3.3.3 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 In juli 2016 is door de betrokken gemeenteraden de herziening van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek 2016 (ISG2016) vastgesteld. Het doel van deze structuurvisie is drieledig:

•

het gedetailleerder dan in de Regionale StructuurVisie (RSV) vastleggen van het ruimtelijke ontwikkelingskader voor de vitalisering van de Duin- en Bollenstreek tot en met 2030;

•

het, in tegenstelling tot de RSV, wettelijk verankeren van het ontwikkelingskader als zelfbindend ontwikkelingskader voor de greenportgemeenten;

•

het verschaffen van een planologisch juridische basis voor het verevenen van plankosten op basis van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro).

De ISG2016 heeft een integraal karakter en geldt voor nagenoeg het hele buitengebied van de zes greenportgemeenten. Het beleid richt zich hoofdzakelijk op de toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkeling van het buitengebied. Met als doel een gemeenschappelijk inzet voor de herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. Dit in samenspraak met verbetering van de natuurlijke, landschappelijk en recreatieve kwaliteiten. Om het doel te bereiken hanteren de gemeenten een aantal pijlers voor het ruimtelijk beleid tot 2030, te weten:

•

faciliteren van de herstructurering, versterking en vernieuwing van het gehele bollen-, vaste planten- en bloemencomplex in combinatie met verbetering van het landschap;

• • •

realiseren van de daarvoor benodigde ruimtelijke functiewijzigingen in de Duin- en Bollenstreek; bijdragen aan de sociaaleconomische vitaliteit van de greenportgemeenten; bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van de gehele regio Holland-Rijnland.

Aantrekkelijke woonregio De Duin- en Bollenstreek is een aantrekkelijke regio om te wonen. In het verleden is de Duin- en Bollenstreek regelmatig in beeld geweest om te voorzien in een deel van de woningbehoefte van de noordvleugel van de Randstad. Deze planologische schaduwwerking is ongunstig gebleken voor de investeringen in de kwaliteit van het landschap en de vitaliteit van het bollencomplex. Met de aanwijzing tot Greenport in de Nota Ruimte (januari 2006) en het vaststellen van de Gebiedsuitwerking HaarlemmermeerBollenstreek (mei 2006) is erkend dat er slechts ruimte is voor een beperkte woningbouwopgave en dat het accommoderen van een gezonde ontwikkeling van de Greenport Duin- en Bollenstreek voorop staat. Daarmee is de planologische rust en duidelijkheid voor het buitengebied geboden die nodig is om investeringen in kwaliteit en vitaliteit mogelijk te maken en de herstructurering op gang te brengen. Hierbij is het van groot belang dat er tegelijkertijd duidelijkheid is over waar stedelijke functies zich kunnen ontwikkelen.

24

Planspecifiek De regio gaat selectief om met het aanwijzen van gebieden waar zich stedelijke functies kunnen ontwikkelen, om zo meer zekerheid voor investeerders in het buitengebied te scheppen. Om die reden heeft de regio specifieke ontwikkellocaties voor wonen en werken aangegeven op de kaart 'wonen en werken' (zie navolgende afbeelding).

Uitsnede ontwikkellocaties kaart 'wonen en werken'

De locatie van voorliggende planontwikkeling is op de kaart aangegeven met nummer 1 (Katwijk Frederiksoord Zuid) en benoemd als ontwikkellocatie voor woningbouw. Omdat het voornemen is woningen te ontwikkelen, is voorliggend plan in lijn met de bepalingen van de ISG2016.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Katwijk De 'Omgevingsvisie Katwijk: Zelfverzekerd in de regio', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Katwijk op 1 februari 2018, biedt een samenhangende visie van de ambities op de volgende thema’s: gezondheid, wonen en werken, maatschappelijke voorzieningen, duurzaamheid en mobiliteit. Het document is een voorbereiding op de Omgevingswet, die in 2022 in werking zal treden. In de omgevingsvisie regelt iedere gemeente hoe zij zich in de toekomst wil ontwikkelen. Daarmee functioneert deze als afwegingskader voor initiatiefnemers en de gemeente. De omgevingsvisie weerspiegelt de ambities van de gemeente om zich de komende jaren duidelijk te profileren in de regio. De gemeente positioneert zichzelf in de regio vanuit drie ambities: sociaal, innovatief en duurzaam. Sociaal, omdat de sterke gemeenschappen in Katwijk de basis vormen voor het woon- en leefklimaat. Innovatief, omdat Katwijk ruimte biedt aan trends en ontwikkelingen in de van oudsher aanwezige bedrijvigheid, zoals de sierteelt, maar ook nieuwe initiatieven kunnen zich ontplooien in de gemeente. Zo blijft de werkgelegenheid binnen de gemeente behouden. En duurzaam, omdat Katwijk qua ligging aan de kust en aan de monding van de Oude Rijn diverse mogelijkheden heeft voor innovatieve methoden van energieopwekking. Katwijk groeit Katwijk telt nu zo’n 64.500 inwoners.

De verwachting is dat dit de komende jaren groeit naar circa 80.000 inwoners. Dit betekent dat er circa 7.500 nieuwe woningen nodig zijn. 5.000 woningen daarvan zijn voorzien in Nieuw Valkenburg. De opgave is om de andere 2.500 woningen via binnenstedelijke verdichting te realiseren. Er is zowel een tekort aan woningen in stedelijke als in meer suburbane woonmilieus.

25

Planspecifiek Voorliggend plan levert een significante bijdrage aan de woningbehoefte van Katwijk door maximaal in 169 nieuwbouwwoningen mogelijk te maken. Bij de uitwerking van Nieuw Rijnvaert is tevens rekening gehouden met de ambities van de gemeente Katwijk op sociaal-maatschappelijk vlak, op het terrein van de fysieke leefomgeving en op het gebied van duurzaamheid. Het beoogde woonmilieu is een gevarieerde wijk met een dorpse schaal, waarin het woningaanbod gedifferentieerd is, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 2.2. Tevens wordt er voldoende ruimte voor bewegen geboden door speelplekken aan te leggen, ruimte voor sporten te bieden en diverse fietsverbindingen te realiseren. Daarbij krijgt de wijk een groen karakter met voldoende ruimte voor bomen en een passende soortenkeuze, wat bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwbouwwijk. Uit toelichting paragraaf 5.8 blijkt voorts dat de woningen duurzaam, laag energetisch en gasloos ontwikkeld worden. Dit sluit aan bij de opgaven omtrent duurzaamheid in de gemeente Katwijk. Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan in lijn is met de bepalingen van de Omgevingsvisie Katwijk. De gemeente actualiseert de omgevingsvisie in 2021 en heeft het ontwerp in februari 2021 gepubliceerd. Voor het plangebied Nieuw-Rijnvaert zijn geen veranderingen ten opzichte van de omgevingsvisie uit 2018 voorzien.

3.4.2 Woonagenda 2020-2024 Katwijk staat voor een aantal forse opgaven. Er moeten duizenden woningen bijkomen in Katwijk om te voorzien in de lokale woningbehoefte en deels ook in de regionale behoefte. De ruimte om te bouwen is echter schaars en de woningbouw staat onder druk door gebrek aan menskracht en materialen. Met de Woonagenda 2020-2024, die in 2020 vastgesteld zal worden, biedt de gemeente een beleidsmatig vertrekpunt voor prestatieafspraken die met Dunavie en Stichting Huurdersbelangen De Duinstreek (SHD) worden gemaakt. Op basis van eerdere kaderstellende (beleids)documenten als de Omgevingsvisie Katwijk, Maatschappelijke Agenda, concept Strategische Agenda Duurzaamheid, Regionale Woon Agenda 2017 Holland Rijnland, Regionale Agenda Omgevingsvisie 2040 Het Hart van Holland en het Coalitieakkoord 2018-2022 hanteert de gemeente vijf uitgangspunten voor wonen in Katwijk:

• • • •

wijken waar mensen in alle levensfases kunnen wonen;

•

woningen en woonomgevingen dragen bij aan klimaatbestendigheid en een energiezuinige woningvoorraad.

woonlasten passen bij hun betaalmogelijkheden; alle wijken hebben woonruimte voor kwetsbare groepen; woningen en woonomgevingen moeten naar uitstraling, bouw- en woontechnische kwaliteiten goed zijn;

Planspecifiek Zoals blijkt uit toelichting paragraaf 3.3.2 wordt een gedifferentieerd woningaanbod nagestreefd, waarmee verschillende doelgroepen bediend worden. Met circa 25% sociale huurwoningen wordt een bijdrage geleverd aan het aanbod van betaalbare woningen. Daarnaast bevat het woningbouwprogramma 18 grondgebonden starterswoningen (XS-woningen). Uit toelichting paragraaf 5.8 blijkt tevens dat de woningen een duurzaam karakter krijgen. Voorliggend plan levert een bijdrage aan drie van de vijf uitgangspunten uit de Woonagenda 2020-2024. Er worden in Nieuw Rijnvaert zowel koopwoningen in diverse prijsklassen als sociale huurwoningen aangeboden, waardoor voor verschillende doelgroepen passende woonvormen beschikbaar zijn. Daarbij krijgt de beoogde woonwijk, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 2.2, een kwalitatief goede woonomgeving die uitnodigt tot ontmoeting en gezond gedrag. Bovendien is klimaatadaptiviteit in het plan geborgd door de hoogwaardige groen-blauwe structuur. Tevens voldoen de woningen aan de BENG-eisen, waardoor ze energiezuinig zijn. Er wordt daarmee voldaan aan de kwalitatieve opgave.

26

Uit de Katwijkse woningbehoefteraming, waarvan in de Woonagenda 2020-2024 uitgegaan wordt, blijkt een behoefte van in totaal 4.000 woningen tot aan 2040. Voorliggend plan levert een bijdrage aan de woningbehoefte. Er kan geconcludeerd worden voorliggend plan in lijn is met de bepalingen van de Woonagenda 2020-2024. 3.4.3 Verordening doelgroepen woningbouw Katwijk De raad van de gemeente Katwijk heeft op 26 november 2020 de Verordening doelgroepen woningbouw Katwijk vastgesteld. In deze verordening zijn de maximale huur- en koopprijzen van sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen, sociale koopwoningen en betaalbare koopwoningen vastgelegd. Daarnaast is in de verordening opgenomen welke doelgroepen (inkomensgrenzen) in aanmerking komen voor sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen, sociale koopwoningen en betaalbare koopwoningen en wat de instandhoudingstermijnen van deze woningtypen zijn. In de Woonagenda 2020-2024 heeft de gemeenteraad van Katwijk geconstateerd dat de schaarse ruimte geleid heet tot prijsstijgingen, waardoor verdringing is ontstaan van groepen met een laag inkomen en middeninkomen. Daarbij is de ambitie uitgesproken nadrukkelijk te sturen op gedifferentieerde woningbouwplannen.

Met de vaststelling van de doelgroepenverordening heeft de gemeente een extra instrument om te borgen dat in het bouwplan een deel van de woningen gerealiseerd wordt in de sociale huur en middeldure huur. De verordening maakt het vervolgens mogelijk dat de woningen bij de juiste doelgroep terecht komen. Door instandhoudingstermijnen vast te stellen van 30 jaar (sociale huur) en 20 jaar (middeldure huur) blijven woningen langdurig behouden voor de doelgroep. Planspecifiek In Nieuw Rijnvaert is tegemoet gekomen aan de behoefte aan meer differentiatie door maximaal 18 zogenoemde XS-woningen in het stedenbouwkundig plan op te nemen. Dit gaat om woningen met een kleinere beukmaat, die verhuurd kunnen worden in de middeldure huur tot € 1.013 per maand (prijspeil 2021). Daarvan uitgaande wordt binnen het Katwijkse deel een relevant deel in de huur gerealiseerd, dat zich verhoudt tot de huidige verdeling van koop en huur in de gemeente Katwijk. Wanneer blijkt dat er geen bereidheid is bij partijen om de woningen te exploiteren, kan teruggevallen worden op betaalbare koop met een maximale prijsgrens van € 312.600 (prijspeil 2021), al dan niet in combinatie met een financieringsconstructie op grond van een korting en terugkoopgarantie of op basis van erfpacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10884091/1