CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21. Bijlage 16. Onderzoek flora en fauna (b11) (2759622)

Raad 23 december 2021, gemeente KatwijkBij agendapunt: A.Voor kennisgeving aan te nemen:5.211 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO B.V. T.a.v. Dhr. R. van der Made ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Datum

9 april 2019, revisie 19 augustus 2020

Kenmerk

BE/2019/177/r

Uw kenmerk

Email d.d. 27 maart 2019

Auteur(s)

S. Schuuring

Collegiale toets

T. Voortman

Revisie

K.J. Rebergen

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna Nieuw Rijnvaert Ter hoogte van de Valkenburgerweg en Rijnsburgerweg te Oegstgeest en Rijnsburg is een braakliggend terrein met kassen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande kassen op de planlocatie te saneren en binnen het plangebied circa 270 woningen te realiseren. Het huidige bestemmingsplan voor de planlocatie is uit te werken woondoeleinden. Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen dient het bestemmingsplan verder te worden uitgewerkt. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen ter hoogte van de Valkenburgerweg en Rijnsburgerweg te Oegstgeest en Rijnsburg. Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein begroeid met gras en enkele struiken en enkele kassen. De kassen zijn niet meer in gebruik waardoor aan de binnenkant vele woekerplanten groeien. Aangrenzend aan de planlocatie ligt een sloot met steile oevers. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een uitbreidende stedelijke omgeving met nieuwbouwwijken, wegen en parkeerplaatsen. Ten zuiden van het plangebied liggen enkele kassen waarvan een deel niet meer in gebruik is. Tevens zijn hier de uiterwaarden van de Oude Rijn gesitueerd. De planlocatie ligt ca. 120 m ten noorden van de Oude Rijn en ca. 730 m ten westen van de snelweg A44.

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen ter hoogte van de Valkenburgerweg en Rijnsburgerweg te Oegstgeest en Rijnsburg (bron: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen het saneren van de aanwezige kassen en realisatie van circa 270 woningen binnen het plangebied. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •

saneren van kassen: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden; graven van nieuwe en verbreden aanwezige watergangen.

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

2

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 27 maart 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 2-3 (Bft.). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:

3

Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en het veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen beschermde planten voor (NDFF, 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beuk, braam, grote berenklauw, grote brandnetel, hazelaar, klimop, paardenbloem, riet, smalle weegbree en zwarte els. Binnen het plangebied staan enkele jonge beuken, hazelaars en zwarte elzen, daarbuiten staan hogere bomen zoals populier. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is een braakliggend terrein in een stedelijke omgeving. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, bunzing, eekhoorn, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, veldmuis en vos. (NDFF, 2009-2019). Voor de otter geldt dat deze beschermd is onder de Habitatrichtlijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Otters leven bij brede wateren met schoon water, voldoende vis en beschutting (Zoogdiervereniging). Deze kenmerken zijn niet aanwezig binnen het plangebied of de directe omgeving daarvan. De waarneming van een otter nabij het plangebied was een jong verkeersslachtoffer dat waarschijnlijk op zoek was naar een nieuw territorium.

Door de afwezigheid van functioneel leefgebied kan de aanwezigheid van de otter worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn in één van de openstaande kassen uitwerpselen aangetroffen van een vos. Er is geen hol aangetroffen en in de nabije uiterwaarden is geschikt (alternatief) jachtterrein aanwezig. Het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor de vos. Bovendien geldt voor de vos een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

4

De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten, oppervlaktewater en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd.

Een vaste rust- of verblijfplaats van vleermuizen moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. In kassen loopt de temperatuur door de glazen wanden en daken hoog op. Er zijn bovendien geen geschikte ruimtes aanwezig waar vleermuizen zouden kunnen verblijven, e.g. geen dubbele platen / dakbeschotten etc. Afgezien van de kassen is er geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis, worden uitgesloten. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op holtes die geschikt zijn als verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. De bomen zijn allen te jong om ingerotte holtes te bevatten waarin boombewonende vleermuizen kunnen verblijven. Negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen kunnen uitgesloten worden. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen enkele delen langs de rand van de planlocatie en naast de kassen gebruiken als foerageergebied.

In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. De kassen binnen het plangebied en de vegetatie aan de rand kunnen voor luwtes zorgen waarin vleermuizen kunnen jagen. De kassen worden binnen de beoogde ontwikkelingen gesloopt. Echter zorgt de bouw van 200 woningen voor meer luwtes, waarin vleermuizen kunnen jagen. Bovendien blijven de omliggende sloten en de opgaande vegetatie buiten het plangebied behouden, waardoor hier geschikt foerageergebied behouden blijft. Ook buiten het plangebied zijn geschikte foerageergebieden aanwezig, zoals bij de uiterwaarden van de Oude Rijn en in de bosrijke tuinen aan de overzijde van de Valkenburgerweg. Door het ontbreken van lijnvormige vegetatie kan de aanwezigheid van migratieroutes worden uitgesloten. Aantasting van essentiële foerageergebieden of migratieroutes is derhalve uitgesloten.

Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast.

5

Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een sloot. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad (NDFF, 2009-2019). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Habitatrichtlijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen het plangebied is geschikt habitat aanwezig voor de rugstreeppad door de aanwezigheid van vergraafbaar zand, poelen en steenstapels (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De dichtstbijzijnde waarneming van rugstreeppadden is afkomstig uit 2018 op een afstand van ca. 600 m. Echter zijn er tussen het plangebied en de locatie van deze waarneming meerder barrières aanwezig in de vorm van wegen, stedelijk gebied en de Oude Rijn. Hierdoor is het niet mogelijk voor de rugstreeppad om het plangebied te koloniseren (figuur 2). Overige waarnemingen van de rugstreeppad zijn op grotere afstand, meer dan 4 jaar geleden en/of met meer tussenliggende barrières.

De aanwezigheid van de rugstreeppad binnen het plangebied kan derhalve worden uitgesloten.

Figuur 2

Tussen het plangebied (rood omkaderd) en de meest recente en dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad (rode stip) liggen meerdere barrières in de vorm van wegen, stedelijk gebied en de Oude Rijn (bron: ndff-ecogrid.nl).

In de directe omgeving van het plangebied komen voor zover bekend geen reptielen voor. Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen de beoogde ontwikkeling wordt de watergang aan de noordzijde verbreed en een watergang aangelegd door het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied komen voor zover bekend geen beschermde vissen voor (NDFF, 2009-2019). Beschermde vissoorten zoals de beekdonderpad, kwabaal, beekprik en gestippelde alver komen over het algemeen voor in schoon, (snel)stromend water. De sloten binnen het plangebied zijn stilstaand tot langzaam stromend en matig tot sterk geëutrofieerd waardoor alle soorten met uitzondering van de grote modderkruiper op basis hiervan kunnen worden uitgesloten.

6

De grote modderkruiper komt namelijk voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017). Echter vereist deze soort een hoge aanwezigheid van watervegetatie. Gezien deze ontbreekt binnen het plangebied kan ook de grote modderkruiper kan worden uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Er zijn enkel onbeschermde soorten aangetroffen, namelijk de aardhommel, atalanta en honingbij. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van de platte schijfhoren bekend (NDFF, 2009-2019). Deze soort is beschermd onder de habitatrichtlijn en valt niet onder de vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De platte schijfhoren heeft als voorkeurshabitat voedselrijk stilstaand water met begroeiing van waterplanten met drijvende bladeren, zoals gele plomp en waterlelie. De kans op het voorkomen van de platte schijfhoren is klein wanneer deze planten of ondergedoken planten volledig afwezig zijn.

In sloten in agrarische gebieden is het water vaak te sterk geëutrofieerd en is het wateroppervlak met kroos, waardoor onderwatervegetatie zich niet kan ontwikkelen (Anemoon platte schijfhoren, 2019; Boesveld et al., 2009). In de sloten binnen het plangebied ontbreekt drijvende watervegetatie. De aanwezigheid van de platte schijfhoren kan derhalve worden uitgesloten. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van andere beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: ekster, fuut, halsbandparkiet, huismus, kauw, kleine mantelmeeuw, knobbelzwaan, meerkoet, nijlgans, pimpelmees, roodborst en wilde eend. De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie.

De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden. Binnen het plangebied komen veel muizen voor. Hierdoor zou het in theorie geschikt kunnen zijn als foerageergebied voor uilen of roofvogels. Door menselijke activiteit, bebouwing en de beperkte aanwezigheid van hoge bomen is het plangebied echter beperkt geschikt als foerageergebied. In de praktijk blijken er geen uilen voor te komen in de omgeving van het plangebied (enkel twee sporadische waarnemingen van een ransuil in de laatste 3 jaar) en zijn ook roofvogels als buizerd en torenvalk enkel sporadisch aanwezig (NDFF, 2009-2019). Er zijn dan ook geen sporen aangetroffen zoals krijtsporen en braakballen die duiden op een territorium van roofvogels of uilen. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden, en larven van insecten.

De aanwezigheid van beschutting nabij de foerageerlocaties in de vorm van voldoende jaarrond groene struiken en bomen is van zeer groot belang. Daarnaast zijn plaatsen met stof en grind voor stofbaden, drinkwater, en water voor waterbaden essentieel (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).

7

De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3m. Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. In landelijk gebied zijn gierzwaluwen vrij zeldzaam. Binnen het plangebied is er buiten de kassen geen bebouwing aanwezig. Door het gebruik van een glazen dak in de kassen ontbreken structuren waarop huismussen en gierzwaluwen nesten kunnen bouwen. Tevens kan de temperatuur onder een glazen dak in een kas hoog oplopen, waar jonge vogels erg gevoelig voor zijn en aan kunnen sterven. Derhalve is de planlocatie ongeschikt als nestlocatie van de huismus en gierzwaluw. Door het ontbreken van geschikte nestlocaties kan worden uitgesloten dat de planlocatie functioneert als foerageerlocatie van de huismus. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake.

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en kassen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide (figuur 3). De planlocatie ligt op een afstand van circa 720 m ten noordwesten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4), op 2 km van een belangrijk weidevogelgebied en 9,3 km van een strategische reservering natuur (figuur 5).

Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.

Figuur 3

8

De planlocatie ligt op een afstand van 1,7 km tot het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 720 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zuid-Holland: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km tot een belangrijk weidevogelgebied en 9,3 km tot een strategische reservering natuur (bron: Provincie Zuid-Holland: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe woonwijk. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gezien er een geringe afstand (1,7 km) in relatie tot de grootte van de beoogde ontwikkeling (c.q.

270 woningen) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Meijndel & Berkheide’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren.

9

Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Enkele bomen binnen het plangebied zullen worden gekapt.

Deze werkzaamheden vallen onder type a. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingen/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied en de daarin aanwezige kassen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

10

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort +/-

-

-

-

-

-

n

n

n

+

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat andere soort

+

+

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

1,7 km

stikstof

Aerius

Natuurnetwerk Nederland

720 m

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

2 km

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

9,3 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

ja

ja

nee

Bomen

ja

ja

nee

n

-

broedvogels (j)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

broedvogels (a)

Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan de Valkenburgerweg en Rijnsburgerweg te Oegstgeest en Rijnsburg is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

11

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

12

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.

KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

13

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

14

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen ter hoogte van de Valkenburgerweg te Oegstgeest en Rijnsburgerweg te Rijnsburg, en bestaat uit een braakliggend terrein met daarop enkele kassen (links).

Figuur 2

Het grootste deel van de kassen is afgesloten en daardoor ontoegankelijk voor (beschermde) flora & fauna.

15

Figuur 3

De te dempen sloten zijn smal, ondiep en ontbreken aan watervegetatie. Derhalve zijn deze ongeschikt voor (beschermde) vissen.

Figuur 4

Door aanwezigheid van steenstapels, poelen en vergraafbaar zand is geschikt habitat voor de rugstreeppad aanwezig. Door tussenliggende barrières kan de aanwezigheid hiervan worden uitgesloten.

16

Figuur 5

Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een sloot. Deze blijft binnen de beoogde ontwikkelingen behouden.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10884105/1