18. Bijlage 1. Toelichting OUP Nieuw Rijnvaert (1904494)
Tekst van het document
45
Functie CROWpublicatie 381 koop, huis, vrijstaand koop, huis, tweeonder-een-kap koop, huis, tussen/hoek (regulier) koop, huis, tussen/hoek (XSwoning) koop, appartement, midden/goedkoop huur, huis, sociale huur totaal
8,2
Aantal woningen Nieuw Rijnvaert 17
7,8
46
358,8
7,1
104
738,4
7,1
18
127,8
5,6
48
268,8
4,9
71
347,9
304
1.981,1
Gemiddeld kencijfer (aantal voertuigbewegingen per etmaal per woning)
Verkeersgeneratie (aantal voertuigbewegingen per etmaal) 139,4
Uit de tabel blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan naar verwachting met circa 1.981 voertuigbewegingen per etmaal toeneemt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de verkeersgeneratie afhankelijk is van het woningbouwprogramma dat daadwerkelijk gebouwd zal worden. Bij een groter woningaantal zullen relatief meer kleinere en/of goedkopere woningen gerealiseerd worden, waarbij de beschikbare ruimten voor het realiseren van woningen en parkeerplaatsen beperkende factoren zijn (zie ook toelichting paragraaf 5.4.2). Wanneer er meer kleinere en/of goedkopere woningen gerealiseerd worden, zal de gemiddelde verkeersgeneratie per woning lager zijn. Om die reden wordt de verwachte toename aan verkeersgeneratie gezien als een realistische inschatting voor de daadwerkelijke situatie. Voor de 71 woningen van Rijnvaert wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 71 * 8 = 568 voertuigen per etmaal. De gezamenlijke verkeersgeneratie van Rijnvaert en Nieuw Rijnvaert bedraagt 568 + 1.641 = 2.209 voertuigenbewegingen per etmaal. De beoogde woningen van Nieuw Rijnvaert en de bestaande woningen van Rijnvaert worden voor autoverkeer uitsluitend ontsloten via de hoofdontsluiting in het plangebied, die aan de zuidoostzijde aansluit op de Rijnsburgerweg.
Fietsverkeer kan ook gebruik maken van de Valkenburgerweg en de fietsverbinding die Nieuw Rijnvaert verbindt met Frederiksoord, wat nadrukkelijk niet geldt voor autoverkeer. Een uitzondering hierop vormt de calamiteitenontsluiting nabij de Paedsenakker, die in noodsituaties gebruikt kan worden door hulpdiensten. De ontsluitingsweg is in het kader van het bestemmingsplan 'Rijnvaert' reeds verkeerskundig onderzocht door Goudappel Coffeng. Hierbij is de woningbouwontwikkeling Oegstgeest aan den Rijn meegenomen bij de beoordeling van de capaciteit van Rijnsburgerweg en is uitgegaan van een gezamenlijk woningaantal van 414 woningen voor Rijnvaert en Nieuw Rijnvaert, terwijl slechts 382 woningen mogelijk worden gemaakt. Er is voor het kruispunt Rijnsburgerweg/Langenakker berekend of een verkeersregelinstallatie (VRI) de verkeersstromen kan verwerken. Met de huidige inrichting van de Rijnsburgerweg situatie zou een VRI voor doorstromingsproblemen kunnen gaan zorgen. Om die reden worden de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg opnieuw ingericht. De kruising Rijnsburgerweg/Langenakker wordt voorzien van opstelvakken voor afslaand verkeer, een fiets- en voetgangersoversteekplaats en fiets- en voetpaden aan beide zijden van de Rijnsburgerweg (zie navolgende afbeelding).
Als onderdeel van herinrichting wordt ook de kruising Floresstraat/Oude Rijnsburgerweg opnieuw ingericht, zodat de doorstroming verbetert.
46
Toekomstige inrichting kruising Rijnsburgerweg/Langenakker (bron: Goudappel Coffeng)
5.4.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Gemeentelijk beleid De raad van de gemeente Katwijk heeft op 16 juli 2020 de Nota Parkeerbeleid vastgesteld. Hierin is het principe voor de gemeentelijke parkeernormen vastgelegd. De gemeente Katwijk past landelijke parkeerkencijfers voor diverse activiteiten (zoals wonen, werken, winkels, horeca) toe, toegespitst op de lokale situatie in de gemeente. Op 20 oktober 2020 is door het college de Nota Parkeernormen 2020 vastgesteld. In deze nota is het parkeerbeleid uitgewerkt in parkeernormen voor auto en fiets. Planspecifiek In de Nota Parkeernormen 2020 is opgenomen dat het voorgenomen plan onder de overgangsregeling valt. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte kunnen daarmee de parkeernormen uit het Parkeernormenbeleid Katwijk gevolgd worden. Hierin zijn de volgende parkeernormen opgenomen:
• • •
woningen goedkoop: 1,6 parkeerplaatsen per woning; woningen midden: 1,8 parkeerplaatsen per woning; woningen duur: 2,0 parkeerplaatsen per woning.
Bij het voorgenomen plan zijn intergemeentelijke afspraken gemaakt over te hanteren parkeernormen, die zijn weergegeven in de navolgende tabel. Volgens dezelfde systematiek die in toelichting paragraaf 5.4.1 is gehanteerd is de parkeerbehoefte van het plan in de navolgende tabel uiteengezet. Omdat sprake is van een integraal plan waarbij de totale parkeerbehoefte binnen het plangebied van Nieuw Rijnvaert opgelost moet worden, is uitgegaan van het totale plan Nieuw Rijnvaert.
47
Functie CROWpublicatie 381 koop, huis, vrijstaand koop, huis, tweeonder-een-kap koop, huis, tussen/hoek koop, huis, tussen/hoek (XSwoning) koop, appartement, goedkoop koop, appartement, midden huur, huis, sociale huur totaal
Gehanteerde parkeernorm (aantal parkeerplaatsen per woning
Aantal woningen Nieuw Rijnvaert
Parkeerbehoefte (aantal parkeerplaatsen)
2,2
17
37,4
2,1
46
96,6
1,9
104
197,6
1,6
18
28,8
1,6
28
44,8
1,9
20
38,0
1,6
71
113,6
304
556,8
De totale berekende parkeerbehoefte van het indicatieve woningbouwprogramma bedraagt 556,8 parkeerplaatsen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat parkeerbehoefte afhankelijk is van het woningbouwprogramma dat werkelijk gebouwd gaat worden, waarbij de ruimte die het plan biedt voor parkeerplaatsen een beperkende factor is voor het woningbouwprogramma dat gerealiseerd kan worden. Woningtypen waarmee een hogere woningdichtheid gerealiseerd kan worden (rij- en hoekwoningen en appartementen) vragen om meer parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Het gevolg zal zijn dat er een balans ontstaat tussen het woningaantal dat daadwerkelijk gerealiseerd kan worden en de beschikbare ruimte voor (openbare) parkeerplaatsen. Bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen worden twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein gerealiseerd, die als 1,7 parkeerplaatsen worden gerekend. Bij rij- en hoekwoningen wordt de parkeerbehoefte volledig in de openbare ruimte (binnen het plangebied) opgelost. De parkeerplaatsen bestaan uit langsparkeerplaatsen aan de wegen, die onderbroken worden door bomen, en groen omzoomde parkeerkoffers. Bij het appartementengebouw aan de westzijde van de entree worden ondergrondse parkeervoorzieningen gerealiseerd. Om aan te tonen dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect parkeren is er een parkeerbalans opgesteld voor een situatie met 304 woningen.
De totale parkeerbehoefte hiervan is 556,8 parkeerplaatsen (zie tabel). In deze situatie is er ruimte voor 565,5 parkeerplaatsen binnen het plangebied, waarmee er een overschot van 8,7 parkeerplaatsen is. Gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Katwijk' (vastgesteld op 15 februari 2018) is in de planregels een bepaling over parkeren opgenomen, waarin in beginsel wordt verwezen naar het gemeentelijke parkeerbeleid (Nota Parkeernormen 2020 of de opvolger daarvan). In afwijking van de in de Nota Parkeernormen 2020 opgenomen autoparkeernormen, moet voldaan worden aan de parkeernormen die in de tabel in deze paragraaf zijn opgenomen. De verplichting tot het realiseren en in stand houden van voldoende parkeerplaatsen is hiermee geborgd in de planregels. Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect parkeren.
48
5.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Soortenbescherming Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2019/177/r, d.d. 19 augustus 2020, zie bijlagen bij toelichting 11) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Het plangebied en de daarin aanwezige kassen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. De planlocatie ligt op een afstand van circa 720 m ten noordwesten van het Natuurnetwerk Nederland, op 2 km van een belangrijk weidevogelgebied en op 9,3 km van een strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt, met uitzondering van stikstofdepositie, dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten.
Stikstofdepositie Om aan te tonen wat de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn, is een onderzoek naar stikstofdepositie (Langelaar milieuadvies, nr. 20077.03/01, d.d. 16 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 12) uitgevoerd. De ontwikkeling Nieuw Rijnvaert in de gemeenten Katwijk en Oegstgeest is in het kader van het stikstofdepositieonderzoek ten behoeve van de Wet Natuurbescherming als één plan beschouwd. Uit het uitgevoerde onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/j op reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag bij bestemmingsplannen (voor wat betreft het aspect stikstof) de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan gehanteerd worden als referentiesituatie. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling van Nieuw Rijnvaert is voormalige gebruik (kassen en agrarische gronden) reeds
49
deels beëindigd. De gronden zijn namelijk aangekocht ten behoeve van woningbouw. De gasstookinstallaties van de kassen leidden tot NOx-emissies. Daarnaast leidde het bemesten van de gronden tot een emissie van ammoniak (NH3). Het verdwijnen van het agrarische gebruik is het rechtstreekse, onlosmakelijke (positieve) gevolg van de woningbouwontwikkeling. Middels een verschilberekening tussen de saldo gevende (aanleg-/gebruiksfase) en saldo onttrekkende emissies (gasverbruik en bemesting) is aangetoond dat het plan per saldo in zowel de aanleg- als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstofemissies dan wel een passende beoordeling nodig ten gevolge van stikstof. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Er dienen de volgende maatregelen met betrekking tot foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels getroffen te worden:
•
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. Indien dit niet mogelijk is, dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
5.6 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
50
Planspecifiek Gemeentelijk beleid Op de archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidskaart van de gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom uit 2015 zijn de archeologische verwachtingswaarden van het deel van Nieuw Rijnvaert in de gemeente Katwijk weergegeven. Voor het deel van de gemeente Oegstgeest kan uitgegaan worden van de archeologische waardenkaart Oegstgeest (vastgesteld op 23 oktober 2008). De gronden in het Katwijkse deel van het plangebied zijn aangeduid als 'categorie 2' (westelijk deel) en 'categorie 5'. Ter plaatse geldt een onderzoekplicht bij bodemingepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan respectievelijk 100 en 250 m². De gronden in het Oegstgeestse deel van het plangebied hebben deels een hoge archeologische verwachting en deels een gematigde archeologische verwachting. Ter plaatse geldt een onderzoekplicht bij bodemingepen dieper dan 50 cm -Mv en groter dan respectievelijk 100 en 250 m². Archeologisch onderzoek Aangezien de bodemingrepen die nodig zijn om het voorgenomen plan te kunnen realiseren ruimschoots dieper en groter dan de vrijstellingsgrenzen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde archeologisch onderzoek betreft een inventariserend onderzoek in de vorm van proefsleuven (Vestigia, nr. V19-4089, d.d. 3 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 13).
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de aangelegde proefsleuven niet de vooraf gestelde (middel)hoge archeologische verwachting hebben kunnen onderbouwen. Praktisch alle aanwezige sporen kunnen enkel tot de landinrichting uit de laatste paar honderd jaar worden gerekend. Alleen in werkput 6 is een rij paalkuilen geconstateerd met op basis van enkele aanwezige scherven een mogelijk eerdere datering in de late middeleeuwen tot de beginperiode van de Nieuwe tijd. Ook hier gaat het echter alleen om een landinrichting en niet om sporen die bij een daadwerkelijke woonplek kunnen hebben behoord. Alle sporen behoren hiermee tot extensief landgebruik uit hooguit de laatste 500 tot 600 jaar met een nadruk op de laatste paar honderd jaar. In overeenstemming met het beschikbare kaartmateriaal is het plangebied gedurende deze periode altijd in gebruik gebleven als bouwland en tuingronden. De bijzonderheid van de nabijgelegen late ijzertijdvindplaats, bestaande uit enkele greppels met grote fragmenten late ijzertijdvaatwerk, lijkt binnen dit landschap een opzichzelfstaand fenomeen te zijn en heeft in ieder geval voor dit ten noorden ervan gelegen plangebied geen archeologische relatie kunnen aangeven.
Conclusie lijkt dan ook dat deze nabijgelegen late ijzertijdvindplaats nogal op zichzelf staat binnen een landschap dat verder voor deze periode binnen het plangebied niet geschikt leek voor bewoning. Conclusie De sporen en vondsten die met het proefsleuvenonderzoek zijn aangetroffen zijn dermate schaars te noemen, zodat de archeologisch (middelhoge tot hoge) verwachting voor het plangebied naar beneden kan worden bijgesteld. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de beoogde ontwikkeling. Het dient de aanbeveling om de initiatiefnemer erop te wijzen dat, op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden een archeologische toevalsvondst wordt aangetroffen, er een wettelijke plicht geldt deze vondst te melden bij het bevoegd gezag (Erfgoedwet, artikel 5.10 lid 1).
5.7 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
51
Planspecifiek In het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. De rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten in de omgeving worden niet negatief beïnvloed door het plan. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle (landschaps)elementen aanwezig in of nabij het plangebied. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect cultuurhistorie.
5.8 Duurzaamheid Nederland in 2050 vrij van aardgas Maar liefst 95% van de 7,7 miljoen huishoudens in Nederland gebruikt aardgas voor verwarming, warm water en om op te koken. Stoppen met het gebruik van aardgas zorgt dus voor een flinke afname van onze CO2-uitstoot. En hoe minder CO2 in de lucht, hoe beter dat is voor het klimaat en de biodiversiteit Door de toenemende onzekerheid over het aardgas, de effecten van aardgaswinning in Groningen, de toenemende afhankelijkheid van geïmporteerd aardgas en de klimaatdiscussie kiezen projectontwikkelaars, overheden en netbeheerders vaker voor wijken en andere ontwikkelingen zonder gasleidingen. Gasleidingen gaan ongeveer 45 jaar mee, daarna zijn ze verouderd en minder veilig. Elk jaar zijn er dan ook grote stukken van het gasnet die aan vervanging toe zijn. Er kan in dit geval ook gekozen worden om de leidingen te verwijderen. De keuze om ze te verwijderen of te vervangen hangt vooral af van de plannen om aardgas in het gebied te behouden of niet. Energiebesparing en duurzame energiebronnen Vanaf 2021 moeten gebouwen en woningen aan een EPC van 0 voldoen. Dit zijn zogenaamde 'energie nul'woningen en -gebouwen die aan de BENG-eisen (bijna energieneutraal gebouw) voldoen. Strategisch gezien is het raadzaam om energieneutraal te bouwen. Indien dit niet haalbaar is wordt aangeraden om aan de BENG-eisen te voldoen. Deze eisen zijn: 1. 2.
3.
de maximale energiebehoefte is 25 kWh/m² bvo; het maximale primaire energieverbruik is 25 kWh/m² bvo; het minimale aandeel van 50% hernieuwbare energie.
Om aan deze eisen te voldoen kan gebruik gemaakt worden van een warmtepomp, zonnecollector en PVpanelen. Gemeentelijk beleid Op 17 december 2015 is door de raad van de gemeente Katwijk de duurzaamheidsagenda vastgesteld. Het doel van deze duurzaamheidsagenda is om aansluitend op de initiatieven in Katwijk een passende duurzaamheidsambitie te bepalen, zodat komende jaren met scherpe focus gewerkt kan worden aan de realisatie hiervan. De duurzaamheidsagenda is tot stand gekomen op basis van meerdere beleidsdocumenten, een rekenkamerrapport en zo'n 20 interviews binnen en buiten de gemeentelijke organisatie. Uit de inventarisatie bleek dat er veel enthousiasme is over duurzaamheid en dat er urgentie wordt gevoeld om concreet met duurzaamheid aan de slag te gaan. Daarnaast zijn uit de inventarisatie drie focusgebieden naar voren gekomen waar Katwijk de komende jaren op in kan zetten:
• • •
energie; afval/grondstoffen; duurzame inkoop.
Voor deze focusgebieden is een gezamenlijke doelstelling bepaald waar uiteindelijk naartoe gewerkt zal worden. De keuze voor een scenario zal aangeven of en hoe snel dit doel gehaald wordt. De doelstelling luidt: "Alle energie die in Katwijk wordt gebruikt wordt hernieuwbaar, kringlopen worden zoveel als mogelijk gesloten, afval dat nog wel bestaat wordt benut als grondstof en gemeentelijke inkoop wordt 100% duurzaam en meetbaar."
52
Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft verschillende raakvlakken met de duurzaamheidsambitie en focusgebieden van de gemeente Katwijk. Navolgend is per relevant focusgebied aandacht voor deze relatie:
•
Energie: de beoogde woningen worden volgens de wettelijke duurzaamheidseisen gebouwd en daarmee niet aangesloten op het gasnet. Er wordt gebruikt gemaakt van duurzame energiebronnen, zoals warmtepompen, warmteterugwinning en PV-panelen. Met extra isolatie en door om een slimme manier gebruik te maken van bezonning kan energie bespaard worden. De ligging nabij een belangrijke fietsverbinding, de Valkenburgerweg, stimuleert duurzame vormen van mobiliteit.
•
Afval/grondstoffen: het gebruik van duurzame materialen bij de bouw van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte draagt bij aan een circulaire economie. Bij de inzameling van afval is het beleid van de gemeente leidend. Hierin is opgenomen dat afval wordt benut als grondstof.
Verder is bij de inrichting van de openbare ruimte is aandacht voor klimaatadaptie. Door meer groen en water en minder verharding en bebouwing toe te passen wordt hittestress beperkt. Groen en water hebben waterbergend vermogen en maken het gebied beter in staat om neerslagpieken op te vangen. Verder zijn er mogelijkheden om natuurinclusief te bouwen.
53
6 Juridische planbeschrijving 6.1 Algemeen Voor het uitwerkingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit uitwerkingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het uitwerkingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit uitwerkingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het uitwerkingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het uitwerkingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het uitwerkingsplan.
6.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
6.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
54
6.4 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel de belangrijkste aspecten beschreven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het uitwerkingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Groen De bestemming 'Groen' is toegekend aan de openbare groenvoorzieningen die het belangrijkst zijn voor groenstructuur. Deze groenvoorzieningen bevinden zich met name rondom de centrale watergang en nabij de entree van Nieuw Rijnvaert. Binnen deze bestemming zijn groen, water, voet- en fietspaden en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals straatmeubilair, waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en (ondergrondse) afvalinzamelpunten toegelaten.
In de bouwregels is opgenomen dat er geen gebouwen gebouwd mogen worden. Verder zijn de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vastgelegd. Artikel 4 Tuin - Overtuin De gronden met de bestemming 'Tuin - Overtuin' zijn bestemd voor overtuinen en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals bermen, taluds, beplantingen, water en verharding. Een overtuin is 'een tuin die in functioneel opzicht behoort bij een woning en die niet direct bij een woning is gelegen, met als doel een geleidelijke groene overgang naar het openbaar groen en water'. Deze bestemming is toegekend aan de overtuinen die aan de zuidoever van het westelijk deel van de Singel liggen. De overtuinen worden door een weg gescheiden van de woonerven. De overtuinen worden aan alle zijden omgeven door de openbare ruimte. Deze gronden, die weliswaar in functioneel opzicht bij een woning horen, kunnen niet aangemerkt worden als erf zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht. Hiermee is het voor de toekomstige bewoners niet mogelijk vergunningsvrije bouwwerken te realiseren. In de bouwregels van de bestemming 'Tuin - Overtuin' is opgenomen dat er geen bouwwerken gebouwd mogen worden. Uitzondering hierop vormen steigers, vlonders en trappen. Verder mogen in overtuinen uitsluitend niet-bouwwerken als bomen, hagen en andere beplantingen geplaatst worden.
Tot een strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het aanbrengen van meer dan 20%aan steigers, vlonders, trappen en andere oppervlakteverhardingen. Dit percentage wordt berekend naar de oppervlakte van een overtuin die bij één woning hoort. 80% van de overtuin moet groen blijven. Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is toegekend aan de gronden waar wegen, bruggen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en fietsenstallingen zijn beoogd. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'brug', die is opgenomen voor de bruggen over de centrale watergangen, dient de doorvaarhoogte minimaal 1,60 m en de doorvaarbreedte minimaal 4 m te zijn. Hiermee is het mogelijk dat pleziervaartuigen vanaf de steigers en ligplaatsen (zie artikel 6 'Water'), in westelijke richting naar Rijnvaert en de Oude Rijn kunnen varen.
55
Artikel 6 Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging, bruggen en bijbehorende voorzieningen. De calamiteitenontsluiting ter hoogte van de Paedsenakker (ten noorden van het plangebied) is aangeduid op de verbeelding. De zones waar steigers gebouwd mogen worden zijn met de aanduiding 'steiger' aangegeven op de verbeelding. Ter plaatse van deze aanduiding en/of grenzend hieraan zijn ligplaatsen voor pleziervaartuigen toegestaan. Op de gronden met de bestemming 'Water' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd. De maximale breedte (1 m), lengte (3 m) en hoogte (0,5 m) van de steiger is opgenomen in de bouwregels. Er mag ten hoogste één steiger per woning worden gebouwd. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet hoger zijn dan 1,5 m. Artikel 7 Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan de woonvelden. Binnen deze woonvelden zijn woningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen toegestaan, maar ook parkeervoorzieningen en groen. Dit biedt de mogelijkheid om enigszins flexibel om te gaan met de invulling van de woonvelden. Het totaal aantal woningen mag niet meer bedragen dan 169, waarvan ten minste 33 sociale huurwoningen en ten hoogste 18 middeldure huurwoningen en/of betaalbare koopwoningen.
Hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. De voorgevel moet in of ten hoogste 3 m achter de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn' worden gebouwd, waarmee het gevelbeeld aan de openbare ruimte en de oriëntatie daarop is vastgelegd. De maximale diepte van hoofdgebouwen is geregeld in de bouwregels. Met aanduidingen op de verbeelding zijn de toegestane woningtypen aangegeven. De hoofdregel is dat er diverse typen grondgebonden woningen (vrijstaande, twee-aaneen gebouwde en aaneengebouwde woningen) mogen worden gebouwd. Uitzondering hierop vormen de woningen aan de Valkenburgerweg, waar uitsluitend vrijstaande en twee-aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan, en de locatie waar een appartementengebouw is voorzien. De maximale goot- en bouwhoogte in de woonvelden die direct grenzen aan Frederiksoord of aan de Valkenburgerweg is respectievelijk 7 m en 11 m. Hiervoor is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' opgenomen. De hoofdregel is dat de maximale goot- en bouwhoogte van de overige grondgebonden woningen ook respectievelijk 7 m en 11 m bedraagt. In het deelgebied 'Woonstraten' dat niet direct grenst aan de singel mag ten hoogste 1/3 van hoofgebouwen, gemeten naar de breedte van hoofdgebouwen in en achter de gevellijn, zonder kap en met een bouwhoogte van ten hoogste 11 m worden gebouwd. Hiervoor is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' opgenomen.
In de deelgebieden 'Singel' en 'Nieuwe Vliet' mag ten hoogste 1/4 van hoofgebouwen, zonder kap en met een bouwhoogte van ten hoogste 12 m worden gebouwd. Hiervoor is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' opgenomen. De maximale bouwhoogte van de appartementen (14 m) is aangeduid op de verbeelding. Bijbehorende bouwwerken mogen in het achtererfgebied worden gebouwd. Onder voorwaarden mogen erkers en ingangspartijen in het voorerfgebied worden gebouwd. Voor de woningen aan de noordzijde, die grenzen aan een watergang, is het mogelijk om bijbehorende bouwwerken na toepassing van een afwijkingsmogelijkheid in het voorerfgebied van een aaneengebouwde woningen te bouwen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 8 Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 9 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op bestaande afwijkende maatvoeringen en overschrijden van bouwgrenzen.
56
Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik opgenomen. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om af te wijken van hetgeen is bepaald in het uitwerkingsplan. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om de ligging van grenzen van bestemmingsvlakken te wijzigen. Artikel 13 Parkeren In dit artikel is bepaald dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden, waarbij wordt verwezen naar het gemeentelijk parkeerbeleid (Parkeernormenbeleid Katwijk d.d. januari 2010 of de opvolger daarvan). Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 15 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
57
7 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Dit uitwerkingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 van het Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er worden immers woningen gebouwd. Ten aanzien van het onderhavige plan is het verhaal van de kosten anderszins verzekerd. De gemeente Katwijk heeft in 2020 met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten (waaronder tevens planschade) is vastgelegd. De ontwikkelingskosten, waaronder ook leges, worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Het uitwerkingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
58
8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp uitwerkingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp uitwerkingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college van burgemeester en wethouders wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het uitwerkingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het uitwerkingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het uitwerkingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Op 23 januari 2019 heeft een participatieavond plaatsgevonden voor omwonenden, waarbij circa 150 personen aanwezig waren. Tijdens de avond hebben de aanwezigen kennis kunnen nemen van de plannen. Hierbij heeft iedereen de gelegenheid gekregen om vragen te stellen, te discussiëren en zijn of haar standpunt kenbaar te maken. Daarnaast waren er formulieren aanwezig waarop men opmerkingen, vragen, wensen of ideeën kenbaar kon maken. De belangrijkste aandachtspunten die naar voren zijn gekomen zijn:
• • • • •
verkeerssituatie Valkenburgerweg; verkeerssituatie Rijnsburgerweg; aanpak en opwaardering bestaande watergang en beschoeiing; locatie en bouwhoogte van de appartementengebouwen; bouwhoogte van de woningen.
De ingediende schriftelijke reacties zijn individueel beantwoord. Een deel van deze zaken worden in het voorliggende uitwerkingsplan vastgelegd en toegelicht. Een ander deel zal bij de nadere uitwerking vorm krijgen.
8.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro en de inspraak, met de gemeentelijke reactie daarop, opgenomen.
8.3 Verslag zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerp uitwerkingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
59