10. Bijlage 4. Concept advies opsporingsvergunning Katwijk (1847789)
Tekst van het document
Bezoekadres
Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag Postadres
Postbus 14060 2501 GB Den Haag T (070) 21 899 02 E vergunningen@odh.nl I www.odh.nl
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat T.a.v. de heer K. van der Hoorn Postbus 20401 2500 EK DEN HAAG
Datum
Uw Brief
Ons Kenmerk
Afdeling
Contactpersoon
Bijlage(n)
Uw Kenmerk
Zaaknummer
Team
Telefoonnummer
-
14 oktober 2020
-
Betreft
ODH-2020-00157870
00594789
Advies Mijnbouwwet inzake aanvraag opsporingsvergunning aardwarmte gebied Katwijk
Toetsing & Vergunningverlening Milieu T&V Ruimte & Ondergrond
R.J. van der Meulen
06 528 84 446 E-mail
reinder.jan.van.der.meulen@odh.nl
Geachte heer Van der Hoorn, Op14 oktober 2020 heeft u het college van Gedeputeerde staten van Zuid-Holland per e-mail verzocht om advies in het kader van de Mijnbouwwet inzake de aanvraag van Hybrid Energy Solutions B.V. (hierna: HES) van 29 juli 2020 voor een opsporingsvergunning aardwarmte. HES vraagt een opsporingsvergunning aan voor het gebied genaamd Katwijk, liggende in de gemeenten Katwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Wassenaar. Procedure en samenwerking tussen decentrale overheden Het advies dient uiterlijk 27 januari 2021 te worden ingediend. De Omgevingsdienst Haaglanden voert de adviestaken in het kader van de Mijnbouwwet in mandaat uit namens Gedeputeerde Staten van ZuidHolland. De ingediende aanvraag is concurrerend met een eerdere aanvraag voor een opsporingsvergunning voor het gebied Leiden 3, ingediend door Wayland Energy B.V., deels concurrerend met een eerdere aanvraag voor een opsporingsvergunning voor het gebied Leiden 2, ingediend door Eavor Europe B.V. (hierna: Eavor), deels concurrerend met een eerdere aanvraag voor een opsporingsvergunning voor het gebied Rijnland, ingediend door Shell Geothermal B.V. en D4 B.V en deels concurrerend met een eerdere aanvraag voor een opsporingsvergunning voor het gebied Oude Rijn.
De deels concurrerende aanvragen hebben wij betrokken bij het opstellen van onderhavig advies op de aanvraag voor opsporingsgebied Katwijk. Conform artikel 16, tweede lid, van de Mijnbouwwet, hebben wij bij ons advies betrokken: − Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Katwijk, Leiden, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Wassenaar; − Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland.
Katwijk Beleid voor de ondergrond in de provincie Zuid-Holland Binnen de provincie Zuid-Holland wordt de zogenaamde Bodemladder gebruikt als handelingsperspectief en afwegingskader voor activiteiten in de (diepe) ondergrond. Centraal in het handelingsperspectief staan de begrippen hernieuwbaar, omkeerbaar en beheersbaar. Voor alle drie de begrippen geldt dat we streven naar een zo hoog mogelijk niveau. In het afwegingskader van de provincie Zuid-Holland wordt hier invulling aan gegeven door activiteiten in de ondergrond te beoordelen op basis van nut en noodzaak, veiligheid, milieuhygiënische aspecten en ruimtelijke inpasbaarheid, zowel boven- als ondergronds. Oordeel De provincie Zuid-Holland staat positief tegenover initiatieven voor het opsporen en winnen van aardwarmte, zeker aangezien deze in grote mate hernieuwbaar en omkeerbaar zijn. De provincie is dan ook van mening dat nut en noodzaak van aardwarmtewinning in onze provincie evident is. Echter, zoals aangegeven in het rapport “Staat van de sector Geothermie” van de Inspecteur-generaal van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) van 12 juli 2017, zijn er zorgen over de beheersbaarheid en veiligheid van geothermie. Hierin kunnen wij ons vinden.
Ons advies is er dan ook op gericht om de beheersbaarheid te vergroten, mogelijke effecten beter in beeld te krijgen en om de milieuhygiënische en landschappelijke inpassing te verbeteren. Integraliteit Wij signaleren dat er naast aardwarmtewinning veel andere initiatieven zijn voor benutting van de ondergrond in Zuid-Holland en dat het beleid daar omtrent tussen de overheden meer afstemming behoeft. Zo geven gemeenten aan dat ze plannen aan het maken zijn om hun wijken ‘aardgasloos’ te maken. De onderhavige aanvraag is een voorbeeld van een manier om dit te bewerkstelligen. De in hun ondergrond aanwezige aardwarmte vormt een van de weinige bronnen voor duurzame stadsverwarming. Bij het transport van aardwarmte treden bovendien warmteverliezen op. Daarom vinden wij dat de aanwezige aardwarmte in de ondergrond van een bepaalde gemeente mede voor de verwarming in die betreffende gemeente moet worden aangewend. Eventuele overschotten kunnen dan worden getransporteerd. De toekenningssystematiek in de Mijnbouwwet zou hier rekening mee moeten houden. Bijgevoegd vindt u ons advies (I), dat tot stand is gekomen met de betrokken decentrale overheden en aandachtspunten bij eventuele toekomstige vergunningverlening (II). Daarnaast zijn ter informatie een aantal aandachtspunten voor de initiatiefnemer opgenomen die van belang zijn tijdens de verdere planontwikkeling (III).
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Indien u vragen en/of opmerkingen heeft, kunt u contact opnemen met de in het briefhoofd vermelde contactpersoon.
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,
drs. L. Hopman Hoofd Toetsing & Vergunningverlening Milieu van de Omgevingsdienst Haaglanden
2/9
Katwijk
I ADVIES Adviespunten provincie Zuid-Holland en andere decentrale overheden Vanuit onze belangen willen wij over de volgende aandachtspunten advies uitbrengen. 1. Beschermingsgebieden Het zuidelijke deel van het opsporingsgebied Katwijk ligt direct ten oosten van het milieubeschermingsgebied voor grondwater tussen Den Haag en Katwijk met de naam Meijendel en Berkheide, zoals vastgelegd in de Provinciale milieuverordening (hierna: Pmv) van Zuid-Holland. Het grondwaterlichaam Berkheide-Valkenburg is van belang voor de drinkwaterwinning. Het westelijke deel van dit grondwaterlichaam betreft het huidige waterwingebied Berkheide. Het oostelijke deel reikt tot het Valkenburgse meer. Niet alleen kunnen ingrepen elders in het grondwaterlichaam negatieve gevolgen hebben op de huidige drinkwaterwinning, tevens is dit grondwaterlichaam van groot strategisch belang voor de toekomstige drinkwaterwinning, namelijk de capaciteitsopgave waar Dunea de komende jaren voor staat. Dunea heeft dan ook initiatief genomen voor een aantal nieuwe ontwikkelingen in dit gebied voor een duurzame ontwikkeling van dit gebied en de drinkwaterwinning in het bijzonder. De provincie Zuid-Holland gaat daarom onderzoeken of dit gebied aangewezen moet worden als zoekgebied voor drinkwater en als gebied voor brakwaterwinning.
Gezien deze ontwikkelingen, en het risico dat het opsporen en winnen van aardwarmte met zich meebrengt, wordt geothermie in het gebied ten zuiden van de Oude Rijn niet wenselijk geacht. Dit is juist het gebied waar het doublet uit deze opsporingsvergunning voorzien wordt. Tevens grenst het zuidelijke deel van het opsporingsgebied aan het Natura 2000 gebied Meijendel & Berkheide (nagenoeg overlappend met het genoemde Milieubeschermingsgebied voor grondwater) evenals gebieden die onder het Natuurnetwerk Nederland vallen. Daarnaast komen verspreid over de zuid- en oostzijde van het gebied overige natuurgebieden en ecologische verbindingen voor, zoals vastgelegd in de Verordening Ruimte Zuid-Holland. Verder zijn er landschappelijke en cultuurhistorische structuren ter bescherming vastgesteld. Ten aanzien van archeologische waarden en aardkundige waarden kan worden gesteld dat deze waarden binnen het opsporingsgebied aanwezig zijn. Het is van belang bij de verdere uitwerking met de aanwezige archeologische en aardkundige waarden rekening te houden. 2.
Seismische en bodemdalingsrisico’s Wij constateren dat in de aanvraag geen informatie wordt verstrekt over de mogelijke risico’s (zoals bijvoorbeeld bodemdaling) die de eventuele opsporing met zich zou kunnen meebrengen voor omwonenden, gebouwen en infrastructurele werken zoals persleidingen en waterkeringen, dan wel voor milieu en natuur. Dat deze aspecten wel van belang worden geacht, ook in dit stadium, wordt bevestigd in het concept van de wijziging van de Mijnbouwwet voor aparte regels voor opsporing en voor winning van aardwarmte. Bij de aanvraag is als bijlage een rapportage met daarin de resultaten van een geologische inventarisatie voor het opsporingsgebied gevoegd. Op basis van algemene informatie vanuit openbare bronnen, alsmede gedetailleerde informatie uit gas- en aardwarmteputten die in de omgeving van het opsporingsgebied al zijn geboord, is een initieel beeld gevormd van de ondergrond. Een gedetailleerde kartering van bestaande breuken en een analyse van het ondergrondse stress-regime is echter nog niet uitgevoerd. Ook een Seismische Risico Analyse (SRA), zoals bedoeld in de aanbevelingen van Q-con en IF Technology (2016), is nog niet uitgevoerd.
Het zou op dit moment ook mogelijk moeten zijn al een (eerste) beschouwing (waaronder de quickscan) uit te voeren van mogelijke risico’s voor omwonenden, gebouwen en infrastructurele werken die kunnen spelen bij de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van dit project, zoals bij de te plaatsen boringen en bij de latere winning. Een dergelijke beschouwing zien wij in de opsporingsaanvraag niet terug. Wij hechten veel waarde aan een goede beschouwing en een goede 3/9
Katwijk risicoduiding, omdat dergelijke zaken bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de sector en aan het draagvlak voor geothermie in het algemeen. Wij adviseren voor de ingediende opsporingsaanvraag een eerste risicobeoordeling (op basis van een meer gedetailleerd geologisch onderzoek en een uitgebreidere seismische risicoanalyse) voor met name de boorwerkzaamheden en de ontwikkeling van de bronnen (seismische risico’s door de aanwezige breuken, verzilting, bodemdaling) te laten uitvoeren, zodat bij de advisering en besluitvorming een adequate afweging kan worden gemaakt. 3. Interferentie en planmatig gebruik van de ondergrond In de aanvraag is door HES een conceptueel ontwikkelingsplan opgenomen, er zijn nog een aantal variabelen onbekend om een uitgebreid plan te kunnen maken. HES acht het mogelijk in de eerste vijf jaar één doublet te realiseren met een potentieel van 7 MW. Deze wordt beoogd in het zuidelijke deel van het opsporingsgebied, ten zuiden van de Oude Rijn en ten westen van het Valkenburgse meer. Er wordt geen informatie gegeven over mogelijke interferentie met nabijgelegen projecten. In de geologische onderbouwing bij de aanvraag richt het onderzoek naar geschiktheid van de ondergrond zich op de reservoirs in de Schieland Groep (Delft Zandsteen member en Alblasserdam member), omdat deze het meest geschikt lijken voor de winning van aardwarmte.
Dit wordt pas verder uitgewerkt in het uitgebreide geologisch onderzoek. Naar onze mening is er op dit moment daarom nu te weinig informatie beschikbaar over de mogelijke opsporingslocaties en beoogde opsporings- en winningsdiepte om een gedegen uitspraak te doen over interferentie met andere aardwarmteprojecten of bodemenergiesystemen en over planmatig gebruik van de ondergrond. Voor de afzet wordt gekeken naar het bestaande warmtenet in Leiden en naar de naar verwachting toenemende vraag voor collectieve aardwarmte als de Wet Collectieve Warmtevoorziening in werking treedt, met daarbij behorende nog aan te leggen warmtenetten. HES is reeds in gesprek met mogelijke afnemers en ontwikkelaars van collectieve warmtevoorzieningen. Voor de betrokken gemeenten is het van belang dat bij de opsporing van aardwarmte rekening wordt gehouden met mogelijke beperkingen en kansen die de opsporing of een eventuele winning zou kunnen opleveren voor (thans voorziene) toekomstige gebiedsontwikkelingen. In het toekomstige ontwikkelgebied Valkenburg is door gemeente, hoogheemraadschap en drinkwaterbedrijf een samenwerking gestart om de mogelijkheden tot aquathermie voor de warmtelevering in dit gebied te onderzoeken. Dit project is relevant voor de vraag naar aardwarmte in de regio.
Zoals onder punt 1 is aangegeven ligt het gebied van het beoogde doublet in het grondwaterlichaam Berkheide-Valkenburg en heeft waterwinbedrijf Dunea het initiatief genomen voor een aantal nieuwe ontwikkelingen in dit gebied voor een duurzame ontwikkeling ervan en de drinkwaterwinning in het bijzonder. Een geothermiesysteem in dit gebied achten wij ongewenst. 4. Schade-afhandeling In de aanvraag is aangegeven dat de projectfinanciering op een non-recourse basis zal plaatsvinden. Dit houdt in dat alleen de assets van het project als zekerheid gelden. Dit houdt ook in dat bij schade als gevolg van het project geen ander eigen vermogen kan worden aangesproken dan wat het project op dat moment waard is. HES heeft eigen vermogen om de ontwikkeling van het doublet te bekostigen. Dit vermogen wordt ingebracht door EBN, de Energy service company (ESC), de EPC-contractor (ontwikkeling en bouw contractor), leden uit regionale energiecoöperaties en investeerders uit het eigen netwerk van bestuurders van HES. Voor een deel zal de ontwikkeling door vreemd vermogen gefinancierd worden middels achtergestelde leningen. De initiatiefnemer heeft niet duidelijk gemaakt waar hij de warmte denkt af te kunnen zetten en hoe bijbehorende warmtenetten tot stand kunnen gaan komen.
4/9
Katwijk De verstrekte informatie maakt het daarom op dit moment niet voldoende aannemelijk dat (op het moment dat het project tot uitvoer wordt gebracht) de aanvrager zal kunnen voldoen aan financiële verplichtingen die kunnen ontstaan in geval van calamiteiten. 5. Concurrerende aanvragen Leiden 2, Leiden 3 en Rijnland De aanvraag voor het opsporingsgebied Katwijk concurreert (deels) met de aanvragen voor de opsporingsgebieden Leiden 2, Leiden 3 en Rijnland. Opsporingsgebied Katwijk ligt geheel binnen opsporingsgebied Leiden 3. De overlap met opsporingsgebied Leiden 2 is kleiner, de overlap bevindt zich in de zuidoostelijke hoek van het opsporingsgebied Katwijk 3. De overlap met het opsporingsgebied Rijnland is groter: er is alleen sprake van geen overlap in de zuidwestelijke hoek van het opsporingsgebied Katwijk. Er wordt in de opsporingsaanvraag beperkt ingegaan op mogelijke afzetmogelijkheden in de regio, maar uit de aanvraag blijkt niet dat er concreet samengewerkt zal worden met de partijen die zich ter plaatse met het warmtevraagstuk bezighouden. Er zijn al wel gesprekken, maar samenwerking met derde partijen moet nog worden gevonden. Bij de concurrerende aanvragen voor de opsporingsgebieden Leiden 2 en Leiden 3 is er eveneens nog geen concreet zicht op mogelijke afnemers van de te winnen warmte of partijen waarmee een concrete samenwerking is gevonden.
Bij de concurrerende aanvraag voor het opsporingsgebied Rijnland is er wel zicht op mogelijke afnemers van de te winnen warmte. Er wordt een aantal afzetmogelijkheden genoemd, uit de aanvraag blijkt dat dit in dit stadium intenties zijn. Samenwerking met een derde partij (Firan) is gevonden. Voor de provincie en betrokken gemeenten is het van belang dat een optimalisatie tussen bovengrond (afnemers) en ondergrond (gebruik ondergrondse ruimte) wordt bewerkstelligd. Aangezien hier momenteel nog geen ordeningsinstrumenten voor worden ontwikkeld (zoals bijvoorbeeld mogelijkheden tot het opstellen van masterplannen), kan een optimalisatie alleen middels samenwerking tussen betrokken partijen worden bereikt. Deze samenwerking is nog niet in beeld bij de aanvragen voor de gebieden Katwijk, Leiden 2 en Leiden 3, maar wel bij de aanvraag voor het gebied Rijnland (al is deze nog niet formeel tot stand gekomen). Qua opsporingsdiepte concurreert het opsporingsgebied Katwijk op basis van de voorgenomen zoekdiepten met de andere opsporingsvergunningen, met uitzondering van Leiden 2.
Gezien de omvang van de verschillende opsporingsgebieden, alsmede de (in deze verkennende fase) afwijkende opsporingsdiepten, zouden wij graag zien dat de verschillende aanvragers worden gestimuleerd om in overleg te treden om indien mogelijk- tot een vorm van overeenstemming en/of afstemming te komen over de opsporingsaanvragen. Hierbij is het van belang dat ook de Regionale Energiestrategieën (RES) worden betrokken, zodat de ondergrond zo planmatig mogelijk kan worden gebruikt. Vroegtijdig contact met de RESregio’s is hierbij gewenst. De uitkomsten van een dergelijk overleg zouden dan kunnen worden meegewogen bij de besluitvorming. Conclusie Het opsporingsgebied Katwijk is deels gelegen naast een milieubeschermingsgebied voor grondwater zoals vastgelegd in de Pmv. Daarnaast is het opsporingsgebied deels gelegen naast Natura 2000 gebieden. In het zuidelijke deel van het opsporingsgebied, ten zuiden van de Oude Rijn, neemt Dunea initiatieven ten behoeve van een duurzame drinkwatervoorziening in de toekomst. Geothermieprojecten in dit gebied achten wij ongewenst. Mocht u toch overwegen om aan HES een opsporingsvergunning te verlenen dan willen wij u nog op de volgende punten wijzen. Ten aanzien van archeologische waarden en aardkundige waarden kan worden gesteld dat deze waarden binnen het opsporingsgebied aanwezig zijn.
Bij de verdere uitwerking dient met de aanwezige belangen en waarden rekening te worden gehouden. Begrenzing van het opsporingsgebied tot boven de Oude Rijn zou gewenst zijn om het drinkwaterbelang ook voor de verre toekomst te beschermen. 5/9
Katwijk Verder is op veel punten te weinig informatie in de aanvraag beschikbaar om goed over de aanvraag te kunnen adviseren. Op grond van de Mijnbouwwet zou deze informatie wel bij de aanvraag moeten zijn gevoegd. Wij vinden het niet passend dat beschikbare relevante informatie pas in een latere fase wordt geanalyseerd en beschikbaar wordt gesteld. De winning vindt plaats middels bronnen tot mogelijk ruim 1.700 m diepte, met als risico’s onder andere seismiek en bodemdaling. Voor het beoogde opsporingsgebied Katwijk zijn vier (deels) concurrerende aanvragen ingediend. Wij adviseren dat de vier aanvragers gaan overleggen hoe de gebieden ingericht kunnen worden voor de vier initiatieven, voordat u overgaat tot besluitvorming op de aanvragen.
6/9
Katwijk
II. Aandachtspunten bij eventuele toekomstige vergunningverlening Aangezien het opsporen van aardwarmte fysieke werkzaamheden als boren en het plaatsen van een (al dan niet tijdelijke) installatie met zich meebrengt, verzoeken wij u, op het moment dat u binnen het proces eventueel tot vergunningverlening komt, aan de opsporingsvergunning voorschriften te verbinden die de volgende belangen beschermen. Technische beheersbaarheid Naar onze mening is er te weinig informatie beschikbaar om de risico’s omtrent de te gebruiken technieken te beoordelen. Wij verzoeken u dan ook voorschriften op te nemen met betrekking tot de te gebruiken materialen. Deze dienen onder de te verwachten omstandigheden sterk genoeg te zijn om gedurende een lange periode (meer dan de periode van 35 jaar waarin over het algemeen wordt beoogd geothermie te winnen) stand te houden, zodat lekkages in de ondergrond worden voorkomen. Hierbij is het van belang ook rekening te houden met de debieten en de druk waarmee de materialen te maken krijgen. Verzilting, verontreiniging en verticaal bodemevenwicht Indien op grond van een eventuele vergunning een opsporingsboring zal plaatsvinden, brengt dit risico’s met zich mee. Hierbij kan worden gedacht aan het optreden van kortsluiting tussen watervoerende lagen, doordat scheidende lagen worden doorboord en vervolgens niet meer (geheel of goed) worden afgedicht.
In dergelijke gevallen zou de verticale grondwaterstroming kunnen veranderen, wat kan resulteren in verontreiniging, verzilting en/of verstoring van het verticaal bodemevenwicht. Scheidende bodemlagen kunnen dan opbarsten. De risico’s zijn hierbij groter in de lager gelegen gebieden. In de aanvraag wordt op dit moment niet ingegaan op de risico’s voor het grondwater gedurende booractiviteiten en bij functionerende putten. In het putontwerp en in de uitvoering dient aandacht te zijn voor het voorkomen van vermenging van grondwater uit verschillende pakketten (verzilting). Op basis van de bekende eigenschappen van productiewater is het in het geval van aardwarmteboringen van belang dat middels maatwerk een uitgebreid, passend analysepakket voor grondwater wordt vastgesteld en opgenomen in voorschriften. Daarnaast wordt tijdens boringen en productie vaak gebruik gemaakt van boorvloeistof en stoffen die corrosie en scaling tegengaan. Bekende voorbeelden van deze laatste stoffen bevatten (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen (zogenaamde (p)ZZS). Er is momenteel geen goed beeld van het gebruik van de hoeveelheden hulp- en grondstoffen die gebruikt zullen worden bij de activiteiten vallend onder de opsporingsvergunning.
Mocht u toch tot vergunningverlening willen overgaan, verzoeken wij u aanvullende voorschriften op te nemen omtrent het goed onderzoeken waar de scheidende lagen zijn gesitueerd, alsmede omtrent het goed herstellen/afdichten van deze scheidende lagen. Tevens zouden passende voorschriften moeten worden opgenomen om verontreiniging van de bodem te voorkomen. Dit is des te meer van belang omdat de doubletten worden beoogd in het zoekgebied voor drinkwater bij het Valkenburgse meer van Dunea.
7/9
Katwijk Maaivelddaling Wij verzoeken u voorschriften op te nemen omtrent het vroegtijdig opstellen van een monitoringsplan. Op basis van artikel 30 van de Mijnbouwwet hoeft niet eerder dan bij het winningsplan een monitoringsplan te worden opgesteld. In het kader van de opsporingsvergunning vinden er al proefonttrekkingen plaats, zodat een beeld gevormd kan worden van de te verwachten opbrengst van de bronnen. Deze onttrekkingen kunnen zodanig groot zijn dat er reeds bodemdaling op kan treden. Op deze wijze kan worden beschouwd of de aanleg van bronnen of de onttrekking in het kader van de opsporingsvergunning al heeft geleid tot maaivelddaling. Deze kennis kan vervolgens ook worden meegewogen bij de beoordeling van een eventuele aanvraag voor een winningsvergunning. Op deze wijze kunnen eventuele risico’s voor wat betreft de uitvoering voldoende meegewogen worden in de beoordeling van de aanvragen. Een volledige risicobeoordeling, met daarbij een overzicht van te nemen maatregelen, op basis van de gegevens die pas na het opsporingsonderzoek beschikbaar komen, kan dan worden meegenomen bij een winningsvergunning. Veiligheids- en Gezondheidszorgsysteem In de vergunningaanvraag is nog geen Veiligheids- en Gezondheidszorgsysteem opgenomen. Er zal een veiligheids- en gezondheidscoördinator aangewezen worden die verantwoordelijk zal zijn voor het VGzorgsysteem.
Aangegeven is wel dat gebruik gemaakt zal worden van het Veiligheids- en Gezondheidszorgsysteem voor een geothermische operator van Well Engineerings Partners B.V.. Dit zal de basis zijn voor een V&G-document dat op maat zal worden gemaakt voor het eerste doublet. Omdat dit er nu nog niet is, kunnen wij er nog niet over adviseren. Omgevingsmanagement/participatie Er wordt weinig informatie geboden over de risico’s voor omwonenden, gebouwen en infrastructurele werken. Wij zijn van mening dat het binnen de gedachten van het Omgevingsmanagement past, dat de initiatiefnemer in samenspraak met uw ministerie als bevoegd gezag de informatieverstrekking over de beoogde plannen tijdiger in het proces organiseert.
8/9
Katwijk
III.
Aandachtspunten voor de initiatiefnemer
Omdat binnen het opsporingstraject al een locatie is gekozen waar boringen zullen worden geplaatst, die dan ook zullen worden afgewerkt als bron die geschikt is voor de uiteindelijke winning van aardwarmte, wijzen wij de initiatiefnemer erop dat de positionering, de plaatsing en het gebruik van doubletten raakt raken aan bodembelangen en een aantal lokale en regionale belangen en omstandigheden, alsmede geldend beleid voor aan de opsporing verwante activiteiten, zoals het eerder genoemde zoekgebied voor drinkwaterwinning. Onderstaand zijn er nog enkele andere belangen benoemd. Het is van groot belang dat de initiatiefnemer in het vervolgproces onderstaande punten goed onderzoekt en waar nodig afstemming zoekt met de betrokken decentrale overheden en andere belanghebbenden. Regels op grond van de Keur Voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor het opsporen van aardwarmte dient in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland rekening te worden gehouden met de regels van de Keur. Deze regels zijn onder andere van toepassing in de kern- en beschermingszones van waterkeringen, en watergangen. Ook zijn er bijvoorbeeld specifieke regels opgenomen voor verziltingsgevoelige polders. Lozen vrijkomend water Bij het boren en aanleggen van bronnen komt over het algemeen water vrij, dat moet worden geloosd.
Gezien de te verwachten samenstelling van vrijkomend water, ligt het niet voor de hand dat dit water binnen bestaande regelgeving zomaar op oppervlaktewater of riool kan worden geloosd. Aanbevolen wordt dat vroegtijdig wordt onderzocht welke lozingsroutes tot de mogelijkheden behoren en daarover in overleg wordt getreden met het desbetreffende bevoegde gezag. Externe veiligheid Bij het operationaliseren, onderhouden en op enig moment ontmantelen van een geothermiebron worden omvangrijke installaties geplaatst. Deze installaties zijn permanent in bedrijf en zorgen voor milieubelasting naar de omgeving, met name in de nachtelijke uren. Het betreft geluid, lichthinder en externe veiligheid (bijvoorbeeld fakkelen). Aan deze aspecten dient tijdig aandacht te worden besteed. Bij het winnen van aardwarmte komt veelal aardgas vrij. Dit gas wordt van het water uit de diepe ondergrond gescheiden door middel van een gasscheider. Deze installatie is permanent in bedrijf. Bij de aanvraag in het kader van de Wabo hoort een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Rond de gasscheider is namelijk sprake van een 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour. Dit is in het kader van de Wet milieubeheer een grenswaarde voor kwetsbare objecten (woningen, school) die in acht dient te worden genomen. Voor overige objecten is dit ook van belang.
Voor het bevoegd gezag is het belangrijk om tijdig over gegevens met betrekking tot bovengrondse installaties alsmede de QRA te beschikken. Welk bevoegd gezag echter adviseert in het kader van milieu en ruimtelijke ordening is afhankelijk van de locatiekeuze. Door tijdig in overleg te gaan met de betrokken bevoegde gezagen kan weloverwogen voor een locatie gekozen worden.
9/9