10. Bijlage 3. Concept advies opsporingsvergunning Oude Rijn (1847789)
Tekst van het document
Bezoekadres
Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag Postadres
Postbus 14060 2501 GB Den Haag T (070) 21 899 02 E vergunningen@odh.nl I www.odh.nl
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat T.a.v. de heer K. van der Hoorn Postbus 20401 2500 EK DEN HAAG
Datum
Uw Brief
Ons Kenmerk
Afdeling
Contactpersoon
Bijlage(n)
Uw Kenmerk
Zaaknummer
Team
Telefoonnummer
-
27 augustus 2020
e-mailbericht
Betreft
ODH-2020-00127979
00591040
Toetsing & Vergunningverlening Milieu T&V Ruimte & Ondergrond
Advies Mijnbouwwet inzake aanvraag opsporingsvergunning aardwarmte gebied Oude Rijn
C.C.L. van der Pijl
06 528 84 445 E-mail
charles.van.der.pijl@odh.nl
Geachte heer Van der Hoorn, Op 27 augustus 2020 heeft u het college van Gedeputeerde staten van Zuid-Holland per e-mail verzocht om advies in het kader van de Mijnbouwwet inzake de aanvraag van Yeager Energy B.V. (hierna: Yeager) van 21 juli 2020 voor een opsporingsvergunning aardwarmte. Yeager vraagt een opsporingsvergunning aan voor het gebied genaamd Oude Rijn, liggende in de gemeenten Alphen aan den Rijn, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Wassenaar en Zoeterwoude. Procedure en samenwerking tussen decentrale overheden Het advies dient uiterlijk 27 januari 2021 te worden ingediend. De Omgevingsdienst Haaglanden voert de adviestaken in het kader van de Mijnbouwwet in mandaat uit namens Gedeputeerde Staten van ZuidHolland. De ingediende aanvraag is deels concurrerend met aanvragen voor opsporingsvergunningen voor: − het gebied Leiden 2, ingediend door Eavor Europe B.V. (hierna: Eavor); − het gebied Leiden 3, ingediend door Wayland Energy B.V. (hierna: Wayland); − het gebied Rijnland, ingediend door Shell Geothermal B.V. en D4 B.V. (hierna: Shell en D4). De deels concurrerende aanvragen hebben wij betrokken bij het opstellen van onderhavig advies op de aanvraag voor het gebied Oude Rijn.
Conform artikel 16, tweede lid, van de Mijnbouwwet, hebben wij bij ons advies betrokken: − Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Wassenaar en Zoeterwoude; − Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland; − Drinkwaterbedrijf Dunea.
Beleid voor de ondergrond in de provincie Zuid-Holland Binnen de provincie Zuid-Holland wordt de zogenaamde Bodemladder gebruikt als handelingsperspectief en afwegingskader voor activiteiten in de (diepe) ondergrond. Centraal in het handelingsperspectief staan de begrippen hernieuwbaar, omkeerbaar en beheersbaar. Voor alle drie de begrippen geldt dat we streven naar een zo hoog mogelijk niveau. In het afwegingskader van de provincie Zuid-Holland wordt hier invulling aan gegeven door activiteiten in de ondergrond te beoordelen op basis van nut en noodzaak, veiligheid, milieuhygiënische aspecten en ruimtelijke inpasbaarheid, zowel boven- als ondergronds. Oordeel De provincie Zuid-Holland staat positief tegenover initiatieven voor het opsporen en winnen van aardwarmte, zeker aangezien deze in grote mate hernieuwbaar en omkeerbaar zijn. De provincie is dan ook van mening dat de nut en noodzaak van aardwarmtewinning in onze provincie evident is. Echter, zoals aangegeven in het rapport “Staat van de sector Geothermie” van de Inspecteur-generaal van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) van 12 juli 2017, zijn er zorgen over de beheersbaarheid en veiligheid van geothermie. Hierin kunnen wij ons vinden. Ons advies is er dan ook op gericht om de beheersbaarheid te vergroten, mogelijke effecten beter in beeld te krijgen en om de milieuhygiënische en landschappelijke inpassing te verbeteren.
Integraliteit Wij signaleren dat er naast aardwarmtewinning veel andere initiatieven zijn voor benutting van de ondergrond in Zuid-Holland en dat het beleid daar omtrent tussen de overheden meer afstemming behoeft. Zo geven gemeenten aan dat ze plannen aan het maken zijn om hun wijken ‘aardgasloos’ te maken. De onderhavige aanvraag is daar een voorbeeld van. De in hun ondergrond aanwezige aardwarmte vormt een van de weinige bronnen voor duurzame stadsverwarming. Bij het transport van aardwarmte treden bovendien warmteverliezen op. Daarom heeft het de voorkeur dat de aanwezige aardwarmte in de ondergrond van een bepaalde gemeente mede voor de verwarming in die betreffende gemeente moet worden aangewend (wederkerigheidsprincipe). Eventuele overschotten kunnen dan worden getransporteerd. De toekenningssystematiek in de Mijnbouwwet zou hier rekening mee moeten houden. Bijgevoegd vindt u ons advies (I), dat tot stand is gekomen met de betrokken decentrale overheden en aandachtspunten bij eventuele toekomstige vergunningverlening (II). Daarnaast zijn ter informatie een aantal aandachtspunten voor de initiatiefnemer opgenomen die van belang zijn tijdens de verdere planontwikkeling (III). Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Indien u vragen en/of opmerkingen heeft, kunt u contact opnemen met de in het briefhoofd vermelde contactpersoon.
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,
drs. L. Hopman Hoofd Toetsing & Vergunningverlening Milieu van de Omgevingsdienst Haaglanden
2/11
Afschrift aan: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland; Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Wassenaar en Zoeterwoude; Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland; Drinkwaterbedrijf Dunea.
3/11
I ADVIES Adviespunten provincie Zuid-Holland en andere decentrale overheden Vanuit onze belangen willen wij over de volgende aandachtspunten advies uitbrengen. 1. Beschermingsgebieden Het westelijke deel van het opsporingsgebied Oude Rijn overlapt op twee locaties met een milieubeschermingsgebied voor grondwater, zoals vastgelegd in de Provinciale milieuverordening (hierna: Pmv) van Zuid-Holland. De eerste locatie betreft het waterwingebied Berkheide, ten zuiden van Katwijk. De tweede locatie betreft het waterwingebied Meijendel (inclusief naastliggend grondwaterbeschermingsgebied), ten westen van Wassenaar. Voor het opsporingsgebied zijn dus drinkwaterbelangen in het geding. Binnen het milieubeschermingsgebied voor grondwater zijn boringen ten behoeve van aardwarmteprojecten niet toegestaan. Er mag ook niet schuin geboord worden, dat wil zeggen, vanaf een locatie naast het milieubeschermingsgebied voor grondwater naar een punt op bijvoorbeeld 2.200 m -mv ónder het milieubeschermingsgebied voor grondwater. Voor de opsporingsvergunning houdt dat in dat dit deel van het beoogde opsporingsgebied niet gebruikt kan worden, zodat dit mogelijk het aantal te realiseren doubletten zou kunnen beperken.
Tevens overlapt het opsporingsgebied met (delen van) de Natura 2000 gebieden Meijendel & Berkheide (nagenoeg overlappend met het genoemde Milieubeschermingsgebied voor grondwater) en Coepelduynen, evenals gebieden die onder het Natuurnetwerk Nederland vallen. Daarnaast komen verspreid over de westzijde van het gebied overige natuurgebieden en ecologische verbindingen voor, zoals vastgelegd in de Verordening Ruimte Zuid-Holland. Het is van belang dat bij de verdere uitwerking voorafgaand aan eventuele opsporingswerkzaamheden onderzocht wordt wat de mogelijke gevolgen kunnen zijn voor genoemde Natura 2000 gebieden, overige natuurgebieden en ecologische verbindingen. Ten aanzien van archeologische waarden en aardkundige waarden kan worden gesteld dat deze waarden binnen het opsporingsgebied aanwezig zijn. Het is van belang bij de verdere uitwerking met de aanwezige archeologische en aardkundige waarden rekening te houden. 2. Seismische en bodemdalingsrisico’s Wij constateren dat in de aanvraag geen informatie wordt verstrekt over de mogelijke risico’s (zoals bijvoorbeeld bodemdaling) die de eventuele opsporing met zich zou kunnen meebrengen voor omwonenden, gebouwen en infrastructurele werken zoals persleidingen en waterkeringen, dan wel voor milieu en natuur.
Dat deze aspecten wel van belang worden geacht, ook in dit stadium, wordt bevestigd in het concept van de wijziging van de Mijnbouwwet waarin aparte regels voor opsporing en voor winning van aardwarmte zijn opgenomen. Bij de aanvraag wordt inzicht gegeven in de methodiek die in een latere fase zal worden gehanteerd om deze risico’s in beeld te brengen. Verder wordt in het rapport dat als bijlage bij de aanvraag is gevoegd ingegaan op de geologische situatie. Op basis van algemene informatie vanuit openbare bronnen, alsmede gedetailleerde informatie uit gas- en aardwarmteputten die in de omgeving van het opsporingsgebied al zijn geboord, is een initieel beeld gevormd van de ondergrond. Een gedetailleerde kartering van bestaande breuken en een analyse van het ondergrondse stress-regime is echter nog niet uitgevoerd. Er wordt beoogd dit na eventuele vergunningverlening verder uit te werken. Een locatie-specifieke Seismische Risico Analyse (SRA), zoals bedoeld in de aanbevelingen van Q-con en IF Technology (2016), is nog niet uitgevoerd. Bodemdaling wordt niet als risico geadresseerd in de aanvraag. Alhoewel de kans op geïnduceerde bodemdaling van een enkel geothermie-doublet bij de juiste voorzorgsmaatregelen in deze omgeving als 4/11
gering kan worden ingeschat, omvatten de plannen meerdere geothermie-doubletten te plaatsen in een gebied dichtbij meerdere olie- en gasvelden en is er dus sprake van een opeenstapeling van risico’s. Het zou op dit moment ook mogelijk moeten zijn al een (eerste) beschouwing (waaronder de quickscan) uit te voeren van mogelijke risico’s voor omwonenden, gebouwen en infrastructurele werken die kunnen spelen bij de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van dit project, zoals bij de te plaatsen boringen en bij de latere winning. Een dergelijke beschouwing zien wij in de opsporingsaanvraag niet terug. Wij hechten veel waarde aan een goede beschouwing en een goede risicoduiding, omdat dergelijke zaken bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de sector en aan het draagvlak voor geothermie in het algemeen. Verder behelst een eventuele opsporingsvergunning niet het winnen van aardwarmte, maar wel de mogelijkheid -nadat een Wabo vergunning is verkregen- tot het plaatsen van bronnen. Tijdens het plaatsen van bronnen wordt mogelijk gewerkt met werkwater. Na het plaatsen van een bron zal deze moeten worden ontwikkeld en onderhouden, waarbij er al op regelmatige basis grondwater zal worden onttrokken. Bij dergelijke werkzaamheden en onttrekkingen kan ook al een bepaalde mate van maaivelddaling plaatsvinden.
Wij adviseren voor de ingediende opsporingsaanvraag een eerste risicobeoordeling voor met name de boorwerkzaamheden en de ontwikkeling van de bronnen (seismische risico’s door eventueel aanwezige breuken, verzilting, bodemdaling) te laten uitvoeren, zodat bij de advisering en besluitvorming een adequate afweging kan worden gemaakt. 3. Interferentie en planmatig gebruik van de ondergrond In de aanvraag is door Yeager een conceptueel ontwikkelingsplan opgenomen. Er zijn nog een aantal variabelen onbekend om een uitgebreid plan te kunnen maken. Yeager gaat er vooralsnog vanuit in de eerste vijf jaar twee doubletten te realiseren met een op dit moment nog niet bekend potentieel. Afhankelijk van de geïdentificeerde vraag heeft Yeager de ambitie om nog meer doubletten te realiseren. De mogelijke doubletlocaties zijn nog niet bekend en dus in de opsporingsaanvraag nog niet weergegeven. Er wordt geen informatie gegeven over mogelijke interferentie met nabijgelegen projecten. In de geologische onderbouwing bij de aanvraag richt het onderzoek naar geschiktheid van de ondergrond zich op de reservoirs in de Rijnland Groep en Schieland Groep, omdat deze het meest geschikt lijken voor de winning van aardwarmte. Hiermee is niet gezegd dat bij een nadere, uitgebreidere, studie ook de groepen uit het Trias niet zullen worden bestudeerd.
Dit wordt echter pas verder uitgewerkt in het uitgebreide geologisch onderzoek. Naar onze mening is er op dit moment daarom nu te weinig informatie beschikbaar over de mogelijke opsporingslocaties en beoogde opsporings- en winningsdiepte om een gedegen uitspraak te doen over interferentie met andere aardwarmteprojecten of bodemenergiesystemen en over planmatig gebruik van de ondergrond. Voor de betrokken gemeenten is het van belang dat bij de opsporing van aardwarmte rekening wordt gehouden met mogelijke beperkingen en kansen die de opsporing of een eventuele winning zou kunnen opleveren voor (thans voorziene) toekomstige gebiedsontwikkelingen. 4. Schade-afhandeling Uit de aanvraag blijkt dat Yeager een beperkt eigen kapitaal heeft en op dit moment geen reserves en vreemd vermogen heeft. De moedermaatschappijen van Yeager zijn opgericht in 2019 en hebben een verlengd boekjaar dat afloopt op 31 december 2020. Hiervan zijn dus geen financiële jaarverslagen beschikbaar. Onderdeel van het bedrijfsplan is dat Yeager als operator samenwerking zoekt met derde partijen om aardwarmte projecten te realiseren. Deze samenwerking is echter nog niet concreet tot stand gekomen. Verder heeft de initiatiefnemer nog niet concreet duidelijk kunnen maken waar hij de warmte af kan zetten en hoe bijbehorende warmtenetten tot stand gaan komen.
Er zijn wel afzetmogelijkheden genoemd, maar er is nog niet duidelijk gemaakt in hoeverre hier al concrete overeenkomsten over tot stand 5/11
zijn gekomen. De gegeven informatie maakt het op dit moment onduidelijk of de aanvrager zal kunnen voldoen aan financiële verplichtingen die kunnen ontstaan in geval van calamiteiten. 5. Concurrerende aanvragen Leiden 2, Leiden 3 en Rijnland De aanvraag voor het opsporingsgebied Oude Rijn concurreert deels met de aanvragen voor de opsporingsgebieden Leiden 2, Leiden 3 en Rijnland. Voor onderhavige opsporingsaanvraag is er nog geen concreet zicht op de mogelijke afnemers van de te winnen warmte. De overlap met het opsporingsgebied Leiden 2 bevindt zich in de oostelijke hoek van het opsporingsgebied Oude Rijn. De overlap met het opsporingsgebied Rijnland is groter: er is alleen sprake van geen overlap in de zuidelijke hoek van het opsporingsgebied Oude Rijn. Het opsporingsgebied Leiden 3 valt nagenoeg geheel binnen het opsporingsgebied Oude Rijn. Laatstgenoemde loopt aan de zuidelijke en oostelijke kant een stuk verder door. Er wordt in de opsporingsaanvraag uitgebreid ingegaan op mogelijke afzetmogelijkheden in de regio, maar uit de aanvraag blijkt niet dat er al concrete afspraken zijn gemaakt voor samenwerking met de partijen die zich ter plaatse met het warmtevraagstuk bezighouden. Samenwerking met derde partijen moet nog worden gevonden.
Bij de concurrerende aanvragen voor de opsporingsgebieden Leiden 2 en Leiden 3 is er eveneens nog geen concreet zicht op mogelijke afnemers van de te winnen warmte of partijen waarmee een concrete samenwerking is gevonden. Bij de concurrerende aanvraag voor het opsporingsgebied Rijnland is er wel zicht op mogelijke afnemers van de te winnen warmte. Er wordt een aantal afzetmogelijkheden genoemd, uit de aanvraag blijkt dat dit in dit stadium intenties zijn. Samenwerking met een derde partij (Firan) is gevonden. Voor de provincie en betrokken gemeenten is het van belang dat een optimalisatie tussen bovengrond (afnemers) en ondergrond (gebruik ondergrondse ruimte) wordt bewerkstelligd. Aangezien hier momenteel nog geen ordeningsinstrumenten voor worden ontwikkeld (zoals bijvoorbeeld mogelijkheden tot het opstellen van masterplannen), kan een optimalisatie alleen middels samenwerking tussen betrokken partijen worden bereikt. Deze samenwerking is nog niet in beeld bij de aanvragen voor de gebieden Leiden 2, Leiden 3 en Oude Rijn, maar wel bij de aanvraag voor het gebied Rijnland. Qua opsporingsdiepte concurreert het opsporingsgebied Leiden 2 op basis van de voorgenomen zoekdiepten niet met de andere opsporingsvergunningen. Geadviseerd wordt om bij vergunningverlening de mogelijkheid mee te wegen om de opsporingsvergunningen verticaal te begrenzen.
Qua technische advisering van het project rond de opsporingsaanvraag Leiden 2 is het bedrijf Shell Canada betrokken. Omdat Shell ook bij het project rond de opsporingsaanvraag Rijnland is betrokken, zou er op dit punt een mogelijkheid kunnen zijn tot samenwerking. Gezien de omvang van de verschillende opsporingsgebieden, alsmede de (in deze verkennende fase) afwijkende opsporingsdiepten, zouden wij graag zien dat de verschillende aanvragers worden gestimuleerd om in overleg te treden om -indien mogelijk- tot een vorm van overeenstemming en/of afstemming te komen over de opsporingsaanvragen. De uitkomsten van een dergelijk overleg zouden dan kunnen worden meegewogen bij de besluitvorming. Conclusie Het opsporingsgebied Oude Rijn is deels gelegen binnen een milieubeschermingsgebied voor grondwater zoals vastgelegd in de Pmv. Daarnaast is het opsporingsgebied deels gelegen in Natura 2000 gebieden. Ten aanzien van archeologische waarden en aardkundige waarden kan worden gesteld dat deze waarden binnen het opsporingsgebied aanwezig zijn. Bij de verdere uitwerking dient met de aanwezige belangen en waarden rekening te worden gehouden.
Gezien het verbod op grond van de Pmv om geothermiesystemen in of onder milieubeschermingsgebieden voor grondwater te realiseren, adviseren wij om bij eventuele toekenning van de opsporingsvergunning de begrenzing van het opsporingsgebied hierop aan te passen. Dit zodat ook op grond van de opsporingsvergunning het belang van de drinkwaterbescherming niet in het geding kan komen.
6/11
Verder is op veel punten te weinig informatie in de aanvraag beschikbaar om goed over de aanvraag te kunnen adviseren. Op grond van de Mijnbouwwet zou deze informatie wel bij de aanvraag moeten zijn gevoegd. Wij vinden het niet passend dat beschikbare relevante informatie pas in een latere fase wordt geanalyseerd en beschikbaar wordt gesteld. De winning vindt plaats middels bronnen tot mogelijk ruim 1.700 m diepte, met een risico op trillingen. Voor het beoogde opsporingsgebied Oude Rijn zijn drie (deels) concurrerende aanvragen ingediend. Wij adviseren dat uw ministerie faciliteert dat de vier aanvragers gaan overleggen hoe de gebieden ingericht kunnen worden voor de vier initiatieven, voordat u overgaat tot besluitvorming op de aanvragen.
7/11
II. Aandachtspunten bij eventuele toekomstige vergunningverlening Aangezien het opsporen van aardwarmte fysieke werkzaamheden als boren en het plaatsen van een (al dan niet tijdelijke) installatie met zich meebrengt, verzoeken wij u, op het moment dat u binnen het proces eventueel tot vergunningverlening komt, aan de opsporingsvergunning voorschriften te verbinden die de volgende belangen beschermen. Technische beheersbaarheid Naar onze mening is er te weinig informatie beschikbaar om de risico’s omtrent de te gebruiken technieken te beoordelen. Wij verzoeken u dan ook voorschriften op te nemen met betrekking tot de te gebruiken materialen. Deze dienen onder de te verwachten omstandigheden sterk genoeg te zijn om gedurende een lange periode (meer dan de periode van 35 jaar waarin over het algemeen wordt beoogd geothermie te winnen) stand te houden, zodat lekkages in de ondergrond worden voorkomen. Hierbij is het van belang ook rekening te houden met de debieten en de druk waarmee de materialen te maken krijgen. Veiligheids- en Gezondheidszorgsysteem Het veiligheids- en gezondheidsbeleid is wel beschreven in de aanvraag, maar omdat de organisatie nog niet is ingevuld en zal bestaan uit contractors en consultants, is naar onze mening op dit moment de implementatie van een veiligheids- en gezondheidssysteem door de aanvrager nog niet zeker.
Wij zien in ieder geval groot belang in het opstellen en invullen van een veiligheids- en gezondheidssysteem voordat fysieke opsporingswerkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Verzilting, verontreiniging en verticaal bodemevenwicht Indien op grond van een eventuele vergunning een opsporingsboring zal plaatsvinden, brengt dit risico’s met zich mee. Hierbij kan worden gedacht aan het optreden van kortsluiting tussen watervoerende lagen, doordat scheidende lagen worden doorboord en vervolgens niet meer (geheel of goed) worden afgedicht. In dergelijke gevallen zou de verticale grondwaterstroming kunnen veranderen, wat kan resulteren in verontreiniging, verzilting en/of verstoring van het verticaal bodemevenwicht. Scheidende bodemlagen kunnen dan opbarsten. De risico’s zijn hierbij groter in de lager gelegen gebieden. In de aanvraag wordt op dit moment niet ingegaan op de risico’s voor het grondwater gedurende booractiviteiten en bij functionerende putten. In het putontwerp en in de uitvoering dient aandacht te zijn voor het voorkomen van vermenging van grondwater uit verschillende pakketten (verzilting). Op basis van de bekende eigenschappen van productiewater is het in het geval van aardwarmteboringen van belang dat middels maatwerk een uitgebreid, passend analysepakket voor grondwater wordt vastgesteld en opgenomen in voorschriften.
Daarnaast wordt tijdens boringen en productie vaak gebruik gemaakt van boorvloeistof en stoffen die corrosie en scaling tegengaan. Bekende voorbeelden van deze laatste stoffen bevatten (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen (zogenaamde (p)ZZS). Er is momenteel geen goed beeld van het gebruik van de hoeveelheden hulp- en grondstoffen die gebruikt zullen worden bij de activiteiten vallend onder de opsporingsvergunning. Wij verzoeken u aanvullende voorschriften op te nemen omtrent het goed onderzoeken waar de scheidende lagen zijn gesitueerd, alsmede omtrent het goed herstellen/afdichten van deze scheidende lagen. Tevens zouden passende voorschriften moeten worden opgenomen om verontreiniging van de bodem te voorkomen.
8/11
Maaivelddaling Wij verzoeken u voorschriften op te nemen omtrent het vroegtijdig opstellen van een monitoringsplan. Op basis van artikel 30 van de Mijnbouwwet hoeft niet eerder dan bij het winningsplan een monitoringsplan te worden opgesteld. In het kader van de opsporingsvergunning vinden er al proefonttrekkingen plaats, zodat een beeld gevormd kan worden van de te verwachten opbrengst van de bronnen. Deze onttrekkingen kunnen zodanig groot zijn dat er reeds bodemdaling op kan treden. Op deze wijze kan worden beschouwd of de aanleg van bronnen of de onttrekking in het kader van de opsporingsvergunning al heeft geleid tot maaivelddaling. Deze kennis kan vervolgens ook worden meegewogen bij de beoordeling van een eventuele aanvraag voor een winningsvergunning. Op deze wijze kunnen eventuele risico’s voor wat betreft de uitvoering voldoende meegewogen worden in de beoordeling van de aanvragen. Een volledige risicobeoordeling, met daarbij een overzicht van te nemen maatregelen, op basis van de gegevens die pas na het opsporingsonderzoek beschikbaar komen, kan dan worden meegenomen bij een winningsvergunning. Omgevingsmanagement/participatie Er wordt weinig informatie geboden over de risico’s voor omwonenden, gebouwen en infrastructurele werken.
Wij zijn van mening dat het binnen de gedachten van het Omgevingsmanagement past, dat de initiatiefnemer in samenspraak met uw ministerie als bevoegd gezag de informatieverstrekking over de beoogde plannen tijdiger in het proces organiseert.
9/11
III.
Aandachtspunten voor de initiatiefnemer
Omdat binnen het opsporingstraject naar verwachting al een locatie zal worden gekozen waar boringen zullen worden geplaatst, die dan mogelijk ook zullen worden afgewerkt als bron die geschikt is voor de uiteindelijke winning van aardwarmte, wijzen wij de initiatiefnemer erop dat de positionering, de plaatsing en het gebruik van doubletten kan raken aan bodembelangen en een aantal lokale en regionale belangen en omstandigheden, alsmede geldend beleid voor aan de opsporing verwante activiteiten. Onderstaand zijn er enkele benoemd. Het is van groot belang dat de initiatiefnemer in het vervolgproces onderstaande punten goed onderzoekt en waar nodig afstemming zoekt met de betrokken decentrale overheden en andere belanghebbenden. Regels op grond van de Keur Voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor het opsporen van aardwarmte dient in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland rekening te worden gehouden met de regels van de Keur. Deze regels zijn van toepassing in de kern- en beschermingszones van waterkeringen, watergangen en wegen. Lozen vrijkomend water Bij het boren en aanleggen van bronnen komt over het algemeen water vrij, dat moet worden geloosd. Gezien de te verwachten samenstelling van vrijkomend water, ligt het niet voor de hand dat dit water binnen bestaande regelgeving zomaar op oppervlaktewater of riool kan worden geloosd.
Aanbevolen wordt dat vroegtijdig wordt onderzocht welke lozingsroutes tot de mogelijkheden behoren en daarover in overleg wordt getreden met het desbetreffende bevoegde gezag. Geluidshinder Bij eerdere aardwarmteprojecten is in het verleden sprake geweest van meerdere geluidklachten uit de omgeving. Om dergelijke overlast voor het beoogde geothermieproject te voorkomen en om ook toekomstige klachten te traceren, adviseren wij reeds in de opsporingsfase een integraal monitoringsplan of -protocol gereed te hebben en uit te gaan van continue monitoring op locaties waar geboord zal worden. Een dergelijk plan dient te worden geborgd en zou onderdeel moeten zijn van het omgevingsmanagement. Dit zou vervolgens transparant met omwonenden moeten worden gecommuniceerd. Externe veiligheid Bij het operationaliseren, onderhouden en op enig moment ontmantelen van een geothermiebron worden omvangrijke installaties geplaatst. Deze installaties zijn permanent in bedrijf en zorgen voor milieubelasting naar de omgeving, met name in de nachtelijke uren. Het betreft geluid, lichthinder en externe veiligheid (bijvoorbeeld fakkelen). Aan deze aspecten dient tijdig aandacht te worden besteed. Bij het winnen van aardwarmte komt veelal aardgas vrij. Dit gas wordt van het water uit de diepe ondergrond gescheiden door middel van een gasscheider. Deze installatie is permanent in bedrijf.
Bij de aanvraag in het kader van de Wabo hoort een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Rond de gasscheider is namelijk sprake van een 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour. Dit is in het kader van de Wet milieubeheer een grenswaarde voor kwetsbare objecten (woningen, school) die in acht dient te worden genomen. Voor overige objecten is dit ook van belang. Voor het bevoegd gezag is het belangrijk om tijdig over gegevens met betrekking tot bovengrondse installaties alsmede de QRA te beschikken. Welk bevoegd gezag echter adviseert in het kader van milieu en ruimtelijke ordening is afhankelijk van de locatiekeuze. Door tijdig in overleg te gaan met de betrokken bevoegde gezagen kan weloverwogen voor een locatie gekozen worden.
10/11
BA: Check of hieronder de juiste adressanten zijn opgenomen voor in de verzendbrief. Komt een betrokkene niet voor in de lijst hieronder? Voer deze dan op in de lege regel. Je kunt net zoveel regels aanmaken als je nodig hebt. Zet kruisjes in de gewenste kolom. Uitleg kolommen: AAN: Aan wie moet het gestuurd worden? Als er een gemachtigde is krijgt deze de correspondentie en de hoofdbetrokkene in CC. CC: wordt onderaan de brief aan de hoofdbetrokkene genoemd bij ‘afschrift aan’, bijvoorbeeld gemachtigde en krijgt een afschrift BCC: bijvoorbeeld afschrift aan VRH, Hoogheemraadschap en wettelijke adviseurs, indieners zienswijze en interne afschriften (T&H). Deze komen niet terug onderaan de brief aan de geadresseerde. Maar door ze hier wel op te geven, worden deze afschriften wel uitgevoerd door het PT. Alle extra opgegeven betrokkenen zullen worden opgenomen in SquitXO. NVT: deze betrokkene krijgt géén afschrift. Reeds bekend in deze zaak (00591040): Rol Email/adres
Aanpassen in
Aa C n C
Hoofdbetrokkene
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat K. van der Hoorn (Man) Postbus 20401 2500 EK Den Haag K.vanderHoorn@minezk.nl
Overige betrokkene
Provincie Zuid-Holland - Taakteam Vastgoed DBI E. Kuik (Man) Postbus 90602 2509 LP Den Haag ej.kuik@pzh.nl
x
GEMEENTEN, HOOGHAAMRAADSCHAP EN DUNEA, ZOALS GENOEMD OP PAGINA 2 IN DE BRIEF
x
B C C
x
Intern
x
Hieronder In te vullen door Procedureteam!
JA
Inzage gemeente Afschrift gemeente WKPB
11/11
NEE
N V T