1. Brief van het college van B&W van 7 april 2021 inzake informatie Omgevingswet april 2021 (1902678)
Tekst van het document
Postbus 589 – 2220 AN Katwijk
Contactpersoon:
Gemeenteraad van Katwijk
Mevrouw J. Soepboer Afdeling:
Projecten Programma's en Opgaven Te bereiken op:
06 112 846 83 j.soepboer@katwijk.nl Ons kenmerk:
Bijlage(n):
1902678
2
Verzenddatum: 7 april 2021
Onderwerp: Raadsinformatiebrief Omgevingswet april 2021
Katwijk, 6 april 2021
Geachte leden van de raad,
Rond de Omgevingswet hebben de afgelopen periode een aantal belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden, zowel op landelijk niveau als binnen onze gemeente. Via deze informatiebrief informeren wij u graag over de volgende punten: 1. 2. 3. 4. 5.
1.
De invoeringsdatum van de Omgevingswet De landelijke financiële discussie Zicht op de effecten Planning besluitvorming 2021 De afronding van het Programma Implementatie Omgevingswet
De invoeringsdatum van de Omgevingswet
De Tweede Kamer ging in december 2020 akkoord met 1 januari 2022 als invoeringsdatum van de Omgevingswet. De Eerste Kamer zal daar in april een definitieve knoop over doorhakken. Bij veel partijen in de Eerste Kamer bestaan nog zorgen of de geplande invoeringsdatum van 1 januari 2022 haalbaar is. Daarbij spelen twee issues: het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de kosten van de Omgevingswet. Op 26 februari is door Minister Ollongren de roadmap Route2022 gepresenteerd aan de Eerste Kamer. In deze brief (zie bijlage 1) schetst de Minister het pad tot 1 januari 2022. Zij gaat daarbij in op de zorgen van de Kamer over het gemeente Katwijk: Koningin Julianalaan 3, 2224 EW Katwijk, Postbus 589, 2220 AN Katwijk, website: www.katwijk.nl, (T) 071 - 406 5000, (F) 071 - 406 5065, IBAN: NL13BNGH0285120271, BIC: BNGHNL2G, KvK: 27.37.09.56 Op alle opdrachten zijn, tenzij anders overeengekomen, de algemene inkoopvoorwaarden leveringen en diensten gemeente Katwijk 2017 van toepassing. Deze zijn te raadplegen op www.katwijk.nl en www.overheid.nl
**
2/6
Ons kenmerk
Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het gaat het er dan om dat elke gemeente of provincie straks in staat moet zijn om een aanvraag of melding van een burger of bedrijf vanuit de landelijke voorziening van het DSO te ontvangen en af te handelen. Het DSO bestaat uit lokale systemen van overheden en de onderdelen van de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals het nieuwe ‘Omgevingsloket’. De Minister geeft in haar brief aan dat er op dit moment door alle overheden wordt geoefend en getest om te bepalen of het DSO voldoende gaat werken. Daar waar blijkt dat dit niet zou lukken, biedt ze mogelijkheden aan voor tijdelijke, flexibele oplossingen, die - indien nodig - gezamenlijk kunnen worden uitgewerkt. De Minister concludeert dat ze samen met haar bestuurlijke partners toewerkt naar een robuuste en verantwoorde inwerkingtreding op 1 januari 2022. In een volgende brief van 12 maart aan zowel Eerste als Tweede Kamer (zie bijlage 2) gaat de Minister in op het punt van de kosten. Het gaat dan gaat over de invoeringskosten en de structurele financiële effecten, waarvan gevreesd wordt dat deze hoger zouden uitvallen dan verwacht. Dit punt hangt al enige tijd boven de markt en in de afgelopen periode is daar uitgebreid onderzoek naar verricht. We gaan hier in het volgende onderdeel van deze informatiebrief nader op in.
De zorgen om de invoering van de Omgevingswet zijn onlangs ook opnieuw in de Tweede Kamer besproken. Een motie van GroenLinks om de Omgevingswet alsnog uit te stellen kreeg bijval van vrijwel de gehele oppositie, maar dat was onvoldoende voor een meerderheid. Ook het door de decentrale koepels sterk bepleite noodfonds ter bekostiging van de invoeringskosten werd door de Tweede Kamer verworpen. Dat laat onverlet dat ook van verschillende overheden nog steeds signalen komen dat ze het als moeilijk zien om aan de gestelde minimale instroomeisen te kunnen voldoen, dan wel dat er grote zorgen zijn over de financiële perspectieven. Zoals aangegeven beslist de Eerste Kamer later deze maand over de invoeringsdatum. We wachten met spanning af. Zodra de invoeringsdatum definitief bekend is, zullen we uw raad onmiddellijk informeren.
2.
De landelijke financiële discussie
In haar brief van 12 maart presenteert de Minister het ‘Integraal financieel beeld stelselherziening Omgevingswet’ aan de Kamers. Dit Integraal financieel beeld is een optelsom van elf deelonderzoeken, die elk ingaan op een deelaspect van de nieuwe wetgeving. Ze brengen de eenmalige en structurele directe financiële effecten in beeld voor burgers, bedrijven en de (mede)overheden, op basis van de op dit moment beschikbare informatie. Het onderzoekresultaat vormt de start van een zorgvuldig monitoringsproces richting drie interbestuurlijk afgesproken financiële evaluaties van de stelselherziening: in 2022, 2023 en 2027. De drie evaluaties bieden de basis om stil te staan bij de vraag of voldaan wordt aan de uitgangspunten van het Financieel Akkoord van 2016. Essentie van die afspraken is dat partijen in financiële zin niet beter hoeven te worden van de invoering van de stelselherziening, maar er ook niet financieel op achteruit hoeven te gaan. Tevens is interbestuurlijk afgesproken dat in 2022 samen naar oplossingen wordt gezocht wanneer blijkt dat de transitiekosten - door factoren die buiten de invloedssfeer van de bestuursorganen liggen - substantieel hoger blijken uit te vallen in relatie tot de verwachte baten. Met haar brief heeft de Minister ook het rapport en de onderliggende deelrapporten met de Kamers gedeeld.
Deze kunnen worden opgehaald via de volgende link: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/03/11/integraal-financieel-beeld-stelselherzieningomgevingswet. In bijlage 13 van het Integraal Financieel Beeld wordt ingegaan op de effecten voor gemeenten. Met het oog op het belang van de effecten ook voor onze gemeente, gaan we hierna nog dieper op de resultaten van de onderzoeken in. Drie varianten De stelselherziening geeft decentrale overheden meer ruimte om eigen keuzes te maken. Uit de onderzoeken blijkt dat de structurele directe (financiële) effecten afhangen van de wijze waarop de overheden gebruik maken van de extra decentrale ruimte en keuzemogelijkheden die de Omgevingswet biedt. Hierbij is het uitgangspunt om door
3/6
Ons kenmerk
middel van regulering de optimale invulling te vinden die een goede bescherming van de fysieke leefomgeving oplevert en die de lasten voor burgers, bedrijven en overheden zelf zo laag mogelijk houdt. Het is daarbij niet waarschijnlijk dat het lokaal altijd mogelijk of wenselijk is de financieel meest voordelige optie te kiezen. In het Integraal Financieel Beeld zijn drie varianten doorgerekend, die verschillende effecten opleveren: effecten van wijzigingen in de regelgeving, effecten die besparingen opleveren en effecten die tot extra kosten leiden.
Variant 1 - Wijziging Rijksregelgeving: Daarbij is gekeken naar de financiële effecten die optreden vanwege de wijzigingen in het stelsel in de ‘rijksregelgeving’ waarbij daarnaast verondersteld is dat de medeoverheden op geen enkele wijze gebruik maken van de extra decentrale ruimte. Zo wordt verondersteld dat de bruidsschat waarmee de voormalige rijksregelgeving landt in het omgevingsplan en de waterschapsverordening niet door gemeenten en waterschappen worden gewijzigd. In deze variant wordt er voor het DSO van uitgegaan dat de huidige dienstverlenging op zijn minst wordt gecontinueerd.
Variant 2 - Gebruik decentrale ruimte meest gunstig: In deze variant zijn de keuzes van de overheden qua financieel effect het gunstigst. Een voorbeeld van een dergelijke keuze is het vervangen van de ruimtelijk toets voor bouwwerken door rechtstreeks bindende regels, zodat hiervoor geen vergunningaanvraag meer nodig is. Dat zou bijvoorbeeld ingevoerd kunnen worden bij dakkapellen aan de voorkant van een woning zoals dat nu reeds aan de achterkant al het geval is. Een ander voorbeeld is hierboven al genoemd, het minder werken met meldplichten. In deze variant zou verder de bestuurlijke ambitie ten aanzien van het Digitaal Stelsel Omgevingswet volledig ingevuld zijn.
Variant 3 - Gebruik decentrale ruimte minst gunstig In de derde variant maken overheden keuzes die qua financieel effect het minst gunstig uitvallen. Een voorbeeld van een keuze die financieel gezien ongunstig kan uitpakken, is het structureel en op grote schaal vergunningplichtig maken van zogenoemde bijbehorende bouwwerken (zoals uitbouwen of tuinschuren) die nu nog vergunningvrij zijn. In deze variant is bovendien verondersteld dat de bestuurlijke ambitie ten aanzien van het DSO niet volledig ingevuld is.
Structurele effecten De effecten zijn voor landelijk niveau berekend. De structurele effecten voor burgers, bedrijven en overheden hangen van de invulling van de decentrale beleidsruimte en de uitwerking die die invulling gaat hebben. Deze zijn met een behoorlijke bandbreedte voor de genoemde varianten berekend. In de volgende tabel zijn de verwachte jaarlijkse besparingen (of kosten) voor deze doelgroepen aangegeven. Tabel: verwachte besparingen per jaar in miljoen euro
Burgers Bedrijven Gemeenten
Variant 1
Variant 2
Variant 3
25 à 66 65 à 207 -6 à 28
112 à 302 184 à 776 -10 à 168
13 à 77 61 à 241 -34 à 26
Voor gemeenten kan dus een structureel positief totaaleffect ontstaan (tot 168 miljoen per jaar), maar ook een negatief effect (tot 34 miljoen). Als we de resultaten van de onderzoeken interpoleren voor Katwijk liggen de structurele effecten voor onze gemeente tussen 150.000 negatief en 650.000 positief. Incidentele effecten voor de gemeente Het onderzoek gaat ook in op de incidentele effecten voor de gemeenten. De gemeentelijke investeringen voor invoering en de transitie worden geraamd op 1,0 tot 1,6 miljard, waarvan ca. 80% aan invoeringskosten (tot 2022)
4/6
Ons kenmerk
en 20% aan transitiekosten vanaf 2022. Omgerekend naar de situatie van de gemeente Katwijk zou dit een totaal bedrag betekenen tussen de 4 en 6 miljoen euro. Consultatie De koepels consulteren de komende weken hun achterban en er wordt gewerkt aan een gezamenlijke bestuurlijke waardering van het Integraal Financieel Beeld door het Rijk en de koepels. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is naar aanleiding van de motie ‘Budgetneutrale Overgang naar Omgevingswet’ (VNG-ALV van afgelopen september), een consultatie gestart in het gemeentelijk domein. De consultatie liep tot 2 april. De gemeente Katwijk heeft daar actief aan deelgenomen. Daarbij hebben we onder meer aangegeven dat het ‘verdienmodel’ van de Omgevingswet te sterk afhankelijk is van de lokale keuzes, waarbij de berekende meest vergaande lijn in de meeste gevallen nauwelijks realistisch is. De invoeringskosten zijn aanzienlijk en aan transitiekosten zullen de komende jaren nog extra middelen moeten worden besteed. Samen met de VNG zijn we van mening dat de transitiekosten ook nog niet volledig zijn meegenomen. Zo is er in de onderzoeken geen rekening gehouden met het feit dat men gedurende de transitieperiode twee vergunningenregimes heeft lopen. Eventuele voordelen doen zich pas na geruime tijd voor en uitgaande van een gemiddelde opbrengst zal het lang duren voordat de investering is terugverdiend.
Daarom hebben we nogmaals een tegemoetkoming in de incidentele kosten bepleit. De Minister zal de uitkomsten van de consultatie in de loop van april aan de Kamer toesturen. Relatie met de Kaderbrief Uit de landelijke financiële discussies blijkt dat er ook na de invoering tot het einde van de transitieperiode in 2029 de nodige extra (financiële) inspanning van gemeenten wordt gevraagd. In de Kaderbrief zullen we terugkomen op wat dit betekent voor onze gemeentelijke begroting de komende jaren. Daarbij zullen we ook ingaan op de effecten van de Wet Kwaliteitsborging (Wkb), die gelijktijdig met de Omgevingswet in werking zal treden.
3.
Zicht op de effecten
Zoals aangegeven hangen de structurele directe effecten sterk af van de wijze waarop de gemeente gebruik maakt van de extra decentrale ruimte en keuzemogelijkheden die de Omgevingswet biedt. Een gesprek met uw raad over deze ruimte en de keuzemogelijkheden wordt daarom echt belangrijk. Echte keuzes komen uiteindelijk op gebiedsniveau aan de orde als we aan de slag gaan met het Omgevingsplan. We vragen echter op korte termijn wel om een eerste richting in de lijn van de door u meegegeven ambities. Structureel Effectenmodel De VNG heeft een instrument ontwikkeld, dat bij de gedachtevorming daarover kan helpen: het Structurele Effectenmodel. Het doel van dit model is inzicht te geven in keuzes omtrent de invoering van de Omgevingswet en de structurele effecten (zowel positief als negatief) voor gemeente en samenleving. Het model geeft inzicht in de richting van de effecten, maar kwantificeert die niet. Met het model kunnen we niet kiezen, maar krijgen we wel inzicht. Recent heeft er onder professionele ondersteuning een ambtelijke sessie plaatsgevonden over de werking van het model. Op basis van deze sessie werken we enkele voorbeelden uit. Met die voorbeelden zullen we het model ook als college ondervinden.
Graag bieden wij u aan om u op 29 april (onder voorbehoud) in een extra raadsessie op een soortgelijke wijze mee te nemen om zo een beeld te vormen van hoe de extra decentrale ruimte en keuzemogelijkheden die de Omgevingswet biedt en de structurele directe financiële effecten van elkaar afhangen. Het gaat hierbij dus niet om het maken van deze keuzes, maar om het bespreken van de principes erachter. Transitiedocument Omgevingsplan
5/6
Ons kenmerk
De structurele effecten van de Omgevingswet zijn afhankelijk van de strategische keuzes voor het omgevingsplan en de strategie- en scenariobepaling van vergunningverlening. Een aantal keuzeopties is tevens opgenomen in het Transitiedocument Omgevingsplan, dat op korte termijn aan uw raad gepresenteerd zal worden. Overigens ook in dit geval niet om deze keuzes al te maken, maar vooral om richting mee te geven voor als we aan de slag gaan met het omgevingsplan. In de aanloop naar dit document, is het van belang dat uw raad geïnformeerd wordt over de principes van de genoemde keuzes. Ook deze keuzes zullen ter sprake komen tijdens de informatieve sessie die wij u willen aanbieden. Daarna kunt u concluderen of u een volledig genoeg beeld heeft kunnen vormen om een weloverwogen uitspraak te doen over de te volgen richting.
4.
Planning besluitvorming 2021
Inmiddels werken we hard door aan de implementatie van de Omgevingswet, rekening houdend met de invoering per 1 januari 2022. We verwachten daarvoor bij uw raad conform de planning die we eerder met u deelden op korte en middellange termijn nog een aantal voorstellen voor te leggen. Deze zijn in de volgende tabel aangegeven. Voorstel VOOR DE ZOMER 1 Omgevingswet-proof participatiebeleid 2 Lijst met categorieën gevallen waarvoor het adviesrecht van uw raad geldt (alsmede de participatieverplichting en de uitgebreide procedure) 3 Transitiedocument omgevingsplan (waarin ook stil wordt gestaan bij de wijze waarop de gemeente gebruik kan maken van de extra decentrale ruimte en keuzemogelijkheden die de Omgevingswet biedt) 4 Verordening en het reglement voor de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit 5 Beschouwingen op de mogelijke (structurele) effecten van de Omgevingswet voor Katwijk NA DE ZOMER 6 Raadsmonitor Omgevingswet 7 Benoemingsbesluiten voor de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit 8 Aanpassingen welstandsproces 9 Transitieplan voor de transitieperiode (2022-2029) 10 Legesverordening en de mandatering 11 Financiële arrangementen met de uitvoeringsdiensten (ODWH)
Besluitvorming ter vaststelling, mei ter vaststelling, mei
nog informatief, mede als opmaat voor het transitieplan (na de zomer), juli ter vaststelling, juli informatief, mede ter voorbereiding en ter nadere toelichting op de Kaderbrief, juli Informatief, oktober ter vaststelling, oktober Informatief, november ter vaststelling, december ter vaststelling, december ter vaststelling, december
Mocht na behandeling in de Eerste Kamer blijken dat de Omgevingswet alsnog op een later moment inwerking zal treden, dan zullen we aangeven wat dit voor deze planning kan betekenen.
5.
De afronding van het Programma Implementatie Omgevingswet
Onze inspanningen zijn erop gericht dat we op 1 januari 2022 klaar zijn voor de invoering van de Omgevingswet en aan de door het Rijk gestelde eisen kunnen voldoen. We liggen nog op schema. We zijn inmiddels aangesloten op het
6/6
Ons kenmerk
DSO en zullen de komende maanden de nieuwe processen en systemen inrichten en ermee gaan oefenen. Ook zullen we Katwijkse inwoners en ondernemers via een uitgebreide communicatiecampagne meenemen. Uitgangspunt voor de verdere invoering is dat we de programmatische aanpak van de afgelopen jaren afbouwen en in de komende maanden de gemeentelijke organisatie verder ‘Omgevingswetklaar’ maken, zodat vanaf de datum van inwerkingtreding de verdere implementatie vanuit ‘de lijn’ kan worden uitgevoerd.
Tenslotte Mochten er zich tijdens het lezen van deze brief vragen bij u opdringen, kunnen we daarop ingaan tijdens de aangekondigde sessie op 29 april (onder voorbehoud). In deze sessie zullen wij zoals aangegeven dieper ingaan op de decentrale ruimte en keuzemogelijkheden die de Omgevingswet biedt en de structurele directe financiële effecten die hiervan afhangen. U kunt in deze sessie tevens met uw vragen terecht bij een aantal inhoudelijke experts. Wij vertrouwen erop u voor dit moment voldoende geïnformeerd te hebben. Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Katwijk, de secretaris, de burgemeester,
mr. drs. R.T. Jie Sam Foek
ir. C.L. Visser
> Retouradres Postbus 20011 2500 EA Den Haag
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der StatenGeneraal Postbus 20017 2500 EA Den Haag
Turfmarkt 147 Den Haag Postbus 20011 2500 EA Den Haag Kenmerk 2021-0000107082 Uw kenmerk 166597.14u Bijlage(n) 1
Datum
26 februari 2021
Betreft
Beantwoording commissiebrief inzake uitwerking roadmap Route2022
In januari van dit jaar beantwoordde ik diverse vragen van leden van uw commissies over de voortgang van de implementatie van de Omgevingswet. Een aantal van uw vragen had betrekking op het kritieke pad richting de datum van inwerkingtreding. Op 12 februari 2021 heeft u mij gevraagd om de uitwerking van de roadmap Route2022 waarmee ik invulling geef aan het kritieke pad met u te delen. In deze brief geef ik u deze uitwerking. In de planning van een project ontstaat een kritiek pad als sommige van de uit te voeren activiteiten of taken van andere activiteiten afhankelijk zijn. Bijvoorbeeld omdat de ene activiteit pas kan starten nadat een andere activiteit is voltooid. In de roadmap Route2022 zijn de activiteiten die nodig zijn voor de stelselherziening in beeld gebracht. Deze roadmap bevat alle activiteiten van alle betrokken partijen (meer dan 500 verschillende organisaties waaronder gemeenten, provincies, waterschappen, rijkspartijen en softwareleveranciers) die bijdragen aan de vijf minimale criteria die bepalend zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor het kritieke pad heb ik uit deze roadmap de cruciale activiteiten voor het realiseren van deze minimale criteria bepaald en schematisch weergegeven (zie bijlage 1). De roadmap Route2022 vormt immers de gezamenlijke leidraad voor de implementatie van de Omgevingswet.
1 Daarbij heb ik verschillende sporen die te onderscheiden zijn voor elk minimaal criterium en bepalend zijn voor het kritieke pad schematisch weergegeven: 1. 2. 3.
Het spoor van de landelijke voorziening van het DSO (DSO-LV) Het spoor van de software van de softwareleveranciers Het spoor van de bevoegde gezagen
Deze sporen lopen niet volgtijdelijk in elkaar over maar vertonen overlap in de tijd. Na oplevering van een onderdeel van DSO-LV en soms zelf al vooruitlopend hierop, gaat een leverancier aan de slag om hier software voor te ontwikkelen. 1 https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/implementatie/implementatie-
wet/routeplanners/gezamenlijke-route-2022/
Pagina 1 van 5
Kenmerk 2021-0000107082
Vervolgens wordt het bevoegd gezag aangesloten met deze software. Dit is een iteratief proces waarbij de softwareleverancier bijvoorbeeld kan ontdekken dat een bepaalde functionaliteit van het DSO-LV in combinatie met de eigen software en lokale instrumenten nog niet goed werkt. Dat vraagt dan om aanpassing aan een of meerdere kanten. Ook kan blijken dat de ontwikkelde software niet goed werkt bij het aangesloten bevoegd gezag. Het oplossen van dit soort knelpunten in de keten is daarmee een gezamenlijke opgave. Inzet is hierbij steeds dat de inwerkingtredingsdatum 1 januari 2022 is. Daarmee volg ik het BIT-advies om alle aandacht te richten op de inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2022 en hieraan vast te houden. Het BIT adviseert ook dat als blijkt dat de werking van onderdelen van het DSO nog onvoldoende zeker is, hier tijdelijke alternatieve oplossingen voor te bieden, met als doel om per 1 januari 2022 gebruikers zo veel mogelijk werkende functionaliteit te bieden en de overige delen gefaseerd in werking te stellen ná inwerkingtreding van de wet. Zoals in mijn reactie op het BIT-advies vermeld is, zal ik in april 2021 een eerste weging maken op welke onderdelen dit aan de orde kan zijn. Vervolgens volgt per criterium een nadere operationalisatie van de maatregelen.
Mocht blijken dat de werking van de keten of voortgang bij een individueel bevoegd gezag te onzeker is, dan is het noodzakelijk ook een alternatieve route open te stellen waarmee het mogelijk blijft aan de minimale criteria te voldoen. Ik ben per criterium aan het voorbereiden in overleg met alle partners welke maatregelen dat kunnen zijn. De inzet blijft direct gebruik te maken van de hoofdroute. Ik heb in navolging van het BIT-advies dus voor deze vijf minimale criteria en onderliggende mijlpalen bekeken wanneer bepaald moet worden of er aanleiding is een tijdelijke, alternatieve route open te stellen omdat met de oorspronkelijke planning de inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2022 niet geheel haalbaar is. Dat vormt het kritieke pad zoals schematisch weergegeven in bijlage 1. Uit het schema blijkt dat dit voorjaar bepaald zal worden of en welke alternatieve routes landelijk en lokaal worden ingezet. Of het noodzakelijk is een alternatieve route te ontwikkelen, bepaal ik samen met de koepels op basis van de voortgang van de implementatie. Ik loop daar in deze brief niet op vooruit maar zal u daar uiteraard over informeren. De afgelopen jaren heb ik u steeds bericht over de voortgang op de vijf minimale criteria.
In mijn laatste voortgangsbrief van 13 november 2020 concludeerde ik dat alle bevoegde gezagen toewerken naar de inwerkingtreding per 1 januari 2022 en dat het haalbaar is om de vijf minimale eisen voor deze datum voor te bereiden.2 In mijn volgende voortgangsbrief die u eind maart ontvangt, zal ik ingaan op de laatste stand van zaken van de vijf minimale criteria.3 Daarnaast bericht ik u elke maand over de voortgang van de aansluitingen op het DSO-LV.4 2 Kamerstukken I, 2020/21, 33118, BK
3 Kamerstukken I, 2020/21, 33118, BG
Pagina 5 van 5
Kenmerk 2021-0000107082
Dat ik samen met de bestuurlijke partners mogelijke alternatieve routes voorbereid, betekent niet bij voorbaat dat het nodig is die in te zetten. Ik doe dat om goed voorbereid te zijn en snel een alternatief te kunnen bieden voor de implementatie richting inwerkingtreding. Daarmee geef ik invulling aan het BITadvies om te kijken naar tijdelijke alternatieve maatregelen voor onderdelen met als doel om per 1 januari 2022 gebruikers zo veel mogelijk werkende functionaliteit te bieden. Hieronder beschrijf ik voor de vijf minimale criteria wat de hoofdroute is en wanneer er bepaald moet worden of en zo ja welke tijdelijke alternatieve maatregel kan worden ingezet.
1. Omgevingsvisies van provincies en Rijk Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben alle provincies en het Rijk een vastgestelde Omgevingsvisie die via de geldende standaarden is ontsloten in de landelijke voorziening van DSO. Omgevingsvisies worden via de STOP-TPOD standaard in het DSO ontsloten. Voor Omgevingsvisies is de mogelijkheid gecreëerd om deze visies ook via de huidige voorzieningen (ruimtelijkeplannen.nl) te publiceren waarmee ze vervolgens via de overbruggingsfunctie in het DSO zichtbaar gemaakt worden. Voor dit criterium is een tijdelijke alternatieve maatregel dus al beschikbaar.
2. Omgevingsverordening van provincies Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben provincies een vastgestelde omgevingsverordening die via de geldende standaarden is ontsloten via de landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB) en het DSOLV. Om de ontwerpverordening via DSO te publiceren moet deze functionaliteit per 1 april 2021 gereed zijn. In een aantal provincies is de procedure al eerder gestart en daarom kiezen zij voor de alternatieve route via de huidige standaard (IMRO). Deze route staat, naast de mogelijkheid van publiceren via DSO-LV, ook open voor de andere provincies. In april zal duidelijk worden of provincies die hun ontwerpverordening nog niet gepubliceerd hebben, dat in het DSO gaan doen of via een alternatieve route. Op 1 januari 2022 moeten alle provincies hun vastgestelde verordening kunnen publiceren in het DSO-LV. Het kan noodzakelijk zijn hier een tijdelijke alternatieve maatregel voor te ontwikkelen en in te zetten.
3. Provincies, waterschappen en Rijkspartijen kunnen werken met het projectbesluit 4 Kamerstukken I 2020/21, 33118, BU
Pagina 5 van 5
Kenmerk 2021-0000107082
Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet moeten provincies, waterschappen en rijkspartijen projectbesluiten vaststellen conform de eisen van de Omgevingswet (Besluit kwaliteit leefomgeving hoofdstuk 9). Tijdens de overgangsfase hoeft het projectbesluit het omgevingsplan niet te wijzigen. In mei zal duidelijk zijn of alle partijen (Rijk, provincie en waterschappen) in staat zijn een projectbesluit vast te stellen. Indien dat niet het geval is, wordt een tijdelijke alternatieve maatregel ingezet.
4. Gemeenten kunnen omgevingsplan wijzigen Wanneer een gemeente een omgevingsplan wil wijzigen, stelt zij deze wijziging vast conform de eisen van de Omgevingswet. Dat betekent: het gewijzigde deel voldoet aan de provinciale instructieregels en de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De wijziging van het omgevingsplan wordt met de geldende STOP-standaard ontsloten in LVBB en DSO-LV. Gemeenten hebben tot 2029 de tijd om tot een volledig omgevingsplan te komen volgens de eisen van de Omgevingswet. Bij inwerkingtreding hebben alle gemeenten een omgevingsplan van rechtswege. Dat bestaat ondermeer uit de huidige bestemmingsplannen, andere ruimtelijke regelingen en de bruidsschat. Via de overbruggingsfunctie worden de bestemmingsplannen en andere ruimtelijke regelingen (uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan) ontsloten in het DSO-LV. Vanaf de datum van inwerkingtreding moeten gemeenten die dat willen in staat zijn het omgevingsplan te wijzigen, bijvoorbeeld om de bruidsschat op onderdelen aan te passen of om een voorbereidingsbesluit te nemen en bekend te maken of een gebiedsontwikkeling mogelijk te maken. Een gemeente die een omgevingsplan wil wijzigingen kan een besluit tot wijziging voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet al voorbereiden.
Gemeenten kunnen sommige nieuwe ontwikkelingen ook initiëren met verlening van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. Vanaf inwerkingtreding is het mogelijk om deze vergunningprocedure te doorlopen. Deze route is bruikbaar voor ontwikkelingen zolang het daarvoor niet nodig is om bestaande ruimtelijke mogelijkheden in het omgevingsplan weg te nemen. Voor die laatste categorie – aanpassing van de bestaande mogelijkheden – is een wijziging van het omgevingsplan geschikter. Ook omvangrijke gebiedsontwikkeling of complexe inpassingen, zoals de woningbouwopgave, vragen om een wijziging van het omgevingsplan. Vooruitlopend op de inwerkingtreding moeten gemeenten planvorming voor urgente gebiedsontwikkeling op kunnen starten en overige aanpassingen aan het omgevingsplan kunnen voorbereiden. Gezien de doorlooptijd van dit soort planvormingsprocessen betekent dit dat uiterlijk in april duidelijk moet zijn of en welke tijdelijke alternatieve maatregelen in kunnen worden gezet, om wijzigingen van het omgevingsplan waaronder de continuïteit van planvormingsprocessen voor gebiedsontwikkeling in gemeenten vanaf 1 januari 2022 te borgen. De mogelijke opties voor deze tijdelijke maatregelen worden op dit moment al voorbereid samen met de bestuurlijke partners. Inzet is deze tijdelijke maatregelen zo snel mogelijk bekend te maken zodat gemeenten hiermee kunnen gaan werken.
Pagina 5 van 5
Kenmerk 2021-0000107082
5. Vergunningen en meldingen ontvangen en behandelen Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is het bevoegd gezag (en/of uitvoeringsorganisatie) in staat om conform de geldende standaard een aanvraag of melding vanuit de landelijke voorziening van het DSO te ontvangen en deze conform de eisen van de Omgevingswet af te handelen. Burgers en bedrijven moeten vanaf de datum van inwerkingtreding in staat zijn bij alle bevoegd gezagen vergunningen aan te vragen en meldingen te doen. Vooruitlopend daarop moet bepaald worden of alle bevoegd gezagen en behandeldiensten in staat zijn aanvragen voor vergunningen en meldingen vanuit het DSO-LV te kunnen ontvangen en verwerken. Dit voorjaar zal duidelijk worden of het nodig is hiertoe tijdelijke alternatieve maatregelen te nemen. Vervolgens zal steeds per bevoegd gezag gekeken moeten worden welke maatregel kan worden ingezet. Inzet is om in juli een aantal alternatieve maatregelen uitgewerkt te hebben. Ik zal u over de eventuele inzet van tijdelijke alternatieve maatregelen informeren. Met deze uitwerking van de roadmap Route2022 en het bepalen van de besluitvormings- en startmomenten voor het inzetten van tijdelijke alternatieve maatregelen, werk ik samen met mijn bestuurlijke partners toe naar een robuuste en verantwoorde inwerkingtreding op 1 januari 2022.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
drs. K.H. Ollongren
Pagina 5 van 5
> Retouradres Postbus 20011 2500 EA Den Haag
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Turfmarkt 147 Den Haag Postbus 20011 2500 EA Den Haag Kenmerk 2021-0000140429
Datum
12 maart 2021
Betreft
Integraal Financieel Beeld van de stelselherziening Omgevingswet
In mijn brief van 5 februari jl. heb ik u geïnformeerd over de deelonderzoeken die worden uitgevoerd ten behoeve van het Integraal Financieel Beeld van de stelselherziening Omgevingswet (zowel de wet- en regelgeving als het digitaal stelsel).1 Vooruitlopend op de uitkomsten van de deelonderzoeken naar de structurele effecten zond ik u op die datum al het onderzoek naar de eenmalige transitiekosten. Ik gaf daarbij aan dat deze eenmalige kosten moeten worden bezien in het licht van de verwachte structurele financiële effecten die in andere deelonderzoeken worden onderzocht. Inmiddels zijn alle deelonderzoeken afgerond en is het Integraal Financieel Beeld opgesteld. De betreffende onderzoeken zoals ik u die heb aangekondigd in mijn brief van 23 oktober 2020 en het daaruit gevormde Integraal Beeld bied ik u bijgaand aan.2 De komende weken consulteren de koepels hun achterban en wordt er gewerkt aan een gezamenlijke bestuurlijke waardering van het Integraal Financieel Beeld door het Rijk en de koepels. Deze zal ik u in de loop van april toesturen. Vooruitlopend hierop ontvangt u hierbij reeds het Integraal Financieel Beeld en de onlangs afgeronde deelonderzoeken. Het Integraal Financieel Beeld brengt de eenmalige en structurele directe financiële effecten voor burgers, bedrijven en de (mede)overheden in beeld op basis van de op dit moment beschikbare informatie.
Het vormt de start van een zorgvuldig monitoringsproces richting de drie interbestuurlijk afgesproken financiële evaluaties van de stelselherziening in 2022, 2023 en 2027. Het integrale beeld kan daarmee gezien worden als een soort nulmeting. Bovendien kunnen bij deze evaluaties lessen getrokken worden uit de thans verrichte onderzoeken om ervoor te zorgen dat bandbreedtes worden verkleind en cijfers zo realistisch mogelijk zijn. De drie evaluaties bieden de basis om stil te staan bij de vraag of voldaan wordt aan het uitgangspunt in het Financieel Akkoord van 2016 dat partijen in financiële zin niet beter hoeven te worden van de invoering van de stelselherziening, maar er ook niet financieel op achteruit hoeven te gaan. Tevens is interbestuurlijk afgesproken dat in 2022 samen naar oplossingen wordt
1 Kamerstukken II 2020/21, 33118, 176. 2 Kamerstukken II 2020/21, 33118, 157.
Pagina 1 van 5
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
gezocht wanneer blijkt dat de transitiekosten ten gevolge van buiten de invloedssfeer van de bestuursorganen liggende factoren substantieel hoger blijken uit te vallen in relatie tot de verwachte baten. Dit ook in lijn met de moties Smeulders c.s.3 en Van Eijs4.
Kenmerk 2021-0000140429
Bij de totstandkoming van het Integraal Financieel Beeld is gebruik gemaakt van een groot aantal onafhankelijke deelonderzoeken. Dit heeft geleid tot veel kennis en nieuwe inzichten. Op basis hiervan ligt er nu een beeld van de verwachte financiële effecten. De effecten bevatten onzekerheden en bandbreedtes. Het gaat allereerst om ramingen van effecten die zich in de toekomst gaan voordoen en deze zijn per definitie onzeker. In de tweede plaats zijn er onderdelen van de stelselherziening waarvan de onderzoekers hebben aangegeven dat ze de effecten ervan niet goed in kunnen schatten. In de derde plaats geldt dat de financiële effecten ook afhangen van keuzes die de medeoverheden maken ten aanzien van de invulling van de decentrale ruimte die het nieuwe stelsel hen biedt. Structurele financiële effecten, drie varianten De stelselherziening geeft decentrale overheden meer ruimte om eigen keuzes te maken. Zo kunnen gemeenten in het omgevingsplan meer globaal gaan bestemmen, maar dat hoeft niet. Rond bouwen kan in plaats van met vergunningen met rechtstreeks bindende regels gewerkt worden, maar ook dit is een keuze van een gemeente. Gemeenten kunnen besluiten om minder met meldplichten te werken als de regels in het omgevingsplan voldoende duidelijk zijn, maar dat hoeft niet.
De structurele directe financiële effecten hangen af van de wijze waarop de decentrale overheden gebruik maken van de extra decentrale ruimte en keuzemogelijkheden die de Omgevingswet biedt. In het Integraal Financieel Beeld zijn drie varianten bekeken die verschillende besparingen opleveren. Elke variant bevat een flink aantal effecten van wijzigingen in de regelgeving, effecten die besparingen opleveren en effecten die tot extra kosten leiden. Variant 1: Wijziging Rijksregelgeving: Allereerst is gekeken naar de financiële effecten die optreden vanwege de wijzigingen in het stelsel in de ‘rijksregelgeving’ waarbij daarnaast verondersteld is dat de medeoverheden op geen enkele wijze gebruik zouden maken van de extra decentrale ruimte. Zo wordt verondersteld dat de zogenoemde bruidsschat waarmee de voormalige rijksregelgeving landt in het omgevingsplan en de waterschapsverordening niet door gemeenten en waterschappen wordt gewijzigd. In deze variant wordt er voor het DSO van uitgegaan dat de huidige dienstverlenging op zijn minst wordt gecontinueerd. Deze variant zou als een soort startvariant beschouwd kunnen worden.
3 Kamerstukken II 2020/21, 33118, 162. 4 Kamerstukken II 2020/21, 33118, 165.
Pagina 5 van 5
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
In de twee volgende varianten maken de medeoverheden maximaal gebruik van de extra decentrale ruimte die het stelsel hen biedt.
Kenmerk 2021-0000140429
Variant 2: Gebruik decentrale ruimte meest gunstig, In de tweede variant zijn de keuzes van de medeoverheden qua financieel effect het gunstigst. Een voorbeeld van een dergelijke keuze is het vervangen van de ruimtelijk toets voor bouwwerken door rechtstreeks bindende regels, zodat hiervoor geen vergunningaanvraag meer nodig is. Dat zou bijvoorbeeld ingevoerd kunnen worden bij dakkapellen aan de voorkant van een woning zoals dat nu reeds aan de achterkant al het geval is. Een ander voorbeeld is hierboven al genoemd, het minder werken met meldplichten. In deze variant zou verder de bestuurlijke ambitie ten aanzien van het Digitaal Stelsel Omgevingswet volledig ingevuld zijn. Variant 3: Gebruik decentrale ruimte minst gunstig. In de derde variant maken overheden keuzes die qua financieel effect het minst gunstig uitvallen. Een voorbeeld van een keuze die financieel gezien ongunstig kan uitpakken, is het structureel en op grote schaal (zonder bijzondere aanleiding) vergunning plichtig maken van zogenoemde bijbehorende bouwwerken (zoals uitbouwen of tuinschuren) die nu nog vergunningvrij zijn. In deze variant is bovendien verondersteld dat de bestuurlijke ambitie ten aanzien van het DSO niet volledig ingevuld is.
De besparingen ten gevolge van de stelselherziening hangen hiermee voor een belangrijk deel af van de wijze waarop medeoverheden invulling gaan geven aan de extra geboden decentrale ruimte die het stelsel hen biedt, zowel qua te bereiken doel als qua wijze van instrumentering. Hierbij is het uitgangspunt om door middel van regulering een optimale invulling te vinden die een goede bescherming van de fysieke leefomgeving oplevert en die de lasten voor burgers, bedrijven en overheden zelf zo laag mogelijk houdt. Het is daarbij niet waarschijnlijk dat het lokaal altijd mogelijk dan wel wenselijk blijkt de financieel meest voordelige optie te kiezen. Als er lokaal sprake blijkt te zijn van een afweging tussen beschermen en benutten versus de financiële positie van de overheid die deze afweging moet maken, dan moet er ruimte zijn hier een evenwichtige keuze in te maken. Structurele effecten voor burgers en bedrijven De structurele effecten voor burgers en bedrijven hangen af van de hierboven genoemde varianten. De besparing voor burgers is een bedrag van 25 à 66 miljoen euro per jaar in de variant zonder gebruik van de extra decentrale beleidsruimte, 112 à 302 miljoen euro per jaar in de gunstigste variant met gebruik van deze ruimte en tenslotte 13 à 77 miljoen euro per jaar in de minder gunstige variant.
Voor bedrijven zijn deze bedragen in dezelfde drie varianten 65 à 207 miljoen euro per jaar, 184 à 776 miljoen euro per jaar en tenslotte 61 à 241 miljoen euro per jaar.
Pagina 5 van 5
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Kenmerk 2021-0000140429
Incidentele en structurele effecten voor de (mede)overheden De hiervoor genoemde effecten voor burgers en bedrijven worden gerealiseerd doordat de overheden in het nieuwe stelsel investeren. In mijn brief van 5 februari dit jaar meldde ik u dat de eenmalige transitiekosten voor alle gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk (in hun rol als bevoegd gezag) voor de periode 2016-2029 zijn geraamd op een bedrag van 1,3 à 1,9 miljard euro. De ramingen zijn omgeven met onzekerheden. De piek van de kosten valt in de jaren 2020 en 2021. In deze periode is door alle overheden hard gewerkt aan de voorbereiding van de Omgevingswet. In de periode van 2016 tot eind 2021 zal driekwart van de kosten, ongeveer 1,2 miljard, door de ongeveer 400 bevoegde gezagen gemaakt zijn. Daarna dalen de transitiekosten. De Rijksoverheid draagt de investeringskosten van het ontwikkelen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet, het tot stand brengen van het Informatiepunt Omgevingswet en de ondersteuning van de implementatie van de wet vanuit het landelijke programma aan de slag met de Omgevingswet. Volgens het Integraal Financieel Beeld zou het over alle jaren heen kunnen gaan om een investering van ongeveer 300 mln. Het Integrale Financiële Beeld bevat ook de structurele effecten.
Deze bedragen voor de provincies, gemeenten, waterschappen en het Rijk (in haar rol als bevoegd gezag) in de drie bovengenoemde varianten gezamenlijk 2 à 43 miljoen euro besparing per jaar in de eerste variant, waarbij overheden nog geen gebruik maken van de extra decentrale ruimte. Wanneer wel gebruik wordt gemaakt van de decentrale ruimte bedragen de financiële effecten 17 à 248 miljoen euro besparing per jaar voor de variant met de meest gunstigste effecten. De effecten bedragen 34 miljoen aan extra kosten à 38 miljoen besparing per jaar voor de variant met de minst gunstige financiële effecten. Het Integraal Financieel Beeld bevat ook indicatieve terugverdientijden waarin de eenmalige transitiekosten van de medeoverheden vergeleken zijn met de mogelijke structurele financiële effecten. Als uitgegaan wordt van de hoogst mogelijke structurele effecten - voor gemeenten, provincies en waterschappen en de laagst mogelijke transitiekosten, dan komen de terugverdientijden van deze overheden uit op respectievelijk: 6 jaar voor gemeenten, 1,6 jaren voor provincies en 4 jaar voor waterschappen. De terugverdientijd wordt langer ofwel als transitiekosten niet aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen maar hoger blijken te zijn, ofwel als de structurele effecten lager blijken te zijn.
Bij gemiddelde eenmalige kosten en een gemiddelde van de structurele effecten van variant 2 en 3, berekent de in het Integraal Financieel Beeld gehanteerde methode indicatieve terugverdientijden die uitkomen op respectievelijk 19 jaren voor gemeenten, 3,6 jaren voor provincies en 9,0 jaren voor waterschappen. In het meest negatieve scenario, dat uitgaat van de hoogste eenmalige kosten en de laagste structurele effecten, is het niet mogelijk de kosten terug te verdienen.
Pagina 5 van 5
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Kenmerk 2021-0000140429
Structurele effecten voor burgers, bedrijven en overheden De structurele directe effecten voor alle partijen gezamenlijk ontstaan door de eerder genoemde effecten voor overheden en voor burgers & bedrijven samen te nemen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de hierboven genoemde derde variant de jaarlijkse besparing opgeteld 300 miljoen à 1,3 miljard bedraagt. Bij dit bedrag geldt echter de reeds eerder gemaakte kanttekening dat het niet waarschijnlijk is dat het lokaal altijd mogelijk dan wel wenselijk blijkt de financieel meest voordelige optie te kiezen. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en zorgt voor minder en overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk, betere en snellere besluitvorming en dus grote maatschappelijke baten. DSO Het Integraal Financieel Beeld gaat ook in op de kosten van het DSO. De bevindingen raken aan onzekerheden en risico’s zoals die in januari 2021 in antwoord op vragen van de leden van de Eerste Kamer5 en bij reactie op het BITadvies en de tweede Gateway Review zijn geïdentificeerd. Ik zal u hierover in de loop van april nader informeren.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
drs. K.H. Ollongren
5 Beantwoording vragen Eerste Kamer over naar aanleiding van de voortgangsbrief
Omgevingswet d.d. 13 november 2020 – 15 januari 2021, kenmerk 166597.09u.
Pagina 5 van 5