CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

E19 Voortgangverslag NWO Vindplaatsen verborgen armen mei 2022

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen Lijst Ingekomen Stukken 27 september 20223.562 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Voortgangsrapportage “Vindplaatsen verborgen armen” Mei 2022 Inleiding In september 2020 zijn we als consortium gestart met ons onderzoeks- en ontwikkelproject: Vindplaatsen verborgen armen; naar effectievere wegen om huishoudens met een laag inkomen te ondersteunen. In deze notitie informeren wij u graag over de voortgang tot mei 2022. We geven voor de duidelijkheid eerst nog een korte beschrijving van het project.

Project Naar aanleiding van een subsidieronde in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda in opdracht van het ministerie van SZW, hebben tien gemeenten (te weten Amsterdam, Amersfoort, Almere, Hoekse waard, Kapelle, Krimpenerwaard, Lelystad, Nijmegen, Schiedam en Vlaardingen) een consortium gevormd met vier kenniscentra (te weten UvA, het Nibud, INK. en de HvA) en twee samenwerkingspartners (te weten Over Rood en Stichting lezen en Schrijven) om gezamenlijk een project op te zetten om enerzijds beter te begrijpen wie deze verborgen armen zijn en waarom ze verborgen zijn en om anderzijds in gezamenlijkheid werkwijzen te ontwikkelen die gemeenten en andere relevante actoren kunnen helpen om verborgen armen te vinden, te bereiken en beter te ondersteunen. Het project heeft een looptijd van drie jaar en wordt onder leiding van de HvA uitgevoerd.

Doelstelling en onderzoeksvragen Het consortium heeft als gemeenschappelijke doelstelling geformuleerd: Het identificeren, ontwikkelen, deels implementeren en op meerwaarde beoordelen van mogelijkheden om meer huishoudens waarbinnen sprake is van verborgen armoede te bereiken met materiële en immateriële vormen van ondersteuning die deze huishoudens uiteindelijk in de gelegenheid stellen hun materiële positie zo te verbeteren. Om het doel van het project te realiseren worden drie praktijkvragen beantwoord: • Welke subgroepen verborgen, met name werkende, armen kunnen onderscheiden worden? • Welke bestaande vindplaatsen van (verborgen) armen lenen zich ervoor om op grotere schaal te worden ingezet? • Welke nieuwe vindplaatsen van (verborgen) armen kunnen worden opgezet en geïmplementeerd wanneer zij van toegevoegde waarde blijken en welke kunnen op grotere schaal worden ingezet?

Uitvoering project: twee onderzoekslijnen en twee praktijklijnen Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden en daarmee de doelstelling van het project te realiseren is het project onderverdeeld in twee onderzoekslijnen en twee praktijklijnen. De onderzoekslijnen worden door de UvA en het Nibud uitgevoerd. De praktijklijnen worden onder leiding van de HvA i.s.m. met de gemeenten uitgevoerd.

Praktijklijn 1: Beoordeling en verspreiding bestaande vindplaatsen In overleg met gemeenten zijn zeven vindplaatsen gekozen om nader onder de loep te nemen: Gemeenten Almere Amersfoort Amsterdam Krimpenerwaard Lelystad Nijmegen Lelystad/Almere

Vindplaats-initiatief Als ik later groot ben Geldcheck033 Datakoppeling Brede inloop/Welzijnspunten Money Talks Financieel Expert in de Wijk Zelfstandige Loket Flevoland (ZLF)

In september 2021 is de dataverzameling van start gegaan. Het doel hiervan is om tot een inzicht/beoordeling te komen van de werkzaamheid en effectiviteit van de geselecteerde vindplaatsen in het bereiken en ondersteunen van verborgen armen. Bij de vindplaatsen hebben we vragenlijsten afgenomen (zowel fysiek als online) en interviews gehouden. Door de lockdown is de dataverzameling echter in december tot stilstand gekomen. Op 25 januari 2022 is er een consortiumbijeenkomst geweest. Tijdens deze bijeenkomst is er door de gemeenten een aanscherping gedaan in de focus op de doelgroep; namelijk werkende armen, zelfstandigen/ondernemers en minimagezinnen. Hierdoor vallen burgers van 65+ jaar buiten onze doelgroep. Op basis van deze aanscherping in de doelgroep hebben we de beslissing genomen met welke vier initiatieven we verder gaan. Aan de hand van de vragenlijsten en/of door registratiegegevens van een aantal initiatieven kregen we namelijk een eerste indicatie of het initiatief een goede vindplaats is voor verborgen armen, met de focus op werkende armen, zelfstandigen/ondernemers of minimagezinnen. De vier geselecteerde initiatieven zijn: 1. 2. 3. 4.

Als ik later groot ben (Almere) Zelfstandigen Loket Flevoland Datakoppeling (Amsterdam) Geldcheck033 (Amersfoort)

Bij deze vier initiatieven gaan we verder met de dataverzameling en leveren we een praktijk- en implementatiebeschrijving op. Vanaf juni 2022 maken we een start met de volgende praktijklijn waarin we nieuwe vindplaatsen gaan ontwikkelen en bestaande vindplaatsen gaan doorontwikkelen. In totaal zal het om vijf vindplaatsen gaan. Binnenkort hebben we met het consortium een bijeenkomst waarin we hierin keuzes gaan maken. De keuze voor welke doelgroepen verborgen armen we nieuwe vindplaatsen gaan ontwikkelen wordt gemaakt op basis van de wensen van de gemeenten en de input uit de twee onderzoekslijnen.

Onderzoekslijn 1: Vindplaatsen verborgen armen; de werkvloer (NIBUD) Binnen het onderzoeks- en ontwikkelproject “Vindplaatsen verborgen armen”, richt het Nibud zich specifiek op de groep werkenden armen: Een belangrijke groep die door gemeenten te weinig bereikt wordt, is de groep werkende armen. Uit onderzoek van het SCP bleek dat in 2017 werkenden één derde van de totale groep arme volwassenen vormen. Iets meer dan de helft van deze groep was werkend in loondienst en een ruime 40 procent was werkend als zelfstandige. Afgezet tegen het totaal aantal werkenden in loondienst of zelfstandigen is twee procent van alle werknemers en acht procent van alle zelfstandigen arm.1 De werkplek is zodoende een belangrijke vindplaats voor verborgen armoede.

Om meer inzicht te krijgen in deze groep werkende armen en om een antwoord te vinden op de vraag waarom deze groep door gemeenten zo moeilijk wordt bereikt, voert het Nibud drie deelonderzoeken uit: 1. kwalitatief onderzoek onder werkgevers en opdrachtgevers 2. kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers

1

Hoff, van Hulst & Wildeboer Schut, 2019-

3. kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers In het hiernavolgende worden de bevindingen tot nu toe beschreven.

1. Kwalitatief onderzoek onder werkgevers en opdrachtgevers Voor dit onderdeel zijn twintig interviews gehouden onder werkgevers, arbeidsmarktintermediairs en opdrachtgevers. Er is gesproken met directeuren, leidinggevenden, HR-/P&O-adviseurs of -managers en medewerkers/ leidinggevende van de salarisadministratie. Conclusies van dit onderzoek zijn: Werknemers en zzp’ers met een inkomen onder een bepaalde inkomensgrens kunnen aanspraak maken op toeslagen van de overheid en vergoedingen vanuit hun gemeente. De meeste werkgevers in dit onderzoek geven aan dat zij hier niet (goed) van op de hoogte zijn. Positief is dat werkgevers, eenmaal op de hoogte, hun medewerkers zeker op deze mogelijkheden willen wijzen. Als het gaat om lokale tegemoetkomingen, ontvangen zij het liefst van gemeenten periodiek een overzicht van de mogelijkheden. Dit kunnen zij dan verspreiden via algemene kanalen, zodat medewerkers zelf kunnen bepalen of zij hiervan gebruik kunnen maken. Aspecten als inbreuk op de privacy of schaamte spelen dan geen rol. Maar er zijn ook werkgevers die de informatie van gemeenten juist gericht willen inzetten. Als zij de inkomensgrenzen van verschillende regelingen kennen, kunnen zij medewerkers die daarvoor in aanmerking kunnen komen hierop wijzen.

Als het gaat om direct contact met de gemeente, dan pleiten werkgevers voor één loket of één vast contactpersoon waar zijzelf, dan wel hun werknemers met financiële problemen, terecht kunnen. 2. Kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers Voor dit onderzoek is een vragenlijst uitgezet onder werknemers en zzp’ers met een inkomen lager dan 2.000 euro per maand, waarin wordt doorgevraagd naar hun financiële situatie, de bekendheid en het gebruik van inkomensondersteunende regelingen en die rol zij weggelegd zien voor hun werkgever of opdrachtgever. De vragenlijst is door 1.507 respondenten ingevuld, waarvan 942 werknemers en 565 zzp’ers. Het onderzoek leverde de volgende resultaten op: Recht op toeslagen en tegemoetkomingen: ➢ Werknemers en zzp’ers weten vaak niet of zij recht hebben op gemeentelijke tegemoetkomingen. Bijna een op de drie (31%) zegt niet zeker te weten of zij recht hebben (bij de landelijke toeslagen ligt dit op 6%). ➢ De belangrijkste reden om een voorziening niet aan te vragen, terwijl er mogelijk wel recht is, is angst om terug te moeten betalen (30%). ➢ Ook opvallend is dat 20% zegt geen geld te willen van de gemeente (tegenover 12% die aangeeft geen geld van de Belastingdienst te willen).

➢ Andere redenen om geen gemeentelijke tegemoetkomingen aan te vragen zijn: “niet nodig (ik kan rondkomen)”, “schaamte”, “slechte ervaringen in het verleden”, “ik had geen idee dat dit bestond”. ➢ Als het gaat om landelijke toeslagen weet een kleine meerderheid (55%) dat er recht is op deze toeslagen. Ook hier speelt angst om terug te betalen de grootste rol in het niet aanvragen terwijl er mogelijk wel recht is (43%). Uitkomsten over rondkomen en rol van de werkgever: ➢ Een vijfde van de respondenten kan moeilijk tot erg moeilijk rondkomen van hun inkomen. ➢ De meerderheid (77%) zegt geen contact te zoeken met de werkgever bij financiële zorgen. Echter, op de vraag of zij hier wel voor open zouden staat reageert de meerderheid (57%) positief. Ook hier lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat gemeenten en werkgevers/ opdrachtgevers de handen ineen moeten slaan. Werkgevers/ opdrachtgevers zouden informatie vanuit de gemeente kunnen verspreiden onder hun medewerkers die laagbetaald of onzeker werk verrichten. Door deze informatie via algemene kanalen ter beschikking te stellen, bijvoorbeeld via het intranet of een prikbord, wordt niet direct zichtbaar wie van de mogelijkheid tot inkomensondersteuning gebruik wil maken en blijft de privacy gewaarborgd.

Tegelijkertijd kunnen gemeenten hierdoor doelgerichter communiceren, specifiek gericht op werkende armen. De misvatting die nog wel eens de ronde doet, namelijk dat gemeentelijke ondersteuning alleen bedoeld is voor mensen die een uitkering ontvangen, kan hiermee ook ontkracht worden. 3. kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers Via de vragenlijsten van het kwantitatief onderzoek, zijn respondenten benaderd voor verdiepende interviews. De interviews hebben inmiddels allemaal plaatsgevonden. In totaal zijn er 28 respondenten geïnterviewd: • • • •

18 vrouwen 10 mannen 13 werkend in loondienst 15 werkzaam als zzp’er

De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn: ➢

Werkenden met een laag inkomen zijn niet altijd op de hoogte van tegemoetkomingen of denken dat deze niet voor hun bedoeld zijn.

Als werkenden de regelingen wel kennen en ook weten dat zij daarvoor in aanmerking komen, zijn er redenen waarom zij bewust geen gebruik maken van gemeentelijke ondersteuning: ➢ ➢

Slechte ervaringen en schaamte weerhouden mensen van het aanvragen van tegemoetkomingen Complexiteit en angst om terug te moeten betalen zijn ook redenen voor bewust niet-gebruik

Het aanbod aan (inkomens)ondersteuning past niet altijd bij de situatie van werkenden: ➢ ➢ ➢

Tegemoetkomingen zijn te specifiek, gericht op activiteiten waar mensen niet op zitten te wachten. Mensen hebben geld nodig om “hun eigen ding te kunnen doen”. Hierop aansluitend zien mensen dat gemeenten vaak vooral regelingen voor kinderen hebben. Huishoudens zonder kinderen zullen zich dan niet snel tot de gemeente wenden. Ten slotte is eigenwoningbezit vaak een hobbel. Dit wordt door mensen als onrechtvaardig beschouwd en ook niet meer van deze tijd. Het is ook niet logisch: als er veel overwaarde op de woning zit, maar de inkomsten zijn laag, dan is er geen recht op inkomensondersteuning. Verkoop je je huis en eet je de opbrengst op, dan is dat recht er wel. Maar dan gaat er een fors bedrag per maand naar de huur en zal het beroep op de gemeente alleen maar groter worden. Uiteindelijk is dit zowel voor de inwoner als voor de gemeente een minder gunstige uitkomst.

Kortom, werkenden voelen zich vaak niet aangesproken door gemeenten: de gemeente is niet de eerste instantie waar zij aan denken als het gaat om financiële ondersteuning, zij denken niet onder de doelgroep van de gemeente te vallen, het aanbod sluit niet aan bij wat zij nodig hebben, etc. Het is zaak om juist hier verandering in te brengen. Dit kan langs verschillende wegen. Betere afstemming van de communicatie op de leefwereld van werkenden Werkende armen weten niet altijd dat gemeentelijke voorzieningen ook voor hen bedoeld zijn. Om deze groep beter te bereiken kan in eerste instantie gedacht worden aan een andere toon in de communicatie, die beter is afgestemd op de leefwereld van die werkenden. Denk bijvoorbeeld aan een ondernemer die graag zelf zijn zaakjes regelt. Hulp kan dan als betuttelend worden ervaren. Ook worden werkende armen niet altijd bereikt door de huidige communicatiekanalen. Gemeenten zouden daarom op zoek moeten naar andere manieren om specifieke groepen te bereiken. Zzp’ers zouden bijvoorbeeld geïnformeerd kunnen worden via de website van de Kamer van Koophandel en flexwerkers via uitzendorganisaties.

Betere aansluiting van het aanbod

Veel geïnterviewden geven aan dat zij wel weten dat de gemeenten voorzieningen hebben voor mensen met een laag inkomen, maar dat dit vooral gaat om activiteiten waar zij niet op zitten te wachten. Voor zzp’ers die elke opdracht moeten aanpakken die zij aangeboden krijgen is bijvoorbeeld een vaste sportavond lastig in te plannen. Er is behoefte aan meer vrijheid als het gaat om besteding van de beschikbare middelen. Gemeenten mogen niet aan ongerichte inkomensvoorziening doen. Wel zouden gemeenten kunnen verkennen hoe ze hun aanbod flexibeler kunnen maken zodat het beter aansluit bij de mogelijkheden van de diverse doelgroepen. Meer mogelijkheden voor inwoners met een onzeker inkomen Mensen met wisselende inkomsten, zoals zzp’ers en flexwerkers, hebben vaak het gevoel dat zij geen aanspraak kunnen maken op gemeentelijke voorzieningen. Dit komt ook doordat er vaak gevraagd wordt om een schatting van het inkomen voor een heel jaar te geven. Dit is voor zzp’ers of mensen met een flexibel dienstverband vaak erg lastig. Bij een te lage schatting bestaat het risico dat mensen terug moeten gaan betalen, een te hoge schatting kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag terwijl daar (achteraf gezien) wel recht op was.

Een helder overzicht van regelingen en voorwaarden gecombineerd met een eenvoudige aanvraagprocedure Een ander aspect dat in de interviews naar voren kwam, is dat gemeentelijke regelingen divers zijn en dat een duidelijk overzicht ontbreekt. Ook de voorwaarden zijn niet altijd duidelijk en al helemaal niet als die voorwaarden per regeling verschillend zijn. Zo is meerdere malen genoemd dat een afwijzing op een aanvraag voor kwijtschelding van lokale lasten door mensen met een inkomen (net) boven bijstandsniveau werd opgevat als een afwijzing voor alle gemeentelijke regelingen. Gemeenten zouden duidelijk moeten maken dat dit niet altijd het geval is. Dit kan specifiek door bij een afwijzing van de kwijtschelding inwoners te attenderen op (minima)regelingen die een hogere inkomensgrens kennen. Wanneer (werkende) inwoners eenmaal helder hebben voor welke regelingen zij in aanmerking komen, moet het ook gemakkelijk zijn om de betreffende regeling aan te vragen. In de interviews is meerdere keren aangegeven dat een online aanvraagprocedure goed zou werken. Mensen hoeven dan geen afspraak te maken met de gemeente (zij werken overdag) en bovendien kan een gevoel van schaamte hiermee worden verminderd: het is voor werkenden soms lastig om toe te geven dat zij, ondanks hun inspanningen, te weinig verdienen om goed rond te kunnen komen.

Een beter imago van de gemeente In dit onderzoek zagen we bij veel werkende armen een mentaliteit van “ik red het zelf wel”. Een dergelijke mentaliteit maakt het nóg lastiger om inkomensondersteuning aan te vragen. Het is goed om hier als gemeente bewust van te zijn. Iemand die het al lastig vindt om hulp te vragen én die het gevoel heeft terecht te worden gewezen, zal niet snel opnieuw een aanvraag indienen. Ook als dit gevoel niet terecht is. Een gemeente heeft nu eenmaal de taak goed te onderzoeken of er daadwerkelijk recht is op een voorziening en dit betekent dat de aanvrager een aantal zaken zal moeten verantwoorden. Het is de kunst hier die juiste balans in te vinden. Nu het politiek klimaat wat meer opschuift van ‘toetsen op rechtmatigheid’ richting ‘uitgaan van vertrouwen’, ligt hier een kans om ook de groep werkende armen beter te bereiken. De resultaten uit deze deelonderzoeken helpen bij het verdere verloop van het project gericht op het identificeren van vindplaatsen van mensen die leven in verborgen armoede om zo gemeenten en andere relevante actoren te helpen bij het verminderen van die verborgen armoede.

Onderzoekslijn 2: Omvang, kenmerken, locaties en dynamiek verborgen armen (UvA) Het onderzoeksdeel van de UvA richt zich op de omvang, kenmerken, locaties en dynamiek van verborgen armen. Hiervoor worden kwantitatieve analyses uitgevoerd op Microdata van het CBS, verrijkt met gegevens van de deelnemende gemeenten over het gebruik van gemeentelijke voorzieningen. Dit onderzoek valt uiteen in drie deelonderzoeken: 1. kwantitatief onderzoek naar de omvang en demografische kenmerken van verborgen armoede; 2. analyse van de arbeidsmarktpositie van verborgen armen; 3. kwantitatief onderzoek naar de duurzaamheid van verborgen armoede door de groep verborgen armen gedurende vijf opeenvolgende jaren te volgen. Hieronder worden de bevindingen tot nu toe samenvattend beschreven; deze hebben betrekking op deelonderzoek 1 en 2. De volledige rapportages van deze deelonderzoeken volgen nog.

1. kwantitatief onderzoek naar de omvang en demografische kenmerken van verborgen armoede Voor dit onderdeel worden microdata van het CBS geanalyseerd waarbij gebruik wordt gemaakt van ‘Inkomen van personen’ (INPATAB) en ‘Inkomen van huishoudens’ (INHATAB), die informatie over de inkomens van alle ingezetenen in Nederland en van hun huishoudens omvatten. Daarnaast worden gegevens van de gemeenten gekoppeld over ingezetenen die gebruikmaken van de gemeentelijke voorzieningen voor armen (inclusief kwijtschelding) waardoor nauwkeurig wordt vastgesteld welk deel van de armen niet bekend is bij de gemeente en dus in strikte zin ‘verborgen’ is. In dit onderzoek kijken we naar de omvang en trends in (langdurige) armoede en (langdurig) verborgen armoede en demografische kenmerken van de verborgen armen (huishoudenssamenstelling, leeftijd, migratieachtergrond en woonlocaties). In de rapportage focussen we op het beleidsmatige grens/ sociaal minimum (101% en 120%), omdat gemeentelijk armoedebeleid veelal op het beleidsmatig of sociaal minimum geënt is. Op hoofdlijnen vergelijken we deze grens met andere armoedegrenzen. Het beleidsmatig/ sociaal minimum van 101% (b)lijkt de meest ‘strikte’ opvatting van (langdurige) armoede te vormen – strikter dan de lage-inkomensgrens van het CBS en de Europese armoedegrens.

Conclusies van dit onderzoek zijn: Volgens de huidige afbakening had in 2018 6,9% van de huishoudens een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% (11,8% bij 120%). Een aandeel van 2,5% van de huishoudens had een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% én was onbekend bij gemeenten (respectievelijk 4,7% bij 120%). Als we de trends over de tijd bekijken tussen 20112018, dan valt op dat armoede de piek bereikt in 2013-2014 en daarna afneemt. Ongeacht de gekozen armoedegrens piekt verborgen armoede net iets eerder, namelijk in 2012-2013. Het verborgen langdurig armoederisico neemt in recente jaren overigens niet af, maar blijft redelijk constant. Uit de analyses naar demografische kenmerken (zoals huishoudenssamenstelling, leeftijd, migratieachtergrond) van armoede en verborgen armoede komt naar voren dat (verborgen) armoede relatief hoog is onder eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen en eenpersoonshuishoudens. Zaken die opvallen zijn bijvoorbeeld dat tussen de 15 en 29 jaar het aandeel armen in de bevolking weliswaar relatief laag is, maar het aandeel verborgen armen in deze groep relatief groot. Als het gaat om migratieachtergrond dan valt bijvoorbeeld op dat het aandeel verborgen armen relatief groot is bij huishoudens met Oost-Europese herkomst.

Hoewel armoede relatief groot is onder huishoudens van wie de hoofdkostwinner een migratieachtergrond heeft vanuit de zogenaamde vluchtelingengroepen, zijn deze groepen in zeer geringe mate verborgen voor gemeenten. Als we kijken naar woonlocaties dan valt op dat de gemeenten met een hoog armoederisico niet altijd samenvallen met de gemeenten met een hoog aandeel verborgen armen. Een aantal gemeenten in Limburg (zoals Vaals) lijkt bijvoorbeeld een relatief hoog verborgen armoederisico te hebben. Als we het aantal verborgen armen afzetten tegen het totaal aantal armen binnen gemeenten, dan zien we dat in plaatsen als Rotterdam en Groningen een relatief groot deel van de armen bekend is bij gemeenten. Van de deelnemende gemeenten hebben de meeste gemeenten een verborgen armoederisico dat rond of onder het landelijk gemiddelde ligt; gemeenten als Nijmegen en Amsterdam hebben een verborgen armoederisico dat iets bovengemiddeld is, maar kennen tegelijkertijd de grootste correctie als het gaat om het aandeel verborgen armen na kwijtschelding en/of gemeentelijke armoederegelingen. 2. analyse van de arbeidsmarktpositie van verborgen armen In overheidsbeleid wordt betaald werk vaak gezien als de manier om uit armoede te raken. Een belangrijke aanname is dan dat werken ook loont: ook een laagbetaalde baan zou voldoende inkomen moeten opbrengen om van rond te kunnen komen.

Eerder onderzoek liet al zien dat het voorkomen van armoede onder werkenden steeg in de afgelopen jaren (SCP, CBS). De werkplek is daarmee een belangrijke mogelijke vindplaats voor verborgen armoede. Voor dit hoofdstuk worden gegevens uit de databestanden ‘inkomen van huishoudens’ (INHATAB) en ‘Inkomen van personen’ (INPATAB) gebruikt, en toegevoegd aan de ‘Enquête Beroepsbevolking’ (EBB) die gegevens over o.a. de arbeidsmarktpositie (incl. contractvorm, arbeidsduur) en het opleidingsniveau bevat. Omdat de EBB gebaseerd is op een steekproef uit de Nederlandse bevolking, kunnen hiermee alleen analyses op landelijk niveau worden gemaakt. Conclusies van dit onderzoek zijn: Uit de analyses naar arbeidsmarktpositie komt naar voren dat het armoederisico en verborgen armoederisico relatief hoog is onder zelfstandigen; dit geldt ook voor langdurig (verborgen) armoede. De analyses over de tijd voor de periode 20112018 tonen dat het aandeel verborgen armen onder werknemers is gedaald gedurende deze periode, maar onverminderd hoog is onder zelfstandigen. Verder is te zien dat er sprake is van een grote diversiteit binnen de groep werknemers en dat het (verborgen) armoederisico bijvoorbeeld relatief hoog is onder werknemers met tijdelijke contracten tot 1 jaar, oproepkrachten en werknemers zonder vaste uren.

Ook is het (verborgen) armoederisico relatief hoog onder werkenden die meerdere banen combineren.

Uit de analyses naar sectoren komt naar voren dat het aandeel armen en verborgen armen relatief hoog is onder werkenden in de sectoren ‘Horeca’ en ‘Cultuur, recreatie en overige dienstverlening’. Als het om zelfstandigen gaat is ook het aandeel (verborgen) armen in de sector ‘Openbaar bestuur en overheidsdiensten’ relatief hoog. Wanneer echter gekeken wordt naar de aantallen verborgen armen binnen de verschillende sectoren, dan verdient het aanbeveling om de aandacht ook te richten op sectoren als ‘Handel en vervoer’ en ‘Financiële en zakelijke dienstverlening’, omdat binnen deze sectoren in absolute zin meer (verborgen) armen voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11716835/1