CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

E.33a LPBL samenvatting RA Zeeland

Raadsvergadering 27 mei 2025, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen Lijst Ingekomen Stukken (LIS) en overzicht toezeggingen en moties 27 mei 20251.590 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Van:

LPBL, Merei Lubbe en Veroni Larsen

Betreft: Datum:

Belangrijkste knelpunten en oplossingsrichtingen regio-analyse Zeeland 20 november 2024

Inleiding LPBL heeft een analyse opgesteld van de provincie Zeeland, bestaand uit een kwantitatief deel (benchmark) en een inventarisatie van (knelpunten in) het huidige aanbod. De analyse is op het niveau van Zeeland als geheel, maar maakt waar nodig onderscheid tussen de drie regio’s. Zo wordt inzichtelijk waar de komende jaren de belangrijkste opgaven zitten als het gaat om de ondersteuning van (kwetsbare) jongeren in hun opleiding en richting werk. In dit memo zetten we de belangrijkste conclusies en knelpunten op een rij - onderverdeeld in vier thema’s - en benoemen we mogelijke oplossingsrichtingen. In de hoofdrapportage zijn per thema ook enkele ‘good practices’ opgenomen als inspiratie. We zien daarbij op hoofdlijnen twee rollen voor het programma. De eerste is het faciliteren van effectieve aanpakken in de regio. Daarbij kan worden gedacht aan het agenderen van belangrijke regionale thema’s, het identificeren, beschrijven en verspreiden van ‘good practices’ en het zorgen voor een goede evaluatie, afronding en borging van de lopende programmalijnen. Daarnaast kan het programma ook interventies initiëren en stimuleren. Bijvoorbeeld door pilots te financieren of door veelbelovende aanpakken te helpen opschalen of een ‘duwtje’ te geven als zaken regulier niet van de grond komen.

1. Behouden voor onderwijs Kijkend naar het onderwijs in Zeeland vallen een aantal dingen op. In de eerste plaats stromen relatief weinig jongeren door naar het hoger onderwijs, terwijl de schooladviezen gemiddeld hoger zijn dan in de benchmark. Mogelijk is er dus meer potentie voor door- of opstroom dan nu wordt benut. Daarnaast blijkt uit zowel de cijfers als de interviews dat het vso onder druk staat: er zijn relatief weinig plekken en de wachtlijsten lopen ieder schooljaar snel op. Ten derde geven geïnterviewden aan dat uitval in Zeeland vaak samenhangt met de lange reisafstanden en het gebrek aan keuzemogelijkheden in opleidingen op korte afstand, dat mede wordt veroorzaakt door de dalende instroom bij Scalda. Een laatste aandachtspunt is de relatief hoge uitval in het vmbo en in mbo 2. Bij de uitval op niveau 2 gaat het vaak om jongeren die zijn doorgestroomd vanuit Entree en waarbij het de vraag is of zij wel in staat zijn om een startkwalificatie te behalen, zie hiervoor punt 3. De uitval in vmbo vraagt om nader onderzoek welke jongeren dit zijn. Een steekproef is hiervoor een goede methode, zie hiervoor punt 4. Oplossingsrichtingen Een eerste regionale opgave is dus het behouden van jongeren voor het onderwijs.

Mogelijke oplossingsrichtingen die uit de analyse naar voren komen zijn: - Het investeren in voorzieningen tussen het vso en regulier vo, zoals maatwerkklassen. Dit biedt mogelijk een antwoord op de opgaven in de regio als gevolg van het kleine aantal vso-plekken en het toenemend aantal jongeren dat (mede door psychische problematiek) thuis komt te zitten. Dit soort voorzieningen kunnen leiden tot beter onderwijs aan jongeren de (tijdelijk) niet mee kunnen doen in de reguliere groepen en tot meer lerend vermogen in het regulier onderwijs. Hier wordt in verschillende vormen al aan gewerkt, maar dit vraagt verdere professionalisering. -

Investeren in flexibiliteit en maatwerk in het mbo. Een voorbeeld is het bieden van meer mogelijkheden tot digitaal aansluiten bij lessen, zodat jongeren niet voor één uur les een halve dag hoeven 1

reizen. Ook het aanbieden van brede opleidingen (gecombineerde crebo’s) op meer locaties in de provincie kan bijdragen aan minder uitval. Het vergroot immers de keuzemogelijkheden binnen een acceptabele reisafstand. Ook meer instroommomenten en meer onderwijs op maat - bijvoorbeeld de mogelijkheid om bij switchen alvast de AVO-vakken in de ‘oude’ opleiding vakken af te ronden dragen bij aan behoud van jongeren (met name switchers) voor het onderwijs. -

Tot slot kunnen jongeren worden behouden voor Zeeland door de mogelijkheden voor doorstroom naar het hbo binnen de eigen provincie te vergroten. Bijvoorbeeld door meer samenwerking van Scala met hbo-instellingen of door het stimuleren van de mogelijkheden tot afstandsonderwijs. Het gaat om jongeren die niet onder de doelgroep van het vsv-programma vallen, maar het programma kan, vanuit de bevindingen in de regionale analyse, hierin wél agenderen en aanjagen.

2. Ondersteuning op school In de analyse komt de samenwerking met zorg (jeugdhulp, wmo, maatschappelijke werk) naar voren als een belangrijk aandachtspunt. De belangrijkste knelpunten zijn de fragmentatie in toegang, partijen, financiering en regie. Voor iedere jongere moet opnieuw en ad-hoc worden gezocht naar oplossingen. Daarnaast zijn er lange wachttijden voor zorgtrajecten waardoor de kans op uitval groter wordt. Ook het gebrek aan samenwerking en afstemming werkt belemmerend. Dit is niet nieuw. De genoemde knelpunten zijn eerder onderzocht en voorzien van mogelijke oplossingsrichtingen. Vanuit de nieuwe wet ‘van school naar duurzaam werk’ worden partijen verplicht om gezamenlijk afspraken te maken over de toegankelijkheid van ondersteuning voor jongeren die kampen met psychische, fysieke, financiële, criminele of andere problemen. Oplossingsrichtingen De eerder door de regio opgestelde oplossingsrichtingen zijn nog actueel. Ze sluiten aan bij de uitkomsten uit de interviews én bij goede ervaringen elders in het land. Het gaat om: -

Het vereenvoudigen en uniformeren van de gemeentelijke toegang en aanwezigheid op school van

-

(toegang tot) ondersteuning. Komen tot integrale onderwijs- en zorg trajecten vanuit SWV, RBL en gemeentelijke toegang.

-

Een collectieve bekostiging vanuit gemeenten en onderwijs (per regio) voor een aanpak (met eventueel mogelijkheid tot verrekening achteraf).

-

Betere onderlinge samenwerking en afstemming van álle betrokken partijen over initiatieven en (beleids-)maatregelen. Duidelijke afspraken over werkwijze, regie/ eigenaarschap en financiering.

3. Begeleiden naar een passende en duurzame (werk)plek In Zeeland zijn er twee doelgroepen die extra aandacht vragen als het gaat om de begeleiding naar een passende en duurzame werkplek. In de eerste plaats zijn dat jongeren die uitvallen in mbo 2. In de analyse zagen we dat dit met name in Zeeuws-Vlaanderen hoger is dan in de benchmark. Niet alleen daar, maar in de hele provincie, gaat het bij deze uitvallers vaak om jongeren die zijn doorgestroomd vanuit Entree, maar waarbij het de vraag is of zij in staat zijn om een startkwalificatie te behalen. Het is zaak om hen vroegtijdig te signaleren en te begeleiden naar een goede (werk)plek. De tweede doelgroep betreft de jongeren die zonder startkwalificatie aan het werk gaan. In de Zeeuwse regio’s gebeurt dit vaker dan in vergelijkbare gebieden. Het past bij de ‘op werk gerichte’ mentaliteit in de provincie. Deze jongeren lopen echter een risico als het gaat om het duurzaam behouden van werk of het kunnen aantonen van voldoende en passende werkervaring. 2

Oplossingsrichtingen -

In Zeeland is de afgelopen jaren veel ingezet op meer en makkelijker instromen in het Startcollege. Dat heeft geleid tot zeer diverse doelgroepen (nieuwkomers, jonge uitvallers uit het vmbo, instroom uit pro en vso, jongeren met complexe problematiek). Voor een deel van deze jongeren is onderwijs echter niet de meest passende plek. Zij halen nog wel een Entreediploma, maar vallen na doorstroom uit op niveau 2. Begeleiding naar (aangepast) werk of leren op de werkvloer is voor hen een beter alternatief. Meer inzetten op vroegtijdige selectie en passende plek voor jongeren vanuit Pro, Vso en ISK, liefst al bij de intake, biedt hierop een antwoord. Dit is een samenwerking van onderwijs, DSP en Werk & Inkomen. Bijvoorbeeld door op vaste momenten gezamenlijk lijsten met jongeren door te nemen en daarbij elkaars expertise te benutten.

-

Jongeren die desondanks gaan werken zonder diploma ondersteunen richting duurzaam werken door - in samenwerking met werkgevers - in te zetten op praktijkverklaringen en certificaten. Hier is nog potentie in de provincie, zowel in het verbeteren van de vindbaarheid voor werkgevers als in het voorkomen van kosten voor hen.

4. Slim vinden en ondersteunen NEET-jongeren In de analyse zagen we dat in Zeeland meer jongeren dan in de benchmark aan het werk zijn. Desalniettemin is het aandeel NEET-jongeren (zonder werk en zonder opleiding) in Walcheren en ZeeuwsVlaanderen toch hoger dan in de benchmark - ook wanneer we corrigeren voor grensverkeer. Nader onderzoek moet uitwijzen of er inderdaad meer NEET-jongeren zijn, wie deze jongeren zijn en welke ondersteuningsbehoefte zij hebben. Oplossingsrichtingen -

Een zeer inzichtelijke en tegelijkertijd pragmatische manier om de NEET-jongeren te onderzoeken is door middel van een dossieranalyse. Dit zijn interviews met de consulenten (van onder meer het DSP en het Jongerenloket) aan de hand van een representatieve steekproef uit hun caseload. Dit

-

geeft goed inzicht in de doelgroep, hun kenmerken en hun ondersteuningsbehoefte. Uit het onderzoek volgt ook een advies voor een passend regionaal trajectenaanbod, voor jongeren zonder uitkering, mogelijk (mede) te financieren uit het programma jeugdwerkloosheid. In deze lijn past ook het (verder) ontwikkelen van een groepsaanbod binnen de bestaande budgetten van het RBL. Door de afname in budgetten is het immers noodzakelijk om deze middelen slimmer of kosteneffectiever in te zetten.

-

Tot slot is het, gegeven de uitgestrektheid van de provincie en de teruglopende budgetten, aan te bevelen om het vinden en bereiken van jongeren zo efficiënt mogelijk te organiseren. Dit kan concreet vorm krijgen door bijvoorbeeld een gezamenlijk DSP front-office in te richten. Hier worden de eerste fases van het ondersteuningsproces uitgevoerd: het signaleren, inventariseren en zo nodig doorverwijzen van jongeren. Hierbij gaat het om de huidige doelgroep van het doorstroompunt (jongeren tot 23 jaar zonder startkwalificatie) én de nieuwe doelgroep (jongeren van 23 tot 27 jaar zonder startkwalificatie), aangevuld met de jongeren die door de mbo’s worden aangemeld in het kader van nazorg (ook mét startkwalificatie). Een andere manier om jongeren beter te bereiken is het inrichten van meer jongerenloketten naar voorbeeld van Terneuzen en door slim gebruik te maken van netwerkpartners, zoals het jongerenwerk. -0-0-03

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15550854/1