D26.356711 Beleidsplan Openbare Verlichting 2026-2033
Tekst van het document
Dit geldt ook wanneer de verlichting buiten het gebied staat maar door “externe werking” toch invloed heeft. Voorbeelden van negatieve effecten: • Verstoring van nacht actieve soorten in het gebied • Verandering van het natuurlijke dag-nachtritme • Aantasting van leefgebieden door permanente lichtbronnen Als zulke effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming nodig. In die vergunning kunnen voorschriften worden opgenomen, zoals beperking van lichtsterkte, tijdsgebonden verlichting of afscherming.
Elektriciteitswet De Elektriciteitswet 1998 regelt hoe het Nederlandse elektriciteitsstelsel werkt. Voor openbare verlichting zijn vooral deze onderdelen relevant: 1. Aansluitingen op het elektriciteitsnet
Openbare verlichting moet worden aangesloten op het net van de regionale netbeheerder. De wet bepaalt wie verantwoordelijk is voor: • Het aanleggen en onderhouden van de aansluiting • Het leveren van elektriciteit • De veiligheid van de elektrische installatie Gemeenten zijn eigenaar van de lichtmasten, maar de netbeheerder is eigenaar van het elektriciteitsnet. 2. Elektrische veiligheid De Elektriciteitswet verwijst naar normen en verplichtingen rond veilig gebruik van elektriciteit. Voor openbare verlichting betekent dit dat installaties moeten voldoen aan: • NEN-normen (NEN 3140) • Eisen voor veilige aanleg en onderhoud • Bescherming tegen elektrocutie en brand Deze verplichtingen vallen niet alleen onder de Elektriciteitswet, maar ook onder andere wetgeving (zoals de Arbeidsomstandighedenwet). Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) De Arbeidsomstandighedenwet heeft als doel de veiligheid, gezondheid en het welzijn van werknemers te waarborgen. Voor werkzaamheden aan of in de nabijheid van elektrische installaties, zoals openbare verlichting, is deze wet volledig van toepassing. De Arbowet is een kaderwet: zij bepaalt wat er moet gebeuren, maar niet hoe dit precies moet worden uitgevoerd. De praktische uitwerking hiervan is vastgelegd in het Arbobesluit en de Arboregeling.
Voor elektrotechnische werkzaamheden verwijst de wet naar verschillende normen en richtlijnen, waaronder NEN 1010, NEN 3140, NEN-EN-IEC 60204-1 en NEN-EN 50110-1. Deze normen vormen de basis voor het veilig ontwerpen, beheren en uitvoeren van werkzaamheden aan elektrische installaties. De Arbowet verplicht werkgevers om een veilige en gezonde werkomgeving te creëren. Dit betekent dat binnen de organisatie duidelijke verantwoordelijkheden moeten worden toegewezen. De installatieverantwoordelijke (IV) draagt de eindverantwoordelijkheid voor de veilige bedrijfsvoering van de elektrische installatie. Deze kan taken delegeren aan een werkverantwoordelijke (WV), die verantwoordelijk is voor de uitvoering en het toezicht op de werkzaamheden. De werkverantwoordelijke kan op zijn beurt werkzaamheden laten uitvoeren door een vakbekwaam persoon (VP), die beschikt over de benodigde kennis en ervaring. Voor eenvoudige en laagrisico-werkzaamheden kan een voldoende onderricht persoon (VOP) worden ingezet, die onder toezicht werkt. Om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen, moet een organisatie zorgen voor een installatie die voldoet aan de geldende normen, procedures en werkinstructies opstellen en medewerkers hierin trainen, personeel opleiden en instrueren in veilig werken en periodieke inspecties uitvoeren om de veiligheid aantoonbaar te borgen.
Hoewel de Arbowet inspecties niet expliciet verplicht stelt, volgt uit de zorgplicht dat periodieke controle noodzakelijk is om risico’s te beheersen en een veilige werkomgeving te garanderen. Voor openbare verlichting betekent dit dat gemeenten en aannemers moeten werken volgens de geldende elektrotechnische normen, bevoegd personeel moeten inzetten voor onderhoud en storingen, veilige werkmethoden moeten toepassen en installaties periodiek moeten controleren op elektrische veiligheid.
Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON) De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) is direct van toepassing op openbare verlichting, omdat lichtmasten en de bijbehorende kabels onderdeel zijn van de ondergrondse infrastructuur. De wet heeft als doel graafschade te voorkomen en verplicht netbeheerders en grondroerders om informatie over kabels en leidingen uit te wisselen. Voor openbare verlichting betekent dit dat de gemeente als netbeheerder verantwoordelijk is voor het registreren en actueel houden van alle gegevens over het OVL-netwerk in het landelijke KLIC-systeem. Wanneer een aannemer of uitvoerende partij graafwerkzaamheden wil uitvoeren, moet eerst een KLIC-melding worden gedaan, waarna de ligging van kabels en leidingen wordt verstrekt. Pas daarna mag worden begonnen met graven. De WIBON legt daarnaast een zorgplicht op aan iedereen die in de ondergrond werkt. Dit houdt in dat kabels zorgvuldig moeten worden opgespoord en vrijgegraven, dat aanwijzingen van de netbeheerder moeten worden opgevolgd en dat afwijkingen tussen tekening en werkelijkheid moeten worden gemeld. Eventuele schade moet direct worden gerapporteerd en veiliggesteld.
Voor openbare verlichting is dit van groot belang, omdat schade aan OVL-kabels kan leiden tot uitval van verlichting, gevaarlijke situaties in het verkeer en hoge herstelkosten. De wet verplicht gemeenten daarom om hun gegevens volledig en actueel te houden, zodat graafwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) bevatte de basis voor het voorkomen, beperken en saneren van bodemverontreiniging. Hoewel de wet sinds 1 januari 2024 grotendeels is opgegaan in de Omgevingswet, blijven de belangrijkste uitgangspunten via overgangsrecht en nieuwe regelgeving van kracht. De kern blijft dat bodemverontreiniging moet worden voorkomen en, wanneer deze toch ontstaat, zo veel mogelijk moet worden beperkt en hersteld. Werkzaamheden aan openbare verlichting hebben vrijwel altijd invloed op de bodem, omdat het plaatsen van nieuwe lichtmasten, het vervangen van fundaties, het graven voor kabels en aansluitingen en het verwijderen van oude masten of kabels allemaal ingrepen zijn die direct in de ondergrond plaatsvinden. Wanneer deze werkzaamheden worden uitgevoerd op locaties waar sprake is van (mogelijke) bodemverontreiniging, moeten zij voldoen aan de regels die voortkomen uit de voormalige Wet bodembescherming en de huidige Omgevingswet. Dit betekent dat er zorgvuldig moet worden gewerkt om verspreiding van verontreiniging te voorkomen.
In verontreinigde grond kan dit onder meer inhouden dat werknemers beschermende maatregelen moeten nemen, dat vervuilde grond op de juiste manier moet worden afgevoerd en dat bij ernstige verontreiniging een melding of vergunning nodig kan zijn. Ook wanneer er geen sprake is van bestaande verontreiniging geldt een zorgplicht om nieuwe bodemverontreiniging te voorkomen. Bij werkzaamheden aan openbare verlichting moet worden voorkomen dat olie, vetten of andere schadelijke stoffen in de bodem terechtkomen. Daarnaast is het belangrijk dat oude kabels, materialen of restanten niet in de grond achterblijven wanneer deze bodem kunnen vervuilen. Graafwerkzaamheden moeten bovendien zo worden uitgevoerd dat bestaande saneringen of bodembeschermende voorzieningen niet worden beschadigd.
In sommige situaties kan het noodzakelijk zijn om bodembeschermende maatregelen te treffen bij de aanleg of vervanging van installaties. Dit kan bijvoorbeeld gaan om lekdichte fundaties, beschermende mantelbuizen of zorgvuldig uitgevoerd grondverzet.
RICHTLIJNEN EN NORMEN Voor de openbare verlichting zijn het vooral specifieke richtlijnen en normen die bepalend zijn. Zij beïnvloeden de beleidsafwegingen die worden gemaakt, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, duurzaamheid, energie-efficiëntie en onderhoud. Door deze richtlijnen en normen te volgen, kunnen we zorgen voor een verantwoorde en toekomstbestendige inrichting van de openbare verlichting. Hoewel richtlijnen en normen geen wettelijke status hebben, bieden zij wel waardevolle handvatten voor een professionele en kwalitatieve uitvoering. Nederlandse Praktijk Richtlijn 13201-01 (NPR) De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSvV) heeft in 2017 aanbevelingen voor de openbare verlichting opgesteld. Dit is de Nederlandse Praktijk Richtlijn voor Openbare Verlichting (NPR13201-1). Deze is door de NSvV opgesteld en is tot stand gekomen op verzoek van de Taskforce Verlichting ondersteund door Agentschap NL. Deze richtlijn is bedoeld voor beheerders c.q. eigenaren, zoals Rijkswaterstaat, provincies, gemeenten, waterschappen en overige beheerders van openbare terreinen, wegen en personen en organisaties die deze beheerders ondersteunen. Het maken van de keuze tot verlichten of niet verlichten en te besluiten tot een alternatieve maatregel is een beleidsafweging. De richtlijn geeft handreikingen voor het maken van een dergelijke beleidskeuze.
Daarnaast adviseert de NPR13201-1 welk verlichtingsniveau gehanteerd kan worden. Hierbij wordt aan de hand van verschillende parameters bepaald welke verlichtingsklasse hoort bij het gekozen wegvak. Op deze manier worden grote/drukke wegen van een hoger lichtniveau voorzien dan bijvoorbeeld een woonwijk. De NPR13201-1 maakt onderscheid in drie verschillende verlichtingsklassen: • •
P-klassen (groen): bedoeld voor voet- en fietspaden en bestuurders van voertuigen met lage snelheid in woonstraten. M-klassen (paars/donkerblauw): toegepast op doorgaande wegen.
•
C-klassen: voor conflictzones zoals kruispunten, voetgangersoversteekplaatsen e.d.
Afbeelding verlichtingsklasse voor kern Kapelle-Biezelinge
Binnen deze klassen wordt weer een onderscheid gemaakt in verschillende verlichtingsniveaus. Dit is uitgewerkt in de gebiedsgerichte keuzes. Zie 7.1.1 ‘Beleidsuitgangspunt 1: gebiedsgerichte keuzes. De gemeente Kapelle kiest voor verlichting die past bij de eigen landelijke omgeving. Rekening houdend met de beleving van de openbare ruimte, energiegebruik, lichtvervuiling en beleving houdt de gemeente een verlichtingsniveau aan in overeenstemming met NPR 13201-1.
Mobiliteitsplan Kapelle 2026-2035 (nog niet vastgesteld). In het mobiliteitsplan wordt in bijlage 1 ingegaan op de inrichtingskenmerken en hoogtes van de openbare verlichting. Wegtype Gebiedsontsluitingsweg 50 km (GOW-50) Gebiedsontsluitingsweg 30 km (GOW-30) Erftoegangsweg 30 km (ETW-30)
Lichtmasthoogte Middelhoog 6-8 meter Middelhoog 5-7 meter Laag 3-5 meter
Richtlijn lichthinder De richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSvV) is een landelijke richtlijn voor het beperken van lichthinder. Hierin staan regels, aanbevelingen of afspraken die bedoeld zijn om overlast door kunstlicht te beperken. Het doel van deze richtlijn is om hinder door licht, zoals verblinding, lichtvervuiling en verstoring van het milieu, te voorkomen of te minimaliseren. Beperking van lichtuitstraling De richtlijn geeft aan hoe en waar kunstlicht mag worden gebruikt, zodat het niet onnodig in de omgeving schijnt. Bijvoorbeeld: licht moet zoveel mogelijk naar beneden gericht zijn en mag niet in ramen of natuurgebieden schijnen. Voorkomen van overlast voor mensen Lichthinder kan slaapverstoring en irritatie veroorzaken. De richtlijn bevat daarom normen voor maximale lichtsterkte en verblinding. Bescherming van natuur en milieu Te veel kunstlicht verstoort dieren en planten, bijvoorbeeld nachtdieren die afhankelijk zijn van duisternis. De richtlijn stimuleert het gebruik van licht met een geschikte kleurtemperatuur en beperkt het gebruik in kwetsbare gebieden. Technische en organisatorische maatregelen Bijvoorbeeld het gebruik van timers, bewegingssensoren en afschermingen om licht alleen te gebruiken wanneer en waar het nodig is.
NEN 3140 (veilig gebruik, onderhoud en beheer van elektrische installaties) Deze norm stelt eisen aan de veilige bedrijfsvoering van elektrische installaties in de laagspanningsomgeving, waaronder openbare verlichting. Als gemeente zijn we verantwoordelijk voor de aanleg, het onderhoud en de veiligheid van openbare verlichting binnen de bebouwde kom. Voor openbare verlichting is NEN 3140 de norm die bepaalt hoe veilig gewerkt moet worden aan lichtmasten, voedingskabels, schakelkasten en besturingssystemen. De norm schrijft voor dat werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd door bevoegd personeel, dat risico’s vooraf moeten worden beoordeeld en dat de installatieverantwoordelijke verantwoordelijk is voor de veilige bedrijfsvoering van het gehele openbare verlichtingsnet. Dit geldt zowel voor routinematig onderhoud als voor storingen, vervangingen en uitbreidingen. Door NEN 3140 te volgen, voldoen gemeenten en aannemers aan de Arbowet en wordt de veiligheid van werknemers en de betrouwbaarheid van de openbare verlichting gewaarborgd. NEN 1010 (veilig ontwerp en aanleg van elektrische installaties) NEN 1010 is de Nederlandse norm voor de veilige aanleg en het ontwerp van elektrische installaties in gebouwen en infrastructuur, waaronder ook openbare verlichting.
Als gemeente is het belangrijk dat de elektrische installaties voldoen aan deze norm om de veiligheid van gebruikers en installateurs te waarborgen. De NEN 1010 stelt eisen aan het ontwerp, de aanleg en de inspectie van elektrische installaties, zodat risico’s op elektrische schokken, brand en storingen worden geminimaliseerd. De norm beschrijft onder andere de juiste dimensionering van kabels, het gebruik van beveiligingsmiddelen en de veilige wijze van aansluiting en bedrading. Door te werken volgens de NEN 1010 wordt niet alleen voldaan aan wettelijke voorschriften, maar wordt ook de betrouwbaarheid en duurzaamheid van de elektrische installatie gegarandeerd. Voor openbare verlichting betekent dit dat de elektrische installatie rondom lichtmasten, voedingen en schakelkasten op een veilige en verantwoorde manier moet worden ontworpen en aangelegd, zodat de installatie vanaf het begin veilig en betrouwbaar functioneert. Klimaatakkoord Het Klimaatakkoord verplicht overheden om hun energiegebruik drastisch te verlagen en sneller te verduurzamen. Voor openbare verlichting betekent dit dat gemeenten moeten overstappen op energiezuinige verlichting, zoals LED, en dat zij slimme aansturing moeten toepassen om branduren te beperken.
Het akkoord stimuleert daarom de inzet van dimregimes, tijdschakelingen, bewegingsdetectie en adaptieve verlichting die zich aanpast aan verkeersintensiteit of omgeving. Doelstellingen zijn onder andere: - 20% energiebesparing in 2020 ten opzichte van 2013. - 50% energiebesparing in 2030. - 40% van de openbare verlichting voorzien van slim energiemanagement in 2020. Daarnaast vraagt het Klimaatakkoord om een versnelde overgang naar duurzame energiebronnen. Voor openbare verlichting betekent dit dat gemeenten hun elektriciteitsverbruik moeten vergroenen, bijvoorbeeld door inkoop van groene stroom of door koppeling met lokale opwekprojecten. Ook wordt verwacht dat gemeenten bij vervangingsopgaven kiezen voor materialen met een lagere milieu-impact en circulaire principes toepassen, zoals hergebruik van masten of armaturen waar mogelijk. Het akkoord benadrukt verder het belang van slimme en data gedreven systemen.
Voor openbare verlichting houdt dit in dat gemeenten steeds vaker gebruikmaken van sensoren en monitoring om energieverbruik te optimaliseren, storingen sneller te detecteren en onderhoud efficiënter te plannen. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In Nederland is er specifieke wet- en regelgeving om lichtvervuiling door kassen, met name door assimilatiebelichting in de glastuinbouw, te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dat sinds 1 januari 2024 van kracht is onder de Omgevingswet. Het Bal bevat landelijke regels voor milieubelastende activiteiten, waaronder glastuinbouw. Specifiek voor assimilatiebelichting gelden de volgende voorschriften: 1. Zijgevels Bij gebruik van assimilatiebelichting moeten de zijgevels van de kas van zonsondergang tot zonsopgang afgeschermd zijn, zodat de lichtuitstraling op 10 meter afstand met minimaal 95% is verminderd. 2. Kasdek (bovenzijde) Bij een belichtingsvermogen van meer dan 15.000 lux moet het kasdek van zonsondergang tot zonsopgang afgeschermd zijn, met een reductie van minimaal 98% van de lichtuitstraling. Bij een belichtingsvermogen van minder dan 15.000 lux geldt in de donkerteperiode een afschermingsplicht van 98%, en in de nanacht moet de lichtuitstraling met ten minste 74% zijn gereduceerd. Donkerteperiode en nanacht: 1.
Donkerteperiode: • 1 september tot 1 november en 1 april tot 1 mei: van een half uur na zonsondergang tot 02:00 uur. • 1 november tot 1 april: van 18:00 tot 00:00 uur. 2. Nanacht: de periode van na de donkerteperiode tot zonsopkomst. Als kassen nabij natuurgebieden of habitat van beschermde soorten liggen, kan het gebruik van assimilatiebelichting vergunningsplichtig zijn onder de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt natuurgebieden en soorten tegen negatieve effecten, waaronder verstoring door kunstmatige verlichting.
BIJLAGE 3: Beheersmaatregelen risico’s Technische risico’s Onderstaand overzicht bevat een uitwerking van de belangrijkste technische risico’s voor het beheer van openbare verlichting. Elk risico is voorzien van een omschrijving, mogelijke oorzaken, gevolgen en beheersmaatregelen. #
Risico
Omschrijving
Mogelijke oorzaken
Gevolgen
Beheersmaatregelen
1
Verouderde installaties
Oudere lichtmasten, armaturen en bekabeling verhogen de kans op uitval en onveiligheid.
Lange levensduur overschreden, uitgestelde vervanging.
Hogere storingsfrequentie, hogere onderhoudskosten, veiligheidsrisico’s.
Opstellen van meerjarenvervangingsplan. Actuele inventarisatie & registratie van installaties. Prioritering van vervanging op basis van leeftijd, storing en remplace datum.
2
Storingen in het netwerk
Onverwachte uitval van lichtpunten of delen van het netwerk.
Weersinvloeden, graafschade, defecte kabels of schakelaars.
Verminderde sociale veiligheid, klachten van inwoners.
Slimme monitoring (storingsdetectie op afstand). Preventief onderhoud en kabelinspectie. Duidelijke storingsafhandeling via aannemer.
3
Beperkte beschikbaarheid van onderdelen
Moeilijk verkrijgbare of vervangende onderdelen bij oudere systemen.
Stopzetting productie, afhankelijkheid van specifieke merken.
Langere hersteltijd bij storingen, hogere kosten voor vervanging.
Gestandaardiseerde componenten gebruiken. Voorraad kritieke onderdelen aanleggen. Tijdige overstap naar gangbare technologie.
5
Onvoldoende data of monitoring
Geen real-time inzicht in status van het lichtnet.
Geen slimme systemen, gebrekkige registratie of onderhoudsdata.
Reactieve aanpak storingen, inefficiënt beheer.
6
Foutieve installatie of Verkeerd geplaatste montage lichtmasten, verkeerde aansluiting of slecht afgestelde armaturen.
Slechte controle, tijdsdruk bij uitvoering, onvoldoende instructie.
Lichthinder, verkorte Kwaliteitscontrole tijdens levensduur, verhoogd uitvoering. onderhoud. Inzet van gecertificeerde aannemers. Opleveringskeuring + duidelijke richtlijnen.
Financiële risico’s
Invoeren van een lichtmanagementsysteem (LMS). Data koppelen aan GIS of beheersysteem. Jaarlijkse datacontrole en analyse.
Onderstaand overzicht bevat een uitwerking van de belangrijkste financiële risico’s voor het beheer van openbare verlichting. Elk risico is voorzien van een omschrijving, mogelijke oorzaken, gevolgen en beheersmaatregelen. #
Risico
Omschrijving
1
Stijgende energieprijzen
Hogere kosten voor Fluctuaties op de stroom, vooral bij energiemarkt, conventionele (niet-LED) geopolitieke verlichting. spanningen.
2
Stijgende Netwerkkosten
Hogere kosten van de netbeheerder voor het aansluiten en onderhouden van het stroomnet
3
Hoge Grote kosten bij Ambitie tot investeringskosten bij vervangingsprojecten of modernisering vervanging/ bij overstap naar slimme zonder gefaseerde verduurzaming verlichting. aanpak.
4
Onvoorziene onderhoudskosten
Extra kosten bij acute Weersinvloeden, Extra kosten buiten Sluiten van storingen, vandalisme of ouderdom, beperkte contract, hogere onderhoudscontracten met stormschade. inspecties. uitgaven bij duidelijke SLA's. Periodieke incidenten. inspecties en preventief onderhoud.
5
Budget overschrijding bij projecten
Projectkosten vallen hoger uit dan gepland.
Vertragingen, noodzaak tot bijstelling van andere projecten.
Goede voorcalculatie met risicomarge. Regelmatige projectrapportage en bijsturing. Aanbesteden met vaste prijs of prijsplafond.
6
Inefficiënte inzet van Onvoldoende Geen goede data Geld wordt niet middelen rendement uit over effectief besteed. investeringen, gebruik/intensiteit of bijvoorbeeld te dure Bewoners oplossingen voor weinig behoeften. gebruikte gebieden.
Gebiedsgerichte analyse (bijv. lichtniveau versus gebruik). Betrekken inwoners via participatie. Slimme dimsystemen inzetten waar mogelijk.
7
Faillissement of wanprestatie leverancier
Selectie van leveranciers op betrouwbaarheid. Contracten met boete- en overnameclausules. Back-up leveranciers identificeren.
Financiële problemen bij aannemer of leverancier.
Maatschappelijke risico’s
Mogelijke oorzaken Gevolgen
Beheersmaatregelen
Overschrijding van Versnellen van de overstap het jaarlijkse naar energiezuinige LEDexploitatiebudget. verlichting. Inkoop van energie via langetermijncontracten. Monitoring van energieverbruik.
Hogere kosten voor Het verminderen van het Overbelast de gemeente waar aantal lichtpunten en het stroomnet, vraag naar verzwaring en geen invloed op is. tijdig vrijmaken van budget voor deze stijgende kosten. stijgende kosten van materiaal en arbeid.
Slechte raming, prijsstijgingen materialen, personeelstekort.
Marktontwikkeling en, te veel afhankelijkheid van één partij.
Belast gemeentebudget op korte termijn.
Stagnatie in levering of uitvoering, juridische kosten.
Opstellen meerjareninvesteringsplanning (MIP). Koppeling met andere projecten (riool, wegen). Gebruik van subsidies (bijv. BZK, Klimaatfonds).
Onderstaand overzicht bevat een uitwerking van de belangrijkste maatschappelijke en sociale risico’s bij het beheer van openbare verlichting. Elk risico is voorzien van een omschrijving, mogelijke oorzaken, gevolgen en beheersmaatregelen. #
Risico
Omschrijving
Mogelijke oorzaken
Gevolgen
Beheersmaatregelen
1
Onvoldoende sociale veiligheid
Gebrekkige of niet functionerende verlichting kan leiden tot gevoelens van onveiligheid.
Kapotte armaturen, slechte spreiding, onvoldoende lichtniveau.
Minder leefbaarheid, verhoogd risico op criminaliteit, klachten bewoners.
Snelle storingsopvolging. Analyse van risicogebieden (bijv. met politie). Goede verlichting bij routes naar OV, scholen, centra.
2
Lichthinder of overbelichting
Te fel of verkeerd gericht licht veroorzaakt overlast voor omwonenden of natuur.
Foutieve plaatsing of afstelling, verkeerde armaturen.
Slaapproblemen, weerstand bij bewoners, verstoring ecologie.
Gebruik van armaturen met afscherming. Slim dimmen op rustige uren. Afstemming met omgeving bij plaatsing.
3
Klachten en weerstand vanuit de samenleving
Inwoners voelen zich niet gehoord of zijn ontevreden over keuzes in verlichting.
Gebrek aan communicatie, te snelle of top-down besluitvorming.
Vertrouwen in overheid daalt, klachtenprocedures, vertraging projecten.
Bewonersparticipatie bij planvorming. Duidelijke communicatie over keuzes. Klachten serieus behandelen en registreren.