A.45 D23.289646 Voortgangsrapportage N Voortgangsrapportage NWO Vindplaatsen verborgen armen mei 2023
Tekst van het document
Voortgangsrapportage “Vindplaatsen verborgen armen” Mei 2023 Inleiding In september 2020 zijn we als consortium gestart met ons onderzoeks- en ontwikkelproject: Vindplaatsen verborgen armen; naar effectievere wegen om huishoudens met een laag inkomen te ondersteunen. In deze notitie informeren wij u graag over de voortgang tot mei 2023. We geven voor de duidelijkheid eerst nog een korte beschrijving van het project. Ook bevat dit voortgangsverslag voor de volledigheid nog een korte samenvatting van wat er eerder in de looptijd van het project al is besloten en opgeleverd, waarover u destijds uitgebreider bent geïnformeerd door middel van eerdere voortgangsrapportages.
Project Naar aanleiding van een subsidieronde in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda in opdracht van het ministerie van SZW, hebben tien gemeenten (te weten Amsterdam, Amersfoort, Almere, Hoekse waard, Kapelle, Krimpenerwaard, Lelystad, Nijmegen, Schiedam en Vlaardingen) een consortium gevormd met vier kenniscentra (te weten UvA, het Nibud, INK. en de HvA) en twee samenwerkingspartners (te weten Over Rood en Stichting lezen en Schrijven) om gezamenlijk een project op te zetten om enerzijds beter te begrijpen wie deze verborgen armen zijn en waarom ze verborgen zijn en om anderzijds in gezamenlijkheid werkwijzen te ontwikkelen die gemeenten en andere relevante actoren kunnen helpen om verborgen armen te vinden, te bereiken en beter te ondersteunen. Het project heeft een looptijd van drie jaar en wordt onder leiding van de HvA uitgevoerd.
Doelstelling en onderzoeksvragen Het consortium heeft als gemeenschappelijke doelstelling geformuleerd: Het identificeren, ontwikkelen, deels implementeren en op meerwaarde beoordelen van mogelijkheden om meer huishoudens waarbinnen sprake is van verborgen armoede te bereiken met materiële en immateriële vormen van ondersteuning die deze huishoudens uiteindelijk in de gelegenheid stellen hun materiële positie zo te verbeteren. Om het doel van het project te realiseren worden drie praktijkvragen beantwoord: • • •
Welke subgroepen verborgen, met name werkende, armen kunnen onderscheiden worden? Welke bestaande vindplaatsen van (verborgen) armen lenen zich ervoor om op grotere schaal te worden ingezet? Welke nieuwe vindplaatsen van (verborgen) armen kunnen worden opgezet en geïmplementeerd wanneer zij van toegevoegde waarde blijken en welke kunnen op grotere schaal worden ingezet?
Uitvoering project: twee onderzoekslijnen en twee praktijklijnen Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden en daarmee de doelstelling van het project te realiseren is het project onderverdeeld in twee praktijklijnen en twee onderzoekslijnen. De praktijklijnen worden onder leiding van de HvA i.s.m. met de gemeenten uitgevoerd. De onderzoekslijnen worden door de UvA en het Nibud uitgevoerd.
Praktijklijn 1: Beoordeling en verspreiding bestaande vindplaatsen In overleg met gemeenten zijn in eerste instantie zeven vindplaatsen gekozen om nader onder de loep te nemen: Als ik later groot ben (Almere), Geldcheck033 (Amersfoort), Datakoppeling (Amsterdam), Brede inloop/Welzijnspunten (Krimpenerwaard), Money Talks (Lelystad), Financieel Expert in de Wijk (Nijmegen) en Zelfstandigenloket Flevoland/ZLF (Lelystad en Almere).
Op basis van onderzoek naar deze vindplaatsen (door middel van interviews, vragenlijsten en analyse van registratiegegevens) is een keuze gemaakt voor de vier meest kansrijke initiatieven, waarvan in mei van 2023 uitgebreide praktijkbeschrijvingen (inclusief implementatiehoofdstuk) worden opgeleverd. Het doel daarvan is dat andere gemeenten kunnen beoordelen of het opzetten van een dergelijke vindplaats ook wat voor hen is en zo ja, wat daartoe de eerste stappen zijn. De praktijkbeschrijvingen zijn tot stand gekomen op basis van diepte-interviews met medewerkers en feedback van een leesgroepje van een aantal consortiumleden. In dezelfde periode werd door het consortium de inhoudelijke keuze gemaakt om het project af te bakenen naar specifieke doelgroepen: werkende armen, zelfstandigen/ondernemers en minimagezinnen (en zodoende niet: 68plussers). De vier opgeleverde praktijkbeschrijvingen gaan over: 1. 2. 3. 4.
Als ik later groot ben (Almere) Zelfstandigen Loket Flevoland Datakoppeling (Amsterdam) Geldcheck033 (Amersfoort)
Onderzoekslijn 1: Vindplaatsen verborgen armen; de werkvloer (NIBUD) Een belangrijke groep die door gemeenten te weinig bereikt wordt, is de groep werkende armen. Uit onderzoek van het SCP bleek dat in 2017 werkenden één derde van de totale groep arme volwassenen vormen. Om meer inzicht te krijgen in deze groep en waarom deze door gemeenten zo moeilijk bereikt wordt, heeft het Nibud drie deelonderzoeken uitgevoerd: 1.
Kwalitatief onderzoek onder werkgevers en opdrachtgevers Uitkomsten in het kort: werkgevers zijn over het algemeen niet (goed) op de hoogte van inkomensondersteuning maar willen, eenmaal op de hoogte, hun medewerkers daar zeker op wijzen. Een deel doet dat het liefst algemeen en een ander deel juist gericht per werknemer. Bij de gemeente wensen werkgevers één vast loket of vaste contactpersoon.
2.
Kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers Uitkomsten in het kort: werknemers en zzp’ers weten vaak niet of zij recht hebben op gemeentelijke tegemoetkomingen of denken dat die niet voor hen bedoeld zijn. Ook als ze dat wel weten vragen ze die niet altijd aan, waarvoor als belangrijkste redenen werden genoemd: angst om terug te moeten betalen of omdat zij zeggen geen geld te willen van de gemeente. Een vijfde van de respondenten kon moeilijk tot erg moeilijk rondkomen. De meerderheid gaf aan geen contact te hebben met de werkgever bij financiële zorgen. Echter, op de vraag of zij hier wel voor open zouden staan reageert de meerderheid positief.
3.
Kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers Uitkomsten in het kort: veel bevindingen uit het kwantitatieve onderzoek werden bevestigd. Daarnaast bleek dat werknemers en zzp’ers het aanbod van inkomensondersteunende regelingen niet altijd goed bij hun situatie vinden passen: ze sturen te specifiek aan op bepaalde activiteiten waar niet iedereen op zit te wachten en zijn vaak niet zo interessant als je geen kinderen hebt. Verder wordt eigenwoningbezit gezien als een onterechte drempel waardoor men niet in aanmerking komt. Aan gemeenten worden de volgende aanbevelingen gedaan: 1) stem je communicatie beter af op de leefwereld van werkenden, 2)
sluit je aanbod beter aan op de behoeften van werkenden, 3) bied meer mogelijkheden voor inwoners met wisselende inkomsten, 4) bied een helder overzicht gecombineerd met een eenvoudige aanvraagprocedure en 5) verbeter het imago van de gemeente.
Onderzoekslijn 2: Omvang, kenmerken, locaties en dynamiek verborgen armen (UvA) De UvA heeft kwantitatieve analyses uitgevoerd op Microdata van het CBS over de periode 2011-2018, verrijkt met gegevens van de deelnemende gemeenten over het gebruik van gemeentelijke voorzieningen. In maart 2023 heeft de UvA in samenspraak met de consortiumgemeenten haar rapportage gepubliceerd. Gemeenten die data met de UvA hadden gedeeld hebben daarnaast van de UvA een op de gemeente toegepaste factsheet ontvangen voor intern gebruik. Een aantal belangrijke bevindingen uit de algemene, openbaar gemaakte rapportage: • • •
• •
• • • •
Een substantieel deel van alle arme huishoudens is niet bekend bij gemeenten; Als arme huishoudens verborgen zijn voor gemeenten, is dat doorgaans ‘hardnekkig’. Arme huishoudens zijn meestal óf bekend, óf onbekend in alle jaren dat ze arm zijn; Verborgen armoede is relatief hoog onder eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen en eenpersoonshuishoudens. Eenpersoonshuishoudens zijn daarbij de meest omvangrijke groep verborgen armen; Tussen de 20 en 34 jaar is het aandeel armen in de bevolking en onder werkenden weliswaar relatief laag, maar het aandeel verborgen armen is in deze groep juist relatief groot; In gemeenten loopt het armoederisico niet altijd parallel met het verborgen armoederisico. Als we het aantal verborgen armen afzetten tegen het totaal aantal armen binnen gemeenten, dan zien we dat in plaatsen als Rotterdam, Groningen en Heerlen een relatief groot deel van de armen bekend is bij de gemeente. Ook armen in gemeenten in het noordoosten van het land zijn bovengemiddeld vaak bekend bij de desbetreffende gemeente.
In andere plaatsen is soms meer dan 70 procent van de arme huishoudens onbekend bij de gemeente; De grootste groep verborgen arme huishoudens ontvangt vooral inkomen uit werk; Het (langdurig) verborgen armoederisico is relatief hoog onder zelfstandigen; dit geldt in het bijzonder voor startende zelfstandigen (25-34 jaar) en ouderen voorafgaand aan pensioenleeftijd (60-64 jaar); In absolute aantallen blijken werknemers met een vast contract na zzp’ers de meest omvangrijke groep verborgen armen; Ook is het (verborgen) armoederisico relatief hoog onder werkenden die meerdere banen combineren.
Praktijklijn 2: Opzetten, monitoren, evalueren en verspreidbaar maken nieuwe vindplaatsen (INK, gemeenten en HvA) Mede op basis van de uitkomsten van onderzoekslijnen 1 en 2 zijn door het consortium in de consortiumbijeenkomst van 15 november 2023 drie specifieke subdoelgroepen binnen de groep verborgen armen gekozen om binnen dit project verdiepend onderzoek naar te doen: • • •
Eenpersoonshuishoudens; Werkende jongvolwassenen; Oudere zzp’ers en zmp’ers (tussen 55 en 68 jaar)
De HvA en social design-bureau INK hebben diepte-interviews afgenomen met mensen uit deze doelgroepen om inzicht te krijgen in waar zij zoal te vinden zijn, hoe gemeenten hen kunnen ontmoeten en hoe zij aangesproken kunnen worden
met passend aanbod. INK maakte op basis hiervan drie (vier) persona’s: 1.
‘De trotse overwinnaar’ (eenpersoonshuishoudens) Grootste pijnpunt: niet kunnen meedoen met sociale activiteiten, en in toenemende mate ook het opvangen van concrete financiële tegenvallers. Deze mensen willen niet aangesproken worden als arm persoon of in de trant van ‘heb je het moeilijk?’, want zij halen trots uit het zelf slim kunnen redden. Deze groep kan het beste aangesproken worden met een boodschap zoals ‘In deze onzekere tijden kan iedereen wel een meevaller gebruiken!’
2.
‘De vrije pionier’ (werkende jongvolwassenen) Grootste pijnpunt: onzeker inkomen en weinig inzicht in tegemoetkomingen die er zijn. Behoefte aan duidelijke voorwaarden. Heel digitaal vaardig en daardoor ook is er ook juist weer risico dat ze online snel afhaken. Als het niet meteen duidelijk is wat en hoe, proberen ze het vaak ook niet meer. Ze zijn veel onderweg (OV, auto) en online aanwezig en willen aangesproken worden vanuit duidelijkheid en vrijheid. Bijv: ‘Als zzp’er krijg ik een deel van de gemeentelijke belastingen terug. Jij ook?’ en met humor: ‘Ken jij meer soorten plantaardige melk dan financiële tegemoetkomingen?’
3.
‘De optimistische doorzetter’ (zzp’ers/zmp’ers 55-68: subgroep 1) Hebben vaak al wel ervaring met ondersteuning, maar stoppen op een gegeven moment met proberen. Hebben ook wel eens misgegrepen. Bellen liever dan dat ze online alles regelen. Grootste pijnpunt: niet mee kunnen doen met sociale en culturele activiteiten, en zorgen over pensioen. Ook zorgen over kleine lettertjes; dat aan tegemoetkomingen ook financiële risico’s zitten. Wat kun je doen als gemeente: duidelijk communiceren en aanbod via bijvoorbeeld de Stadspas vergroten.
4.
(‘De rebelse overlever’ (zzp’ers/zmp’ers 55-68: subgroep 2) Deze mensen voelen zich niet op plek in het systeem en willen eigenlijk geen tegemoetkomingen meer aanvragen en niet in die zin te maken hebben met de overheid. Willen liever niet gevonden worden.)
De persona’s 1 t/m 3 vormen de basis voor het opzetten van vier experimenten in de consortiumgemeenten die zich daarvoor hebben opgegeven: Almere/Lelystad, Amsterdam, Krimpenerwaard en Nijmegen. Met hen zijn in februari, maart en april 2023 de mogelijkheden verkend in een workshop die werd verzorgd door INK. In het resterende deel van dit project zullen deze experimenten opgezet, uitgevoerd, gemonitord en geëvalueerd worden met als doel deze bij succes breder verspreidbaar te maken. Op het moment van schrijven van dit voortgangsverslag zijn net de eerste contouren van de experimenten geschetst: •
Almere/Lelystad: voucher waarmee een kleine groep zzp’ers met een boekhouder aan de slag kan met het op orde krijgen van de administratie, wat nodig is om aanvragen te kunnen doen voor kwijtschelding van gemeentebelastingen en inkomensondersteunende regelingen.
•
Amsterdam: buurtactie gericht op oudere zzp’ers/zmp’ers, waarbij de hulp van sleutelfiguren wordt ingeschakeld die zich normaliter niet bezighouden met armoede en schulden maar met de commerciële kant van het ondernemen.
•
Krimpenerwaard: communicatiecampagne te doen om zzp’ers erop te wijzen dat de Maatschappelijke Participatieregeling (MP), een tegoed van €299, ook voor hen is bedoeld en hen vervolgens ook door te verwijzen naar andere regelingen waar zij mogelijk recht op hebben.
•
Nijmegen: meer eenpersoonshuishoudens te bereiken met de Meedoenregeling, een tegoed van €150 voor cursussen of activiteiten, via verschillende sleutelfiguren en specifieke vindplaatsen in de stad.