CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

58 Memo Zeeuwse Samenwerking Sociaal Domein, februari 2021

Raadsvergadering 23 maart 2021, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen Lijst Ingekomen Stukken 23 maart 2021 (LIS)1.582 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

**

Zaaknummer Documentnummer

Z20.008942 D20.246733

MEMO Aan

:

Gemeenteraad

Van

:

A. Steketee-Daniëlse

Afdeling

:

KAP Beleid en Dienstverlening

Onderwerp

:

Zeeuwse Samenwerking Sociaal Domein

Behoort bij:

:

Rapport Berenschot: “Naar een werkende samenwerking in het sociale domein - voor goede, bereikbare en betaalbare zorg in Zeeland"

Datum

:

Februari 2021

Besproken met:

:

Annebeth Evertz, Emmy Bouwense, Cindy de Jonge

Zeeuwse Samenwerking in het Sociaal Domein Het college heeft besloten aan de slag te gaan met de aanbevelingen uit het rapport van Berenschot: “Naar een werkende samenwerking in het sociale domein - voor goede, bereikbare en betaalbare zorg in Zeeland". Hierover willen wij uw raad informeren. Inleiding Sinds de decentralisaties in het Sociaal Domein in 2015 is er in diverse vormen, en in diverse regio’s in Zeeland gesproken over en gewerkt aan verbetering van de samenwerking op het sociaal domein door de 13 Zeeuwse gemeenten. De gemeentelijke samenwerking binnen het sociaal domein onderscheidt zich in taken waarop verplichte samenwerking binnen een gemeenschappelijke regeling plaatsvindt, taken waar samenwerking tussen 13 gemeenten gewenst/noodzakelijk is en taken waar op (sub)regionaal niveau samengewerkt wordt. Een belangrijk deel van die samenwerking is belegd bij de GGD, de Inkooporganisatie jeugd, het CZW bureau en verder in (sub)regionale samenwerkingsverbanden/gemeenschappelijke regelingen zoals SWVO, GR de Bevelanden, de Betho, e.d. Voor het bestuurlijk en ambtelijk aansturen van deze organisaties zijn verschillende ambtelijke en bestuurlijke overleggen in het leven geroepen.

Drie problemen komen daarbij steeds terug: • Er is te veel ambtelijke en bestuurlijke drukte (dit wordt niet zo ervaren op het gebied van jeugd); • De gemeenteraden zijn onvoldoende in positie in de besluitvorming; • Het lokaal primaat staat onvoldoende voorop. Berenschot is daarom gevraagd antwoorden te onderzoeken op de volgende vragen: • Wat is de best passende organisatievorm voor de uitvoering van de taken en onderwerpen waarop de 13 gemeenten willen samenwerken in het sociaal domein? • Wat is hiervoor de beste governancestructuur? Startpunt voor het onderzoek was de zogenaamde kruisjeslijst: een inventarisatie van verplichte en gewenste samenwerking tussen de 13 Zeeuwse gemeenten. In 2018 en 2019 hebben de gemeenten hiermee duidelijkheid geschapen over op welke onderwerpen de gemeenten willen samenwerken en op welk niveau. Vanuit die optiek richtte het onderzoek zich met name op de jeugdhulptaken, de centrumgemeentetaken van Vlissingen (Beschermd Wonen, Maatschappelijke Ondersteuning) c.q. het College van Zorg en Welzijn en de taken op het gebied van de publieke gezondheidszorg. De bestuurders wilden goed geadviseerd worden om de organisatie en de bestuurbaarheid binnen het sociaal domein structureel de verbeteren. Het resultaat hiervan moet zijn dat er een aanzienlijke vermindering is van bestuurlijke en ambtelijke drukte (opruimen/ontwarren van de ‘bestuurlijke

-1-

spaghetti’). Er moet een overzichtelijke en eenvoudige besluitvormingsstructuur komen, waarbij er op strategisch niveau integrale sturing plaatsvindt en de samenhang voortdurend wordt bewaakt. Het geheel moet efficiënt en effectief zijn georganiseerd (geen dubbelingen meer, er is focus en er worden duidelijke prioriteiten gesteld). De rol van opdrachtgever (vanuit de gemeenten) wordt duidelijk en daadkrachtig ingevuld. Naast het inhoudelijk resultaat is vooral ook belangrijk dat er een breed draagvlak (zowel bij bestuurders als bij ambtenaren) is voor de geadviseerde meest passende organisatievorm(en) en de hierbij behorende overleg- en besluitvormingsstructuur op provinciaal niveau. Op 22 juni 2020 is het adviesrapport van Berenschot: ‘Naar een werkende samenwerking in het sociaal domein’ gepresenteerd en ook aan de gemeenten aangeboden. Als vervolg hierop heeft het Provinciaal Management Overleg (PMO) Sociaal Domein een advies opgesteld aan de 13 Zeeuwse colleges van B&W over concrete vervolgstappen n.a.v. het rapport van Berenschot (december 2020). Het college van Kapelle heeft met dit advies ingestemd.

Belangrijkste bevindingen rapport van Berenschot Op basis van de vraagstelling van de gemeenten en de vastgestelde ‘kruisjeslijst’ komt Berenschot tot de volgende bevindingen: • De uitvoering van taken functioneert (in vergelijking met de rest van het land) goed tot bovengemiddeld. Voor de uitvoering zijn de organisatievormen goed. Deze organisaties zijn zelfs nog in staat om verder te groeien en nieuwe taken uit te voeren. • De samenwerking tussen de organisaties is niet optimaal ingericht. Dit komt door het ontbreken van governance op de samenwerking. • Vier scenario’s zijn uitgewerkt om het probleem op te lossen en de onderzoeksvragen te beantwoorden: 1. Niets doen -> scoort negatief in de analyse van Berenschot; 2. Centreren in één entiteit -> scoort ook minder in de analyse van Berenschot en diverse partijen hebben aangegeven deze optie onacceptabel te vinden; 3. Verbeteren huidige structuur -> Een acceptabel en haalbaar scenario, lost echter niet alle problemen op; 4. Groeimodel Zeeuwse samenwerking -> scenario sluit het beste aan en heeft het meeste draagvlak, maar is erg uitdagend. Op basis van de belangrijkste bevindingen, beoordelingen en conclusies geeft Berenschot drie hoofdadviezen: • Een nieuwe governancestructuur voor gezamenlijke besluitvorming in te richten.

• De huidige structuur en werking van de samenwerking te verbeteren: o Verbeter de inrichting van governance van de inkooporganisatie jeugd en de GGD (Zorg in Natura op de begroting van de GGD "wringt": het AB is verantwoordelijk terwijl de lokale gemeenten zorg toewijzen) o Verbeter de governance van het CZW en het CZW-bureau (deze is ingericht met de invoering van de Wmo 2007 en is verouderd) o Vereenvoudig de ambtelijke overlegstructuur en verbeter de agendering o Bundel de krachten richting Den Haag (lobby) en zorgaanbieders (samenwerking en inkoop) • Wendbaar en behoedzaam intensiveren van de samenwerking: Berenschot stelt terughoudend te zijn met voorstellen van een shocktherapie voor het Zeeuwse sociaal domein. Men stelt voor wendbaar en behoedzaam de samenwerking te verbeteren van taken in de kruisjeslijst. Het onderzoek heeft zich dan ook alleen gericht op zaken waar de 13 gemeenten aangegeven hebben te willen samenwerken. Daarnaast wordt geadviseerd: • Neem pas besluiten over het samenvoegen van de zelfstandige organisaties binnen de samenwerking na Haagse besluitvorming rond de inrichting van de jeugdzorg.

• Kies nieuwe juridische structuren en vormen van aansturing met de vraag: o Hebben de 13 Zeeuwse gemeenten voldoende strategisch vermogen om adequaat te sturen op eventuele nieuwe juridische structuren? o Wat is op korte en lange termijn de impact van de nieuwe juridische inrichting op de dienstverlening aan de Zeeuwse burger?

-2-

o

Staat de bestuurlijke en ambtelijke energie die het kost om tot een nieuwe juridische inrichting te komen in verhouding tot de verbetering die het oplevert in de sturing door de Zeeuwse gemeenten?

Berenschot verwacht dat met het voorgaande de positie van de gemeenten (colleges en raden) duidelijker en beter wordt. Het vraagt nog steeds wel om een goed samenspel en het wederzijds investeren van tijd en aandacht in elkaar. Dat is wel de randvoorwaarde waaronder het moet gaan werken. Voorstel/advies van het PMO n.a.v. het rapport van Berenschot Meer regie en sturing vanuit gemeenten In het voorstel/advies van het management in het sociaal domein (PMO) van de 13 gemeenten wordt de kern van het advies van Berenschot onderschreven, dat er een sterkere regie en sturing nodig is vanuit de gemeenten bij de aansturing op bestuurlijk, ambtelijk en uitvoerend niveau. Om (rol)onduidelijkheid, onvoldoende inhoudelijke focus en werkdruk aan te pakken, is een verandering in structuur en processen noodzakelijk. De nieuwe advies- en besluitvormingsstructuur moet eenvoudig en eenduidig zijn. Het PMO adviseert dit direct op te pakken. Hier is het grootste effect op korte termijn te behalen. Het risico is te groot dat we verzanden en dat we onvoldoende verandering en verbetering op korte termijn realiseren, als we de drie adviezen uit het rapport Berenschot tegelijk oppakken. Voorgesteld wordt de aanpassingen van de uitvoeringsorganisaties op een later moment op te pakken.

Dit moet volgens Berenschot ook ‘wendbaar en behoedzaam’ gebeuren en daarbij hebben gemeenten ook andere belangrijke gezamenlijke prioriteiten, zoals grip op kosten in het sociaal domein. Essentieel voor dit advies is dat de keuzes voor wat we regionaal, sub-regionaal of lokaal doen, zoals dit vastgelegd en vastgesteld is in de ‘kruisjeslijst’, het uitgangspunt blijft voor alle verdere uitwerkingen in dit advies/voorstel. Dit doet recht aan het lokale primaat en is de basis voor samenwerking met vertrouwen. •

•

•

Uitgangspunten en principes In het voorstel/advies zijn een aantal belangrijke uitgangspunten en principes geformuleerd, waardoor rollen en verantwoordelijkheden duidelijker worden en de integraliteit en kwaliteit geborgd worden. Vernieuwd sturingsmodel De uitgangspunten en principes zijn door vertaald naar een nieuw sturingsmodel. In dit model is de sturing en het opdrachtgeverschap tot de essentie teruggebracht. De bestuurlijke stuurgroepen zijn vervallen en het aantal werkgroepen is teruggebracht om meer inhoudelijke focus te krijgen. Eén of tweemaal per jaar wordt er binnen het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO) door alle portefeuillehouders (gezondheid, jeugd en Wmo) een strategisch overleg sociaal domein gehouden. Het vernieuwd sturingsmodel is een groeimodel en kan in de loop van de tijd nog aangepast of bijgeschaafd worden. Uiteraard zijn er nog diverse uitvoeringskwesties, daarom zal er ook een implementatieplan worden opgesteld. Inhoudelijke focus op opgaven en onderwerpen Bestuurders bepalen de belangrijkste opgaven en onderwerpen in het sociaal domein en deze worden uitgevoerd door de kernteams. Het management en de programmacoördinatoren houden het overzicht en bewaken de voortgang.

Vervolgstappen Implementatie: Samen met het PMO, de medewerkers en de uitvoeringsorganisaties zal de huidige projectleider een implementatieplan gaan opstellen. Eind februari zijn alle 13 gemeenten akkoord gegaan met het voorstel dat door de VZG aan de colleges is aangeboden. Inmiddels is een Regiegroep ingevuld en het concept implementatieplan beschreven. Dit implementatieplan wordt 24 maart tijdens de eerste vergadering van de Regiegroep besproken. Gesprekken worden gevoerd met uitvoeringsorganisaties, de programmamanager en de beleidsmedewerkers over de rollen, posities en invulling van de kernteams. Op basis van deze gesprekken worden verdere stappen gezet om te komen tot de invulling en werking van de nieuwe advies- en besluitvormingsstructuur.

-3-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9888739/1