36. Decembercirculaire 2020
Tekst van het document
Memo Decembercirculaire 2020 Voor de gemeenteraad
1. Hoofdpunten
De uitkeringen van het gemeentefonds zijn voor gemeenten de belangrijkste inkomstenbron. Voor Kapelle komt dit neer op een bedrag van 17 miljoen euro. Dit is ongeveer 70 % van de begroting. De ontwikkeling ervan bepaalt mede daarom in belangrijke mate de financiële ruimte van gemeenten. Factoren als belastingopbrengsten, gemeentelijke rentelasten en grondexploitatie bepalen mede de financiële ruimte. Deze opbrengsten blijven buiten het bestek van deze memo. Een aantal keren per jaar informeert het ministerie van BZK de gemeenten over de ontwikkelingen van de algemene uitkering. Meestal vindt dit plaats op de volgende drie momenten in het jaar: - Mei o.b.v. de Voorjaarsnota; - September o.b.v. de Miljoenennota; - December ter afronding van het lopende jaar o.b.v. de Najaarsnota. Deze raadsmededeling gaat over decembercirculaire en heeft doorgaans een beperkte strekking. Het gaat primair om de onderwerpen die vóór het einde van jaar geregeld dienen te zijn, met het oog op de jaarafsluiting door het Rijk en gemeenten. De accessen worden niet geactualiseerd. In de decembercirculaire zijn een aantal aanpassingen doorgevoerd die invloed hebben op de te ontvangen uitkeringen uit het Gemeentefonds. De uitkering over 2020 is nu berekend op € 17.685.000. In de raming is een bedrag van € 17.708.000 opgenomen. Het verschil wordt meegenomen in de jaarrekening 2020.
Over 2021 wordt uitgegaan van een uitkering van € 17.882.000. In de begroting is € 17.822.000 meegenomen. Beide uitkeringen zijn inclusief 3e tranche Corona middelen.
Inleiding Voor u ligt de decembercirculaire gemeentefonds 2020. Gemeenten ontvangen op 3 tijdstippen in het jaar de informatie over de uitkeringen gemeentefonds; in mei o.b.v. de Voorjaarsnota, in september o.b.v. de Miljoenennota en in december, ter afronding van het lopende jaar o.b.v. de Najaarsnota. In de meicirculaire jl. is besloten om het accres te bevriezen voor de jaren 2020 en 2021. Het is aan een nieuw kabinet om in overleg met de medeoverheden te besluiten hoe in de toekomst met het accres om te gaan. In afwachting van dit besluit over de te hanteren systematiek zijn ook de accresramingen vanaf 2022 gehandhaafd op de stand zoals opgenomen in de meicirculaire 2020. Het nieuwe verdeelstelsel wordt aan het nieuwe kabinet overgelaten. De invoerdatum is een jaar opgeschoven naar 1-1-2023. Als reden noemt de minister BZK de huidige financiële positie van de gemeenten, waaronder de tekorten bij de jeugdzorg. Daarover moet eerst duidelijkheid komen, en die komt pas na een volgende kabinetsformatie. Dan wordt er besloten of er structureel geld bijkomt voor de gemeenten. Daarmee legt de minister – conform de wens van de VNG - expliciet een koppeling tussen extra geld voor de gemeenten en de herverdeling van het gemeentefonds. Het uitstel heeft geen gevolgen voor de invoering van het woonplaatsbeginsel Jeugd.
Deze beleidswijziging wordt per 1 januari 2022 doorgevoerd in de huidige verdeling. Het budget voor Voogdij en 18+ blijft tot de herijking op basis van historisch gebruik verdeeld worden, op basis van het gewijzigde woonplaatsbeginsel. Inmiddels is een adviesaanvraag aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) over de herijking gepubliceerd. Coronapakket: In het advies bij de septembercirculaire hebben we u geïnformeerd over het 1e en 2e pakket Corona-maatregelen. Inmiddels is er een 3e pakket beschikbaar gesteld. De bedragen hebben een eenmalig karakter. Hieronder is aangegeven welke onderdelen en bedragen zijn toegekend:
De Corona-impuls is voor cultuurmiddelen qua omvang het grootst. Veel van de culturele instellingen die door gemeenten worden ondersteund, komen door de coronacrisis in de problemen omdat activiteiten niet kunnen doorgaan en eigen inkomsten dalen. Met deze extra middelen worden gemeenten in staat gesteld om deze belangrijke instellingen te ondersteunen en zo de lokale culturele infrastructuur in stand te houden. De verdeling van de middelen zal verlopen volgens de IV3 uitgaven van 2019 aan cultuur. Daarmee is het bedrag dat gemeenten krijgen, gerelateerd aan de aanwezige culturele infrastructuur die door gemeenten wordt ondersteund. Het is aan de gemeenten zelf om de middelen in te zetten waar de culturele infrastructuur van hun gemeente de steun het hardst nodig heeft. In deze circulaire wordt een vooraankondiging gedaan wat betreft een aantal regelingen. Dit is dus nog niet verwerkt in de cijfers van deze circulaire. Het gaat hierbij om: 1. Afvalinzameling. Compensatie € 20 miljoen over 2020. 2. Inkomstenderving. Extra reservering € 150 miljoen in 2020. Afrekening in 2021 op basis van cijfers in de jaarrekening 2020 TONK. Het kabinet creëert een Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) voor huishoudens die door omstandigheden in ernstige financiële problemen dreigen te komen.
Voor deze tijdelijke ondersteuning wordt het bestaande instrument van de bijzondere bijstand gebruikt. In totaal is een bedrag van maximaal € 130 miljoen gereserveerd voor het eerste halfjaar van 2021.
3. Perspectief jeugd en jongeren. Voor jongeren is het essentieel om elkaar fysiek te kunnen ontmoeten. Met een jeugdpakket van € 58,5 miljoen wil het kabinet een gerichte (financiële) impuls aan gemeenten geven om samen met jongeren, lokale organisaties en evenementensector volledig Corona-proof kleinschalige activiteiten te programmeren op het gebied van cultuur, sport en andere zinvolle vrijetijdsbesteding. Welk bedrag dit voor onze gemeente zal worden, is nog niet bekend. Deze zijn dan ook niet meegenomen in de jaarrekening 2020. Buiten het gemeentefonds om worden in 2020 en 2021 nog meer compensaties verstrekt in de vorm van specifieke uitkeringen (SPUK’s) vanuit de vakdepartementen. Dat betreft:
-
Zwembanen en ijsbanen (€ 100 miljoen); Verlenging steun aan sportverenigingen (€ 60 miljoen); Toezicht en handhaving (€ 60 miljoen). (Hiervoor hebben we inmiddels een aanvraag ingediend); TOZO 3 regeling; Beschikbaarheidsvergoeding openbaar vervoer.
Sociaal Domein: Naast middelen via Coronapakket zijn ook nog andere zaken aan de orde op het vlak van het sociaal domein. Er heeft een nacalculatie plaatsgevonden van de suppletie-uitkering Overheveling integratie-uitkering sociaal domein (IUSD) omdat de relevante matstafgegevens over 2019 en 2020 bekend zijn geworden. Daarnaast hebben we een aanvraag voor de compensatieregeling Voogdij en/of 18+ ingediend welke is gehonoreerd met een bedrag van € 103.000. In een eerder college-advies daarover heeft u besloten dit geld te oormerken voor het onderdeel Jeugd in onze begroting. Het AEF heeft het onderzoek naar de kosten Jeugdhulp gereed. Door stijging van het aantal cliënten (door achterblijvende uitstroom) en kostenstijgingen becijfert men het tekort voor de gemeenten per saldo op € 1,4 miljard structureel. Meerkosten Wmo voor de gemeenten door invoering abonnementstarief is berekend op € 229 miljoen. Onze Minister de Jonge ziet hierin nog geen argument voor het nemen van aanvullende maatregelen.
Kanttekeningen en risico’s: Een hogere uitkering uit het gemeentefonds levert niet altijd per saldo meer budgettaire ruimte op. Voor een aantal onderdelen uit de uitkering gemeentefonds 2021 zijn al besluiten genomen om deze te oormerken (Voogdij € 103.000), dan wel ligt er een verzoek om de ontvangen bedragen (€ 22.000 voor intensivering armoede, schuldenaanpak en reintegratie te mogen inzetten in 2021. Aan dit laatste is wel de eis gesteld dat hiervoor deugdelijke plannen worden voorgelegd. In de 1e bestuursrapportage kunnen we hiervoor desgewenst een budgettair neutrale begrotingswijziging opvoeren. Daarnaast worden we geconfronteerd met extra kosten voor de komende Tweede Kamerverkiezingen. In deze circulaire is hiervoor een bedrag verwerkt (€ 17.000), maar zal ook aan de kostenkant een extra inspanning vragen, welke niet in de begroting 2021 is opgenomen. Door deze "claims" (in totaal € 142.000) ontstaat er zelfs negatieve ruimte, want de uitkering 2021 in totaliteit stijgt met € 60.000 (zie samenvatting). Uiteraard zal de uitkering in de loop van het jaar nog aan wijzigingen onderhevig zijn. Daarnaast is in de berekening van de uitkeringen nog geen rekening gehouden met een uitkering van de ruimte onder het BCF-plafond. Een indicatie hiervan wordt in de meicirculaire opgenomen.
Financiën: In de jaarrekening 2020 ontstaat op dit onderdeel in totaliteit een nadeel van € 14.000. Hieronder zijn de gevolgen van de decembercirculaire per jaar aangegeven: 2018: In verband met gewijzigde WOZ-waardes en ondanks een aanpassing in de uitkeringsfactor (UF), moeten we in de jaarrekening een verrekening van € 22.000 verwerken. Bijna alle maatstaven hebben inmiddels een definitieve status; slechts de maatstaf “lage inkomens” en “achterstandsleerlingen” hebben nog een status “voorlopig gegeven”. De kans op aanpassingen (zowel negatief als positief) zijn daarom zeer beperkt. 2019: Door wijzigingen in diverse maatstafgegevens (o.a.medicijngebruik) kunnen we in de jaarrekening een extra opbrengst van € 11.000 verwerken voor de uitkering over 2019. Ook voor dit jaar hebben een groot deel van de maatstaven inmiddels een definitieve status. De kans op aanpassingen (zowel negatief als positief) van aanzienlijke omvang zijn daarom beperkt. 2020: De uitkering over 2020 berekenen we nu op €17.685.000 en dat is ongeveer gelijk aan de raming na de 2e bestuursrapportage. Hieronder zijn de bedragen uit het Coronapakket (€350.000) meegenomen. De wijzigingenuit de decembercirculaire zijn: - uitkering i.v.m. Coronapakket (zie hierboven € 25.000);
-
overige mutaties, inclusief aanpassing UF. Per saldo nadeel € 3.000 over 2020.
In 2020 stijgt de UF met 2 punten door vrijval van de verdeelreserve en ontwikkelingen in de basisgegevens (bijstandsontvangers en eenouderhuishoudens). Daartegenover staat de uitname van mobiliteitshulpmiddelen WLZ van € 16,9 miljoen. Dat heeft betrekking op het volgende. Op 1 januari 2020 is de hulpmiddelenzorg aan cliënten die in een Wlz-instelling wonen vereenvoudigd. Vanaf deze datum worden mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor alle cliënten in een Wlz-instelling verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo 2015. Op basis van de realisatiegegevens over de eerste acht maanden van 2020 blijkt dat er € 16,9 miljoen te weinig is overgeheveld vanuit het Gemeentefonds naar de Wlz. Deze (nadelige) correctie vindt nu plaats voor 2020. De andere taakmutaties betreffen geringe bedragen waardoor een toelichting achterwege blijft. 2021: Er hebben nog aanpassing plaatsgevonden in diverse maatstaven (o.a. WOZ-capaciteit, jongeren). Dit heeft een nadelig effect op de uitkering. De belangrijkste mutaties uit de decembercirculaire zijn: - uitkering i.v.m. Coronapakket (zie hierboven € 98.000); - Uitkering Voogdij/18+ (€103.000, geoormerkt voor jeugd); - aanpassing maatstaven (-/- € 89.000). Ten opzichte van de begroting 2021/septembercirculaire 2020 valt de uitkering over 2021 € 60.000 hoger uit, exclusief een uitkeringsbedrag onder het BCF-plafond.
Deze uitkering staat pas vermeld in de meicirculaire 2021. De schatting hiervoor is een bedrag van circa € 50.000. Gelet op de ontwikkelingen voor Voogdij en jeugd, ontstaat er minder budgettaire ruimte in 2021 door aanpassingen in de maatstaven. De verwachting is dat de uitkering over 2021 nog diverse malen zal worden aangepast (maatstaven, UF). In de meicirculaire zal naar alle waarschijnlijkheid hierover meer duidelijkheid komen.
Overige ontwikkelingen: 1. Herijking verdeling gemeentefonds Invoering nieuwe verdeling uitgesteld Op 7 december jl. hebben de fondsbeheerders de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over het vervolgproces van de herijking van de verdeling van het gemeentefonds. De fondsbeheerders hebben besloten de besluitvorming over de invoering van de nieuwe verdeling van het gemeentefonds aan het volgend kabinet te laten51. Dit betekent dat de invoering van de nieuwe verdeling opschuift naar 1 januari 2023. Reden hiervoor is de huidige financiële positie van gemeenten en de nog lopende gesprekken met gemeenten over onder andere de toereikendheid van de financiering van de jeugdzorg. Het is van
belang dat er helderheid is over de financiële afspraken met, en positie van gemeenten alvorens tot de invoering van het nieuwe verdeelmodel over te gaan. Dit, opdat hiermee bij de wijze van invoering rekening kan worden gehouden. Nieuw woonplaatsbeginsel Jeugd Het uitstel van de invoering van de nieuwe verdeling heeft geen gevolgen voor de invoering van het woonplaatsbeginsel Jeugd. Deze beleidswijziging wordt per 1 januari 2022 doorgevoerd in de huidige verdeling. Het budget voor Voogdij en 18+ blijft tot de herijking op basis van historisch gebruik verdeeld worden, op basis van het gewijzigde woonplaatsbeginsel. Voorbereidende stappen richting invoering Hoewel dit kabinet geen besluit meer zal nemen over de invoering van het herijkte verdeelmodel, achten de fondsbeheerders het wel van belang het onderzoek af te ronden. Dit om gemeenten en de VNG de mogelijkheid te geven zich voor te bereiden op de inbreng bij de formatie. De fondsbeheerders zijn van mening dat de nieuwe verdeelmodellen een verbetering zijn ten opzichte van de huidige verdeling: ze zijn eenvoudig, beter uitlegbaar en sluiten goed aan bij de kosten die gemeenten maken. Het integrale verdeelvoorstel is meer dan alleen een optelsom van de uitgevoerde onderzoeken in het sociale en klassieke domein. Om tot een definitieve verdeling te komen moet nog een aantal afwegingen worden gemaakt.
Met de VNG is afgesproken voorafgaand aan de consultatie van gemeenten, de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) om advies te vragen. Deze adviesaanvraag zal het Ministerie van BZK in januari indienen en ter informatie aan de Tweede Kamer sturen. De voorlopige uitkomsten van de verdeling zullen tegelijk met de adviesaanvraag aan ROB worden gepubliceerd. De adviesaanvraag heeft betrekking op enkele keuzes bij de totstandkoming van de verdeling, niet op individuele uitkomsten van gemeenten. Na ontvangst van het advies van de ROB - naar verwachting eind februari, begin maart - start de consultatie van gemeenten. 2. Evaluatie normeringssystematiek
De evaluatie van de normeringssystematiek is, ter voorbereiding op de volgende kabinetsperiode, op 13 november jl. naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. Het evaluatierapport is opgesteld door een ambtelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De voorstellen in het rapport zijn erop gericht om met name de stabiliteit van de normeringssystematiek van het gemeentefonds en provinciefonds en de hieruit voortkomende accresontwikkeling te verbeteren. In de evaluatie zijn, naast de huidige systematiek, drie alternatieven uitgewerkt. Deze zijn: het herinvoeren van een behoedzaamheidsreserve, het bevriezen of vertragen van het accres en een vaste volumeafspraak bij het regeerakkoord. De huidige systematiek geldt als de meest actuele variant; bij de overige varianten is in toenemende mate sprake van meer stabiliteit ten koste van actualiteit. In de ambtelijke werkgroep is geen eenduidige voorkeur uitgesproken voor één van de beleidsvarianten. Het is uiteindelijk een politiek-bestuurlijke keuze hoe in de volgende
kabinetsperiode het belang van een stabiele accresontwikkeling wordt afgewogen tegenover een actuele aansluiting van het accres op de rijksuitgaven. Richting de komende kabinetsperiode zullen de fondsbeheerders met de VNG en het IPO verschillende varianten voor de ontwikkeling van het accres in beeld brengen ten opzichte van de bevroren stand bij Voorjaarsnota 2020. Gemeenten en provincies kunnen zo met verschillende varianten rekening houden bij het opstellen van hun begrotingen voor 2022. Ook zal de Raad voor het Openbaar Bestuur om advies worden gevraagd over de toekomst van het accres. Uiteindelijk is het aan een nieuw kabinet om in overleg met de medeoverheden te besluiten hoe in de toekomst met het accres om te gaan.
3. Stand van zaken onderzoek structurele kosten jeugdzorg
In de meicirculaire 2020 is informatie verstrekt over het onderzoek dat het kabinet met de VNG laat uitvoeren naar of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben voor de uitvoering van de Jeugdwet (vanaf 2022). Het onderzoeksbureau AEF heeft het onderzoek inmiddels afgerond waardoor het eindrapport naar verwachting nog dit jaar naar de Tweede Kamer zal worden verstuurd. De resultaten van het onderzoek dienen als inbreng van de komende kabinetsformatie. 4. Wijziging Financiële-verhoudingswet Begin 2020 is het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Financiële-verhoudingswet voorgelegd ter consultatie aan onder andere de VNG, het IPO en de Algemene Rekenkamer. Onderdeel daarvan is de vraag welk uitkeringstype past bij het oppakken van gezamenlijke opgaven. Samen met de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst werkt de Minister van BZK aan een aanpassing van het zogenaamde ‘uitkeringsstelsel’, mede vanwege de bevindingen van de Algemene Rekenkamer over de toepassing van de ‘decentralisatie-uitkering’. De reacties van de koepels en de bevindingen van de Algemene Rekenkamer over de toepassing van de decentralisatieuitkering vormden aanleiding om het wetsvoorstel op enkele punten nader te doordenken.
De Minister van BZK heeft bij de begrotingsbehandeling 2021 toegezegd het wetsvoorstel komend voorjaar aan de Tweede Kamer te zenden. Het pakket dat begin 2020 ter consultatie is voorgelegd, omvatte ook de wetswijziging die nodig is voor de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording. Dit onderdeel verloopt inmiddels via het wetsvoorstel rekenkamers. 5. Onderzoek financiële positie gemeenten In de septembercirculaire 2020 is informatie gegeven over het onderzoek dat wordt gedaan naar mogelijke doorwerking van de financiële positie op het voorzieningenniveau en de kwaliteit van gemeentelijke dienstverlening en uitvoering. Dit onderzoek omvat naast een kwantitatieve analyse van de financiën van alle gemeenten, diepte-interviews bij gemeenten en een kwalitatieve verdieping bij veertig gemeenten over de financiële keuzes die zij maken als er financiële druk ontstaat. Het onderzoek wordt in februari 2021 afgerond.
6. Informatievoorschrift 2021 Op www.rijksoverheid.nl/iv3 is een link naar de Iv3-informatievoorschriften voor gemeenten voor de verschillende jaren te vinden. Daar treft u vanaf 15 december 2020 ook het Iv3- informatievoorschrift voor 2021 aan. Het actuele Iv3-voorschrift voor zowel provincies als gemeenten en gemeenschappelijke regelingen is ook te vinden via de website www.findo.nl. Op de website is een zoekfunctie opgenomen, zodat per taak kan worden bekeken welk Iv3-taakveld daarbij hoort. Hiervan kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt bij het invullen van de Iv3-matrix. 7. Afspraken toezicht tijdigheid indiening en sluitendheid begroting In het Algemeen Overleg van de Tweede Kamer van 2 juli 2020 heeft de Minister van BZK toegezegd in gesprek te gaan met provinciaal toezichthouders over de tijdigheid van indiening van de begroting en het wel of niet sluitend krijgen van de begroting 2021 door gemeenten en de wijze waar hier in het toezicht mee kan worden omgegaan. Voor het financieel toezicht op de begroting 2021 is met IPO en VNG over het volgende gesproken in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv): Het is gebruikelijk dat de colleges van Gedeputeerde Staten en de gemeenten waar nodig, in overleg met elkaar zijn over het toezicht.
De basis van het financieel toezicht gaat, overeenkomstig de bestaande wettelijke en beleidsmatige kaders, uit van een structureel en reëel sluitende begroting, die tijdig wordt ingediend. Er kan echter bij individuele gemeenten maatwerk nodig zijn. Indien er gemeenten zijn die behoefte hebben aan maatwerkafspraken, kan een gemeente daarover in contact treden met de provincie.
8. Uitwerking motie Van der Molen Op 14 december is in het bestuurlijk overleg met IPO en VNG gesproken over de uitwerking van de motie Van der Molen, die vraagt om voorstellen te doen om de informatie die provincies hebben over de financiële positie van gemeenten in beeld te krijgen. Wettelijk is het financieel toezicht op gemeenten een bevoegdheid van de provincie. Het opstellen van een eenmalige nadere beschouwing past, gezien de specifieke omstandigheden van 2020, bij de toezichtrol die de provincies ter zake hebben. De provincies stellen in februari een beschouwing op over ‘het verhaal achter de cijfers’, oftewel een kwalitatief beeld vanuit het perspectief van de provincies. Deze beschouwing wordt gebaseerd op de gemeentelijke begrotingen over 2021, die aan de provincies ter beoordeling zijn voorgelegd, de informatie waar de provincies in het kader van het toezichtproces over beschikken en op basis van specifieke onderzoeken ter zake die in bepaalde provincies hebben plaatsgevonden. Dit naast de kwantitatieve gegevens die de provincies jaarlijks aanleveren aan het Ministerie van BZK over het aantal gemeenten dat onder preventief toezicht valt en het toezichtverslag dat jaarlijks door provincies wordt opgestuurd.