229b. Deel 2 Wereld van aandacht het daar en dan
Tekst van het document
WERELD VAN AANDACHT De wereld van het ‘daar en dan’ (deel 2)
Geschreven door Femke van Abeelen van Planet F in opdracht van Stichting Het Vergeten Kind - Juni 2021
INHOUDSOPGAVE Inleiding
3
DEEL 2: DE WERELD VAN HET DAAR EN DAN
5
1. Uit niets ontstaat nooit iets
4
2. Filosofie
6
3. Politiek
10
4. Economie
12
5. Wetenschap en technologie
16
6. Sociaal
18
7. Ruimte
22
8. Artistiek
24
A. Samen werken aan een klimaat van aandacht
26
B. De huisarts, een vertrouwd gezicht in de wijk
27
C. Relatie, Ruimte en Reflectie als leidende principes
28
D. Centraal het decentrale versterken
29
E. Veiligheid 2.0
30
F. Wonen doe je op een plek die je thuis noemt
31
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
2
INLEIDING Whitepaper De Wereld van Aandacht Dit whitepaper ‘De Wereld van Aandacht’ is opgesteld in opdracht van Stichting Het Vergeten Kind en bestaat uit twee delen; de wereld van het ‘hier en nu’ en de wereld van het ‘daar en dan’. Als kind doen we niets anders dan dromen over die andere wereld. Die wereld waar dingen anders en beter zijn. Het is die verbeeldingskracht die in ons allemaal zit, die wij willen aanboren met dit tweede deel van het whitepaper, de wereld van het ‘daar en dan’. Door verbeeldingskracht te combineren met trends, ontwikkelingen, literatuuronderzoek, ideeën en adviezen van (ervarings)deskundigen, kennisinstituten en baanbrekers, hebben wij een nieuwe wereld gecreëerd waarin onze jeugdigen leven. Een betere wereld voor jeugdigen, waarin elk kind in Nederland zich gehoord en gezien voelt, op een veilige plek woont en zich positief kan ontwikkelen, zodat het zijn/haar eigen plek vindt in de maatschappij. Dit tweede deel kent het perspectief van 2041. Vanuit dat toekomstig perspectief wordt gekeken naar de wereld van de jeugd(hulp) op dat moment en wordt teruggekeken naar de weg en gebeurtenissen in de jaren sinds 2021. De onderstaande tijdlijn geeft hiervan een klein overzicht.
2021 Deltaplan bestaanszekerheid en kansengelijkheid
Uitspraak Arbitrage VNG-Rijk Transitie tot 2028
2025
Ministerie voor Gezinnen & toekomstige relaties
Programma ‘Centraal het Decentrale versterken’ Principe ‘Goed boeren betekent ook terugploegen’ Start Scheiding Transitie Wonen en Behandeling Stop JeugdzorgPlus/gesloten setting
Halvering aantal kinderen onder armoedegrens
2030
Invoering Landelijke Standaarden
2026
Levensvaardigheid in curriculum onderwijs
2041
Heden
Nederland Gidsland voor levensgeluk & economische innovatiekracht
33% minder specialistische voorzieningen t.o.v. 2021 Transitie kleinschalige woonvoorzieningen in wijken voltooid Per 40.000 inwoners minimaal 1 kleinschalige woonvoorziening Laagste aantal uithuisplaatsingen in Europa Geen armoede onder kinderen
Landelijke definities hulp en zorg Landelijke kwaliteitsstandaard Gezinszorg Eén CAO Gezinszorg Scheiding Wonen en Behandeling
Aan de hand van zeven dimensies wordt deze nieuwe wereld beschreven en inzichtelijk gemaakt. Het doel van deze wereld is het vertellen van een nieuw verhaal. Een speculatief verhaal dat kansen en mogelijkheden schept om het ‘abstracte idee van de toekomst’ te visualiseren en er verbinding mee te maken. Wat zouden onze kinderen wensen dat wij beter voor hen gedaan hadden? Onze nalatenschap is niet iets dat wij achterlaten, maar iets dat wij gedurende ons leven creëren.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
3
Deze wereld is dus geschreven voor iedereen die een bijdrage kan leveren aan die toekomstige wereld: kinderen en jongeren, ouders, grootouders, leraren, pedagogisch medewerkers, vrijwilligers, jongerenwerkers, buurtsport coaches, wijkteams, jeugdhulpprofessionals, politici, ambtenaren, managers en bestuurders. De wereld van het ‘daar en dan’ geeft niet alleen een inkijk in de wereld waarin we zouden kunnen leven, maar deze wereld reikt ook mogelijkheden aan over hoe wij deze wereld zouden kunnen creëren. Daarbij claimen wij niet dat dit de enige paden zijn die naar het spreekwoordelijke Rome leiden. We willen niet vertellen hoe het moet, maar wel willen we inspireren door middel van concrete ideeën, voorbeelden en manieren van organiseren. Deze wereld is een hulpmiddel om voorbij de grenzen van vandaag te kijken, voorbij de beleefde hinderpalen van de korte termijn en de institutionele belangen. Een hulpmiddel om op een holistische wijze te kunnen vooruit kijken naar een andere wereld in de toekomst; de wereld van het ‘daar en dan’.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
4
DEEL EEN: DE WERELD VAN HET DAAR EN DAN 1. Uit niets ontstaat nooit iets Zoals de huidige wereld is gebouwd op de fundamenten van het verleden, zo is de wereld van ‘daar en dan’ ook verborgen in de huidige wereld. Ideeën, principes, gedachten en niches zijn al aanwezig in de wereld om ons heen. Soms zichtbaar, soms nog versluierd. Voor de wereld van het ‘daar en dan’ maken we dan ook gebruik van voorkennis van anderen en trends die op dit moment ontluiken. Deze zijn niet verborgen of geheimzinnig. Door rapporten van kennisinstituten, zoals de Sociaal-Economische Raad (SER) en het Nederlands Jeugdinstituut, tegen het licht te houden en te kijken naar gelukte en mislukte doorbraakinitiatieven, uitvindingen of processen kan een beeld worden geschetst over hoe die wereld eruit zou kunnen zien. Deze voorkennis hebben wij bij elkaar gebracht en gecombineerd met verbeeldingskracht in de voorliggende wereld van het ‘daar en dan’. Met deze wereld van het ‘daar en dan’ willen wij een overzicht schetsen, een panorama bieden van wat mogelijk is, zeker waar dit het ondenkbare betreft. Ogenschijnlijk ondenkbaar, want wij schrijven onze toekomst zelf.
De zeven dimensies Zoals een land deel uitmaakt van een continent, een continent van een planeet en een planeet van een universum kan een systeem nooit alleen en op zichzelf bestaan. Het is gebouwd uit verschillende dimensies, die samen een complex ecosysteem vormen. Ter illustratie: de manier waarop we zaken organiseren, hangt af van de wijze waarop wij onze omgeving waarnemen. Dat hangt weer af van waarden en normen. Deze zijn afhankelijk van de economische status, opleiding, cultuur, enzovoorts.
Om deze complexiteit in kaart te brengen, wordt de wereld van ‘daar en dan’ aan de hand van zeven universele dimensies in beeld gebracht. Sommige daarvan zijn sterk ontwikkeld en aanwezig, andere zijn amper zichtbaar, maar samen maken ze onze wereld.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
5
2. Filosofie In de dimensie filosofie kijken we naar de dominante denkmodellen die onze samenleving vormgeven. Het zijn deze ideeën en overtuigingen in de wereld van het ‘daar en dan’ die het ethische en morele gedrag van mensen en organisaties bepalen. Hoe we de werkelijkheid zien bepaalt hoe we samenleven, denken en werken. Door de jaren heen veranderen verhalen en daarmee ook ons wereldbeeld.
In 2041 leven we met een ander wereldbeeld dat ontstond op basis van een gevoel van ongemak over de manier waarop wij publieke taken hadden georganiseerd. Verandering was nodig op vele vlakken en dit werd zichtbaar door de complexe vraagstukken waar de samenleving mee worstelde: de klimaatcrisis, de woningnood, toegenomen kansenongelijkheid, toenemende bestaansonzekerheid en die starre, logge en bureaucratische zorgsystemen. Het publieke domein was op dat moment nog steeds ingericht op strakke controle en regel systemen, waarbij denken in productietermen, efficiëntie en rechtmatigheid centraal stonden. De stikstofcrisis, de COVID-19-pandemie en de toeslagenaffaire aan het begin van de jaren 20 van de eenentwintigste eeuw werkten als een vliegwiel voor een fundamentele overpeinzing over de inrichting van het publieke domein. Steeds meer mensen riepen op om de dingen daadwerkelijk anders te gaan zien. Publieke taken, zoals de hulp aan jeugdigen en onderwijs, stonden vol in het licht van heroverweging en herwaardering. Twee waarheden die naast elkaar bestaan: standaardisering én maatwerk Het productiedenken dat gekenmerkt wordt door (massa)productie, standaardisering, efficiency, regels en protocollen, specialisatie, kwaliteitscontrole en het voorkomen van fouten, werd verrijkt met een andere manier van denken: het complexiteitsdenken.
Door het complexiteitsdenken verkregen we het inzicht dat gezinnen complexe open systemen zijn die voortdurend in verandering zijn als gevolg van de interactie tussen de gezins leden onderling alsook tussen de gezinsleden en hun omgeving. Vele verschillende elementen en factoren kunnen een rol spelen waarom het in een gezin niet lekker draait. Daarbij hoeft geen sprake te zijn van lineaire verbanden tussen al die elementen en factoren. Om gezinnen goed te kunnen helpen was iets anders nodig dan alleen maar gestroomlijnde processen of de nauwkeurig geformuleerde zorgproducten: de menselijke maat. Ruimte voor empathie en betrokkenheid om van daaruit het juiste te kunnen doen. Elk gezin is anders en elke situatie is anders. Het is daarom belangrijk om verschil te mogen maken. Het organiseren van maatwerk werd een tweede normaal. Geen jeugdhulp, maar gezinszorg Door het omarmen van de complexiteit en de focus op de interacties tussen de gezinsleden onderling en ook de interacties met de omgeving te leggen, werd duidelijk dat het begrip ‘jeugdhulp’ niet het juiste woord was. Bijzonder gedrag van een kind of jongere kwam vaak voort uit de interacties in het gezin en diens omgeving.
Denk aan chronische stress die voortkomt uit het opgroeien in kwetsbare en traumatische omstandigheden: depressies, stress of verslavingen bij ouders, vechtscheidingen of situaties van bestaansonzekerheid.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
6
Dat leidt ertoe dat kinderen en jongeren ontregeld raken en blijven. De hulp moet zich dan ook niet alleen richten op het bijzondere gedrag van kinderen of jongeren, maar juist op de gehele omgeving. Ouders, broers, zussen, vrienden, klasgenoten, buren, het is maar net om wie het gaat. Jeugdhulp werd dan ook gezinszorg. Aandacht en zorg vanuit het hart: ruimte, relatie en reflectie Om te voorkomen dat we kinderen en jongeren reduceerden tot hun dossier, hun moeilijkheden of een nummer op de wachtlijst, werd het belangrijk dat professionals nabij zijn. Een houding die jongeren het gevoel geeft dat mensen geloven in hun kwaliteiten en hun toekomst. Echte aandacht die het voor kinderen mogelijk maakt om zich geliefd en aanvaard te voelen. Geen professionele afstand meer, maar aandacht, verbinding, contact en vertrouwen, zodat een gelijkwaardige relatie kan ontstaan. Deze nieuwe professionaliteit werd vertaald naar drie nieuwe R’en. Naast Rust, Reinheid en Regelmaat kenden we nu: Ruimte, Relatie en Reflectie. Geen dichtgetimmerde behandelprotocollen, maar instrumenten die Ruimte geven aan het gezin en de professional. Om die ruimte met elkaar in te vullen, moet er een wederkerige Relatie bestaan tussen het gezin en de professional die aansluit bij de motivatie en behoeften van dat gezin. Dit, zodat er wederzijds vertrouwen kan ontstaan.
Om de professionaliteit van de zorgverlener te kunnen borgen én voortdurend de eigen en algemene beroepspraktijk te verbeteren, wordt sterk gestuurd op Reflectie. Stabiliteit en continuïteit boven snel en goedkoop; oftewel: kwaliteit Het jarenlang organiseren vanuit het begrip efficiency leidde ertoe dat de voormalige jeugdhulp steeds verder was uitgekleed. Geld was de focus. Er was onvoldoende tijd en ruimte voor de behoeften van jeugdigen, voor professionele reflectie, coaching en ontwikkeling. Dat zorgde weer voor meer angst, onveiligheid en repressief gedrag bij professionals. Het afzonderen van jongeren bleef daardoor bestaan, net als de instabiliteit van personeel door onderbezetting, personeelswisselingen en een hoog ziekteverzuim. Om aandacht en zorg vanuit het hart mogelijk te maken, veranderde de focus van geld naar kwaliteit. Voldoende tijd en ruimte voor de behoeften van kinderen, hun omgeving en professionals. Rust, stabiliteit en continuïteit. Er vond dan ook een paradigmashift plaats: sturen op basis van kwaliteit in plaats van op efficiency. Het sturen op kwaliteit leidde tot meer tijd voor het kind en het gezin evenals minder onnodige gezinszorg.
Efficiency optimaliseren & Kostenreductie gedreven
Hogere kosten
Meer en langer hulp en verlichtingen
Minder tijd voor gezin
2025
Minder tijd voor kwaliteit
Minder kosten
Minder en korter gezinszorg
2041
Kwaliteit door relatie
Meer tijd voor gezin Meer tijd voor kwaliteit
Steunende systemen Mede door de invloed van design thinking dat in de jaren 20 van de eenentwintigste eeuw een steeds centralere rol heeft gekregen, werd de gezinszorg mensgericht georganiseerd. Niet langer zijn de specialismen, het aanbod, de financieringsstromen of de ICT-systemen van organisaties leidend voor de inrichting van die organisatie, maar bepalen de behoeften en motivatie van de gezinnen de inrichting van die organisaties. Systemen moeten dienen.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
7
Door de voortdurende analyse van hetgeen in de praktijk gebeurde, is de voortdurende vraag op directietafels: Hoe organiseren wij waarde voor gezinnen? Wat is onze opgave en wat zijn de inspanningen die gezinnen echt verder helpen? Hoe kan een (hulp)vraag zo goed en zo snel mogelijk worden geadresseerd? Hoe organiseren we de beschikbaarheid van deskundigheid? Hoe kunnen we aan diverse toezichthouders inzicht geven over hoe goed wij ons werk doen? Organisaties gooiden het roer om en dat leidde tot een netwerk van kleinere, maar meer wendbare organisaties die werkten op basis van de nieuwe professionaliteit. Alles wat niet dienend was aan de opgave om waarde te creëren voor gezinnen braken zij af of werd aangepast. Alle aandacht ging uit naar de werkzame factoren en activiteiten die echte waarde voor gezinnen leverden. Hiermee werd de lijn van succesvolle initiatieven als het Heppie (t)Huis en de Buurtzorg de nieuwe standaard. Publiek belang prevaleert boven institutioneel belang Doordat we steeds meer mensgericht gingen organiseren, werd nog beter zichtbaar hoe complex de zorg en hulp tot dan toe georganiseerd was: de vele verschillende wetten, kaders, financieringsstromen en aanbieders. Meer samenhang en samenwerking was nodig, en om dat te bereiken, kwam er een omslag in denken van institutioneel belang naar publiek belang.
Deze omslag werd bevorderd door het instellen van juridische en financiële prikkels. Zo kregen bestuurders van gemeenten de discretionaire bevoegdheid om grensconflicten op te lossen tussen wetten, organisaties en domeinen. Zo werden discussies over waar een hulpvraag thuishoorde - Passend Onderwijs of Gezinszorg? – snel beslecht. Ook werden financiële prikkels toegepast die samenwerking tussen organisaties stimuleren, zoals beloningsafspraken in het kader van shared savings. Organisaties werden gestimuleerd in het maken van keuzes: Welke vormen van zorg leveren wij wel en welke niet? Welke zorg is belangrijk voor de regio? Wat is onmisbaar? Waar zijn we goed in, waar zijn we niet zo goed in, waar kunnen we beter mee stoppen? Het ministerie en de gemeenten hadden in 2021 vanuit de Arbitrage over de jeugdhulp gelden gezorgd dat er een apart budget ‘transitiegelden’ beschikbaar was. Dit om organisaties te ondersteunen bij een zorgvuldige afbouw van vastgoed of omscholing van personeel. Bestuurders en managers die dergelijke processen zorgvuldig met empathie leidden werden gezien als topbestuurders en topmanagers. Goede voor beelden van dergelijke organisatieveranderingen werden breed uitgedragen en gedeeld door boekpublicaties als ‘De Ingreep’ van Peter Bennemeer.
Tellen en patronen ontdekken in verhalen Door onderzoek en het complexiteitsdenken zagen we in dat veel kennis over hulp aan kinderen en jongeren situationeel is. Wat bij het ene gezin had geholpen, hoefde niet per se te werken bij een ander gezin, aangezien de interacties en omstandigheden anders waren. Ook de prestatie-indicatoren hielpen organisaties en gemeenten onvoldoende bij het meten van de stand van zaken. Het aantal casussen, bereikte doelgroepen, wachtlijsten en doorlooptijden gaven nauwelijks inzicht in de vraag hoe het nu werkelijk ging met de gezinnen. Andere manieren van verantwoorden ontstonden. Steeds meer organisaties reflecteerden op verhalen van gezinnen die op een gestructureerde en gevalideerde wijze bij elkaar waren gebracht. Op basis van concrete situaties (de verhalen) kon men patronen herkennen. Patronen die de goede hulp aan gezinnen bevorderden of juist patronen die dit belemmerden. Op basis van die patronen konden vervolgens besluiten worden genomen. Bijvoorbeeld het afschaffen van bepaalde regels of juist het nemen van meer tijd in specifieke situaties. Het werd normaal om te reflecteren en te leren waardoor nieuwe manieren van denken, doen en organiseren sneller konden ontstaan.
Inclusief organiseren Voorheen onderschreven we wel met z’n allen dat er gelijke kansen en mogelijkheden voor kinderen en volwassenen moesten zijn, zodat zij mee kunnen doen in de samenleving, maar dit bleek vaker niet de praktijk. Soms werden kinderen of volwassenen onbedoeld of onbewust uitgesloten, omdat er bijvoorbeeld geen doventolk aanwezig was. Of vonden jongeren met een migratieachtergrond minder makkelijk een stage of baan dan andere jongeren met dezelfde startkwalificatie. Of konden kinderen met bijzonder gedrag niet meedoen bij de voetbalclub of onderwijs volgen in de eigen buurt. Doordat steeds meer organisaties bij de ontwikkeling van beleid, diensten, communicatie en personeel steeds meer uitgingen van ‘toegang en bruik baarheid voor iedereen’ in plaats van ‘toegang en bruikbaarheid voor de gemiddelde persoon’, nam het De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
8
gebruik van specialistische voorzieningen af. Kinderen en volwassenen konden gewoon meedoen. Vrijwilligers en professionals met pedagogisch werk werden anders gefaciliteerd, waardoor de handelsbekwaamheid van de (professionele) gemeenschap werd vergroot. Het is nu normaal dat reguliere oplossingen die voor iedereen werken de voorkeur krijgen boven losse oplossingen voor specifieke doelgroepen. ‘Inclusief organiseren’ heeft bijgedragen aan een sterke afname van specialistische voorzieningen in Nederland. Focus op talenten en kwaliteiten In de begin jaren van de eenentwintigste eeuw werd het concept positieve gezondheid gelanceerd. Dit concept ging uit van gezondheid als het vermogen van mensen om zich aan te passen aan veranderende omstandig heden en niet de aan- of afwezigheid van ziekte. De positieve ervaringen hiermee zijn in 2041 op verschillende andere domeinen overgedragen, waaronder het onderwijs en de gezinszorg. Een gezonde gezinssituatie wordt gedefinieerd op basis van de talenten en kwaliteiten binnen het systeem in plaats van problemen, zoals het hebben van een beperking, stoornis of aandoening. Verschil in talent werd voortaan geaccepteerd. De één is goed in rekenen en de ander is goed in voetballen.
De omgeving van kinderen en jongeren moet in staat zijn om het talent en de passie met elkaar te verbinden, zodat het beste in kinderen, jongeren en gezinnen naar boven wordt gehaald. Aangesproken worden op je talenten geeft energie en het ervaren van succes door kinderen en ouders versterkt het zelfvertrouwen, vergroot de mogelijkheden voor zelfexpressie, de ontwikkeling van vaardigheden en draagt daardoor bij aan het toekomstperspectief. Samen beslissen In 2041 is het heel normaal dat jeugdigen en gezinnen vanuit een gelijkwaardige relatie met elkaar ‘werken’. Mede op basis van het boek ‘De nieuwe Route’ Van Anke Siegers uit 2016 is er gestuurd op de mindset van professionals en burgers: dat de regie en verantwoordelijkheid ligt bij de betrokken mensen (de gezinnen) zelf. Er is respect voor hun autonomie. Kinderen, jongeren en ouders geven niet alleen aan wat voor hen belangrijk is, maar zij beslissen ook mee in de gezinszorg die zij krijgen. Zij bedenken met elkaar voor welke vragen zij een antwoord zoeken, nemen besluiten, bepalen hun eigen aanpak en stellen bij als de situatie daarom vraagt. Professionals gaan er daarbij vanuit dat iedereen betrokken mensen nodig heeft, een netwerk. Dat zijn mensen die er onvoorwaardelijk en onbetaald zijn, ook tijdens en na eventuele gezinszorg. De verandering in denken en zien De wereld van 2021
Transitie
De wereld van 2041
Standaardisering van zorg
Standaardisering én maatwerk in zorg
Risico’s vermijden en reddersmentaliteit: alles willen beheersen en oplossen
Acceptatie van complexe situaties: nuchterheid, bescheidenheid en een klimaat waarin fouten maken mag.
Gericht op problemen en afwijkingen
Gericht op mogelijkheden, talenten en kwaliteiten
Jeugdhulp: enkel gericht op kinderen en jongeren
Gezinszorg: gericht op het gezin en hun omgeving
Exclusief en individualistisch: specifieke hulp voor specifieke doelgroepen
Inclusief en handelingsbekwame gemeenschap: nadruk op services voor ieder
Professionele afstand
Professie vanuit het hart: aandacht, verbinding en relaties
Efficiency: goedkoop en snel
Kwaliteit: stabiliteit en continuïteit
Systeemwereld is leidend
Leefwereld is leidend en systemen steunen
Institutioneel belang
Publiek belang
Kritische Prestatie Indicatoren: tellen
Tellen en Vertellen
Deskundigheid van professionals en instellingen hebben de overhand
Gericht op participatie van kinderen, jongeren en ouders waarbij samen besluiten worden genomen
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
9
3. Politiek Binnen de dimensie politiek richten we ons op machtsverhoudingen, de heersende bestuurscultuur en de governance van entiteiten.
Maatschappelijk discussie over de rol van de overheid De toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt, globalisering, informatiestortvloed en technologische ontwikkelingen gaf voeding aan een groeiend gevoel van onzekerheid bij grote groepen in de samenleving. In de vroege jaren 20 van de eenentwintigste eeuw leidde dit tot een verscherping van tegenstellingen in de samenleving met een steeds verdergaande politieke versplintering tot gevolg. Het Nederlandse model van coalitievorming en polderen kwam steeds verder in het gedrang. Wat was nu de rol van de overheid, zo vroegen velen zich af. Was dat het ruimte te creëren waarin het maximeren van het geluk en welbevinden van alle individuen centraal stond, of ruimte creëren, gericht op het borgen van een menswaardige bestaansbasis voor iedereen? Bij de verkiezingen in 2025 werd duidelijk dat het sociale contract onder Nederland ‘het ruimte bieden voor een menswaardig bestaan voor iedereen’ was. In de daaropvolgende jaren werden ingrijpende interventies gepleegd op het gebied van bestaanszekerheid (zie ook economie), woningbouw (zie ook ruimte) en onderwijs (zie ook sociaal). Ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties In 2021 werd er veel gediscussieerd of de decentralisatie van jeugdhulp naar gemeenten wel de juiste keuze was geweest.
Meerdere organisaties en partijen adviseerden en lobbyden om de decentralisatie terug te draaien en daarmee weer een stelselwijziging door te voeren. Mede op basis van het advies van het NJI ‘Vasthoudend Transformeren’ werd ervoor gekozen om dit laatste niet te doen, maar wel veranderingen door te voeren onder het programma ‘Centraal het Decentrale versterken’, dat in 2025 werd geïntroduceerd met de komst van o.a. het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties. Gemeenten bleven verantwoordelijk voor de uitvoering van gezinszorg. De keuze voor gemeenten als kern spelers in het organiseren van die gezinszorg werd als correct en logisch gezien. Het leven van kinderen en jongeren speelt zich immers af in de wijken en buurten van die gemeenten. Dáár wonen familie, vrienden, buren en daar worden diepe relaties opgebouwd. Het is ook daar waar gebruik wordt gemaakt van zoge naamde basisvoorzieningen, zoals de school, verenigingen, clubs en de huisartsenpraktijk. Een gemeente is dan ook het beste in staat om op domeinoverstijgende wijze gezinszorg te organiseren. “Door op lokaal niveau sociale, ruimtelijk en economische elementen in de juiste mix te brengen, is de lokale gemeenschap (inclusief de lokale overheid) in staat om beschermende factoren voor gezinnen te versterken en een sterk preventief gezinsbeleid te voeren”, zo luidde het tijdens de troonrede van 2025.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
10
Er werd echter ook geleerd van de ervaringen met de ‘eerste decentralisatie van jeugdhulp’ naar gemeenten. Het was gebleken dat het irreëel was om te denken dat alle individuele gemeenten de volledige gezinszorg zelf konden organiseren. Zo was het moeilijk om administratieve processen te harmoniseren, waardoor veel bureaucratie bij zorginstellingen ontstond. Ook was de noodzakelijke samenwerking met en tussen (hoog-) specialistische zorg en Passend Onderwijs moeizaam verlopen. Het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties kreeg de systeemverantwoordelijkheid voor gezinszorg, maar ook mandaat ten aanzien van het beleid van flankerende ministeries waar verantwoordelijkheden lagen voor kinderen, jongeren en ouders. Zo kwamen ook onderwijs, kinderopvang, jeugdcultuur, jeugdsport en kinderrechters onder mede-aansturing te staan. Door een soortgelijk ministerie voor economie en sociale zaken in te richten (ministerie van Economie en Bestaanszekerheid) ontstond een netwerkorganisatie op rijksniveau die de integraliteit die nodig was op lokaal niveau daadwerkelijk kon versterken en stimuleren. Binnen het programma ‘Centraal het Decentrale versterken’ nam het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties de verantwoordelijkheid om vergaande samenwerking en standaardisering op het gebied van gezinszorg door te voeren.
Een jaar na oprichting werd de eerste Standaard gelanceerd. Hierin werden kernelementen van het inkoopproces centraal vastgelegd:
• heldere definities; • inkoop, facturatie en verantwoording (contractering, prestaties, bekostiging en contractmanagement); • kwaliteit (standaarden die recht doen aan de diversiteit van gezinszorg (van opvoedondersteuning tot specialistische hulp).
Deze standaardisering gaf gemeenten ruimte en capaciteit om zich te focussen op inhoudelijke samenwerking in het primaire proces en het bood het professionele veld ruimte om zich te focussen op effectieve gezinszorg. Regionale samenwerking tussen gemeenten richtte zich op de ontwikkeling en instandhouding van specialis tische gezinszorg door middel van regionale expertteams die lokaal inzetbaar waren, de transformatie naar kleinschalige woonvoorzieningen in buurten en wijken alsook kennisuitwisseling ten aanzien van de toegang tot gezinszorg en het versterken van wijken en buurten door middel van beschermende factoren. Ministerie voor en MET gezinnen en toekomstige generaties Het principe van horizontaal en verticaal toezicht (burgertoezicht en toezicht door toezichthouders) is in 2041 ook toegepast op beleidsontwikkeling. Het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties is hierin een van de pioniers. Het ministerie bestaat niet alleen uit ambtenaren, staatssecretarissen en een minister, maar ook uit een raad van (ervarings)deskundige adviseurs. Oftewel: jongeren, (pleeg)ouders, professionals en inhoudelijke experts (wetenschap). Zij adviseren niet alleen over het te voeren beleid, maar toetsen ook de uitvoerbaarheid van het beleid in de praktijk.
Als er bijvoorbeeld keuzes worden gemaakt waarbij een aanbieder of locatie ophoudt te bestaan, wordt er nadrukkelijk getoetst wat dit betekent voor jeugdigen en gezinnen en of er bijvoorbeeld sprake is van passende vervangende zorg. Het belang van kinderen en jongeren wordt dus proactief onderzocht en meegewogen in het voorbereiden van voorstellen en in de besluitvorming. Landelijk beleid wordt daarmee nadrukkelijk gericht op de ondersteuning van het werk in de praktijk. De politiek richt zich op de lange termijn Doordat we in Nederland geconfronteerd werden met de vele complexe crises (de klimaatcrisis, de woningnood, toegenomen kansenongelijkheid, steeds meer onzekerheid van bestaan en starre, logge en bureaucratische zorgsystemen), werd besloten om te experimenteren met nieuwe democratische vormen, zodat er effectiever gestuurd kan worden op de langetermijnproblemen van onze tijd. Zo werd onder andere de pilot ‘Bewakers van de toekomst’ ingericht; een politiek instituut dat de belangen van jongeren zonder stemrecht en toekomstige generaties behartigt en beschermt.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
11
4. Economie De dimensie economie omvat het beheer van hulpbronnen waarop de wereld van de jeugdhulp draait en de sturing daarop. Het omvat markten, belastingen, arbeid en het concept van geld als hefboom.
Een breder welvaartsbegrip: onderwijs en gezinszorg zijn een investering in de toekomst Bij de keuze in 2025 om de sectoren onderwijs, publieke gezondheidszorg, jeugdhulp en maatschappelijk-/ welzijnswerk onder de mede-aansturing te brengen van het nieuwe ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties werd uitgegaan van een ander welvaartsbegrip dan tot dan toe werd gehanteerd. In de jaren 20 van de eenentwintigste eeuw kwam steeds meer kritiek op onze economie waarin constante groei centraal stond. Er ontstond ruimte en er kwam een debat op gang over een ander welvaartsbegrip met bekende voorbeelden als de betekeniseconomie en de donuteconomie. Ook de boeken ‘Fantoomgroei’ en ‘Ministerie van Verbeelding’ van journalist Sander Heijne en oud-minister Jet Bussemaker droegen bij aan dit debat, en het nieuwe kabinet na de verkiezingen van 2025 besloot om een breder welvaartsbegrip toe te passen in de rijksbegroting. Onderwijs en gezinszorg werden voortaan niet meer opgenomen als een kostenpost, maar als een duurzame investering in onze toekomst. Het Centraal Planbureau gaat in haar rekenmodellen inmiddels ook uit van begrippen als ‘investering’ en ‘return on social investment’ in plaats van ‘kosten’ en ‘kostenbesparing’.
Heldere definities die voor iedereen begrijpelijk zijn Door de transformatiehype eind jaren 10 en begin jaren 20 van de eenentwintigste eeuw was er een scala aan nieuwe termen, modellen en verbloemende beleidstaal ontstaan. Enerzijds waren er ontegenzeggelijk nieuwe ideeën die om nieuwe termen vroegen, maar niet zelden was het – achteraf gezien – ook een manier om transformatie te suggereren of om de eigen positie van organisaties te borgen. Vanuit haar verantwoorde lijkheid om tot standaarden voor inkoop te komen die regio’s van gemeenten kunnen toepassen, heeft het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties bij het oppakken van die taak als eerste stap een eenheid van de taal in de gezinszorg doorgevoerd. Standaarden en modellen die regio’s van gemeenten konden toepassen en eventueel aanpassen op bijzondere lokale omstandigheden. Het ministerie koos ervoor om bij de eenheid in taal niet alleen te kijken naar gezinszorg, maar ook naar andere vormen van zorg. Dit zodat begrip en samenwerking tussen verschillende domeinen sneller kon groeien. Het ministerie formuleerde vier kerncompetenties die binnen alle disciplines van zorg (gezinszorg, medische zorg, geestelijke gezondheids zorg en ouderenzorg) terug te vinden zijn: 1. Adviseren = handelingsadviezen, triage en diagnose. 2. Behandelen = (j-)ggz-behandelingen, operaties, zorgstraten. 3.
Begeleiden = chronische zorg, ondersteuning bij het vergroten van kennis en vaardigheden, levensloopbegeleiding. 4. Wonen = pleegzorg, gezinshuis, woongroep, beschermd wonen, woonzorgcentra.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
12
Ten aanzien van de mogelijke bekostigingsmodellen van zorg of hulpgerelateerde diensten zijn de volgende definities of betaaltitels gehanteerd: a. Uurtarief, betalen voor tijd. b. Vast bedrag per behandeling. c. Abonnementstarief. d. Beschikbaarheidsfinanciering. Door deze eenheid in taal wordt enerzijds iedere dienst gehonoreerd voor de daadwerkelijk verrichte activiteit op de plek waar die plaatsvindt. Anderzijds biedt de beschikbaarheidsfinanciering de ruimte voor gemeenten om middelen beschikbaar te stellen voor opgaven waar meerdere organisaties aan werken. Het stellen van heldere definities met bijbehorende kwaliteitsstandaarden en protocollen voor verantwoording en facturatie brengt een grote verlichting in de bureaucratie waar aanbieders in het verleden mee te maken hadden. ‘Gezinszorg-is-niet-altijd-dé-oplossing-budget’ Om het maatwerk voor gezinnen mogelijk te maken, zorgden gemeenten dat de professionals die verantwoor delijk waren voor het organiseren van maatwerk, ook konden beschikken over een flexibel budget. Soms was een verwijzing naar een vorm van gezinszorg namelijk niet de oplossing om de stress in een gezinssituatie te verminderen, maar lag de oplossing in het creëren van meer fysieke ruimte waar de kinderen zich terug kunnen trekken.
Door middel van een flexibel budget konden andere oplossingen worden georganiseerd, zoals de plaatsing van een extra wand of dakkapel. Op de langere termijn waren dergelijke oplossingen wenselijker en duurzamer, omdat een mogelijke uithuisplaatsing werd voorkomen. In de wandelgangen werd dit flexibel inzetten van middelen als snel de ‘GINADOB’-aanpak (Gezinszorg is niet altijd de oplossing budget) genoemd. Inmiddels is deze term zelfs in de taalcanon van de Nederlandse taal opgenomen. Transitiegelden dragen bij aan toekomstgericht stelsel De arbitrage over de benodigde jeugdhulpmiddelen tussen het Rijk en de VNG (gemeenten) naar aanleiding van het AEF-rapport waarin een structureel tekort van 1,7 miljard euro was geconstateerd, was in juni 2021 afgerond. Het Rijk diende gemeenten het structurele tekort te compenseren. Het Rijk besloot om vanaf 2022 1,9 miljard euro aan gemeenten uit te keren, maar daarin wel een afbouw van structurele middelen te hanteren tot 2028. Transformeren was dus de opdracht. Het Rijk besloot daarom om incidentele middelen aan gemeenten beschikbaar te stellen om de transformatie van jeugdhulp naar gezinszorg mogelijk te maken. Hierover werden afspraken gemaakt met de regio’s van gemeenten.
Door de inzet van deze transitiegelden én langdurige contracten werd het mogelijk voor gemeenten om langdurige afspraken te maken met aanbieders van gezins zorg voor het bereiken van transitiedoelen door middel van bijvoorbeeld de transitie van vastgoed of de omscholing van personeel. Ook aanbieders met een te hoog overheadpercentage konden door de transitie gelden afspraken maken met gemeenten om de overhead omlaag te brengen, zodat de directe tijd voor de gezinnen omhoogging. De transitiegelden maakten zorgvuldigheid mogelijk in veranderingsprocessen en afbouwprocessen. Invoering ‘Goed boeren betekent ook terugploegen’-principe In de beweging naar een nieuwe bestuurscultuur en de denkrichting dat markt en publiek elkaar niet uitsluiten, werd in 2025 het ‘Goed boeren betekent ook voldoende terugploegen’-principe gelanceerd door de toen malige regering. Dit betekende dat aanbieders weliswaar winst mochten maken en dat dit ook maatschappelijk aanvaardbaar was, maar dat hierbij wel een ‘top-off’-punt werd gehanteerd waarboven de winsten werden afgeroomd om vervolgens weer geïnvesteerd te worden in de ontwikkeling van de strategische sectoren. Gemeenten werkten in regio’s nadrukkelijk samen op het gebied van contractmanagement. Structureel werden jaarrekeningen, juridische constructies en de samenhang tussen verschillende organisaties gemonitord, bestudeerd en beoordeeld.
Hierdoor werden de solide en duurzame aanbieders en diegenen die voor winst maximalisatie gingen gescheiden en kon worden bijgestuurd waar nodig. Dit heeft in 2041 geleid tot een situatie waarin het vertrouwen in de sector zowel onder de bevolking als bij de politiek is gestegen.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
13
Het ministerie werd gevoed met trends en ontwikkelingen door het contractmanagement van gemeenten. Op basis daarvan kon kennis worden gedeeld en werden kwaliteitsstandaarden en tarieven aangepast. De middelen die werden bespaard door transformatie (afname van specialistische voorzieningen) vloeiden vanuit het ministerie weer terug naar de gemeenschap via de gemeenten. Deze middelen investeerden gemeenten vervolgens in de versterking van basisvoorzieningen en andere beschermende factoren voor gezinnen. Het Deltaplan bestaanszekerheid en kansengelijkheid Naast de sectoren waarvoor het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties verantwoordelijk was, werd in de voorbije twee decennia ook een ander ministerie in toenemende mate belangrijk; het ministerie van Economie & Bestaanszekerheid. Dit ministerie werd eveneens in 2025 in het leven geroepen en was de natuurlijke opvolger van het ministerie van Sociale Zaken. Al vóór de kabinetsformatie van 2021 was het maatschappelijke debat over de afkalvende bestaanszekerheid en groeiende kansenongelijkheid geopend. Echter, toen vijftien burgemeesters opriepen om te investeren in kwetsbare wijken, werden bestaanszekerheid en kansengelijkheid hoog op de agenda gezet.
De Tilburgse burgemeester Theo Weterings: “Daar zien we bijvoorbeeld dat kinderen op school komen met leerachterstand, op een plek waar de ontwikkelingsmogelijk heden al beperkt zijn van een jonge leeftijd.” Volgens Weterings kunnen die kinderen later moeilijk aan werk komen of hebben ze niet de juiste start “om die mooie, toekomstrijke baan” te vinden.1 De herbezinning op de rol en betekenis van de overheid zorgde ervoor dat in 2025 een Deltaplan bestaans zekerheid en kansengelijkheid werd gelanceerd. Dit vormde de inhoudelijke opdracht van het nieuwe ministerie. In Nederland groeit geen enkel kind op in armoede. Dit Deltaplan had een horizon van twintig jaar en in 2030 waren de eerste voorzichtige resultaten al te zien met een halvering van kinderen die opgroeiden onder de armoedegrens. In 2041 kan geconcludeerd worden dat de vruchten van deze aanpak te overduidelijk zijn. Het aantal echtscheidingen, huiselijk geweld, verslavingsproblematiek, overgewicht en schulden zijn significant afgenomen en inmiddels hoeft geen kind op te groeien onder de armoedegrens. Een aantal maatregelen uit het Deltaplan zijn:
• Uitbreiding van de Rotterdamwet (oftewel: Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek)
waarmee gemeenten meer mogelijkheden krijgen om de leefbaarheid in kwetsbare wijken te verbeteren. Denk dan aan zaken als: extra basisonderwijs, een baangarantie voor jongeren die hun mbo-diploma halen, intensieve begeleiding van werkzoekenden en de bouw van betaalbare woningen voor de middenklasse.
•
Voor deze aanpak werd twintig jaar uitgetrokken en vijfhonderd miljoen euro. Op basis van het Nieuwe Sociale Contract (zie politiek) werd het sociale bestaansminimum opnieuw gede finieerd voor verschillende huishoudsamenstellingen. De definiëring vond niet plaats aan de hand van theoretische modellen, maar op basis van wat mensen echt nodig hebben. Dit proces wordt iedere twee jaar herhaald. Het opnieuw geijkte sociale minimum is dan ook het uitgangspunt voor bijvoorbeeld uitkeringen, het minimumloon en belastingen.
• In de kabinetsperiode 2025-2029 werd de keuze gemaakt voor een nieuw belastingstelsel. De toeslagen affaire liet de urgentie tot een nieuw stelsel pijnlijk zien. Het uitgangspunt van een nieuw belastingstelsel
was dat het voor burgers simpeler en beter te begrijpen is, dat er minder toeslagen teruggevorderd hoeven te worden aan het einde van het jaar en dat er minder eigen verantwoordelijkheid bij de burgers werd gelegd. Zo verdwenen de inkomensafhankelijke toeslagen en werden deze vervangen door een niet-inkomens afhankelijke tegemoetkoming voor zorg, huur en kind.2
• Op basis van het WRR-rapport ‘Weten is nog geen doen’ hebben veel gemeenten hun beleid en dienst
verlening op het gebied van inkomensondersteuning aangepast. Niet het verdienvermogen, maar het actieof doe-vermogen van mensen staat daarbij centraal. Vanuit de gedragswetenschappen was inmiddels bekend en aangetoond dat het vermogen van mensen om informatie te wegen en rationele keuzes te maken begrensd is. Daarom stuurden gemeenten bewust op de vereenvoudiging van systemen door formulieren, procedures en keuzes te verminderen.
1 2
https://nos.nl/artikel/2382332-burgemeesters-investeer-in-kwetsbare-wijken-anders-wordt-kloof-te-groot https://www.trouw.nl/economie/na-de-toeslagenaffaire-is-het-tijd-voor-een-nieuw-belastingstelsel-dit-zijn-de-drie-scenario-s~b90fc1ba/
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
14
• Met name in de post-COVID-19-crisis werd duidelijk dat arbeidsplekken verdampt waren, omdat de voor ziene uitgestelde consumptie niet op gang kwam. Door het kabinet werd om die reden in 2029 besloten
om in tien dorpen en steden iedere Nederlands belastingplichtige van 18 jaar en ouder per 1 januari 2030 te voorzien van een universeel basisinkomen. Dit betekende dat iedereen een gelijk inkomen ontving, waarmee een waardige levensstandaard mogelijk werd die overeenkwam met de sociale en culturele standaard van het desbetreffende dorp of stad. Er is voor eenieder een basis waarmee hij/zij kan deelnemen aan de belangrijkste maatschappelijke functies. Sterke vitale professionals en gezonde arbeidsmarkt voor gezinszorg In 2041 zijn gezinszorg, onderwijs en gezondheidszorg sectoren die niet kampen met personeelstekorten of hoge ziekteverzuimcijfers. Door de verandering in de filosofie en de organisatiewijze is de waardering (en beloning) voor professionaliteit en werk hersteld. De structurele middelen en transitiegelden voor gezinszorg versterken dit effect. Er wordt geïnvesteerd in branche-brede opleidingsprogramma’s, die in samenwerking tussen het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties, gemeenten, vakbonden, Jeugdzorg Nederland, opleidings- en kennisinstituten en (ervarings)deskundigen worden vormgegeven. In deze programma’s wordt ook nadrukkelijk aandacht besteed aan de ontwikkeling van leiderschap, waarmee hoge kwaliteit op sleutel posities binnen de keten van gezinszorg wordt geborgd.
Zoals een hoogwaardige toegang, maar ook hoge kwaliteit van personeel en voldoende tijd bij (onderzoeks)processen in het kader van gezinsbescherming en uithuisplaatsingen. Hierdoor is het aantal uithuisplaatsingen drastisch afgenomen. De opleidingsprogramma’s zijn divers en passen bij een ‘leven lang ontwikkelen’. Het gaat dus niet enkel om programma’s die jonge, nieuwe mensen opleiden, maar ook om programma’s die continu leren stimuleren, zoals bij- en nascholing, supervisie en intervisie. In lijn met de professionele standaard is er binnen deze programma’s ook ruime aandacht voor reflectie op de algemene en eigen beroepsuitoefening. Zaken als intrinsieke motivatie om het beste te doen, het vermogen om verbinding te kunnen maken, een goede balans in kennis, praktijkervaring en intuïtie, integraal vakmanschap, aanspreekbaar zijn, staan voor de beroepsethiek. Het leveren van een bijdrage aan de beroepsontwikkeling worden nadrukkelijk aangeboden, getraind en gespiegeld. Tijdens de gesprekken over de opleidingsprogramma’s ontstond ook het idee om samen campagnes te voeren op het gebied van het werven, selecteren en trainen van personeel. Het was onwenselijk dat organisaties met elkaar concurreerden om het weinige personeel dat beschikbaar was. Ook de trend dat steeds meer personeel als flexwerker ging werken, was niet goed voor kinderen, jongeren en ouders.
Dat ging ten koste van de stabiliteit en continuïteit. Daarom werden op regionaal niveau door heel Nederland gezamenlijke campagnes ingericht die zorgden voor de werving, selectie en training van personeel. Die campagnes van uitvoeringsorganisaties in regio’s waren in samenwerking met de opleidingsinstituten verantwoordelijk voor de uitvoering van de opleidingsprogramma’s. Dankzij langdurige contracten tussen aanbieders en gemeenten en duidelijkheid over transitiegelden werd ondertussen gewerkt aan een gezonde werkcontext: een normale werkdruk met voldoende tijd voor gezinnen, genoeg tijd om samen te werken met andere partners in het sociaal domein en andere manieren van verant woorden. Oftewel: er kwamen betere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor professionals die in 2025 waren vastgelegd in één sectoroverstijgende CAO Gezinszorg.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
15
5. Wetenschap en technologie In deze dimensie gaan we in op de rol van onderzoek, wetenschap en innovatie. Ofwel: de adaptatie van nieuwe collectieve en creatieve praktijken, gedragingen en handelingen door mensen in de gezinszorg.
Continu samen leren en uitwisselen: een ontwikkelingsagenda Aangezien de sector gezinszorg jong is en veel kennis en expertise situationeel is, investeerde het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties vanaf haar oprichting niet alleen in vernieuwing en samenwerking in het kader van opleiden en de arbeidsmarkt, maar ook in de ontwikkeling van kennis en expertise. Samen met universiteiten, kennisinstituten (NJI), adviesraden (RVS, SER, WRR), associatie wijkteams, Instituut voor Publieke Waarden, Garage2020 en (ervarings)deskundigen stelde het ministerie een ontwikkelingsagenda op. Gezamenlijk werd in beeld gebracht welke mogelijkheden en behoeften er waren om nieuwe kennis op te doen en wie dat op zich nam. Vervolgens werd met elkaar gedeeld op welke wijze die kennis gedeeld kon worden, zodat professionals, gemeenten en gezinnen hier hun voordeel mee konden doen. De ontwikkelings agenda wordt inmiddels actief gekoppeld aan de opleidingsprogramma’s, zodat de opgedane kennis ook in praktijk kan worden gebracht. Design: gebaande paden verlaten om tot gedurfde oplossingen te komen Naast onderzoek en het willen opdoen van nieuwe inzichten, is in 2041 het besef dat het ontwerpen van nieuwe concepten en diensten van belang is voor de continue ontwikkeling van gezinszorg in de praktijk omgezet.
In de late jaren 20 van de eenentwintigste eeuw werden het aantal garages van Garage2020 door heel Nederland uitgebreid. In deze garages komen nieuwe concepten en toepassingen tot stand op basis van design thinking. Mensen met verschillende achtergronden en afkomstig uit verschillende sectoren ontwerpen samen met kinderen, jongeren, ouders en professionals nieuwe toepassingen in de gezinszorg en testen deze in de praktijk. Door een doorlopende cyclus van ontwerpen, testen en aanpassen komt verandering sneller tot stand in de praktijk. Bewust ruimte voor nieuwe toetreders Onder leiding van het ministerie voor Gezinnen en Toekomstige Generaties en in samenhang met het onderzoeks programma geven gemeenten mogelijkheden om innovatieve concepten en organisaties toe te laten treden in de gezinszorg. Het ruimte bieden aan nieuwe toetreders om het bestaande systeem op te schudden (en daarvan te leren) in combinatie met maximaal stimuleren van echte en schaalbare innovatie, helpt in het versnellen van de vele transformatieprocessen. Daarbij was wel geleerd uit de eerdere jaren van de decentralisatie jeugdhulp en aanpak van de coronapandemie. Nieuwe aanbieders met primair economische motieven werden door strak contractmanagement herkend en gecorrigeerd. Verstandige en beperkte marktwerking zorgde voor de juiste samenwerking.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
16
Innovatie vraagt om persoonlijk leiderschap alsook moedige en vaardige bestuurders De politiek, beleidsadviseurs, managers en bestuurders van jeugdhulporganisaties hielden elkaar altijd gevangen in een eindeloze kostbare dans, zo was de analyse van de periode tot 2025. Ieder jaar stegen de kosten voor jeugdhulp en ieder jaar kwam er extra geld bij. Echt harde transformatiedoelstellingen eisten de gemeenten voorheen niet en de sector wist dat de lokale politiek het niet aandurfde om die harde transformatiedoel stellingen te eisen. Door de arbitragegesprekken tussen gemeenten en het rijk én de toenemende druk op de toegankelijkheid van de gezinssector, veranderde dit. De solidariteit van het stelsel in het algemeen liep daadwerkelijk gevaar. Om transformatie en innovatie te kunnen leiden zijn twee zaken nodig: moed en vaardig heden. Leiders die dergelijke processen durven en kunnen leiden. Daar waar geïnvesteerd werd, wordt nu ook geïnvesteerd in bestuurlijk leiderschap. Om regio’s van gemeenten en aanbieders te ondersteunen bij de grote radicale transformatie-opdrachten, zijn bewust leerkringen ingericht voor bestuurders. Vanuit andere sectoren stelden bestuurders met ervaring zich beschikbaar om hun kennis en expertise te delen in de leer kringen.
Op basis van verhalen van Peter Bennemeer (hoe een buitenstaander het ziekenhuis beter maakte) en Jos de Blok (Buurtzorg) konden bestuurders met elkaar leren, reflecteren, vaardigheden vergroten en een houding ontwikkelen van ‘willen, zien en doen’.
De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
17
6. Sociaal Deze dimensie gaat over de relationele dynamieken tussen mensen en welke invloed dit heeft op de positie van jeugdhulp in de Nederlandse samenleving.
Een mindsetverandering: bewust nieuwsgierig naar ouderschap In 2041 kunnen we zonder meer stellen dat het individualisme in de afgelopen decennia de samenleving veel heeft gebracht. Waarden als recht op zelfexpressie, je eigen mening kunnen uiten en het streven naar gelijke kansen zijn niet meer weg te denken in de moderne samenleving. Tegelijkertijd werd gedurende de jaren 10 en 20 van de eenentwintigste eeuw ook de schaduwzijde hiervan helder, versterkt door de opkomende dominantie van socialmediaplatforms en op persoonlijke profielen gebaseerde zoekresultaten, reclame en nieuws- en entertainment. Het maakte het mogelijk een eigen ‘bubble’ te creëren van informatie, virtuele relaties en prikkels, die volstrekt aansloot op de eigen perceptie en het gewenste beeld van de werkelijkheid. Dit droeg bij aan het eroderen van sociale relaties binnen de fysieke omgeving, de lokale gemeenschappen en de samen leving als geheel. Als tegenreactie begonnen gemeenten bewust te investeren in concepten die fysieke ontmoeting en gesprekken tussen mensen stimuleerden. In het begin van de jaren 20 van de eenentwintigste eeuw nog mondjesmaat, maar al snel was een trend waarneembaar. Zo ontstonden in korte tijd lokale bond genootschappen tussen ouders, partners en gemeenten, die met elkaar vrijblijvende bijeenkomsten organi seerden over het ouderschap.
Ouders met kinderen in dezelfde leeftijd werden hierbij gefaciliteerd in het reflecteren met elkaar over leuke én minder leuke ervaringen binnen het ouderschap. En met name dat laatste bleek waardevol te zijn: ‘het normaliseren van moeite en worstelingen’. De kern in deze groepen is niet elkaar vertellen wat goed opvoeden is en welke methodieken daarvoor beschik baar zijn, maar samen nieuwsgierig zijn: wat is er aan de hand en hoe sta ik in de situatie? Wat voel ik en wat denk ik? Welke keuzes kan ik maken? Wie heb ik om mij heen die mij kan ondersteunen? Door een groter bewustzijn blijken ouders beter in het anticiperen op gebeurtenissen in het leven, zoals het krijgen en hebben van een kind. De gesprekken blijken verder te gaan dan louter het opvoeden van kinderen. Het gaat ook over henzelf: hoe balanceer ik werk en thuis of hoe ervaar ik de relatie met mijn partner? Ouders waarderen deze gesprekken, want een luisterend oor, advies of concrete steun kan iedereen wel gebruiken. De wereld is in 2041 zeker niet minder complex geworden. Inmiddels zijn dit soort initiatieven niet meer weg te denken. Sociale steun - van familie, vrienden, buren en anderen in je eigen directe omgeving – is normaal en ook een belangrijke beschermende factor in het voorkomen van (herhaling van) kindermishandeling.
Het is in Nederland weer vanzelf sprekend om je voor te bereiden op het ouderschap en met elkaar te praten over twijfels en onzekerheden. Toekomstgericht Passend Onderwijs Door reflectie op de snelle technologische veranderingen, zoals automatisering en de oprichting van het ministerie van gezinnen en Toekomstige Generaties, werd ook de rol van het onderwijs tegen het licht gehouden. De historicus en futurist Yuval Noah Harari verwoordde in 2019 deze reflectie als volgt: “Aangezien we niet weten hoe de arbeidsmarkt er in 2030 of 2040 uit zal zien, hebben we geen idee wat we onze kinderen nu De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
18
moeten leren. Het meeste van wat ze momenteel op school opsteken, zal tegen de tijd dat ze veertig zijn waarschijnlijk niet relevant meer zijn.” En in de daaropvolgende jaren werd dat ook bewaarheid. Door de COVID-19-pandemie werd plaats- en tijdonafhankelijk werken de norm en namen digitale beroepen een hoge vlucht. In dat licht werd het curriculum heroverwogen, waarbij relationele vaardigheden als empathie deel gingen uitmaken van het onderwijs. “Empathie, het vermogen om je in te leven, dat zal zijn wat mensen onderscheidt van techniek”, zo sprak de Koning uit in de - achteraf gezien historische - troonrede van 2025. Deze ‘levensvaardigheden’ werden in 2030 – na diverse succesvolle pilots - formeel aan het curriculum toegevoegd als aanvulling op kennisoverdracht en cognitieve vaardigheden. Om dit goed te kunnen doen, werd er vanuit het Meerjarenakkoord Kansengelijkheid geïnvesteerd in het onder wijs, zodat hiervoor meer ruimte en tijd voor beschikbaar was. Klassen werden kleiner, leraren werden beter gefaciliteerd en de financiën voor goed onderwijs gingen direct naar de scholen toe. Scholen en leraren waren daardoor – in samenspraak met ouderraden - in staat om zelf echt passend onderwijs te organiseren.
Dit heeft tot gevolg gehad dat sinds jaar en dag kinderen met extra behoeften of bijzonder gedrag vrijwel niet meer met een busje naar instellingen voor speciaal onderwijs gaan, maar gewoon naar school kunnen in de eigen buurt. Door de extra middelen is er ook ruimte om de samenwerking tussen scholen, kinderopvang en verenigingen of stichtingen in de wijk vorm te geven. Samen werken vanuit één kindgerichte ontwikkelvisie is inmiddels de normaal ste zaak van de wereld. Hoewel verschillend verwoord en vormgegeven, is de verbindende kern de talentoriën tatie. Dit betekent dat wordt uitgegaan van de diverse talenten van kinderen en dat de activiteiten worden afgestemd op het bioritme van kinderen. Veel scholen leerden van innovatieve voorbeelden, zoals basisschool Wijde Wereld in Uden, die hiermee al in de jaren 10 en 20 van de eenentwintigste eeuw goede resultaten boekte. Strategisch investeren in het derde milieu: de vrije tijd Door de droge constatering dat een kind 5.000 uur per jaar wakker is, daarvan 940 uur op school zit, waarbij het 250 uur didactische instructie krijgt, kwam de realisering dat - naast ouders - de kinderopvang, jongeren werkers en sport- en cultuurverenigingen een grote rol (kunnen) spelen in de ontwikkeling van een kind.
Gemeenten en partners ondernamen gezamenlijk werkbezoeken naar andere landen in Europa waar overheden en partners juist veel meer tijd en geld investeerden in de vrije tijd van kinderen en waar informeel ontwikkelen met plezier (en zonder prestatiedruk) sterk georganiseerd is. Op basis van die werkbezoeken investeerden gemeenten sterk in het derde milieu van vrije tijd waarin kinderen en jongeren hun talenten kunnen ontdekken, benutten en ontwikkelen. Middelen beschikbaar stellen voor goed jongerenwerk werd normaal. Gemeenten zorgden ervoor dat er nooit financiële belemmeringen konden zijn voor kinderen om lid te worden van een vereniging of club en ouders en scholen zetten zich in om lidmaatschap te stimuleren. Deskundigheid om te leren omgaan met bijzonder gedrag werd gratis beschikbaar gesteld aan vrijwilligers bij clubs en verenigingen. Door de experimenten met basisinkomen konden meer mensen zich als vrijwilliger inzetten voor de organisaties in de vrije tijd. Laagdrempelige en hoogwaardige toegang die voor kinderen, jongeren en ouders logisch is Door de ontstaansgeschiedenis van de gezinszorg was de toegang waar gezinnen terechtkonden met een hulpvraag sterk versnipperd. De landelijke overheid besloot aan het begin van de eenentwintigste eeuw onder andere door de inrichting van Bureau Jeugdzorg en de Centra voor Jeugd en Gezin deze te vereenvoudigen.
Uiteindelijk bleek dit niet het gewenste effect te hebben. In de vroege jaren 20 van de eenentwintigste eeuw – met de omslag in denken richting ‘kind en gezin centraal in handelen’ én het feit dat het in eigen regie (laten) uitvoeren van de toegang geen positief effect bleek te hebben (inhoudelijk en financieel) besloot men de toegang te koppelen aan plekken waar ouders van nature kwamen: de huisartspraktijk. Dit bleek de meest normale en logische plek voor gezinnen om een vraag te stellen. Bijna alle gemeenten in Nederland besloten vanaf 2024 om de aparte loketten af te breken en de toegang tot gezinszorg volledig onder te brengen bij de huisartsenpraktijken in de wijken, buurten en dorpen. Daar werkten namelijk jeugd- en gezinsspecialisten die gezinnen konden ondersteunen. Dit deed de jeugd- en gezinsspecialist vaak zelf door eigen expertise in te zetten als orthopedagoog of j-ggz-psycholoog en anders haalde de jeugd- en gezinsspecialist er de benodigde hulp of ondersteuning bij. De Wereld van Aandacht Deel 2: De wereld van het ‘daar en dan’
19
Invulling toegang volgens het ‘first time right’-principe Niet alleen werd de toegang anders gepositioneerd. Ook de onderliggende filosofie is aangepast: volgens het 'first time right'-principe. Dit betekent dat in de toegang hoogwaardige professionals werkzaam zijn: de jeugd- en gezinsspecialisten (orthopedagogen en j-ggz-psychologen). Dit principe was in de jaren 10 van de eenentwintigste eeuw al ingevoerd bij ziekenhuizen. Daar werkten op de eerste hulp bij ziekenhuizen veel artsen in opleiding of beginnende artsen. De gedachte was dat dit goedkoper was dan het inzetten van meer ervaren medisch specialisten. Echter, uit onderzoek bleek dat bij meerdere vraagstukken de startende artsen onzeker waren. Om zekerheid te krijgen, werden meerdere aanvullende onderzoeken uitgevoerd. In veel gevallen gaf dat nog steeds voldoende zekerheid en moest vervolgens de medisch specialist alsnog betrokken worden. Vaak was de uitkomst dat een opname bij nader inzien niet nodig bleek. Deze manier van werken was uiteindelijk dus niet goedkoper én zorgde ook voor onnodige zorg én bezorgdheid bij de patiënt. Meerdere ziekenhuizen voerden daarom de praktijk in dat de medische specialist aan de voorkant gelijk meekijkt in situaties van twijfel. Het aantal onderzoeken nam drastisch af, de doorloopsnelheid ging omhoog en de waardering bij de patiënten ging omhoog.
Voor de toegang tot gezinszorg betekent dit het hierna omschreven: Op basis van het gesprek heeft de huisarts inmiddels grofweg drie wegen ter beschikking: 1. bij lichamelijke klachten zelf behandelen of een medisch specialist inzetten voor behandeling; 2. bij ggz-problematiek inzet van praktijkondersteuner jeugd-ggz of doorverwijzing naar 2e lijn jeugd-ggz; 3. bij vragen over opvoeden, opgroeien of ontwikkelen hetzij handelingsadvies geven of een jeugd- en gezinsspecialist inzetten voor begeleiding. Deze jeugd- en gezinsspecialist (orthopedagoog) kan samen met het gezin de tijd nemen om hun vraag te onderzoeken:
• Wat willen jullie? • Wat heb je daarvoor nodig? • Wat kan je daarin zelf doen? Soms was een gezin al geholpen met het helder krijgen van de vragen en konden zij daar zelf mee vooruit. Anders waren er twee mogelijkheden voor vervolg. 1. De vraag van het gezin was eenvoudig, maar extra begeleiding was wel nodig. In dit geval kan de jeugden gezinsspecialist het volgende doen: a. D e vaardigheden van het kind vergroten: leren omgaan met anders zijn (ADHD, autisme, hoogbegaafdheid, handicap) en sociale vaardigheidstrainingen (weerbaarheid). b. De vaardigheden van de ouder vergroten: leren omgaan met bijzonder gedrag, leren omgaan met een handicap, Triple P, centrering. c. M ocht blijken dat er toch ggz-behandelingen nodig waren, dan kon een jeugd- en gezinsspecialist deze expertise er alsnog bij halen.