CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-16d D26.356151 Bijlage 4 - Ontwerpregeling Sociaal Domein Zeeland (gewijzigd).

Raadsvergadering 23 juni 2026, gemeente KapelleBij agendapunt: Toestemming GR Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland7.158 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL DOMEIN EN JEUGDREGIO ZEELAND De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen, ieder voor zover zij bevoegd zijn, overwegende: dat er in Zeeland wordt samengewerkt op het gebied van jeugdhulp, beschermd wonen, maatschappelijke en vrouwenopvang, sociale veiligheid, toezicht en naleving, discriminatie, preventieve gezondheidszorg en welzijn en projecten in het sociaal domein; dat de colleges en raden van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland en Tholen samenwerken op het terrein van welzijn en maatschappelijke ondersteuning via de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio (SWVO) en dat ook de colleges van de gemeenten Middelburg en Veere een taak afnemen; dat de colleges van de dertien gemeenten in Zeeland één gemeenschappelijke regeling voor het sociaal domein en jeugdregio voor Zeeland willen instellen, met inachtneming van de verplichting in de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg voor colleges in een jeugdregio om vanaf 1 januari 2027 een gemeenschappelijke regeling te treffen voor het verrichten van in deze wet bedoelde werkzaamheden; dat de gemeente Vlissingen op basis van het Besluit maatschappelijke

ondersteuning voor de regio Zeeland aangewezen is als centrumgemeente en dat de colleges de Partnerschapsafspraken Beschermd Wonen en Opvang 2024 overeengekomen zijn en de inhoud van deze afspraken, passend binnen de nieuwe samenwerkingsstructuur en werkwijze, in deze gemeenschappelijke regeling opnemen en daarmee borgen; dat de colleges in deze gemeenschappelijke regeling invulling willen geven aan een integrale en robuuste organisatiestructuur waarin efficiënte en effectieve werkprocessen zijn geborgd en schaal- en synergievoordelen worden behaald en waarin adequaat wordt ingespeeld op ontwikkelingen; dat de bestaande deelnemers van SWVO de gemeenschappelijke regeling SWVO wijzigen in deze gemeenschappelijke regeling, om vervolgens toestemming te geven aan de nieuwe deelnemers om toe te treden tot de gewijzigde regeling; dat de colleges de taken en bevoegdheden in het kader van Jeugdwet vanuit de gemeenschappelijke regeling GGD Zeeland overdragen aan deze gemeenschappelijke regeling, als gevolg waarvan de gemeenschappelijke regeling GGD Zeeland zal worden gewijzigd; dat de hiervoor bedoelde wijziging van de gemeenschappelijke regeling GGD tegelijk loopt met de samenvoeging van de gemeenschappelijke regeling GGD Zeeland met de Veiligheidsregio Zeeland en dat ook taken en bevoegdheden van SWVO overgingen naar de nieuwe gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland en dat

daarom deze taken niet in deze regeling zijn opgenomen; gelet op: de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet tijdelijk huisverbod, de Jeugdwet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra,

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

1

de Wet op het voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Wet gemeenschappelijke anti-discriminatievoorzieningen, de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten en de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen; BESLUITEN: de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio te wijzigen in de navolgende Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland: HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 - Begripsomschrijvingen 1.

Deze regeling verstaat onder: a. Basistaken: taken die door het openbaar lichaam voor alle deelnemers worden uitgevoerd; b. Beschermd wonen: Beschermd wonen zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. Deelnemers: de colleges van de dertien Zeeuwse gemeenten; d. De regeling: de gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland; e. Jeugdhulp: jeugdhulp zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet; f. Jeugdregio: regio Zeeland, bestaande uit de dertien Zeeuwse gemeenten; g. Jeugdzorg: jeugdhulp, kinderbescherming en jeugdreclassering; h. Opvang: opvang zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waaronder maatschappelijke opvang en vrouwenopvang; i.

Regionaal expertteam: een team met experts dat desgevraagd adviseert over jeugdigen met complexe problemen;

j.

Plustaken: taken, niet zijnde basistaken, die door het openbaar lichaam voor deelnemers kunnen worden uitgevoerd;

k. Samenwerkingsmodule: een afbakening van bij elkaar horende taken en bevoegdheden op basis van inhoudelijke, bestuurlijke, financiële en juridische criteria. 2.

Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of enige andere wet of wettelijke regeling van (overeenkomstige) toepassing worden verklaard, worden in die artikelen in de plaats van de gemeente, de raad, het college, de burgemeester, onderscheidenlijk gelezen het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Artikel 2 – Missie en doelstelling Deze regeling heeft tot doel een doeltreffende en doelmatige samenwerking door de Zeeuwse gemeenten te realiseren. Dit door gezamenlijk taken uit te voeren binnen de jeugdzorg, beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, sociale veiligheid, toezicht en naleving, welzijn en maatschappelijke ondersteuning. Artikel 3 - Openbaar lichaam 1.

Er is een openbaar lichaam, genaamd Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland.

2.

Het openbaar lichaam bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in Goes.

3.

Het rechtsgebied van het openbaar lichaam omvat het grondgebied van de gemeenten van de deelnemers.

4.

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 4 - Bestuursorganen Het openbaar lichaam heeft onderstaande bestuursorganen:

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

2

a.

het algemeen bestuur;

b.

het dagelijks bestuur;

c.

de voorzitter.

HOOFDSTUK 2: BELANGEN, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN Artikel 5 - Belangen en taken 1.

De regeling is getroffen voor de belangen van de deelnemers op het gebied van het sociaal domein en

2.

De regeling biedt het kader voor de samenwerking en voorziet in basistaken en in plustaken die zijn

jeugdzorg. ondergebracht in samenwerkingsmodules, zoals opgenomen in artikel 6. 3.

De samenwerkingsmodules die zien op basistaken worden door de deelnemers aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam regeling overgedragen, tenzij op grond van de wet of deze regeling het dagelijks bestuur met de taak of bevoegdheid is belast.

4.

De samenwerkingsmodules die zien op plustaken worden door de deelnemers aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam regeling opgedragen, tenzij op grond van de wet of deze regeling het dagelijks bestuur met de taak of bevoegdheid is belast.

Artikel 6 - Samenwerkingsmodules 1.

De regeling omvat de volgende samenwerkingsmodules: a. Samenwerkingsmodule 1: jeugdzorg; b. Samenwerkingsmodule 2: beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang; c. Samenwerkingsmodule 3: sociale veiligheid, preventie en toezicht; d. Samenwerkingsmodule 4: welzijn en maatschappelijke ondersteuning.

2.

De samenwerkingsmodules 1 t/m 3 zien op de basistaken die alle deelnemers afnemen.

3.

Samenwerkingsmodule 4 ziet op de plustaken waarbij de deelnemers kunnen besluiten deze af te nemen en ook kunnen besluiten welke plustaken door het openbaar lichaam te laten uitvoeren. In de bijlage, die onlosmakelijk bij deze regeling hoort, is een overzicht opgenomen waarin aangegeven is welke deelnemer welke plustaken door het openbaar lichaam laat uitvoeren. Nadere afspraken over de plustaken worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst.

4.

Een deelnemer kan aan het algemeen bestuur een verzoek indienen om ten aanzien van een taak of bevoegdheid partieel uit te treden, voor zover de wet dit toestaat. Voor een dergelijke partiële uittreding gelden onverkort de bepalingen uit hoofdstuk 11.

Artikel 7 - Bevoegdheden 1.

Samenwerkingsmodule 1 heeft betrekking op jeugdzorg. Hiervoor worden door de deelnemers op grond van de Jeugdwet de volgende taken en bevoegdheden overgedragen: a. het regionaal contracteren en subsidiëren van verschillende bij algemene maatregel van bestuur te bepalen vormen van jeugdhulp, alsmede gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, en jeugdreclassering; b. het regionaal contracteren en subsidiëren van vormen van jeugdhulp, niet zijnde vormen opgenomen in de algemene maatregel van bestuur als bedoeld onder a, voor de initiële contractperiode 2028 – 2031; c. het uitvoeren van administratieve processen voor het contracteren en subsidiëren. Deze administratieve processen zullen voor alle deelnemers gelijk zijn; d. bovenregionale afstemming over een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van de jeugdhulpvormen die door de jeugdregio worden gecontracteerd, als mede over de gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; e. de organisatie van de regionale expertteams; f. het in samenwerking met de deelnemers opstellen van een door de raden vast te stellen regiovisie en coördinatie van de uitvoering van de vastgestelde regiovisie;

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

3

g. het inrichten van een crisisorganisatie bij dreigende discontinuïteit cruciale jeugdhulp overeenkomstig het landelijk draaiboek Continuïteit jeugdhulp. 2.

3.

Samenwerkingsmodule 2 heeft betrekking op beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. 1. Zo lang het rijk centraal de middelen verstrekt aan de centrumgemeente Vlissingen voor Zeeland, draagt het college van Vlissingen de volgende taken en bevoegdheden over. Als de voorgenomen decentralisatie door het rijk wordt doorgevoerd dragen alle deelnemers de volgende taken en bevoegdheden over: a. het contracteren of subsidiëren van verschillende vormen van beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Norm voor Opdrachtgeverschap Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang; b. het uitvoeren van administratieve processen die horen bij het contracteren en subsidiëren van beschermd wonen; c. het in samenwerking met de deelnemers opstellen en uitvoeren van de regiovisie beschermd wonen en opvang. d. het uitvoeren van de adviestaak ten aanzien van individuele casuïstiek (onafhankelijk deskundige); e. advisering over dak- en thuisloosheid. 2. Zo lang het rijk centraal de middelen verstrekt aan de centrumgemeente Vlissingen voor Zeeland, draagt het college van Vlissingen de volgende taken en bevoegdheden over. Als de voorgenomen decentralisatie door het rijk wordt doorgevoerd dragen alle deelnemers de volgende taken en bevoegdheden over: a.

het contracteren en subsidiëren van maatschappelijke opvang en vrouwenopvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; b. het uitvoeren van administratieve processen voor het contracteren en subsidiëren van maatschappelijke opvang en vrouwenopvang; c. het in samenwerking met de deelnemers opstellen en uitvoeren van de regiovisie beschermd wonen en opvang. d. advisering over dak- en thuisloosheid; e. het uitoefenen van de adviestaak over individuele casuïstiek; f. het uitvoeren van de taken huiselijk geweld en kindermishandeling op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en zoals vastgelegd in de door de raden vastgestelde regiovisie; g. vanuit de doeluitkering beschermd wonen uitvoering geven aan het Innovatiefonds extramuralisering en ambulantisering geestelijke gezondheidszorg Zeeland; Samenwerkingsmodule 3 heeft betrekking op sociale veiligheid, preventie en toezicht. Hiervoor worden door de deelnemers de volgende taken en bevoegdheden overgedragen: a. het uitvoeren van de toezichthoudende taak op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet; b. ondersteuning en coördinatie bij de preventieve aanpak van radicalisering en extremisme; c. het coördineren van de uitvoering van de Zeeuwse aanpak jeugd- en alcohol/middelengebruik; d. uitvoering geven aan de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen; e.

het ondersteunen en faciliteren van de deelnemers en ketenpartners bij de uitvoering van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Aanpak personen met zorgwekkend gedrag; f. het verlenen van subsidie aan de uitvoerders van zorg voor het uitvoeren van de Levensloopaanpak op basis van de Ketenveldnorm.

4.

Samenwerkingsmodule 4 heeft betrekking op welzijn en maatschappelijke ondersteuning. Hiervoor kunnen door de deelnemers afzonderlijk de volgende taken en bevoegdheden worden opgedragen: a. b.

c.

het contracteren van aanvullende niet specialistische jeugdhulp na de initiële periode 2028 - 2031; aanvullende beleidsondersteuning, beleidsontwikkeling en beleidscoördinatie met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, met uitzondering van de toeleiding tot maatwerkvoorzieningen als bedoeld onder sub d; uitvoering van cliëntondersteuning en andere algemene voorzieningen waaronder het algemeen maatschappelijk werk op grond van de artikelen 2.2.3 en 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

4

d.

inkoop en aanbesteding van maatwerkvoorzieningen op grond van artikelen 2.6.3 tot en met 2.6.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; e. uitvoering geven aan de totstandkoming van het subregionaal beleid van volwasseneducatie, zoals een subregionale aanpak laaggeletterdheid en basisvaardigheden; f. cultuureducatie op grond van de Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit Fonds voor Cultuurparticipatie 2021-2024; g. uitvoering van het bibliotheekwerk op grond van de Wet stelsels openbare bibliotheekvoorzieningen; h. aanvullende beleidsondersteuning, beleidsontwikkeling en beleidscoördinatie op het gebied van preventief gezondheidsbeleid; i. het toekennen van leerlingenvervoer op grond van de gemeentelijke verordening bekostiging leerlingenvervoer, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra. 5. Binnen de samenwerkingsmodule 4 over welzijn en maatschappelijke ondersteuning kunnen deelnemers, indien de andere deelnemers daar unaniem mee instemmen, extra plustaken opdragen aan het openbaar lichaam. 6.

Ter uitvoering van de hiervoor overgedragen en opgedragen taken en bevoegdheden vallen in ieder geval het voeren van een financiële administratie, contractbeheer, monitoring van uitgaven, inkomsten, prognoses en het bijhouden van wachtlijsten, het deelnemen aan overleggen, het bewaken van Zeeuws brede afspraken, het gevraagd dan wel ongevraagd geven van informatie en advies, het zijn van een aanspreekpunt voor deelnemers, zorgaanbieders en uitvoerders, het aanvragen van subsidies, beslissen op klachten en bezwaarschriften, instellen van (hoger) beroep en verweer voeren in (hoger) beroep en andere noodzakelijke werkzaamheden. Artikel 8 - Reikwijdte Indien de wet- en regelgeving op grond waarvan de taken en bevoegdheden die in het kader van deze regeling worden uitgevoerd wordt gewijzigd, worden deze taken en bevoegdheden geacht te worden uitgevoerd op basis van die gewijzigde wet- en regelgeving, alsmede het geldende overgangsrecht. HOOFDSTUK 3: HET ALGEMEEN BESTUUR Artikel 9 - Samenstelling 1.

Elke deelnemer wijst uit zijn midden een lid en plaatsvervangend lid aan voor het algemeen bestuur. Dit binnen één maand na de benoeming in het college. Het lidmaatschap eindigt van rechtswege zodra het lid zijn functie in het college verliest.

2.

Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervanger aan.

3.

Een lid dat ontslag neemt stelt de voorzitter van het algemeen bestuur hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk. De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college die het aangaat.

4.

Een lid blijft zijn functie vervullen totdat in zijn opvolging is voorzien.

Artikel 10 - Bevoegdheden van het algemeen bestuur 1.

Aan het algemeen bestuur komen alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn op- of overgedragen. Het algemeen bestuur kan met uitzondering van het bepaalde in lid 5 en voor zover de aard van de bevoegdheid zich hier niet tegen verzet, bevoegdheden overdragen aan het dagelijks bestuur.

2.

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van in ieder geval de volgende verordeningen: a. een verordening voor de behandeling van bezwaarschriften als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht; b. een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman; c. een Financiële verordening en een Controleverordening.

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

5

3.

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het oprichten en deelnemen aan stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dit noodzakelijk is voor de belangen van deze regeling. Dit besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de dertien gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen te uiten.

4.

Het algemeen bestuur kan commissies instellen als bedoeld in de artikelen 24, 24a en 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In ieder geval worden adviescommissies ingesteld voor jeugd, voor de deelnemers van de plustaken en voor de behandeling van klachten en bezwaarschriften.

5.

De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar: a. het aanwijzen van een voorzitter en plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van de Financiële verordening en de Controleverordening; e. een verordening voor de behandeling van klachten en bezwaarschriften; f. het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling; g. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wet gemeenschappelijk regelingen.

Artikel 11 - Werkwijze 1.

Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast en brengt dit ter kennisname van de deelnemers.

2.

Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als het daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder als de voorzitter dit nodig acht of ten minste drie leden dit verzoeken. Dit onder schriftelijke opgave van redenen en het te behandelen onderwerp. In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats.

3.

De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op met mededeling van dag, tijdstip en plaats. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden met de oproep ter inzage gelegd. De vergaderingen zijn openbaar tenzij tenminste drie aanwezige leden verzoeken om de deuren te sluiten en de voorzitter dit nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

4.

In de vergadering van het algemeen bestuur worden alle besluiten genomen bij meerderheid van stemmen, waarbij de leden een gewogen stem uitbrengen, inhoudende één stem per 5.000 inwoners van hun gemeente. Het aantal inwoners wordt hierbij afgerond naar boven. Voor het bepalen van het aantal inwoners wordt per raadsperiode gekeken naar het aantal inwoners op 1 januari voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen. Net als het wijzigen van de regeling moet het vaststellen van de jaarrekening, de begroting of begrotingswijzigingen en een wijziging van de financiële verdeelsleutel genomen worden met een meerderheidsbesluit van tenminste twee derde van de gewogen stemmen.

5.

Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 20 (quorum voor opening van vergadering), 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), 26 (handhaving orde vergadering), 28 (nietdeelname aan de stemming), 29 (quorum voor geldige stemming), 30 (tot stand komen besluit), 31 (geheime stembriefjes), 32 (overige stemmingen) en 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur).

Artikel 12 - Besloten vergadering/geheimhouding In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.

HOOFDSTUK 4: HET DAGELIJKS BESTUUR

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

6

Artikel 13 - Samenstelling 1.

Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden, te weten de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en één ander lid. Er is een lid namens de deelnemers uit de Oosterschelderegio, een lid namens de deelnemers uit Walcheren en een lid namens de deelnemers uit Zeeuws-Vlaanderen.

2.

De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur.

Artikel 14 - Einde lidmaatschap 1.

Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

2.

De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop de zittingsperiode van de raad afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het moment dat het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling de nieuwe leden voor het dagelijks bestuur heeft aangewezen.

3.

Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Een nieuw lid wordt binnen twee maanden aangewezen.

Artikel 15 - Werkwijze 1.

Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak als het daartoe heeft besloten en als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met een schriftelijke opgave van redenen en het te behandelen onderwerp. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ontvangen.

2.

Het dagelijks bestuur kan zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt dit

3.

Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken is het

besluit mee aan het algemeen bestuur. besluit niet aangenomen. 4.

Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en verstrekt dit ter kennisname van het algemeen bestuur.

Artikel 16 – Bevoegdheden van het dagelijks bestuur 1.

Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd: a.

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast;

b.

beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren;

c.

regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam;

d.

tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

e.

te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

f. 2.

direct optreden bij een acute crisis volgens het landelijke draaiboek continuïteit jeugdhulp.

Het dagelijks bestuur neemt, alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen ter voorkoming van verjaring, verlies van recht of bezit.

HOOFDSTUK 5: DE VOORZITTER

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

7

Artikel 17 - Benoeming en Taak 1.

De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.

2.

De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan.

3.

De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen persoon.

4.

Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een geding waarbij het openbaar lichaam is betrokken, wordt het openbaar lichaam vertegenwoordigd door de plaatsvervanger of door het derde lid van het dagelijks bestuur.

5.

Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

HOOFDSTUK 6: DE DIRECTEUR Artikel 18 - Functie, Benoeming en Taak 1.

De bestuursorganen van het openbaar lichaam worden bijgestaan door een directeur, aan wie in het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt. De directeur vervult voor het algemeen en het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris.

2.

De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur.

3.

De directeur is belast met de dagelijkse leiding van het openbaar lichaam.

4.

De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

5.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een statuut. Het statuut wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur.

6.

De directeur is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur.

7.

De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden.

8.

Het dagelijks bestuur wijst de functionaris aan die als plaatsvervanger optreedt voor de directeur in geval van diens afwezigheid.

HOOFDSTUK 7: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 19 – Interne verantwoordingsplicht 1.

De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

2.

Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

3.

Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer

4.

De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem

leden daarom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. gevoerde bestuur. Artikel 20 – Externe informatieplicht 1.

Het algemeen, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden van de gemeenten van de deelnemers ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

2.

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden van de gemeenten van de deelnemers alle inlichtingen die door een of meer raden worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden.

3.

Belangrijke financiële, beleidsmatige of organisatorische ontwikkelingen of afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zenden het algemeen en dagelijks bestuur via een tussentijdse rapportage zo spoedig mogelijk aan de raden van de gemeenten van de deelnemers. Dit ter informatie.

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

8

4.

Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie zij is aangewezen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wet gemeenschappelijk regelingen, verantwoording verschuldigd over het door hem of haar in dat bestuur gevoerde beleid.

HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL Artikel 21 - Personeel 1.

Bij het openbaar lichaam is personeel werkzaam.

2.

Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel de arbeidsvoorwaardenregeling vast.

3.

Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.

4.

Het dagelijks bestuur is bevoegd ten aanzien van de aanstelling, schorsing en ontslag van personeel.

HOOFDSTUK 9: FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 22 - Begrotingsprocedure 1.

Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in de artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

2.

De raden van de gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting aan

3.

Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór

het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Zeeland. 4.

Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.

5.

Een begrotingswijziging wordt alleen opgesteld indien de bijdragen van de deelnemers naar boven worden bijgesteld of indien de bijdragen van de deelnemers niet in het onderhavige jaar, maar in het volgende jaar en/of volgende jaren naar boven worden bijgesteld.

Artikel 23 - Bijdragen van de deelnemers 1.

De voormalige deelnemers aan gemeenschappelijke regeling SWVO dragen de bestaande middelen

2.

De voormalige deelnemers aan het samenwerkingsconvenant voor het CZW-bureau dragen de

op 1 januari 2027 over aan de gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland; bestaande middelen op 1 januari 2027 over aan de gewijzigde gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland; 3.

Centrumgemeente Vlissingen draagt namens de voormalige deelnemers van de partnerschapsafspraken beschermd wonen en opvang 2024 eenmalig een nader te bepalen bedrag over voor het vormen van een bestemmingsreserve zorginfrastructuur;

4.

In de begroting staan de bijdragen die de gemeenten van de deelnemers verschuldigd zijn. De gemeenten van de deelnemers betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van maand 1/12 deel van de bedoelde bijdrage. Voor de taken in samenwerkingsmodule 2 (Beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang) geldt een afwijkende regeling. Vooralsnog stelt Vlissingen als centrumgemeente de benodigde bijdrage beschikbaar namens de voormalige deelnemers van de partnerschapsafspraken beschermd wonen en opvang 2024.

5.

De jaarlijkse bijdrage van de deelnemers wordt berekend op grond van onderstaande verdeelsleutels: a.

de kosten voor specialistische jeugdhulp als bedoeld in artikel 7 lid 1, a. tot met e, worden door de gemeenten van de deelnemers bekostigd op grond van de werkelijke kosten. Voor de

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

9

aanvullende kosten die niet kunnen worden doorgerekend, wordt de verdeelsleutel gehanteerd op grond van inwoneraantal. b.

voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang stelt vooralsnog Vlissingen als centrumgemeente in de huidige centrale bekostigingsmethodiek op basis van de begroting de budgetten beschikbaar. In een mogelijke toekomstige decentrale bekostigingsmethodiek stellen de gemeenten van de deelnemers op basis van de begroting de budgetten beschikbaar ter dekking van de lasten.

c.

de overige kosten voor de basistaken als bedoeld in artikel 7 lid 2 en 3 worden door de gemeenten van de deelnemers bekostigd op basis van het inwonersaantal op 1 januari van het voorgaande kalenderjaar.

d.

de kosten voor de plustaken worden door de gemeenten van de deelnemers die deze taken afnemen, bekostigd op grond van de werkelijke kosten.

e.

door de gemeenten van de deelnemers ontvangen subsidies voor de taken en bevoegdheden als genoemd in artikel 7, worden beschikbaar gesteld aan het openbaar lichaam.

6.

De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende

7.

Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer

middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen. weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten van Zeeland het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet. Artikel 24 - Reserve 1.

Voor het openbaar lichaam wordt een reserve gevormd. Hierbij wordt rekening gehouden met de Zeeuwse richtlijn reservevorming.

2.

Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het algemeen bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het algemeen bestuur de afspraken tussen de gemeenten over het te vormen reserve toe.

Artikel 25 - Jaarstukken 1.

Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de gemeenten van de deelnemers te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant.

2.

De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de gemeenten toegezonden.

3.

Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.

4.

Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt de jaarstukken en de resultaatbestemming vast.

5.

De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan gedeputeerde staten van Zeeland gezonden, maar vóór 15 juli.

6.

Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.

Artikel 26 - Getrouwheid en rechtmatigheid

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

1 0

1.

De taken en bevoegdheden die zijn op- en/of overgedragen in artikel 7 leiden ertoe dat financiële beheershandelingen worden verricht. Uit deze handelingen of op basis van deze handelingen komen financiële lasten tot stand. Een deel van de totale lasten worden verantwoord bij het openbaar lichaam, een deel van de totale lasten bij de deelnemers. Het openbaar lichaam rapporteert jaarlijks, als onderdeel van de jaarstukken op grond van wet- en regelgeving, over de getrouwheid en rechtmatigheid van de door haar algemeen bestuur of onder diens verantwoordelijkheid ondernomen financiële beheershandelingen en daaruit voortvloeiende baten en lasten.

2.

Het openbaar lichaam overlegt jaarlijks specifieke financiële verantwoordingen voor tenminste samenwerkingsmodulen 1 en 4. Hierin staan de totale lasten van de deelnemers. Bij die specifieke verantwoordingen verstrekt zij een verklaring waarin een onafhankelijk accountantsoordeel over de getrouwheid als ook de rechtmatigheid is opgenomen ten aanzien van de totale lasten. Zij organiseert wat hiervoor nodig is en maakt hierover nadere uitvoeringsafspraken met de deelnemers en de door hen gecontracteerde accountants.

3.

De deelnemers verlenen het openbaar lichaam (de directeur, het dagelijks bestuur en algemeen bestuur) decharge voor onrechtmatigheden die betrekking hebben op het deel van de lasten die niet bij het openbaar lichaam in de jaarstukken staan, maar wel opgenomen worden in de onder lid 2 genoemde verantwoordingen.

HOOFDSTUK 10: HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID Artikel 27 - Archief 1.

Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden. Een aan te wijzen archivaris is belast met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door de raden, op voorstel van het algemeen bestuur, vast te stellen archiefverordening.

2.

De zorg door het dagelijks bestuur betreft alleen de archiefbescheiden van gedelegeerde taken en eigen bedrijfsvoering. Voor archiefbescheiden van gemandateerde taken blijven de colleges van de mandaterende gemeenten zorgdrager.

3.

De archiefverordening wordt aan gedeputeerde staten van Zeeland toegestuurd.

4.

Voor de bewaring van de op grond van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan. Een aan te wijzen archivaris is belast met het in goede, geordende en in toegankelijke staat brengen en houden van het overgebrachte archief en het beheer van de archiefbewaarplaats.

Artikel 28 – Informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens 1.

Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie.

2.

De informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens dient minimaal te voldoen aan de weten regelgeving, waaronder de Baseline Informatievoorziening Overheid. Hiervoor wordt jaarlijks een ‘In Control Statement’ verstrekt aan de deelnemers.

Artikel 29 - Participatie 1.

Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken: a.

bij ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

b.

indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

c.

indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

d.

inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

1 1

e.

indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;

f.

indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving.

2.

Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.

HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 30 - Toetreding 1.

Het college van een gemeente dat wenst toe te treden, richt zijn verzoek aan het algemeen bestuur.

2.

Het algemeen bestuur stuurt dit na ontvangst door aan de deelnemers onder overlegging van een advies over de toetreding en de daaraan te verbinden voorwaarden.

3.

Toetreding vindt plaats indien de deelnemers daarmee instemmen.

Artikel 31 - Aanvang uittredingsprocedure 1.

De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn raad, het besluit tot (partiële) uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen.

2.

Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan.

3.

Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.

4.

De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeenkomen.

Artikel 32 - Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1.

Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.

2.

Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

3.

Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

4.

Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer.

5.

Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 33 en de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

6.

Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 33 en de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

1 2

7.

Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

8.

Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.

Artikel 33 - Te vergoeden kosten bij uittreding 1.

De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen.

2.

Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die

3.

Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te

het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. dragen door het openbare lichaam die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4.

Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan anders is vastgelegd.

5.

Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot

6.

De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en

7.

Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige en de verwachte uittredesom daartoe

uittreding komen voor rekening van de deelnemer. omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. aanleiding geven, kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8.

Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

Artikel 34 - Verplichtingen uittreder 1.

De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Domein en Jeugdregio die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 35 - Wijziging 1.

De regeling wordt gewijzigd na een meerderheidsbesluit van ten minste twee derde van de gewogen stemmen.

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

1 3

2.

Voorstellen tot wijziging van de regeling, toetreding, uittreding en opheffing kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers.

3.

Voorstellen van het bestuur worden toegezonden aan de deelnemers. Deze stellen hun raad in de gelegenheid om binnen acht weken na ontvangst, hun zienswijze over de ontwerpregeling naar voren brengen.

4.

Voorstellen uitgaande van één of meer gemeenten van de deelnemers worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de gemeenten doet toekomen, waarna deze gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.

Artikel 36 - Geschillen 1.

Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wet gemeenschappelijke regeling de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

2.

De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.

3.

De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen en brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.

Artikel 37 - Ontbinding en liquidatie 1.

De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wet gemeenschappelijke regelingen, bij een daartoe strekkend besluit van tenminste twee derde van de deelnemers.

2.

Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de gemeenten van de deelnemers.

3.

Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.

4.

Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.

5.

Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

6.

Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten.

7.

De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.

8.

Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de toevoeging in liquidatie.

HOOFDSTUK 12: SLOTBEPALINGEN Artikel 38 - Inwerkingtreding 1.

Het college van de gemeente Goes zorgt voor de verplichte elektronische bekendmaking.

2.

Het openbaar lichaam start met haar werkzaamheden op 1 januari 2027.

Artikel 39 - Hardheidsclausule In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur. Artikel 40 - Evaluatie

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

1 4

De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie. Artikel 41 - Titel De regeling kan worden aangehaald als Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Domein en Jeugdregio Zeeland. Aldus besloten in het college van de gemeente Kapelle. secretaris burgemeester

Versie 6.0 / 27-10-2025 / MvB

1 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17060643/2