CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-42e D25.338605 FW Memo nadere toelichting Voortgangsrapportage 2025 tot en met April - definitief na bcie

Raadsvergadering 25 november 2025, gemeente KapelleBij agendapunt: 2e begrotingswijziging RUD Zeeland 20257.606 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1e Voortgangsrapportage 2025 RUD Zeeland tot en met april

Inhoud 1e Voortgangsrapportage 2025 RUD Zeeland tot en met april ..................................................................................... 1 Overzicht .............................................................................................................................................................. 2 Voortgang inzet programma Milieu ..................................................................................................................... 3 Directe inzet ................................................................................................................................................ 3 Generieke inzet............................................................................................................................................ 4 Deelnemersbijdrage .................................................................................................................................... 5 Productiviteit ............................................................................................................................................... 6 RUD Breed ............................................................................................................................................................

7 Verhuizing en dienstverlening (piofach-taken) ........................................................................................... 7 Aandachtspunten programma vergunning, toezicht en handhaving ................................................................... 8 Aandachtsdossiers ....................................................................................................................................... 8 Omgevingswet ............................................................................................................................................. 8 Milieubelastende activiteiten ...................................................................................................................... 8 Stikstofproblematiek ................................................................................................................................... 8 Inventariserende controles ......................................................................................................................... 9 Zwemwater .................................................................................................................................................. 9 Energie .........................................................................................................................................................

9 PFAS-aandachtslocaties ............................................................................................................................... 9 Programma indirecte bemonsteringen PFAS .............................................................................................. 9 Pilot brononderzoek PFAS-lozingen op het riool ....................................................................................... 10 WOO .......................................................................................................................................................... 10 Middelen ............................................................................................................................................................ 11 Financieel overzicht tot en met april 2025 ................................................................................................ 11 Toelichting middelen ................................................................................................................................. 12 5.2.1

Jaarplannen 2025 .............................................................................................................................. 12

5.2.2

DCMR ................................................................................................................................................ 12

5.2.3

Robuuste RUD ................................................................................................................................... 12

5.2.4

Incidentele huisvestingskosten ......................................................................................................... 13

Risico’s ................................................................................................................................................................ 14 Voortgang robuuste RUD ................................................................................................................................... 16 Omvang werkprogramma .......................................................................................................................... 17 Kwaliteitscriteria ........................................................................................................................................ 19 Innovatie .................................................................................................................................................... 19 Continuïteit ................................................................................................................................................ 19 Sturing ....................................................................................................................................................... 20 Congruentie ............................................................................................................................................... 20

1

Overzicht Voor u ligt de rapportage van de financiële resultaten en voortgang van onze milieuorganisatie over de eerste vier maanden van 2025. In deze rapportage geven we een uitgebreid overzicht van onze primaire activiteiten en financiële ontwikkelingen, om u als deelnemende gemeenten en provincie Zeeland een helder inzicht te geven in onze prestaties en wat de basis is voor onze toekomstplannen. Het jaar 2025 is het jaar wat voornamelijk in het teken staat van de ontwikkeling naar een robuuste omgevingsdienst. Op basis van een afspraak tussen het ministerie van IenW, het IPO en de VNG zullen alle omgevingsdiensten moeten voldoen aan het IBP/VTH. Dat betekent het versterken van de inzet om schade aan het milieu en de leefomgeving voorkomen. Hierin is de ontwikkeling op basis van de zes pijlers in volle gang. Groeien in zowel capaciteit als kennis zal ons in staat stellen om onze kerntaken nog beter uit te voeren en in te spelen op de uitdagingen waar Zeeland voor staat. Daarnaast zijn de voorbereidingen op de verhuizing van standplaats en dienstverlening een belangrijke ontwikkeling in dit jaar. Hier wordt binnen de organisatie en samen met de Provincie hard aan gewerkt om per 1 januari 2026 verhuisd en operationeel te zijn. Deze verhuizing zien we vooral als een middel om onze ambitie om te groeien en robuust te worden te ondersteunen.

Onze prioriteit ligt op het versterken van onze organisatie, zodat we optimaal kunnen bijdragen aan een duurzamer en veerkrachtiger Zeeland. Deze rapportage biedt niet alleen een terugblik op onze activiteiten tot nu toe, maar legt ook de basis voor de verdere groei en ontwikkeling van onze organisatie in de komende maanden en jaren. Samen willen we werken aan een toekomst waarin we effectief kunnen blijven voldoen aan de gestelde milieuen duurzaamheidsnormen. In Hoofdstuk 2 gaan we in op de voortgang van het programma Milieu. Hieruit blijkt dat de productie op diverse onderdelen achterblijft ten opzichte van de gestelde doelen. We analyseren de oorzaken door te bekijken welke prioriteiten dit jaar zijn gesteld en beschrijven daarbij de specifieke oorzaken van deze achterstand. Hoofdstuk 3 behandelt organisatie brede ontwikkeling die toeziet op de verhuizing en dienstverlening, en het traject dat bijdraagt aan de verdere robuustheid van de organisatie. In Hoofdstuk 4 richten we ons op het programma vergunning, toezicht en handhaving. We benoemen de aandachtspunten en uitdagingen binnen het programma en bespreken waar extra inspanningen nodig zijn om de gewenste resultaten te behalen. Vervolgens staat in Hoofdstuk 5 een overzicht van de financiële middelen.

Hierin presenteren we op basis van de begroting en de huidige financiële stand van zaken een compleet beeld van de financiën over 2025. Daarna wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de risico’s van de organisatie. Aan de hand van de meest actuele risicoparagraaf wordt ingegaan op de huidige status van de risico’s en de beheersing daarvan. Ten slotte geeft Hoofdstuk 7 een beeld van de stand van zaken van de ontwikkeling naar een robuuste RUD. Hierin wordt de voortgang van het proces weergegeven en wordt ingegaan op de ontwikkeling van de zes KPI’s. Met deze rapportage hopen we u als gemeenten en provincie een helder beeld te geven van onze voortgang en de noodzakelijke stappen om onze doelen te bereiken.

2

Voortgang inzet programma Milieu In dit hoofdstuk wordt de voortgang van het programma Milieu over de periode van januari tot en met april 2025 uiteengezet. Hierbij wordt een overzicht gegeven van de inzet van uren uitgedrukt in de inzet in euro’s (overal in dit hoofdstuk waar gesproken wordt over inzet van uren wordt de inzet van uren uitgedrukt in de inzet in euro’s bedoeld), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen directe inzet – die specifiek zijn toe te wijzen aan milieuactiviteiten – en generieke inzet, die betrekking hebben op bredere, organisatie-overstijgende taken. Op het moment van opstellen van de voortgangsrapportage was er sprake van een informatieachterstand. De inschatting is dat dit een afwijking van de daadwerkelijke stand van zaken met betrekking tot de lagere voortgang heeft in deze rapportage van maximaal 1,5% ten opzichte van de totale inzet. Uit de analyse blijkt dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden van directe naar generieke inzet. Dit als gevolg van het prioriteit geven aan diverse generieke taken (voornamelijk de projecten implementatie robuuste RUD en de invoering omgevingswet). Daarnaast blijkt de productie achter te blijven voornamelijk door de instroom van nieuwe medewerkers die nog moeten worden ingewerkt en opleidingen en cursussen volgen wat ten koste gaat van het uitvoeren van directe milieuwerkzaamheden.

We beschrijven in dit hoofdstuk de oorzaken van deze verschuiving en het achterblijven in productie.

Directe inzet Realisatie versus begrote directe inzet in euro's 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Voortgang april 2025

Begrote inzet 2025

Norm april 2025

Figuur 1 Realisatie directe inzet ten opzichte van de begrote inzet in euro’s in % januari - april 2025

Figuur 1 toont een vergelijking tussen de begrote directe inzet 2025 en de daadwerkelijk gerealiseerde directe inzet per deelnemer in de eerste vier maanden van 2025. Uit het figuur blijkt dat de realisatie van inzet per deelnemer achterblijft ten opzichte van de oorspronkelijke begroting. Daarnaast is duidelijk dat de inzet niet gelijkmatig verdeeld is over de deelnemers. Dit is deels te verklaren door het feit dat er sprake is van aandachtdossiers die bij specifieke deelnemers meer tijd kosten, evenals het feit dat het verlenen van vergunningen vraaggericht is. Daarnaast door de inzet per branche. De ene branche vraagt op basis van een risicobenadering meer inzet dan anderen. Gelet op het feit dat de 3

spreiding van de vestigingen van bepaalde branches niet gelijk is in heel Zeeland, levert dit ook verschil van inzet per deelnemer op. Dit past bij de inzet op basis van onze risicoanalyse. Het achterblijven van de directe inzet in 2025 is grotendeels het gevolg van een lagere productiviteit van de eigen medewerkers. Dit wordt veroorzaakt door de instroom van nieuwe medewerkers op bestaande vacatures1 die nog moeten worden ingewerkt. Daarnaast zijn eind 2024 en begin 2025 veel nieuwe medewerkers ingestroomd wat leidt tot veel opleiding en cursus wat ten koste gaat van het uitvoeren van directe milieuwerkzaamheden. Hierdoor zijn deze nieuwe medewerkers in eerste instantie aanzienlijk minder productief. Daarnaast kost het inwerken en begeleiden van de nieuwe medewerkers inzet van de ervaren medewerkers. Hierdoor zijn deze ervaren medewerkers ook minder productief. Daarnaast heeft de uitvoering van generieke taken, die meer tijd en inzet vergden dan verwacht, een lager aantal directe uren tot gevolg. Hierdoor is een deel van de capaciteit verschoven van directe naar generieke uren, wat de realisatie van de directe productie verder heeft belemmerd. Ook zijn begin van het jaar meer medewerkers ziek geweest dan begroot wat ook ten koste is gegaan van de productiviteit.

Generieke inzet Realisatie versus begrote generieke inzet in euro's 100% 90% 80% 70% 60% 50%

40% 30% 20% 10% 0%

Voortgang april 2025

Begrote inzet 2025

Norm april 2025

Figuur 2 Realisatie generiek productieve inzet januari - april 2025

In figuur 2 is een vergelijking gemaakt per deelnemer tussen de begrote generieke inzet en de gerealiseerde generieke inzet over de eerste vier maanden van 2025. Het generieke deel van de nog in te vullen formatie ten behoeve van robuuste RUD is voor een zuiver beeld van de daadwerkelijke inzet hier niet in opgenomen, evenals niet in de norm. Hieruit blijkt dat de gerealiseerde generieke inzet de begroting fors overschrijdt. Deze overschrijding heeft gevolgen voor de beschikbare capaciteit voor directe milieutaken wat blijkt uit de voorgaande paragraaf.

1

Dit betreft dus niet de vacatures die vallen onder strategisch werven. Strategisch werven is gericht op de continuïteit van de capaciteit te borgen waarbij het mogelijk is om voordat een collega met pensioen vertrekt proactief te kijken naar de vervulling van de functie. Hiervoor is via de 1e begrotingswijziging 2024 dekking geregeld.

4

Het overschrijden van de generieke inzet is voornamelijk te wijten aan de projecten implementatie robuuste RUD en de invoering omgevingswet. Het project robuuste RUD wordt ondersteund door een groot aantal medewerkers en is een intensief traject door onderzoek en overleg. Daarnaast wordt nog steeds tijd besteed aan voortvloeisels uit de invoering van de omgevingswet. Gelet op de complexiteit van de veranderingen, zal de omgevingswet in 2025 extra aandacht van de organisatie vragen. De generieke inzet worden toebedeeld volgens de verdeelsleutel die is gebaseerd op de begroting van 2022. Deze verdeelsleutel is evenredig aangepast na de uittreding van het Waterschap, zodat de verdeling van de inzet opnieuw in lijn is met de gewijzigde organisatie- en financieringsstructuur. Deze aanpassing zorgt ervoor dat alle deelnemers proportioneel bijdragen aan de generieke taken, rekening houdend met de nieuwe situatie binnen de organisatie.

Deelnemersbijdrage Realisatie versus totale deelnemersbijdrage in euro's 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Gerealiseerd april 2025 directe uren

Gerealiseerd april 2025 generieke uren

Begrote inzet 2025

Norm april 2025

Figuur 3 Realisatie jan-april 2025 deelnemersbijdrage ten opzichte van begroting in euro’s

In figuur 3 wordt een overzicht gegeven van de realisatie over de periode januari tot en met april 2025 van de deelnemersbijdrage op basis van de begroting, uitgedrukt in euro's. Dit figuur biedt een samenvattend overzicht van zowel de directe als de generieke inzet in euro’s. Hierin wordt de deelnemersbijdrage gevormd door de begrote directe en generieke inzet en het generieke deel van de nog in te vullen formatie ten behoeve van robuuste RUD. Hierdoor wordt een helder inzicht gegeven in de voortgang van de realisatie ten opzichte van de financiële bijdragen van de deelnemers 2025. Hieruit blijkt dat de overschrijding van de generieke inzet het achterblijven van de directe inzet niet in zijn geheel dekt. Het achterblijven van de directe inzet in 2025 is het gevolg van een lagere productiviteit van de eigen medewerkers voornamelijk door de instroom van veel nieuwe medewerkers. Daarnaast is het achterblijven in productie het gevolg van het nog niet invullen van de gehele formatieve ruimte voor de robuuste RUD. Dit deel is in de begroting opgenomen als generiek deel echter is deze ruimte nog niet 5

ingevuld in functies, waardoor hierop geen productie wordt gemaakt. Zie voor verdere toelichting op de voortgang robuuste RUD hoofdstuk 7.

Productiviteit

Productiviteit april 2025 Inzet % ten opzichte van norm 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Direct

Generiek

Indirect Norm

Ziek

Verlof

Werkelijk

Figuur 4 Productiviteit april 2025 ten opzichte norm gesteld in begroting 2025

In de grafiek productiviteit hierboven over de periode januari tot en met april 2025 wijkt de inzet per categorie af van de gestelde norm conform het vastgestelde tarievenblad 2025. De directe inzet blijft met 49% duidelijk achter bij de norm van 59%. Daarentegen ligt de inzet op generieke (19%) en indirecte taken (15%) boven de norm van respectievelijk circa 12% en 13%. Dit bevestigt het beeld uit voorgaande paragrafen. Het ziekteverzuim komt met 9% eveneens hoger uit dan de norm van 5%, wat ook een oorzaak is van de lagere directe inzet. Het ziekteverzuim bedraagt 9% en ligt daarmee aanzienlijk boven de norm van 5%. Dit heeft mede geleid tot een lagere directe inzet. De overschrijding wordt voornamelijk veroorzaakt door langdurig ziekteverzuim. Het opgenomen verlof ligt momenteel onder de norm van 3%, wat verklaarbaar is gezien het moment in het jaar. Naar verwachting zal het verlof in de zomerperiode toenemen, wanneer veel medewerkers vakantie opnemen.

6

RUD Breed In dit hoofdstuk worden organisatie brede ontwikkelingen belicht die van invloed zijn op ons als organisatie en onze toekomstplannen gedurende de eerste vier maanden van 2025. We belichten hier de belangrijke aandachtspunten verhuizing en dienstverlening. Daarnaast is de robuuste RUD de belangrijkste ontwikkeling in 2025. Deze wordt uitgebreid toegelicht in hoofdstuk 7.

Verhuizing en dienstverlening (piofach-taken) Eind maart heeft het Algemeen bestuur het besluit genomen dat het Dagelijks bestuur de contracten voor huisvesting en dienstverlening aan mag gaan. Dit besluit was hard nodig om voor het einde van het jaar ook daadwerkelijk de verhuizing te kunnen realiseren. De voorbereidingen zijn in volle gang. Voor de implementatie van de nieuwe dienstverlening zijn een stuurgroep en een projectgroep ingericht. Om de overgang goed te laten verlopen zetten we een externe projectleider in om de digitale migratie te begeleiden. Met gemeente Terneuzen en provincie Zeeland overleggen we intensief om op de verschillende onderwerpen de juiste stappen zo snel mogelijk te maken. We zijn aangehaakt bij de aanbesteding van de broker voor de inkoop van IT-gebied. De inkoop kan daarmee doelmatig en efficiënt plaatsvinden. Daarnaast zijn we aangehaakt bij het traject om te werken met een dynamisch aankoopsysteem /broker. Hierbij wordt er zorg gedragen voor een flexibele en transparante inkoop, waarbij verschillende partijen kunnen inschrijven en de beste aanbieding gekozen wordt. Hiermee wordt invulling gegeven aan een aantal belangrijke elementen zoals openbaarheid, concurrentie en transparantie. En daarmee aan een proces waarmee aantoonbaar sprake is van een rechtmatige aanbesteding van inhuurcontracten.

Voor de fysieke verhuizing hebben we een eigen medewerker vrijgemaakt om dit project te leiden. Een belangrijk onderdeel voor een goede overgang is het opschonen van de bestaande bestanden. De verouderde SharePoint omgeving waar veel van deze bestanden in staan, kunnen onder andere om veiligheidsredenen niet mee in de migratie naar de provincie. Door de inzet van eigen medewerkers met een lagere directe inzet tot gevolg.

7

Aandachtspunten programma vergunning, toezicht en handhaving In dit hoofdstuk wordt het functioneren van het programma vergunning, toezicht en handhaving gedurende de eerste vier maanden van 2025 geanalyseerd. We belichten enkele belangrijke aandachtspunten die van invloed zijn op onze werkzaamheden en de effectiviteit van onze processen.

Aandachtsdossiers In de eerste vier maanden van 2025 ziet de RUD Zeeland binnen zowel Vergunningverlening als Toezicht en Handhaving wederom een toename van het aantal aandachtsdossiers. Hoewel hiervoor gereserveerde uren beschikbaar zijn, blijven deze in de praktijk ontoereikend. Toch is er bewust gekozen om extra aandacht te geven aan deze dossiers, omdat vaak effectief kan worden ingespeeld op situaties die meer risico’s of (politieke) complexiteit met zich meebrengen. Dit verhoogt de kwaliteit en effectiviteit van vergunningverlening en het toezicht. We zetten in op heldere communicatie met zowel de omgeving als het bedrijf, stimuleren, pro activiteit en informeren het bevoegd gezag. Wel ontstaat hierdoor een spanningsveld: de extra inzet op aandachtsdossiers gaat, bij een gelijkblijvende capaciteit, ten koste van het aantal reguliere controles (waarbij uiteraard rekening wordt gehouden met het risicoprofiel om zo het risico zo klein mogelijk te houden) en vergunningverlening.

Omgevingswet De verandering die gepaard gaat met de Omgevingswet (OW) is complex. Alhoewel de wet sinds 1 januari 2024 van kracht is, ijlen de gevolgen na. Dit geldt vooral voor vergunningverlening. Vanwege de stelselwijziging hebben veel bedrijven en/of hun adviseurs nog net voor 1 januari 2024 een vergunningaanvraag ingediend. Wij zijn, in het belang van de bedrijven, coulant geweest met de mogelijkheid tot aanvulling van gegevens waardoor we ook in het 1e trimester nog bezig zijn met het afhandelen van vergunningen onder het oude regime (WABO). Eén van de relevante wijzigingen betreft het loslaten van het begrip “Inrichting” en het invoeren van het begrip “” Milieu Belastende Activiteit” (MBA). Wij merken in de praktijk dat zowel bedrijven, adviseurs als ook onze medewerkers worstelen met het opdelen van bedrijven in diverse activiteiten én het bepalen aan welke regels een bepaalde activiteit moet voldoen. Het project omgevingswet wordt binnenkort afgerond. In het volgende trimester zal de eindrapportage voor het bestuur worden voorbereid.

Milieubelastende activiteiten Om snel de juiste informatie in onze systemen te hebben staan, zijn en worden alle MBA’s van voormalige vergunningsplichtige inrichtingen geregistreerd in ons zaakgericht systeem (deelproject van het project omgevingswet). De planning is om dit voor 1 juli 2025 afgerond hebben. De planning loopt op schema. Op basis van de ervaringen met deze aanpak, starten we na de zomer met het ontwerpen van een aanpak voor de voormalige meldingsplichtige bedrijven.

Stikstofproblematiek Eind december 2024 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan die een enorme impact heeft op de manier waarop de vergunningverlening op basis van de natuurwetgeving tot nu toe in Nederland werd uitgevoerd. Alle lopende procedures waarin stikstof een rol speelt, zijn opgeschort. Uiteraard zijn alle betrokken bedrijven geïnformeerd. Samen met de provincie, de vergunningverlenende instantie op grond van de natuurwet, wordt per geval bekeken of een natuurvergunning verleend kan worden, waarna de vergunning op grond van de WABO of OW soms alsnog verleend kan worden. Tot nu toe is dat alleen bij niet-agrarische bedrijven het geval. 8

Voor de agrarische sector is het wachten op duidelijkheid vanuit het Rijk. Op dit moment zijn nog 20 procedures opgeschort; 13 voor agrarisch en 7 voor industriële bedrijven.

Inventariserende controles In de eerste maanden van dit jaar is een project gestart met inventariserende controles in de branches akkerbouw en horeca. Hierbij voerden een klein aantal inspecteurs in korte tijd bij een groot aantal bedrijven, die nog niet eerder bezocht waren, korte controles uit en verstrekten daarbij informatie aan de ondernemer. Ook is er aandacht geweest voor signalen rondom ondermijning. Ruim 140 bedrijven hebben daarmee in twee maanden contact gehad met de RUD Zeeland. Bij circa 20% van de bezochte bedrijven was nader onderzoek nodig of is een periodieke controle gepland, bij de overige bedrijven was dit niet nodig. Met deze manier van controleren zijn we in staat geweest om met een beperkt aantal uren toch veel fysieke controles uit te voeren.

Zwemwater Sinds de invoering van de Omgevingswet in 2024 zijn de regels voor wat betreft zwemwater gewijzigd. Per 1 januari 2025 is opnieuw een aantal regels veranderd die impact hebben op het beheer van het zwemwater (kwaliteit). De ervaring is dat werknemers van zwembaden niet voldoende op de hoogte zijn van de meest recente wijzigingen. Hierdoor constateert RUD Zeeland tijdens controles meer overtredingen dan voor 2024. Bij ernstige of herhaaldelijk overtreden van de regelgeving wordt een last onder dwangsom opgelegd. Om het kennisniveau te verhogen, investeren inspecteurs zwemwater actief in het informeren van de beheerders en werknemers van de zwembaden.

Energie Ook in 2025 controleren wij bedrijven op de energiebesparingsplicht en de onderzoeksplicht. Alle 3380 energierelevante bedrijven in Zeeland moesten in 2023 een Informatieplicht rapportage of een onderzoeksplicht-rapportage aanleveren. De RUD controleert hierop en voert fysieke energiecontroles uit. De te controleren bedrijven zijn geselecteerd met behulp van het risicomodel RVO (Rijksdienst voor ondernemend Nederland) en ook middels een risico inschatting door de toezichthouders zelf. Daarnaast zijn wij begonnen met de beoordeling van de rapportages voor de onderzoeksplicht bij de grote bedrijven. Wij controleerden ongeveer 50 bedrijven en voerden ongeveer 40 hercontroles uit. Ook beoordeelden wij 15 onderzoekrapportages. De inzet op het thema energie zal in de toekomst worden geïntensiveerd. Gezien de lage controlefrequentie van eenmaal per tien jaar, zullen er voldoende werkzaamheden beschikbaar zijn om de beoogde doelstellingen te realiseren. Voor de inzet worden SPUK-gelden benut.

PFAS-aandachtslocaties RUD Zeeland voert het project PFAS-aandachtslocaties uit. Uit het historisch onderzoek zijn locaties naar voren gekomen, die in aanmerking komen voor een bodemonderzoek. Voor de toestemming van verkennend bodemonderzoek zijn 48 eigenaren verzocht toestemming te geven. Uitkomst is dat 25 bedrijven toestemming hebben verleend en 23 geen toestemming hebben verleend. In het eerste trimester van 2025 is een adviesbureau gestart met de voorbereidende werkzaamheden voor het uitvoeren van verkennende bodemonderzoeken.

Programma indirecte bemonsteringen PFAS In het eerste trimester van 2025 is uitvoering gegeven aan de 2e bemonsteringsronde van de provinciale bedrijven die uit de risicoanalyse naar voren zijn gekomen. De uitkomsten van de bemonsteringen uit

9

beide rondes zullen leiden tot een representatief beeld in de aanwezigheid van PFAS bij provinciale bedrijven. Op basis van dit beeld wordt de vervolgaanpak bepaald.

Pilot brononderzoek PFAS-lozingen op het riool In gezamenlijkheid met de provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en RUD Zeeland is een pilot vormgegeven. Het doel van de pilot is om beter inzicht te krijgen in de aanwezigheid van PFAS in afvalwater naar een specifieke RWZI. In het eerste trimester van 2025 zijn de eerste bevindingen voortgekomen uit een gedeelde datauitwisseling. Deze data-uitwisseling toont aan dat er gerichte vervolgstappen en dus extra middelen nodig zijn om risico’s niet alleen te identificeren, maar ook structureel te beheersen.

WOO In het eerste trimester 2025 is één veelomvattend WOO-verzoek afgehandeld en een ander veelomvattend verzoek voorbereid.

10

Middelen In dit hoofdstuk wordt een overzicht gepresenteerd van de financiële middelen van RUD Zeeland voor het jaar 2025. Aan de hand van de primitieve begroting 2025, de 1e begrotingswijziging 2025 en de huidige financiële stand van zaken, wordt een volledig beeld van de financiële situatie van de organisatie geschetst. Dit overzicht biedt inzicht in de toewijzing van middelen, de gevolgen van begrotingswijzigingen en de algehele financiële gezondheid van de organisatie. Door deze gegevens te integreren, verkrijgen wij een beter begrip van de inzet van beschikbare middelen en de identificatie van eventuele knelpunten of kansen voor de toekomst.

Financieel overzicht tot en met april 2025 Omschrijving Primtieve begroting 2025 Bedragen * € 1.000 Lasten Programma Milieu: Programmalijn Milieu - Vergunningverlening Programmalijn Milieu - Toezicht en Handhaving

4.361 5.703

Overig: Overhead Onvoorziene lasten

3.891 178

1e begrotingswijziging Voortgangsrapportage 2025 Jaarplannen Plan van Begroting 2025 Aanpassing Materieel DCMR Robuuste Incidentele Totaal CAO 2024 aanpak na 1e wijziging RUD huisvestingsk 2025 robuuste osten RUD

1.780 1.780

29 29

6.171 7.513

15

3.906 178

561 842

266 399

70 20

-523 -784

Begroting 2025 na 1e wijziging en voortgangsrapportage

374 477

6.545 7.989

1.597

1.597 0

5.503 178

1.597

2.448

20.215

-644 665 90 0 0

Totaal Lasten Baten Algemene bijdrage deelnemers Materieel budget Bijdrage deelnemers DCMR Subsidie Bijdrage Waterschap in schaalnadeel overhead

14.133

3.560

74

17.767

1.403

14.085 27

3.085

74

17.244 27

1.403

Totaal baten

14.133

3.560

74

17.767

1.403

665

90

-2.047

0

111

16.600 692 90 475 21 0 17.878

0

0

0

0

0

0

0

-740

-1.597

-2.337

-2.337

Begrotingsresultaat (- = tekort += overschot)

665

90

-1.307 -2.047

665 90

475

475 21

21

Figuur 5 Overzicht begroting, begrotingswijzigingen en voortgangsrapportage 2025

Deze tabel biedt een overzicht van de primitieve begroting 2025, evenals de 1e begrotingswijziging 2025 die gedurende het jaar is doorgevoerd. Deze wijziging betreft het plan van aanpak robuuste RUD en de cao-wijziging. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat het begrote resultaat over 2025, na verwerking van de eerste begrotingswijziging en de actuele stand van zaken, uitkomt op een negatief saldo van € 2,337 miljoen. Dit resultaat wordt in belangrijke mate verklaard door meerdere samenhangende factoren. Ten eerste is het plan van aanpak voor de Robuuste RUD nog niet volledig ingevuld, waardoor een deel van de formatieplaatsen (fte’s) niet bezet is. Als gevolg hiervan blijven de loonkosten achter bij de begroting. Deze onderuitputting aan personele inzet leidt er echter ook toe dat een substantieel deel van de begrote deelnemersbijdrage niet wordt gerealiseerd. Immers, de formatie die niet is ingevuld, levert geen productieve uren op, en dus kunnen deze ook niet aan de deelnemers worden doorbelast. Daarbovenop heeft dit ook een negatief effect op de dekking van de overheadkosten. Overhead wordt gedekt via een opslag op de directe inzet. Doordat deze inzet achterblijft, blijft ook de dekking van de overheadkosten achter, wat bijdraagt aan het negatieve resultaat.

Daarnaast is in de loop van het jaar een incidentele post van € 1,597 miljoen aan huisvestingskosten toegevoegd, die eveneens een aanzienlijke impact heeft op het totaalresultaat.

11

Hoewel de algemene deelnemersbijdrage circa € 2 miljoen lager uitvalt dan begroot, staat hier het negatieve resultaat van € 2,337 miljoen tegenover. Dit impliceert dat het aanvankelijke voordeel van een lagere bijdrage mogelijk teniet wordt gedaan wanneer het negatieve resultaat aan het eind van het jaar (conform de verdeelsleutel) alsnog aan de deelnemers wordt toegerekend. Het uiteindelijke verschil van circa € 337.000 zou er dan toe kunnen leiden dat de lasten per deelnemer alsnog hoger uitvallen dan de oorspronkelijke deelnemersbijdragen in de begroting.

Toelichting middelen In dit gedeelte wordt bovenstaande tabel nader toegelicht per onderwerp. Deze uitsplitsing biedt inzicht in de specifieke aanpassingen die gedurende het jaar zijn doorgevoerd.

5.2.1 Jaarplannen 2025 In totaal zijn de opdrachten voor het uitvoeren van werkzaamheden op basis van de jaarplannen 2025 ten opzichte van de begroting 2025 per saldo met circa € 2 miljoen gestegen. Deze stijging is voor een groot deel het gevolg van de verschuiving van de bodemtaken van de provincie naar de gemeenten, waarbij de middelen die hierdoor vrijkomen bij de provincie wordt ingezet voor kadasterwerkzaamheden. Daarnaast zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor groen, BRIKS, Helsinki, Espoo, extra toezicht grijs voor taken als bodem en geluid en plastic korrels. Daarnaast is circa € 0,7 miljoen beschikbaar gesteld ten behoeve van het gebruikelijke jaarlijkse materieel budget wat met name bedoeld is voor de uitvoering van de taken voor de provincie. Een deel van dit budget betreft de SpUk bodem.

5.2.2 DCMR In het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen DCMR en RUD Zeeland, waarin beide organisaties hebben afgesproken gebruik te maken van elkaars specialistische expertise, genereert RUD Zeeland extra inkomsten door het verlenen van adviesdiensten aan DCMR. Deze adviesdiensten betreffen een incidentele taak die wel jaarlijks terugkeert en in onderlinge afstemming met DCMR wordt ingepland en uitgevoerd. Voor de uitvoering van deze werkzaamheden maakt RUD Zeeland eveneens kosten, waardoor hieraan zowel extra baten als lasten zijn verbonden. Dit resulteert in een verhoging van zowel de baten- als lastenbegroting 2025 met circa € 90.000.

5.2.3 Robuuste RUD Over een deel van de formatie ten behoeve van de robuuste RUD moet intern nog een besluit worden genomen over de wijze van inzet. Deze formatie is daarom op dit moment nog niet ingevuld. De verwachting is dat hierover in het 3e kwartaal 2025 duidelijkheid ontstaat, waarna de wervingsprocedure zal worden gestart. Aangezien dit procestijd vergt, is het zeer aannemelijk dat dit formatiedeel in 2025 niet tot nauwelijks meer bijdraagt aan de productie. De formatie voor de robuuste RUD waar nog niet over besloten is qua wijze van inzet omvat circa 9 tot 10 fte2 voor 2025. Dit zal resulteren in een lagere deelnemersbijdrage aan het einde van het jaar. Daarnaast is een ander deel geprioriteerd, echter zijn deze functies niet in zijn geheel bezet over heel 2025. Dit leidt eveneens tot een lagere deelnemersbijdrage. Dit betekent dus dat de salariskosten niet of niet geheel gemaakt worden voor een deel van de formatie met betrekking tot de robuuste RUD. Echter zou deze formatie ook een deel van de overheadkosten

2

Het aantal FTE is afhankelijk van het uiteindelijke functieniveau van de betreffende functies en daarmee niet exact aan te geven. Immers bij een gelijkblijvend niveau van de middelen kunnen er meer functies in lagere schalen dan in hogere schalen worden ingevuld.

12

dekken op basis van het gehanteerde tarief (overhead wordt via een opslag op het uurtarief doorberekend aan de deelnemers). Dit wordt nu niet gedaan door het niet of niet geheel invullen van deze formatie, waardoor er een tekort ontstaat op de dekking van de overheadkosten van circa € 0,7 miljoen.

5.2.4 Incidentele huisvestingskosten In 2026 staat de geplande verhuizing naar Middelburg op de agenda, waarbij tevens de dienstverlening zal worden overgenomen door de Provincie Zeeland. Ter voorbereiding op dit proces worden in 2025 de noodzakelijke werkzaamheden verricht, zodat een soepele overgang per 1 januari 2026 gewaarborgd is en de continuïteit van de werkzaamheden behouden blijft. De incidentele kosten in dit kader hebben hoofdzakelijk betrekking op de voorbereiding van de dienstverlening. Hiervoor is een bedrag van circa € 1,5 miljoen geraamd. Daarnaast is circa € 0,1 miljoen voorzien voor de voorbereiding op de nieuwe huisvesting. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 1.597.150 aan incidentele kosten in 2025. In de ABvergadering van 24 maart 2025 is besloten om deze incidentele kosten te dekken uit de budgetten voor de Robuuste RUD. Dit besluit is verwerkt in de 1e voortgangsrapportage 2025. Uit deze voortgangsrapportage blijkt het volgende: • • •

€ 1,3 miljoen van de incidentele kosten kan daadwerkelijk worden gedekt uit de beschikbare budgetten voor de Robuuste RUD. Deze € 1,3 miljoen is opgenomen in het totaal gepresenteerde tekort van € 2,3 miljoen in de voortgangsrapportage. Hiertegenover staat dat de deelnemers een lagere deelnemersbijdrage van circa € 2 miljoen betalen, als gevolg van de lagere structurele kosten voor de Robuuste RUD.

Samengevat: • • •

Deelnemers betalen € 1,3 miljoen minder via de reguliere bijdrage (voordeel). Daartegenover betalen zij € 1,6 miljoen aan incidentele kosten via het ontstane tekort (nadeel). Dit leidt per saldo tot een niet-gedekte post van circa € 290.000 aan incidentele kosten.

Hierbij dient wel de kanttekening te worden gemaakt dat een en ander samenhangt met het tijdstip waarop de invulling daadwerkelijk zal plaatsvinden. Voor nu is de aanname gedaan dat dit formatiedeel in 2025 niet tot nauwelijks meer bijdraagt aan de productie, maar een afwijking van deze aanname leidt ook tot een andere uitkomst. Bij de 2e voortgangsrapportage zal hier meer duidelijkheid over zijn en zal de actuele situatie worden opgenomen.

13

Risico’s Organisaties willen doelen bereiken. Er bestaan altijd risico’s die de realisatie van doelstellingen in de weg kunnen staan. RUD Zeeland wil risico’s, kansen en onzekerheden tijdig onderkennen en deze risico’s optimaal beheersen. Op organisatieniveau is per risico de gevolgklasse gerelateerd aan de kansklasse. Zo ontstaat de risicoscore. De risicoscore is bepalend voor de aandacht die een specifiek risico krijgt van het management en het bestuur. De risicoscore (op organisatieniveau) op basis van de geactualiseerde risico-inventarisatie ziet er als volgt uit:

Figuur 6 Risicoscore tot en met april 2025

Figuur 7 Geïdentificeerde risico’s en doorrekening (bedragen in €) per 30-04-2025

We actualiseerden de bedragen van eerder opgenomen risico’s en beoordelen of er sprake is van nieuwe risico’s. Er zijn in deze 1e voorgangsrapportage geen nieuwe risico’s geïdentificeerd en er zijn ook geen risico’s weggevallen. Daarmee is de bovenstaande risicoparagraaf gelijk aan de recentelijk opgestelde risicoparagraaf uit de jaarstukken 2024 en de ontwerpbegroting 2026.

14

(in EUR, afgerond op duizendtallen)

2025

2026

2027

2028

2029

Totaal benodigde weerstandscapaciteit: Totaal beschikbare weerstandscapaciteit:

628.000 949.000

338.000 1.112.000

339.000 1.112.000

339.000 1.112.000

340.000 1.112.000

Incidenteel beschikbare weerstandscapaciteit: Algemene reserve Bestemmingsreserve Structureel beschikbare weerstandscapaciteit: Onvoorzien Aanvullende bijdragen deelnemers

771.000 577.000 194.000 178.000 178.000 P.M.

771.000 577.000 194.000 341.000 341.000 P.M.

771.000 577.000 194.000 341.000 341.000 P.M.

771.000 577.000 194.000 341.000 341.000 P.M.

771.000 577.000 194.000 341.000 341.000 P.M.

1,51

3,29

3,28

3,28

3,27

Ratio weerstandscapaciteit: - enkelvoudig ultimo jaar

Figuur 8 Weerstandscapaciteit van RUD Zeeland (bedragen in €) per 30-04-2025.

Het weerstandsvermogen, zijnde de beschikbare weerstandscapaciteit gedeeld door de benodigde capaciteit, geeft de mate aan waarin financiële tegenvallers kunnen worden opgevangen. De totale beschikbare weerstandscapaciteit bedraagt ultimo 2024 € 949.000 (algemene reserves, bestemmingsreserve en onvoorzien) en bedraagt de ratio voor 2025 1,51. Hierbij is het negatieve resultaat over 2024 buiten beschouwing gelaten. RUD Zeeland heeft als doel een ratio weerstandsvermogen te hebben in de categorie ‘voldoende’ dus tussen 1,0 en 1,4. In deze categorie is er een verantwoorde balans tussen enerzijds de aanwezige risico’s en anderzijds de financiële buffer om deze risico’s op te vangen zonder dat dit ten koste gaat van de organisatiedoelstellingen. De richtlijn van de VZG staat een reservepositie toe van maximaal 5% van de totale baten. Dat is ongeveer gelijk aan de huidige stand van algemene reserve. De gewenste ratio van tussen 1,0 en 1,4 wordt gehaald en valt zelfs hoger uit. Het risico van de onbalans in taken zal door de uitvoering van het plan van aanpak robuuste RUD tot het verleden gaan behoren. Hierdoor vervalt een groot deel van de totaal benodigde weerstandscapaciteit en zal, indien er geen nieuwe risico’s ontstaan, de ratio weerstandsvermogen op een getal boven de 1,4 uitkomen.

15

Voortgang robuuste RUD Een commissie onder leiding van Jozias van Aartsen trok in 2021 na een landelijk onderzoek de conclusie dat de omgevingsdiensten in Nederland nog niet functioneren zoals het zou moeten. De aanbevelingen in het rapport van Van Aartsen leidden tot een interbestuurlijk programma versterking VTH, kortweg IBPVTH. Over de voortgang van de ontwikkeling naar een Robuuste RUD rapporteren we op verschillende momenten naar de verschillende instanties. Zo sturen we de monitoring naar het ministerie, het bestuur is middels een specifieke voortgangsrapportage in januari op de hoogte gebracht van de vorderingen en zoals nu benutten we de voortgangsrapportage om een update te geven van de voortgang. Zoals in hoofdstuk 2 al is aangegeven heeft de implementatie van het plan van aanpak voor een Robuuste RUD in deze periode de nodige capaciteit gekost. We volgen het geplande pad. Eerst is een goed beeld gevormd van de bestaande taken en processen, de huidige besturing en inrichting. Aansluitend is gewerkt aan het ontwerp voor de organisatie. De principes die ten grondslag liggen aan het ontwerp zijn gezamenlijk bepaald. We hebben dankbaar gebruik gemaakt van de ervaringen van omliggende omgevingsdiensten. Het bouwen aan dit nieuwe ontwerp krijgt steeds meer vorm en nadert zijn voltooiing.

We komen zo tot een toekomstbestendig ontwerp waarmee we de groei in taken en medewerkers op kunnen vangen. Zelfs verdere groei in de toekomst is door het flexibele concept met beperkte aanpassingen mogelijk. Na het organisatie ontwerp volgt het plaatsen van medewerkers. Dit is voorzien direct na het zomerreces. In onderstaand overzicht staan de blauwe pijlen voor de werkgroepen en in de onderste helft staan de producten die opgeleverd zijn of nog moeten worden.

Figuur 9 Stroomschema voortgang implementatie Robuuste RUD per 30-04-2025

16

Deze ontwikkeling is gebaseerd op een programma met zes pijlers om het VTH-stelsel te verbeteren. Deze pijlers zijn vertaald in zes KPI’s: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Omvang werkprogramma Kwaliteitscriteria VTH Innovatieagenda Weerstandsvermogen Informatiegestuurd werken Samenhang werkgebied

Hieronder is een samenvattend overzicht opgesteld op basis van de zes kritieke prestatie indicatoren (KPI) van de robuuste RUD. De voortgang van deze KPI’s is opgedeeld in vier categorieën, namelijk rood - Het is niet aannemelijk dat op 1 april 2026 voldaan wordt, oranje - Het is de vraag of er op 1 april 2026 voldaan wordt, lichtgroen - Het is aannemelijk dat op 1 april 2026 voldaan wordt en donkergroen – Het voldoet op dit moment.

Figuur 10 Voortgang Robuuste RUD per KPI per 30-04-2025

Omvang werkprogramma Er ligt een duidelijke eis om te komen tot een robuuste omgevingsdienst, waarbij het regionaal werkprogramma een minimale omvang van € 16,5 miljoen (prijspeil 2023) moet hebben op basis van de basistaken en de milieugerelateerde plustaken en ten minste 80% van de medewerkers in het primaire proces in dienst van de organisatie moet zijn. Deze eis vloeit voort uit de landelijke afspraken over de basiskwaliteit van VTH-taken en vormt een belangrijk toetsingskader voor de inrichting en uitvoering van het takenpakket van RUD Zeeland. Omdat voldoende overhead bijdraagt aan de robuustheid en om de 17

discussie over de opbouw van de overhead te voorkomen, is de ondergrens voor de deelnemersbijdrage inclusief overhead. Een 1e belangrijke stap is gezet door het beschikbaar stellen van een deel van het benodigde budget om de in het PvA geschetste ontwikkeling mogelijk te maken. In het AB van 9 september 2024 is het budget voor 2025 verhoogd naar €16,5 miljoen (prijspeil 2023). Daarnaast heeft het AB op 9 september 2024 ook het Plan van Aanpak Robuuste RUD vastgesteld. Voor het mogelijk maken van de in het PvA geschetste ontwikkeling is het wel noodzakelijk dat aanvullende structurele middelen beschikbaar worden gesteld. Deze zijn opgenomen in de ontwerpbegroting 2026 en deze dient nog te worden vastgesteld en is onderwerp van gesprek in de gemeenteraden en provinciale staten. Voor de toename van de taken, toename van het aantal FTE en de ontwikkeling van organisatie om gesteld te staan voor de toekomstige opgave is een implementatieplan opgesteld, gebaseerd op de inhoud en voorgenomen maatregelen uit het opgestelde plan van aanpak. Inmiddels zijn we qua uitvoering van het implementatieplan in de fase dat er een organisatieplan kan worden voorgelegd aan het dagelijks bestuur. De begeleiding wordt gedaan door Rijnconsult en binnen de organisatie is een projectstructuur ingericht rond het traject van Robuust worden.

De genomen en nog te nemen processtappen en de op geleverde/op te leveren (deel)producten zijn voorzien van een planning die gericht is een "Toekomstbestendige en robuuste RUD" per 1 april 2026. M.b.t. de invulling van de functies uit het ingroeimodel zijn in de afgelopen periode stappen gezet (zie prioritering in invulling functies in de onderstaande tekst). De overige functies uit het ingroeimodel hangen samen met de vaststelling van het organisatieplan, waarna de inzet van de formatie voor de robuuste RUD waar nog niet intern over besloten is qua wijze van inzet (circa 9 tot 10 fte) voor 2025 zal worden geconcretiseerd. Daarnaast dient er nog een nadere uitwerking plaats te vinden met betrekking tot de functies die samenhangen met de aanvullende middelen op basis van het ingroeimodel die zijn opgenomen in de ontwerpbegroting 2026. Conform het plan van aanpak wordt nog steeds voldaan aan de eis om 80% van de medewerkers in eigen dienst te hebben. Daarnaast is door middel van de 1e begrotingswijziging 2025 voldaan aan de minimale omvang van € 16,5 miljoen (prijspeil 2023). In het kader van deze opgave zijn inmiddels de volgende functies geprioriteerd en grotendeels ingevuld of opengesteld, namelijk: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Strategisch werven: 6 fte aan opleidingsplaatsen; Uitbreiding basistakenpakket (i.v.m. de inwerkingtreding van de Omgevingswet): 2,3 fte; Informatiegestuurd werken: 1 fte; Basis op orde – teamleider: 1 fte; Basis op orde – overhead: 4,5 fte, bestaande uit 2 fte strategisch advies, 1 fte financieel specialist en 1,5 fte communicatie; Implementatiemanagers plan van aanpak: 2 fte; Energiecontroles: 4,3 fte, gefinancierd via incidentele SpUk-middelen; Jurist Wet open overheid (WOO): 1 fte; Versterking overhead: 2 fte, bestaande uit bestuurs- directiesecretaris en P&O/HR-medewerker.

Op basis van deze reeds geprioriteerde onderdelen resteert er momenteel nog een financiële ruimte van circa € 0,9 miljoen. Deze ruimte zal in de komende periode nader worden ingevuld ten behoeve van een robuuste RUD.

18

Kwaliteitscriteria RUD Zeeland voldoet aan de landelijke VTH-kwaliteitscriteria 2.3 (voor alle taken)3. Dit blijkt uit een analyse door een extern, gespecialiseerd bureau4. Hiermee voldoet RUD Zeeland aan KPI 2. Wel wijst het rapport op vier aandachtspunten die verbetering behoeven. RUD Zeeland pakt deze punten op en zet daarnaast een monitoringsprogramma op voor de kwaliteitscriteria zodat RUD Zeeland ook in de toekomst aan deze KPI blijft voldoen. Daarnaast geldt sinds 1 januari 2025 een nieuwe criteria, namelijk kwaliteitscriteria 3.0. Later in 2025 wordt de organisatie getoetst of ook wordt voldaan aan deze kwaliteitscriteria.

Innovatie Voor de innovatieagenda geldt de eis dat de omgevingsdienst aantoonbaar aandacht, capaciteit én budget reserveert voor innovatie. De organisatie moet in staat zijn om tijdig en adequaat in te spelen op toekomstige opgaven door het ontwikkelen van vernieuwende producten, diensten of processen. Dit moet worden geborgd via een (meerjarige) innovatieagenda en een vrij besteedbaar innovatiebudget, waarbij geldt dat innovatie niet ten koste mag gaan van het primaire proces. Innovaties die succesvol zijn, dienen uiteindelijk onderdeel te worden van de reguliere taakuitvoering. De innovatieagenda moet laten zien welke onderwerpen zijn geagendeerd, hoe innovatie binnen de organisatie wordt georganiseerd en op welke wijze dit aansluit op regionale ontwikkelingen. Als richtlijn geldt dat het innovatiebudget minimaal 1% van de totale begroting moet bedragen. Er wordt een innovatie agenda opgesteld voor het jaar 2026 en verder. Thema's die daarin naar voren komen zijn: financieringsstructuur, informatiemanagement, risicogericht werken. Het zwaartepunt zal naar verwachting gaan liggen op de combinatie van financieringsstructuur en informatiemanagement. In het ingroeimodel behorend bij het PvA is voorzien in middelen waarmee wordt voldaan aan de eis van een innovatiebudget van > 1% van de begroting.

Dit betreft in totaal €180.000, namelijk € 50.000 in de jaarschijf 2025 van het ingroeimodel en € 130.000 in de jaarschijf 2026 van het ingroeimodel.

Continuïteit Om te voldoen aan deze KPI wordt van de omgevingsdienst verwacht dat zij over voldoende weerstandsvermogen beschikt om risico’s en wijzigingen in het overgedragen takenpakket op te kunnen vangen. Dit houdt in dat er een afdoende algemene reserve moet zijn om zowel geïdentificeerde risico’s als onvoorziene operationele tegenvallers te kunnen dekken. De omgevingsdienst moet dit, conform het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV), inzichtelijk maken in zowel de begroting als de jaarstukken. De hoogte van het benodigde weerstandsvermogen moet jaarlijks worden vastgesteld op basis van een actuele risicobeoordeling en bijbehorende financiële impact. De verhouding tussen de beschikbare en benodigde risicobuffer wordt uitgedrukt in de weerstandsratio. Als norm geldt hierbij een minimale ratio van 0,8, tenzij expliciet wordt vastgelegd dat risico’s (gedeeltelijk) worden opgevangen door de deelnemers. In lijn met de gestelde eisen is het weerstandsratio minimaal 0,8, met een streefwaarde van 1,0. Indien de ratio onder dit minimumniveau zakt, zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop het weerstandsvermogen wordt aangevuld. Afwijking van deze norm is slechts toegestaan wanneer expliciet is vastgelegd dat bepaalde risico’s door de deelnemers worden opgevangen. Daarnaast wordt jaarlijks een 3

O.a. te raadplegen via: Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl).

4

Libereaux, “Rapportage Nulmeting KC2.2”, september 2022.

19

actualisatie van het benodigde weerstandsvermogen uitgevoerd, waarbij ook de financiële impact van actuele risico’s wordt herijkt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de vereisten van deze KPI en blijft het weerstandsvermogen beheersbaar en toereikend.

Sturing Van de omgevingsdienst wordt verwacht dat zij in staat is om een duidelijke relatie te leggen tussen werkzaamheden, personele inzet en financiële middelen. Dit vraagt om een informatiegestuurde werkwijze, waarbij data actief wordt benut ter ondersteuning van besluitvorming en kwaliteitsverbetering. Concreet houdt dit in dat de organisatie beschikt over een business-intelligence (BI) strategie, waarin is vastgelegd hoe gegevens worden verzameld, geanalyseerd en toegepast, inclusief de ambities en de weg daar naartoe. Er wordt geadviseerd om hiervoor minimaal drie fte beschikbaar te hebben binnen de uitvoeringsformatie VTH. Daarnaast dient de omgevingsdienst te beschikken over een opleidingsprogramma waarin structureel aandacht is voor zowel het behoud als de ontwikkeling van kennis, kunde en vaardigheden, gericht op zowel bestaande taken als toekomstige opgaven. Voor dit programma geldt dat minimaal 3% van de loonsom beschikbaar moet zijn als opleidingsbudget, en dat de begroting voldoende middelen bevat om het programma volledig uit te voeren. Op basis van deze vereisten kan de voortgang worden beoordeeld. De strategische personeelsplanning en als onderdeel daarvan het opleidingsplan is onderdeel van het lopende implementatietraject. De SPP met opleidingsplan is vergevorderd en zit in de conceptfase.

Op dit moment bedraagt het beschikbare opleidingsbudget nog geen 3% van de loonsom, waarmee nog niet volledig wordt voldaan aan de gestelde norm. De verwachting is echter dat, door de toekomstige invulling van de verkregen middelen, deze norm uiterlijk per 1 april 2026 wél wordt gerealiseerd. In het PvA is voorzien in middelen waarmee wordt voldaan aan de eis van het opleidingsbudget van > 3% van de loonsom. Dit betreft € 100.000 in jaarschijf 2026 van het ingroeimodel. Hiermee wordt invulling gegeven aan de structurele borging van zowel het behoud als de doorontwikkeling van kennis, kunde en vaardigheden binnen de organisatie. Er ligt een startnotitie om tot een BI-strategie te komen. De vacature van informatiemanager is opengesteld, de selectieprocedure loopt. Verwachting is dat een geschikte kandidaat kan worden aangetrokken. Hierna wordt de BI-strategie verder uitgewerkt. Financiële dekking op de bemensing is gerealiseerd. RUD-Zeeland beschikt over een medewerker informatie. De functie informatiemanager wordt binnen enkele weken ingevuld. Hiermee wordt een eerste invulling gegeven aan de structurele verankering van innovatie binnen RUD Zeeland. Dan rest nog 1 FTE die wordt ingevuld afhankelijk van de uitwerking van de BI-strategie/plan in de 2e helft van 2025.

Congruentie De bestuurlijke visie is om de Zeeuwse milieutaken te laten uitvoeren door een robuuste Zeeuwse omgevingsdienst, die een passend werkgebied heeft en daardoor weet wat er speelt. Een Zeeuwse omgevingsdienst met als werkgebied de gehele provincie Zeeland sluit aan op de Zeeuwse context. Naast RUD Zeeland opereren ook Provincie Zeeland, Veiligheidsregio Zeeland (VRZ), Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) Zeeland en het Waterschap Scheldestromen binnen dit werkgebied. Samen pakken zij de vele Zeeuwse maatschappelijke opgaven aan. Een Zeeuwse omgevingsdienst sluit daar het beste op aan. RUD Zeeland heeft een werkgebied dat congruent is met het karakter van het werkgebied en de maatschappelijke opgaven. Het werkgebied is de provincie Zeeland, met een grotendeels landelijk 20

karakter en relatief veel industrie. De provincie Zeeland heeft als kenmerk dat zij, na het havengebied Rotterdam, het tweede risicogebied van Nederland is op het gebied van milieu. Ook valt het gebied Nort Sea Port als NOVEX-gebied geheel binnen het werkgebied van RUD Zeeland.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16231709/1