2025-29b D25.327916 Bijlage 2 - Toelichting verordening je Bijlage 2 - Toelichting verordening jeugdhulp.
Tekst van het document
Lid 2 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van het besluit naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van het besluit over het verleden betreft. Intrekking ziet ook op het verleden: een besluit wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de wet alleen spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de memorie van toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een ‘kan’-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Lid 4 In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie door de jeugdige en/of ouder(s) (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Voordat het college tot invordering kan overgaan, moet het college het bedrag eerst terugvorderen.
Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt dan ook voor de intrekkingsgrond uit het tweede lid onder a
20
(verstrekken onjuiste of onvolledige gegevens). Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Artikel 23. Niet meewerken ouder(s) De jeugdige en/of ouder(s) hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Als de jeugdige en/of ouder(s) dit weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen. Het college kan bijvoorbeeld medewerking vragen voor het afleggen van een huisbezoek en het observeren van de jeugdige (al dan niet binnen het gezin). NB: In artikel 2.7, eerste lid, van de wet staat dat het college waar nodig kan overleggen met het bevoegd gezag van een school bij het inzetten van een individuele voorziening. Hiervoor is medewerking van de ouder(s) niet vereist. Artikel 24. Misbruik en controle Op grond van artikel 2.9, onderdeel d, van de wet moeten in de verordening regels worden opgenomen over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit artikel is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Lid 1 Het is van belang dat de jeugdige en/of ouder(s) zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 22, eerste lid, van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en/of ouder(s) hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke gevolgen het kan hebben als zij zich niet houden aan deze verplichtingen. Lid 2 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de wet (zie artikel 5:11 van de Awb). Anders dan in de Wmo 2015 is in de wet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Uit de wetsgeschiedenis kan wel worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de memorie van toelichting de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht op de kwaliteit wordt gedaan door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie hoofdstuk 9 van de wet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD).
Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet onder andere op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Lid 3 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 van de
21
Awb). De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Awb. Artikel 25. Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en met een pgb te waarborgen en fraude te voorkomen. In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid). Het college beschikt tevens over een meldpunt, waar signalen, zorgen en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015 en de wet. Een en ander kan dan leiden tot vervolgonderzoek, al dan niet door een toezichthouder. Hoofdstuk 6. Afstemming met andere voorzieningen In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld. Artikel 26.
Voorliggende voorzieningen Lid 1 en 2 Op grond van artikel 1.2, eerste lid onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van een van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing. Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127). Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt. Lid 3 22
Op het moment dat een aanvraag wordt gedaan terwijl aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling, worden de jeugdige en/of ouder(s) dan wel een wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen wal en schip vallen. Artikel 27. Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg Lid 1 De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente, namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, ggz, en (licht-)verstandelijk gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zvw. Langdurige (24-uurs) zorg vanwege (voornamelijk) een verstandelijke en/of lichamelijke handicap valt ook niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wlz en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zvw. Gelet op deze afbakening is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De wet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7, vierde en vijfde lid, van de wet).
Dit artikel beschrijft een aantal onderdelen waarop afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen. Lid 2 Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert meestal het wettelijk kader van waaruit hulp geleverd wordt. Ggz bijvoorbeeld komt vanaf het 18e jaar voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van hulp te kunnen bieden, maakt het college afspraken met de zorgverzekeraars en het CIZ (uitvoerder van de Wlz). Lid 3 Uit de wet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlz-indicatie kan krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1.2, eerste lid onder c, van de wet). In deze bepaling is geregeld dat als dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan, het college in ieder geval zorgdraagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Pas als de jeugdige en/of ouder(s) weigeren hieraan mee te werken, kan het college de inzet van jeugdhulp weigeren. Wel moet het college kunnen onderbouwen dat inderdaad aanspraak op Wlz-zorg bestaat en altijd het belang van de jeugdige in het oog houden. Artikel 28.
Afstemming andere vormen van hulp en ondersteuning Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer de jeugdige en/of ouder(s) op grond van de wet ondersteuning vragen van het college moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 28 van de verordening is het college ervoor 23
verantwoordelijk dat de jeugdige en/of ouder(s) zo veel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat zij tussen wal en schip vallen. Lid 1 Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. Lid 2 en 3 Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. Lid 4 Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij wel afhankelijk van de medewerking van de jeugdige en/of ouder(s) dan wel een wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.
Artikel 29. Afstemming gecertificeerde instellingen De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. In de wet staat ook dat zo'n samenwerkingsprotocol verplicht is (zie artikel 3.5, derde lid, van de wet). Artikel 30. Afstemming justitiedomein In de strafrechtelijke beslissing kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. Meestal zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen is de gecertificeerde instelling betrokken bij de uitvoering hiervan. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, inrichtingsarts of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings- en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK.
Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. Artikel 31. Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening 24
afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen. De wet draagt de gemeente ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2.7 van de wet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij de gemeente, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten wordt hierbij ook de leerplichtambtenaar betrokken (tweede lid). Uiteraard worden de jeugdige en ouders betrokken bij dit overleg en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele ondersteuningsplan van de jeugdige (derde lid). Artikel 32. Afstemming Veilig Thuis Veilig Thuis is beschikbaar voor advies voor professionals. Specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld ingewikkelde situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eergerelateerd geweld, seksueel misbruik, verwaarlozing of huwelijksdwang. Veilig Thuis kan onderzoek doen en passende hulp inschakelen. Daarom zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen. Artikel 33. Afstemming Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de wet, maar onder de Wmo 2015. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar.
Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar van tevoren, bekeken wordt wat gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van hulp geborgd is. Sommige ouders van jeugdigen zullen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij niet zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouder(s) gewenst. Artikel 34. Afstemming werk en inkomen Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht. Artikel 35. Overgang 18- naar 18+ Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt. Of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette hulp wordt al voor het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden.
Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het 18e jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij de jeugdige, ouder(s) en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar. Hoofdstuk 7. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 36. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen De gemeente moet regels maken over het waarborgen van een goede prijs en kwaliteitverhouding. Dit is opgenomen in artikel 2.11 van de wet. Sinds 1 juli 2024 is artikel 2.3 aan het Besluit Jeugdwet 25
toegevoegd. Dit artikel helpt gemeenten en aanbieders om bij het opstellen van een contract tot een reële prijs te komen. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten (jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering) die derden verlenen in opdracht van het college. In artikel 2.3 van het Besluit Jeugdwet is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (tweede lid). Een vaste of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Uitgangspunt is dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college moet rekening houden met een aantal aspecten, zoals de mate van deskundigheid van de beroepskrachten, de arbeidsvoorwaarden, waaronder de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college moet bij het vaststellen van de tarieven met deze aspecten (naast de prijs) rekening houden om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde ofwel een vaste, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen.
Als het college een vaste prijs vaststelt, dan is het tarief voor de inschrijvers gelijk aan de vaste prijs. Lid 2 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Lid 3 Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van algemene voorzieningen. Hoofdstuk 8. Klachten en medezeggenschap Artikel 37. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoerig geregeld. Dit artikel is in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de 26
verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van de jeugdige en/of ouder(s) te geven. Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten de jeugdige en/of ouder(s) zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 en verder van de wet. Artikel 38. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid. Lid 1 Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier waarborgt het college dat dezelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als het beleid op andere terreinen. Lid 4 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de exacte invulling van de medezeggenschap. Hoofdstuk 9. Slotbepalingen Artikel 39. Evaluatie Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op landelijk niveau plaatsvindt (zie artikel 12.2 van de wet), maar kan wel de daarin verzamelde gegevens gebruiken. Artikel 40.
Hardheidsclausule Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of ouder(s) kan afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dit geldt dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen bij een expert. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige en/of ouder(s). Verder staat uitdrukkelijk opgenomen: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 van de wet het college maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. In uitzonderingsgevallen kan het bijvoorbeeld spelen bij de regels rondom het verstrekken van een pgb. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuw verordening in werking treedt.
27
In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten (op basis van de oude verordening) doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Tot slot is in het derde lid vastgelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn op grond van de nieuwe verordening beoordeeld worden. Artikel 42. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.
28