CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-18b D25.330595 D25.330595 Notitie activering waardering en afschrijving vaste activa 2019.08127.docx

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente KapelleBij agendapunt: Beleidsplan wegen 2025-20346.304 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTITIE ACTIVERING, WAARDERING EN AFSCHRIJVING VASTE ACTIVA GEMEENTE KAPELLE

Inhoud 1. Inleiding ...............................................................................................................................................3 2. Vaste activa .........................................................................................................................................3 2.1 Immateriële vaste activa ................................................................................................................3 2.2 Materiële vaste activa ....................................................................................................................4 2.3 Financiële vaste activa...................................................................................................................4 3. Activeren..............................................................................................................................................4 3.1 Algemeen.......................................................................................................................................4 3.2 Bruto- en netto activeren................................................................................................................5 3.3 Moment van activeren en omvangcriterium ...................................................................................6 4.

Waarderen...........................................................................................................................................6 4.1 Algemeen.......................................................................................................................................6 4.2 Waardering vaste activa ................................................................................................................6 4.3 Duurzame waardevermindering.....................................................................................................7 5. Afschrijven ...........................................................................................................................................8 5.1 Algemeen.......................................................................................................................................8 5.2 Afschrijvingsmethoden...................................................................................................................8 5.3 Moment van beginnen met afschrijven ..........................................................................................8 5.4 Afschrijvingstermijn ........................................................................................................................8 5.5

Restwaarde....................................................................................................................................9 5.6 Componentenbenadering ..............................................................................................................9 5.7 Afschrijvingen immateriële vast activa .........................................................................................10 6. Onderhoud kapitaalgoederen ............................................................................................................10 6.1 Algemeen.....................................................................................................................................10 6.2 Paragraaf onderhoud kapitaalgoederen ......................................................................................10 6.3 Beleidskader ................................................................................................................................11 6.4 Beheerplannen.............................................................................................................................11 6.5 Soorten onderhoud ......................................................................................................................11 6.6

Onderhoudsvoorziening...............................................................................................................12 6.7 Achterstallig onderhoud ...............................................................................................................13 Bijlage 1: Afschrijvingstermijnen met ingang van de begroting 2020 ....................................................14

2

1. Inleiding De "Notitie activering, waardering en afschrijving vaste activa gemeente Kapelle" is een actualisatie van de vorige notitie uit 2012. Aanpassing van de notitie is als gevolg van het Vernieuwingsbesluit Begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van 5 maart 2016 en de "Notitie materiële vaste activa" van de Commissie BBV van december 2017. Kenmerkend voor de eigenheid van gemeenten is onder meer de waardering en behandeling van activa. Een belangrijk onderdeel van de begroting en de jaarstukken zijn de activerings- en waarderingsgrondslagen en de afschrijvingsmethoden. Het BBV geeft het wettelijk kader weer en in artikel 7 lid 1 van de Financiële verordening Gemeente Kapelle is bepaald dat de activering, waardering en afschrijving geschiedt o.b.v. de door uw raad vastgestelde "Notitie activering, waardering en afschrijving vaste activa gemeente Kapelle". In de teksten worden de wetsartikelen van het BBV cursief aangegeven.

2. Vaste activa Voor het realiseren van onze doelstellingen hebben wij vaak investeringen nodig. Onder investeringen wordt verstaan, het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. De investeringen worden op de balans verantwoord en ontstaat er een bezit, een vast actief. De lasten voortvloeiende uit de investeringen, zoals onderhoud, afschrijvingen, toegerekende rente, verzekeringen, behoren tot de jaarlijkse exploitatielasten. Wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief, dan is er sprake van onderhoud. In sommige gevallen is het moeilijk een onderscheid te maken tussen investeringen en grote uitgaven die niet kunnen worden geactiveerd. De Commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat klein- en groot onderhoud een object in goede, oorspronkelijke staat houdt of brengt en dus niet van invloed is op de bepaalde gebruiksduur (=afschrijvingstermijn) van het object en daarom niet mag worden geactiveerd. In de begroting wordt afzonderlijk aandacht besteed aan de investeringen. De lasten die voortvloeien uit deze investeringen worden in het overzicht van baten en lasten, deel uitmakende van de financiële begroting, verantwoord.

Bij de vaststelling van de begroting door uw raad worden niet alleen de baten en lasten vastgesteld, maar stelt u ook de investeringen vast. Overigens kunt u bij de begrotingsbehandeling en vaststelling aangeven van welke investering(en) u op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringsbudget wil ontvangen. Voorts kan het voorkomen dat er in de loop van het begrotingsjaar een investeringsbudget noodzakelijk is die niet bij de vaststelling van de begroting voorzien was. Aan u zal dan een voorstel ter besluitvorming moeten worden voorgelegd. Een dergelijk voorstel moet vergezeld gaan van een structureel en reëel sluitende begrotingswijziging, waarin de baten en de lasten, waaronder de kapitaallasten voortvloeiende uit de investering, zijn opgenomen. Onder vaste activa wordt volgens artikel 33 BBV afzonderlijk opgenomen: immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële vaste activa.

2.1 Immateriële vaste activa Dit zijn activa waar geen fysieke bezittingen tegenover staan. Artikel 34 BBV: In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio; b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; c. bijdragen aan activa in eigendom van derden. Ad. a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio. Het (dis)agio is het verschil tussen het bedrag waardoor een lening wordt aangegaan en het lagere bedrag dat aan de gemeente wordt uitgekeerd. Dit verschil kan worden geactiveerd. 3

Ad. b en c. Voor een verdere toelichting zie hoofdstuk 3.1. Kapelle: De kosten van (dis)agio worden geactiveerd en lineair afgeschreven met max looptijd lening.

2.2 Materiële vaste activa Dit zijn de meest voorkomende activa bij gemeenten. Het betreft o.a. aanleg en reconstructie van wegen van openbaar groen, aankoop, bouw en renovatie van gebouwen. Artikel 35 BBV 1. In de balans worden onder de materiële vaste activa worden afzonderlijk opgenomen: a. investeringen met een economisch nut; b. investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; c. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. 2. Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven. Ad. a. investeringen met een economisch nut. Investeringen met een economisch nut zijn alle investeringen die kunnen bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/of verhandelbaar zijn. De grondslagen van waardering zijn opgenomen in de jaarstukken. Ad. b. investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven. De investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven, moeten apart op de balans worden opgenomen, omdat de regelgeving over de verslaglegging van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing en de daaraan gerelateerde lasten tot onduidelijkheden in fiscale procedures hebben geleid.

Mede gezien de juridische consequenties die een onjuiste kostentoerekening aan deze taken kan hebben, is deze categorie in het leven geroepen. De bedoelde heffing betreft ook rechten die op grond van artikel 229 lid 1 van de Gemeentewet geheven kunnen worden. Dit zijn rechten die maximaal kostendekkend mogen zijn, alleen besteed mogen worden aan het doel waarvoor de rechten zijn geheven en die ook een spaarbedrag voor vervanging van de betrokken activa mogen bevatten. Bijvoorbeeld investeringen inzake gemeentelijke begraafplaatsen. Indien gemeenten in de heffing bijdragen hebben opgenomen voor toekomstige vervanging van investeringen voor deze taken, komen deze gelden in een vervangingsvoorziening. Indien vervolgens de daadwerkelijke vervangingsinvestering plaatsvindt, worden deze investeringen geactiveerd en moeten vervolgens de bijdragen uit de voorzieningen rechtstreeks in mindering worden gebracht op de investering. Ad. c. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. De gemeente heeft investeringen die geen middelen genereren, maar wel duidelijk een publieke taak vervullen. Het gaat hierbij om investeringen in water, wegen, civiele (kunst)werken en groen.

2.3 Financiële vaste activa Financiële vaste activa vertegenwoordigen een financiële waarde of bezit. Hierbij moet gedacht worden aan leningen, kapitaalverstrekkingen en uitzettingen. De leningen zoals voor het startersfonds en BBZ (Besluit bijstandverlening zelfstandigen) worden opgenomen tegen kostprijs en zo nodig wordt in mindering gebracht een voorziening voor verwachte oninbaarheid. De aandelen zijn opgenomen tegen de verkrijgingsprijs.

3. Activeren 3.1 Algemeen Activeren is het op de balans presenteren van de financiële waarde van het aangeschafte of 4

vervaardigde kapitaalgoed met een meerjarig nut dat vanaf het moment als bezitting kan worden beschouwd. Artikel 59 BBV 1. Alle investeringen worden geactiveerd. 2. In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultureel-historische waarde niet geactiveerd. Artikel 60 BBV Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien: a. het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen; b. de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat; c. het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en; d. de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. In dit artikel worden de voorwaarden genoemd die bepalen dat de kosten alleen dan mogen worden geactiveerd als de plannen omtrent het actief, waarvoor de kosten worden gemaakt, al redelijk omlijnd zijn, de plannen uitvoerbaar zijn en de kosten zijn in te schatten. Voorts is het ook van belang dat het daadwerkelijk om kosten voor voorbereiding van een investering gaat. Dit betekent dat kosten voor onderzoek en ontwikkeling geactiveerd mogen worden voor zover het onderzoek of de ontwikkeling bijdraagt aan de totstandkoming van een vast actief. Bijvoorbeeld het opstellen van een nieuw Gemeentelijk Rioleringsplan leidt niet tot de totstandkoming van een vast actief.

Het is 'slechts' een document waarin de noodzakelijke vervangingsinvesteringen worden gepland en doorgerekend. De hiermee gemoeide kosten mogen daarom niet worden geactiveerd. Artikel 61 BBV Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd indien: a. er sprake is van een investering door een derde; b. de investering bijdraagt aan de publieke taak; c. de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en; d. de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden die in dit artikel genoemd worden zijn cumulatief. Kern is dat het bij de bijdrage gaat om een investering die bijdraagt aan de publieke taak en dat de gemeente de derde partij kan verplichten daadwerkelijk te investeren en dat bij in gebreke blijven de gemeente de middelen kan terug vorderen of (mede) eigenaar worden van de investering. De bijdrage aan de publieke taak wil ook zeggen dat er een algemeen belang mee gediend is, liggende in de sfeer van de uitvoering van een overheidstaak.

De uitvoering van bijvoorbeeld de WMO is een wettelijke verplichte overheidstaak van de gemeente, maar dient een individueel belang en geen algemeen belang. Dit betekent dat niet voldaan wordt aan alle voorwaarden van artikel 61, waardoor een bijdrage op grond van de WMO (bijvoorbeeld een woningaanpassing) niet geactiveerd mag worden als een bijdrage aan activa in eigendom van derden.

3.2 Bruto- en netto activeren Artikel 62 BBV 1. Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd. 2. In afwijking van het eerste lid worden de bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief op de waardering daarvan in mindering gebracht. 3. In afwijking van het eerste lid moeten de voorzieningen, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, in mindering gebracht worden op de investeringen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b. Bovenstaande betekent dat alle vaste activa geactiveerd worden voor het bedrag van de investering, dit is de bruto-methode. Indien u als raad heeft besloten tot een bestemmingsreserve, dan mag deze reserve niet in mindering worden gebracht op de investering, maar zal gebruikt worden als dekking van de uit de investering jaarlijks voortvloeiende kapitaallasten, waarbij de looptijd voor de onttrekkingen aan de reserve gelijk is aan de looptijd van de investering. 5

Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief moeten op de investering in mindering worden gebracht. Hier is dus sprake van de netto-methode. Indien in de riool- of afvalstoffenheffing bedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen zijn of worden opgenomen, dan moeten deze verkregen middelen in een vervangingsvoorziening worden verantwoord. Deze bedragen hebben een bestemming en staan niet ter vrije beschikking van de raad. Op het moment dat de daadwerkelijke vervangingsinvestering plaatsvindt, wordt de investering geactiveerd en moet de vervangingsbijdrage uit de voorziening direct in mindering worden gebracht op de vervangingsinvestering. Investeringen in de riolering in grondexploitatieplannen worden ten laste van de grondexploitatie gebracht en worden via de grondprijs bij verkoop vergoed.

3.3 Moment van activeren en omvangcriterium Investeringen moeten uiterlijk op het moment van ingebruikname worden geactiveerd. In de Financiële verordening Gemeente Kapelle is de ondergrens aangegeven voor het activeren van investeringen. Deze ondergrens is € 25.000.

4. Waarderen 4.1 Algemeen De definitie van waarderen is de waarde die toegekend wordt aan het geactiveerde kapitaalgoed c.q. de investering op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Bij de waardering gaat het om de waardebepaling van activa en de regels die daarvoor gelden. Het gaat hierbij om de waardering van balansposten, teneinde een reëel beeld te krijgen van de vermogenspositie van de gemeente. In het kort kunnen deze regels als volgt worden weergegeven: 1. Het toerekeningsbeginsel moet in acht worden genomen; 2. Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs; 3. Reserves in mindering brengen op de boekwaarde van een investering is niet toegestaan. Reserves mogen wel worden gebruikt ter dekking van de jaarlijkse kapitaallasten; 4. Bijdragen van derden, die in directe relatie staan tot het actief, moeten in mindering worden gebracht op de investering; 5. Bijdragen uit een voorziening op grond van artikel 44, lid 1d BBV (dat wil zeggen in de heffing begrepen gespaarde bijdragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen) moeten in mindering worden gebracht op de investering; 6. Bij de waardering van de vaste activa met economisch nut wordt rekening gehouden met waardevermindering, indien deze vermindering naar verwachting duurzaam is; 7.

Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde.

4.2 Waardering vaste activa Artikel 63 BBV 1. Aangeschafte vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of de vervaardigingsprijs. 2. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. 3. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend. Onder een redelijk deel van de indirecte kosten kunnen en mogen op grond van het Wijzigingsbesluit vernieuwing BBV van 5 maart 2016 de kosten van overhead worden gerekend. Deze kosten mogen zowel aan grondexploitaties, investeringen en groot onderhoudsprojecten worden toegerekend, die ten laste van een voorziening worden gebracht. De toerekening van de overheadkosten vindt plaats 6

o.b.v. de formule, zoals deze in de Financiële verordening Gemeente Kapelle is opgenomen. Kapelle: De toerekening van overheadkosten aan grondexploitaties en investeringen zal plaatsvinden m.i.v. begroting 2020. De BTW op de activa wordt niet gewaardeerd, als deze compensabel is volgens de Wet op het BTWcompensatiefonds.

4.3 Duurzame waardevermindering In de loop van de tijd kan de waarde van een actief zijn veranderd ten opzichte van de boekwaarde op de balans. Herwaardering van activa naar een hogere waarde is niet toegestaan en afwaardering van activa is in de meeste gevallen ook niet toegestaan, omdat de waardering geschiedt tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Onder bepaalde voorwaarden zijn bijzondere waardeverminderingen toegestaan. Het betreft hier bijvoorbeeld waardeverminderingen als gevolg van wijzigingen in de technische of economische levensduur. In het BBV is bepaald dat naar verwachting duurzame waardeverminderingen onafhankelijk van het rekeningresultaat moeten worden genomen. Dit is mede ingegeven vanuit het voorzichtigheidsprincipe. Waardevermindering van vastgoed Ingeval van gewijzigde omstandigheden, komt het voor dat vastgoed in waarde afneemt. Vastgoed wordt onderscheiden in vastgoed met een maatschappelijke functie en met een bedrijfseconomische functie. Het overgrote deel van het vastgoed bij gemeenten is maatschappelijk. Vastgoed met een maatschappelijke functie heeft betrekking op een gemeentehuis of op gebouwen en terreinen met een functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn of maatschappelijke opvang en/of zorg.

Kenmerk van vastgoed met een maatschappelijke functie, is dat bij negatieve exploitatiesaldi er feitelijk sprake is van het duurzaam verstrekken van subsidie. Indien de bestuurlijke intentie bestaat om vastgoed met een maatschappelijke functie duurzaam te exploiteren en dit als zodanig in de begroting tot uitdrukking komt, speelt duurzame waardevermindering geen rol. Indien de bestuurlijke intentie bestaat om vastgoed met een maatschappelijke functie te verkopen, of de bestemming ervan te wijzigen naar vastgoed met een bedrijfseconomische functie, dan moet, indien er sprake is van een naar verwachting duurzaam lagere marktwaarde ten opzichte van de boekwaarde, een duurzame waardevermindering worden verantwoord. Vastgoed met een bedrijfseconomische functie kenmerkt zich door de bestuurlijke intentie om bewust winst en/of waardestijgingen te realiseren. In deze situatie worden panden aangehouden en verhuurd en/of staan in de verkoop. Om vast te stellen of een duurzame waardevermindering moet worden toegepast, moet de directe opbrengstwaarde van het vastgoed worden bepaald, middels een onafhankelijke taxatie. In geval van een duurzame waardevermindering wordt deze waardevermindering direct verwerkt.

Verkoop of buitengebruikstelling van vast actief Indien een actief buiten gebruik wordt gesteld en/of wordt afgestoten dan moet afwaardering plaatsvinden indien de marktwaarde naar verwachting lager is dan de boekwaarde. Artikel 65 BBV 3. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. Een eventueel verkregen opbrengst wordt als incidentele bate verantwoord in de jaarrekening. Indien het object nog een boekwaarde heeft, dan dient deze boekwaarde geheel afgeboekt te worden. Dit is een incidentele last in de jaarrekening. De verkoopopbrengst en het afboeken worden beide afzonderlijk verantwoord en mogen niet met elkaar worden verrekend. De verkoopopbrengst mag ook niet worden verrekend met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject.

7

5. Afschrijven 5.1 Algemeen Investeringen verliezen naar mate de tijd verstrijkt hun waarde. Deze waardevermindering is afschrijven. Afschrijven is het op een methodische wijze boekhoudingkundig verwerken van de waardevermindering van kapitaalgoederen. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur moet jaarlijks worden afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd met de verwachte gebruiksduur. Over grond wordt niet afgeschreven, omdat grond geen slijtend actief is en daarom een eeuwigdurende gebruiksduur heeft. Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Eén van de vereisten van financiële gegevens is het stelselmatigheidsvereiste. De grondslagen dienen consistent te worden toegepast. Indien 1 jaar geen afschrijving wordt berekend, bijvoorbeeld vanwege een negatief jaarrekening resultaat, is er geen sprake van consistentie en is dus niet toegestaan. Resultaat afhankelijk extra afschrijven, bijvoorbeeld bij een positief jaarrekening resultaat is ook niet toegestaan.

5.2 Afschrijvingsmethoden Het BBV schrijft geen afschrijvingsmethoden voor. Er zijn diverse afschrijvingsmethoden. Bij gemeenten worden lineaire en annuïtaire afschrijving verreweg het meest toegepast. Lineaire afschrijving Ieder jaar wordt hetzelfde bedrag (of percentage van de aanschafwaarde) afgeschreven. De vermindering van de boekwaarde is daarmee boekhoudkundig ieder jaar gelijk maar de jaarlijkse rentelast wordt ieder jaar lager. Annuïtaire afschrijving Bij annuïtaire afschrijving is er sprake van een jaarlijks gelijkblijvende annuïteit. Deze annuïteit bestaat uit rente en afschrijving. De rente wordt berekend over de boekwaarde. Door de afschrijving vermindert de boekwaarde en daarom vermindert ook de rentecomponent. Vanwege de gelijkblijvende annuïteit neemt de afschrijving ieder jaar toe. Bij deze methode zijn de afschrijvingen aan het begin laag en aan het einde hoog. Kapelle: Het uitgangspunt is om alle vaste activa lineair af te schrijven. Mocht in uitzonderingsgevallen met annuïteit worden afgeschreven, dan neemt de raad hierover een afzonderlijk besluit.

5.3 Moment van beginnen met afschrijven Voor het moment van beginnen van afschrijven is de gemeente, binnen de regels van het BBV, vrij in haar keuze. Maar in tegenstelling tot de afschrijvingsmethode, die per (sub)categorie kan worden bepaald, kan voor het moment van beginnen met afschrijven slechts voor één mogelijkheid worden gekozen. De gekozen mogelijkheid wordt toegepast op alle kapitaalgoederen die gereed komen/verworven worden. Uit de volgende mogelijkheden kan worden gekozen. • vanaf het begin van het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving); of • medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een halfjaar afschrijving); of • vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt. Kapelle: voor de berekening van de afschrijvingslast van een nieuwe investering wordt bij de begroting, meerjarenraming en de jaarrekening uitgegaan vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt.

5.4 Afschrijvingstermijn De gebruiksduur is gelijk aan de verwachte economische of technische gebruiksduur. Het BBV schrijft geen afschrijvingstermijnen voor, omdat de gebruiksduur afhankelijk kan zijn van lokale 8

omstandigheden. De gemeente dient zelf de gebruiksduur per categorie van de kapitaalgoederen vast te stellen. Er kan afgeschreven worden tot € 0 of er kan rekening gehouden worden met een restwaarde. Het opschorten van afschrijvingen is gedurende een redelijke termijn toegestaan, indien een gebouw leeg staat tot het moment van verkoop. Bij tijdelijk verhuur aan derden wordt wel afgeschreven. Doordat de bestemming in deze situatie is gewijzigd, moet de actuele waarde in die nieuwe bestemming in de toelichting op de balans worden vermeld. Kapelle: In bijlage 1 is de tabel opgenomen met de afschrijvingstermijnen en — methoden voor verschillende activa.

5.5 Restwaarde De restwaarde is de schatting tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruikstermijn nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijk waardeverminderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke. De restwaarde van een actief dient reëel te worden geschat. De restwaarde mag niet zodanig hoog worden geschat, dat feitelijk geen of te weinig afschrijving plaatsvindt. Wanneer wordt afgeschreven tot een bepaalde restwaarde, is er sprake van een waarderingsgrondslag. Deze waarderingsgrondslag moet vastgesteld zijn in het activeringsbeleid van de gemeente. Dit beleid moet bovendien consistent worden toegepast voor dezelfde activacategorieën en consistent in de tijd. Kapelle: Kapelle werkt met een restwaarde op gebouwen, waarbij de scholen en de sportgebouwen buiten beschouwing zijn gelaten, omdat de vraag uit de markt hiervoor niet of nauwelijks aanwezig was en is.

5.6 Componentenbenadering De componentenbenadering houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief, die afzonderlijk vervangen kunnen worden, afzonderlijk worden afgeschreven op basis van de individuele waardevermindering van die delen. Per deel kan de technische of economische gebruiksduur namelijk verschillen. De gemeente kan de componentenbenadering toepassen. De opsplitsing in componenten wordt bepaald aan de hand van de economische / technische levensduur. De componentenbenadering resulteert in verschillende afschrijvingstermijnen voor ieder onderdeel. De toepassing van de componentenbenadering kan worden geïllustreerd aan de hand van het verkrijgen van een kantoorpand. Het pand is daarbij ten minste op te delen in de volgende componenten: • grond niet op afschrijven • gebouw afschrijven in 40 jaar • vaste inrichting afschrijven in 40 jaar • installaties afschrijven in 15 jaar • kantoormeubilair afschrijven in 10 jaar De lasten voor de te onderscheiden samenstellende delen worden op basis van bovenstaande opdeling afzonderlijk opgenomen en afgeschreven. In dit voorbeeld kan na 15 jaar de cv-ketel worden vervangen en opnieuw worden geactiveerd. Wanneer de levensduur van bijvoorbeeld de cv-ketel onverwacht technisch eerder eindigt, kan binnen de componentenregeling de cv-ketel toch vervangen en geactiveerd worden.

De restant boekwaarde van de oude cv-ketel dient wel in één keer te worden afgeboekt. Er kan alleen worden afgeschreven op activa die in gebruik zijn. De restantboekwaarde kan niet worden ingebracht als onderdeel van de te activeren vervaardigingsprijs van de nieuwe cvinstallatie. 9

De gemeente kan er ook voor kiezen om een materieel vast actief in zijn geheel te activeren en één afschrijvingstermijn te hanteren. De onderdelen die een kortere gebruiksduur hebben dan de vooraf bepaalde gebruiksduur van het gehele actief, en dus eerder vervangen moeten worden, vallen onder het groot onderhoud. Via het vormen van een onderhoudsvoorziening kunnen de kosten van toekomstig groot onderhoud gelijkmatig gespreid worden in de tijd. Kapelle: Voor woonruimten en bedrijfsgebouwen wordt de componentenbenadering gebruikt.

5.7 Afschrijvingen immateriële vast activa Artikel 64 BBV 4. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. 5. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar. 6. Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. Ad 4. Wanneer kosten van het afsluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio geactiveerd worden, dan is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. Wordt een lening aangegaan met een looptijd van 25 jaar, dan bedraagt de afschrijvingsduur ook maximaal 25 jaar. Ad 5. Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen geactiveerd worden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan zoals gesteld in de onderdelen a t/m d van artikel 60 BBV. De afschrijvingsduur van deze immateriële vaste activa bedraagt ten hoogste vijf jaar. Ad 6. Wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 61 BBV, kunnen bijdragen aan activa in eigendom van derden geactiveerd worden onder immateriële vaste activa.

De afschrijvingsduur van deze bijdragen maximaal gelijk aan de afschrijvingsduur van de activa die door de betreffende derden wordt gehanteerd, waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. De gemeente kan dus wel een kortere afschrijvingsduur, maar geen langere afschrijvingsduur hanteren dan de afschrijvingsduur die gehanteerd wordt bij derden. De gehanteerde afschrijvingstermijn bij derden kan dus afwijken van de gehanteerde afschrijvingstermijnen bij de gemeente.

6. Onderhoud kapitaalgoederen 6.1 Algemeen Kapitaalgoederen dienen zo lang mogelijk een bijdrage te leveren aan het doel waarvoor zij zijn aangeschaft of vervaardigd. In vervolg op de verkrijging- of vervaardigingfase van kapitaalgoederen gaat dit hoofdstuk over de beheerfase van kapitaalgoederen. De kapitaalgoederen vertegenwoordigen over het algemeen het grootste kapitaal van de gemeente. Het beheer en onderhoud kost de gemeente jaarlijks veel geld. Verantwoord omgaan met de kapitaalgoederen is daarom belangrijk. De begroting bevat een aantal verplichte paragrafen. Doel van de paragrafen is dat onderwerpen, die versnipperd in de begroting staan, worden gebundeld, waardoor uw raad voldoende inzicht krijgt. De paragrafen geven een dwarsdoorsnede van de begroting. De paragraaf "Onderhoud kapitaalgoederen" is één van de verplichte paragrafen.

6.2 Paragraaf onderhoud kapitaalgoederen Artikel 12 BBV 1. De paragraaf betreffende het onderhoud van kapitaalgoederen bevat ten minste de volgende kapitaalgoederen: a. wegen; b. riolering; c. water; 10

d. groen; e. gebouwen. 2. Van de kapitaalgoederen, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven: a. het beleidskader; b. de uit het beleidskader voortvloeiende financiële consequenties; c. de vertaling van de financiële consequenties in de begroting. Op basis van de omschrijving "ten minste" kan de gemeente, indien aan de orde, meer kapitaalgoederen opnemen in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen. Op grond van artikel 26 BBV geldt het bovenstaande ook voor het jaarverslag.

6.3 Beleidskader Kapitaalgoederen kunnen op verschillende kwaliteitsniveaus worden onderhouden. Uw raad stelt voor de kapitaalgoederen het te handhaven kwaliteitsniveau vast. Dit komt tot uitdrukking in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen. Tevens stelt uw raad jaarlijks budget beschikbaar om dit kwaliteitsniveau te handhaven. Uw raad is autonoom om het kwaliteitsniveau vast te stellen. Kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties moeten echter worden voorkomen. Het vast te stellen kwaliteitsniveau en de vast te stellen bedragen mogen daarom niet onvoldoende zijn.

6.4 Beheerplannen In de praktijk wordt het beleidskader nader uitgewerkt in beheerplannen van de te onderhouden kapitaalgoederen. Vanuit de beheerplannen is er een reëel inzicht in de daaruit voortvloeiende financiële consequenties. Het BBV schrijft niet voor dat de gemeente beheerplannen moet hebben voor het onderhouden van kapitaalgoederen. Vanuit het oogpunt van risicobeheersing en inzicht in de financiële positie, is het echter aan te raden dat er altijd recente beheerplannen zijn. Wanneer de gemeente een voorziening wil vormen om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen over meerdere begrotingsjaren, is een recent beheerplan zelfs vereist. Een beheerplan is immers van belang om de omvang van de voorziening te bepalen die nodig is om het toekomstig groot onderhoud te kunnen bekostigen. De paragraaf onderhoud kapitaalgoederen is bij uitstek de plaats om inzicht te geven in de aanwezige en geldende beheerplannen. Daarbij kan aangegeven worden: • wat zijn de geldende beheerplannen; • wat is de actualiteit van de beheerplannen (wanneer vastgesteld, looptijd); • financiële vertaling in de begroting; • is er wel of geen sprake van achterstallig onderhoud.

6.5 Soorten onderhoud Onderhoudskosten worden gemaakt om het object gedurende de levensduur op een bepaald kwaliteitsniveau te houden of weer te krijgen. Onderhoud kan worden onderscheiden in klein onderhoud en groot onderhoud. Klein en groot onderhoud houdt of brengt een kapitaalgoed in goede, oorspronkelijk staat en is dus niet van invloed op de vooraf bepaalde gebruiksduur van het kapitaalgoed en mag daarom niet worden geactiveerd. Klein onderhoud Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het kapitaalgoed in goede werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau. Klein onderhoud is het onderhoud dat vanaf het eerste jaar of het lopende jaar op een klein gedeelte van het object wordt uitgevoerd. Groot onderhoud Lasten van groot onderhoud ontstaan na een langere gebruiksperiode van een object als gevolg van slijtage. Groot onderhoud is in de regel gepland onderhoud van veelal ingrijpende aard, dat op een substantieel deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere periode van gebruik moet worden verricht.

11

6.6 Onderhoudsvoorziening Lasten van groot onderhoud kunnen in het jaar van ontstaan ten laste van een vooraf gevormde voorziening worden gebracht (artikel 44 lid 1c BBV). Een dergelijke voorziening wordt door uw raad op grond van artikel 10 van de Financiële verordening Gemeente Kapelle gevormd om de lasten groot onderhoud over meerdere begrotingsjaren te egaliseren. De voorziening wordt, voorafgaand aan de onderhoudsactiviteiten, systematisch ten laste van de exploitatie gevoed met zodanige bedragen dat de voorziening over de gehele looptijd genomen voldoende is voor het bekostigen van de uitvoering van het groot onderhoud. Indien een voorziening is gevormd, moeten de onderhoudslasten direct ten laste van de voorziening worden gebracht. Deze lasten mogen niet via de exploitatie worden geboekt. Lasten van groot onderhoud kunnen alleen dan ten laste van een gevormde voorziening worden gebracht, indien er een recent beheerplan van het kapitaalgoed aanwezig is. Onder recent wordt een beheerplan verstaan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagleggingsjaar. Wanneer het verslagleggingsjaar 2020 is, mag het beheerplan niet ouder dan 2015 zijn. Binnen deze vijf jaar bestaat wel de verplichting om het beheerplan tussentijds bij te stellen, indien het beheerplan in belangrijke mate niet meer aansluit bij de actuele situatie van staat van onderhoud.

Deze vijf jaar dient te worden gehanteerd als richttermijn waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een gemotiveerde afwijking houdt in dat deze motivatie is geautoriseerd door de raad en verantwoord is in de paragraaf "Onderhoud kapitaalgoederen" van de begroting en de jaarstukken. In de motivatie moet tevens worden aangegeven welke maatregelen er worden genomen om achterstallig onderhoud te voorkomen. De hoogte van de periodieke toevoeging aan de voorziening wordt bepaald op basis van een recent (meerjarig)beheerplan. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de lasten gelijkmatig verdeeld worden over en langere periode. De toevoeging dient minimaal gebaseerd te zijn op de onderhoudslasten die in het beheerplan zijn opgenomen voor het begrotingsjaar plus de drie jaren van de meerjarenraming. De omvang van de voorziening, rekening houdend met de jaarlijkse toevoegingen, moet toereikend zijn om het toekomstig geplande groot onderhoud op elk moment in de tijd ten laste van de voorziening te kunnen brengen. Daarbij is het niet toegestaan dat de voorziening een negatieve stand vertoont. Indien geplande onderhoudsuitgaven eerder uitgevoerd moeten worden dan oorspronkelijk gepland in het beheerplan, moet bezien worden of de voorziening geen negatieve stand bereikt. De aard van de (egalisatie) voorziening vereist dat de jaarlijkse toevoeging aan de voorziening van vergelijkbaar niveau is.

Er kan geen eenmalige piek zitten in de toekomstige jaarlijkse toevoegingen. Wanneer bij het opstellen van de jaarstukken blijkt, dat de voorziening toch een negatieve stand vertoont, moet deze negatieve stand door middel van een eenmalige toevoeging ten laste van de exploitatie worden gecorrigeerd. Vervolgens zullen in het opvolgende jaar het beheerplan en de jaarlijkse toevoegingen aan de voorziening geactualiseerd moeten worden. Per categorie kapitaalgoederen moet een beheerplan worden opgesteld. Er kan ook worden gekozen om per (sub)categorie een beheerplan op te stellen, echter dit is niet verplicht. Dit houdt in dat voor alle gemeentelijke gebouwen één beheerplan mag worden opgesteld en één voorziening mag worden gevormd. Onderhoudsvoorzieningen van verschillende (sub)categorieën kapitaalgoederen mogen niet worden samengevoegd. Dit betekent dat bijvoorbeeld het groot onderhoud van de kapitaalgoederen 'wegen' en 'gebouwen' niet samengevoegd mogen worden in één voorziening. Artikel 55 lid 1 BBV schrijft voor dat per voorziening een toelichting wordt gegeven. Om deze toelichting te kunnen geven en te kunnen toetsen dient er inzicht te zijn in de afzonderlijke onderhoudsvoorzieningen, gebaseerd op afzonderlijke beheerplannen per (sub)categorie.

Bij de vaststelling van de begroting en de jaarstukken wordt jaarlijks verklaard of voorzieningen van voldoende omvang zijn voor de bekostiging van het toekomstig groot onderhoud op basis van het vigerende beheerplan.

12

Na het actualiseren van het beheerplan kan de conclusie zijn: a. de omvang van de onderhoudsvoorziening is te hoog; b. de omvang van de onderhoudsvoorziening is te laag; c. de omvang van de onderhoudsvoorziening is voldoende. Ad. a. De voorziening is door een besluit van de raad gevormd. Ingeval de voorziening duidelijk een te grote omvang heeft gekregen, dan mag een overschot door middel van een raadsbesluit in één keer vrijvallen ten gunste van het resultaat. Het is ook toegestaan de toekomstige toevoegingen met instemming van de raad terug te brengen naar een lager niveau. Beide opties moeten gebaseerd zijn op een actueel beheerplan en besluitvorming door de raad. Ad. b. Een (verwachte) negatieve voorziening is niet toegestaan. De jaarlijks in de begroting geraamde storting dient zodanig verhoogd te worden, eventueel via een begrotingswijziging, dat de voorziening over de gehele looptijd genomen voldoende is voor het bekostigen van de uitvoering van het onderhoud op elk moment in de tijd. Een éénmalige toevoeging om de voorziening op het gewenste peil te brengen is niet toegestaan. Ad. c. Er hoeven geen maatregelen te worden genomen. Het BBV biedt alleen de mogelijkheid om onderhoudslasten structureel te egaliseren via een voorziening (artikel 44 lid 1c BBV). Het BBV biedt dus niet de mogelijkheid om onderhoudslasten structureel via een bestemmingsreserve te egaliseren.

In het kader van het begrotingsevenwicht worden mutaties ten gunste van onderhoudsvoorzieningen als structureel aangemerkt en mutaties in bestemmingsreserves onderhoud als incidenteel.

6.7 Achterstallig onderhoud Onderhoud dat niet op tijd is uitgevoerd, waardoor een onderhoudsrichtlijn is overschreden en niet (meer) wordt voldaan aan het door uw raad vastgestelde kwaliteitsniveau, wordt aangemerkt als achterstallig onderhoud. Achterstallig onderhoud kan mede ontstaan door een onvoldoende financiële vertaling in de begroting van het door uw raad vastgestelde kwaliteitsniveau. Achterstallig onderhoud vanwege niet tijdige uitvoering van onderhoud, eventueel door onvoldoende beschikbaar gesteld budget, kan leiden tot kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties. Herstel van achterstallig onderhoud wordt aangemerkt als een verplichting waarvan de omvang, door middel van een inventarisatie en een financiële vertaling van het achterstallig onderhoud, redelijkerwijs in te schatten is. Op grond van artikel 44 lid la BBV moet een voorziening worden gevormd. Het achterstallig onderhoud wordt vervolgens ten laste van deze voorziening gebracht. Wanneer de gemeente onvoldoende middelen heeft om een dergelijke voorziening te treffen is het ook acceptabel om het achterstallig onderhoud (financieel en daadwerkelijk herstel) in te lopen binnen een redelijke termijn. Een redelijke termijn wordt in de regel gelijkgesteld aan de periode van de begroting plus de meerjarenraming, of wel 4 jaar.

Er kan ook sprake zijn van achterstallig onderhoud zonder dat dit leidt tot kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties. Daar is bijvoorbeeld sprake van wanneer de onderhoudstoestand van een kapitaalgoed lager is dan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau. Wanneer dit veroorzaakt wordt door onvoldoende beschikbaar gesteld budget door de raad, is het aan de raad om meer budget beschikbaar te stellen of het kwaliteitsniveau naar beneden bij te stellen zonder dat dit leidt tot kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties.

13

Bijlage 1: Afschrijvingstermijnen met ingang van de begroting 2020 Afschrijvingstermijn in jaar

Methode

Soort investering

Immateriële vaste activa Lineair Lineair Lineair

Kosten sluiten van geldlening en saldo agio en disagio Onderzoek- en ontwikkelingskosten Bijdragen aan activa in eigendom van derden

Max. looptijd geldlening Max. 5 jaar Max. gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt

Materiële vaste activa • • • • •

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

0

Gronden en terreinen Kantoren, gebouwen en woonruimten: Nieuwbouw Aankoop bestaand Renovatie / restauratie Nieuwbouw woonwagens Semi-permanente gebouwen Grond-, weg- en waterbouwkundige werken Aanleg / reconstructie wegen, fiets- en voetpaden Aanleg / reconstructie parkeerterreinen Aanleg / reconstructie schoolpleinen Aanleg/vervanging kademuren en sluizen Renovatie kademuren en sluizen Aanleg betonnen bruggen, viaducten en tunnels Renovatie betonnen bruggen, viaducten en tunnels Aanleg/vervanging houten bruggen Aanleg / reconstructie plantsoenen / parken Aanleg / reconstructie strandjes Aanleg / vervanging vrij verval riolering Renovatie riolering (relining en bovengronds afvoer) Aanleg/vervangen persleidingen Aanleg / vervangen gemalen / drukriool bouwkundig Aanleg / vervangen gemalen / drukriool mech.

/ elektrisch Aanleg / uitbreiding begraafplaatsen Ruimen begraafplaatsen) Sportvelden Aanleg / vervanging kunstgrasvelden voetbal geheel Aanleg / vervanging stergrazo voetbalveld geheel Aanleg/vervanging kunstgrasvelden korfbal geheel Aanleg / vervanging kunstgras- gravelveld tennis geheel Renovatie kunstgrasvelden voetval toplaag Renovatie stergrazo voetbalveld toplaag Renovatie kunstgrasvelden korfbal toplaag Renovatie kunstgrasvelden tennis toplaag MFA Gebouwdeel Energieneutraal gebouw Energieneutraal panelen Energieneutraal installaties Sportcentrum Sloopkosten Onderbouw Bovenbouw, installaties 40%, vaste inrichting installaties 60% Losse inrichting Vervoermiddelen Personenauto / bestelauto Lichte motorvoertuigen Aanhangwagen Machines, apparaten installaties Technische installaties gebouwen Aanschaf maaier Aanschaf trekker en soortgelijke materialen

14

Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair

• • • • •

40 Afh. Restant gebruiksduur/bouwjaar 25 max. of afh. Van restant gebruiksduur. 20 15

Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair

• • • • • • • • • • • • • • • • •

Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair

• • • • • • • •

25 25 25 40 25 40 25 20 25 25 (was 20) 60 (bij de rioleringsinvesteringen meer diversiteit 50 60 40 15 50 25 (bij de sportvelden meer diversiteit) 33 30 30 36 11 15 10 12

Lineair Lineair Lineair Lineair

• • • •

40 40 25 15

Annuïteit • Annuïteit • Annuïteit • Annuïteit • Annuïteit •

50 50 40 20 15

Lineair Lineair Lineair

• • •

8 8 10

Lineair Lineair Lineair

• • •

15 4 (was 10) 15 (was 10)

Soort investering Telefooninstallatie Openbare verlichting: lichtmasten Openbare verlichting: armaturen OvOverige • (Kantoor)meubilair • Hekwerken/afrastering • Fietsenstalling • Abri’s • 1e inrichting schoolgebouwen • • •

Afschrijvingstermijn in jaar

Methode Lineair Lineair Lineair

10 40 20

Lineair Lineair Lineair Lineair Lineair

10 10 10 20 (was 15) 15

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15682774/1