2024-58a D24.314808 2024 Wijzigingsbesluit GR Sabewa Zeeland 6. Bijlage 1 Wijzigingsbesluit GR
Tekst van het document
BIJLAGE 1
1e Wijziging van de per 1 oktober 2012 in werking getreden Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland
Het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Reimerswaal, Sluis, Terneuzen en Tholen; Overwegende dat zij een gemeenschappelijke regeling tot belastingsamenwerking hebben getroffen en dat deze per 1 oktober 2012 in werking is getreden; dat vanwege recente wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere ontwikkelingen de getroffen regeling wijziging behoeft; dat conform artikel 1 Wet gemeenschappelijke regelingen de gemeenteraden en de algemene vergadering van het waterschap zienswijzen hebben kunnen indienen en dat zij toestemming hebben verleend tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling;
BESLUITEN: Vast te stellen de volgende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland: Artikel I A Artikel 2 lid 4 komt als volgt te luiden: 4. Het beheergebied waarvoor deze regeling geldt omvat de gebieden van de deelnemers. B Artikel 4 komt als volgt te luiden: Artikel 4 Te behartigen belangen 1. In het kader van deze gemeenschappelijke regeling worden de belangen van de deelnemers, elk voor zover het hun gebied betreft en niet uitdrukkelijk is uitgesloten van de taakoverdracht aan SaBeWa Zeeland, behartigd op het terrein van: a. de heffing en invordering van belastingen, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage, categorie A en B, behorende bij deze regeling;
b. de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken: 2. Een deelnemer kan de heffing en invordering van belastingen die nog niet zijn opgenomen in de in lid 1 sub a bedoelde bijlage aan SaBeWa Zeeland overdragen. De colleges en de vertegenwoordigende organen van de deelnemers verlenen elkaar automatisch wederzijdse toestemming voor deze overdracht. Het college van de deelnemer dient een verzoek tot overdracht van de betreffende bevoegdheid in bij het algemeen bestuur. Een overdracht van bevoegdheden behoeft de instemming van ¾ van de uitgebrachte stemmen van het algemeen bestuur. Na instemming van het algemeen bestuur draagt het college van de betreffende deelnemer door middel van een delegatiebesluit de bevoegdheid over. 3. Het algemeen bestuur is bevoegd om op verzoek van een college van een deelnemer bevoegdheden terug te leggen bij de deelnemer, met dien verstande dat hierbij een opzegtermijn van één jaar in acht wordt genomen en het een belasting betreft die in de bijlage onder categorie B staat. 4. Het algemeen bestuur bepaalt de voorwaarden waaronder bevoegdheden worden overgedragen of teruggelegd. 5. Het dagelijks bestuur past bij overdracht of teruglegging van bevoegdheden de bijlage als bedoeld in het tweede lid aan, zendt deze bijlage aan de deelnemers, en draagt ervoor zorg dat de bijlage wordt bekendgemaakt.
C Na artikel 5 wordt een nieuw artikel 5a ingevoegd luidende: Artikel 5a Dienstverlening aan derden SaBeWaZeeland kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere gemeenten en waterschappen verlenen als deze in lijn zijn met het doel en de missie van het openbaar lichaam. D Artikel 7 komt als volgt te luiden: Artikel 7 Onverenigbare betrekking Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met het als ambtenaar werkzaam zijn bij SaBeWaZeeland, zoals bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017. E In artikel 11 wordt: - aan lid 1 de volgende zin toegevoegd: “Indien informatie gevraagd wordt vanuit een of meerdere deelnemers wordt deze informatie, indien deze ook relevant kan zijn voor andere deelnemers, verstrekt aan alle deelnemers.” F In artikel 13 wordt: -in de aanhef “onverminderd het bepaalde in artikel 66 lid 1 van de wet” vervangen door “onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de wet”.
G Na artikel 13 wordt twee nieuwe artikelen 13 a en 13b ingevoegd luidende: Artikel 13 a Extra zienswijze 1. Indien het algemeen bestuur daartoe aanleiding ziet, kan het alvorens het een besluit neemt, het dagelijks bestuur opdragen om het algemeen bestuur van het waterschap en de gemeenteraden van de gemeenten in de gelegenheid te stellen om een zienswijze in te dienen. 2. Voorafgaand aan het te nemen besluit waarover de zienswijze gegeven is, stelt het dagelijks bestuur het algemeen bestuur van het waterschap en de gemeenteraden van de gemeenten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Artikel 13 b Participatie Het algemeen bestuur kan besluiten, voor zover het daartoe bevoegd is, bij de voorbereiding of evaluatie van een besluit van algemene strekking inspraak te verlenen in overeenstemming met artikel 10, lid 7 en 8, van de wet. H In artikel 18 wordt: -in de aanhef “onverminderd het bepaalde in artikel 66 lid 1 van de wet” vervangen door “onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de wet” -onder o de zinsnede “, alsmede het personeel werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht” geschrapt.
I Na artikel 18 wordt een nieuw artikel 18a ingevoegd luidende: Artikel 18 a Participatie Het dagelijks bestuur kan besluiten, voor zover het daartoe bevoegd is, bij de voorbereiding of evaluatie van een besluit van algemene strekking inspraak te verlenen in overeenstemming met artikel 10, lid 7 en 8, van de wet. J Artikel 19 komt als volgt te luiden: Artikel 19 Informatie- en verantwoordingsplicht 1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden verstrekken aan het algemeen bestuur gevraagd en ongevraagd inlichtingen. 2. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden leggen op verzoek van het algemeen bestuur verantwoording af over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 3. Artikel 11 lid 1 is van overeenkomstige toepassing voor het door het dagelijks bestuur verstrekken van informatie aan deelnemers. K
In artikel 21 wordt, onder de vernummering van de leden 2 en 3 tot respectievelijk 3 en 4, een nieuw lid 2 ingevoegd luidende: 2 . Het voorzitterschap dient te rouleren tussen het lid namens het waterschap en een lid namens de gemeenten, met dien verstande dat een voorzitter éénmaal herkozen kan worden voor een nieuwe termijn van vier jaar. L Artikel 30 komt als volgt te luiden: Artikel 30 Begrotingsprocedure 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. 3. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 4.
Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. 5. Een begrotingswijziging wordt alleen opgesteld indien de bijdragen van de deelnemers naar boven worden bijgesteld of indien de bijdragen van de deelnemers niet in het onderhavige jaar, maar in het volgende jaar en/of volgende jaren naar boven worden bijgesteld. M Artikel 32 komt als volgt te luiden: Artikel 32 Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemers te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden. 3.
Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de deelnemende gemeenten in de
gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast. 5. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarstukken betrekking hebben. 6. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangstenen uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden. N
Artikel 36 komt als volgt te luiden: Artikel 36 Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden uit de regeling. 2. Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is het niet mogelijk om uit de regeling uit te treden. 3. Voor uittreding wordt een opzegtermijn van tenminste drie jaar in acht genomen. 4. Uittreding uit de regeling vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar. 5. De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van de algemene vergadering dan wel de gemeenteraad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 6. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 7. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. O Na artikel 36 worden drie nieuwe artikelen 36a, 36b, 36c en 36d ingevoegd luidende. Artikel 36a Procedure voor vaststelling uittredingsplan
1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 36b gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 36b en de vastgestelde jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 7.
Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risicoopslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen. Artikel 36b te vergoeden kosten, uittreedsom 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van het openbaar lichaam. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door SaBeWa Zeeland die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 36a, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 36, achtste lid, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.
6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van de daadwerkelijke uittreding. 7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 36a in relatie tot de verwachtte uittreedsom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 36c Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van SaBeWa Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden.
De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. Artikel 36d Overige gevolgen uittreding 1. Op moment van uittreding zal SaBeWa Zeeland alle data, benodigd voor het zelf uitvoeren van de belastingtaken van de uittredende deelnemer, eenmalig leveren aan de uittredende deelnemer. 2. Van lopende zaken, zoals bezwaar- en beroepsprocedures en nog uit te voeren taxaties, die na het moment van uittreding door Sabewa Zeeland nog moeten worden afgehandeld zullen de kosten worden betaald door de uittredende deelnemer en de eventuele baten ten goede komen van de uittredende deelnemer. P In artikel 37 wordt: -in lid 1 wordt bij sub a de “a” geschrapt en sub b volledig geschrapt. -lid 2 vervangen door een nieuw lid 2 dat als volgt luidt: 2. Het dagelijks bestuur doet het ontwerpvoorstel tot wijziging van de regeling toekomen aan de deelnemers ten behoeve van de zienswijzeprocedure zoals voorgeschreven in artikel 61 lid 3 van de wet.
Het door het algemeen bestuur vastgesteld voorstel wordt door het dagelijks bestuur aan de deelnemers verzonden met het verzoek tot het nemen van een besluit omtrent de voorgestelde wijziging. Van hun besluit stellen de deelnemers het algemeen bestuur schriftelijk in kennis. -lid 5 vervangen door een nieuw lid 5 dat als volgt luidt:
5. Een ingevolge lid 4 tot stand gekomen wijziging van de regeling treedt niet eerder in werking dan nadat deze door de gemeente Terneuzen conform artikel 62 juncto artikel 26 lid 1 van de wet is bekend gemaakt. Q In artikel 39 wordt: -in lid 3 “artikel 5 van de Archiefwet 1998” vervangen door “artikel 12 van de Archiefwet 1995”. R Artikel 41 komt als volgt te luiden: Artikel 41 Klachtenbehandeling Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een regeling voor de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:2 van de Algemene wet bestuursrecht. S Artikel 45 komt als volgt te luiden: Artikel 45 Evaluatie 1. De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken en de manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd. 2. De evaluatie vindt plaats in het jaar voor de verkiezingen van de gemeenteraden, voor de eerste maal in 2029. De evaluatie wordt voorbereid door het dagelijks bestuur en vastgelegd door het algemeen bestuur. Op de besluitvorming is de extra zienswijze van toepassing zoals bedoeld in artikel 13a.
Artikel II De bijlage als bedoeld in artikel 4 lid 1 a:
Hulst
Goes
Borsele
Tholen
Kapelle
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
x x x
Waterschap
Sluis
A: Afvalstoffenheffing/Reinigingsrecht x OZB x Rioolheffing x watersysteemheffing Zuiveringsheffing Verontreinigingsheffing
Terneuzen
Reimerswaal
Belastingsoort
x x x
Watertoeristenbelasting Toeristen/verblijfsbelasting Forensenbelasting B: BIZ-Bijdrage zoutwaterafvoerrecht Hondenbelasting Precario Reclamebelasting Scheepvaartrechten
x x
x x
x x x
x
x x x
x x
x
x x x
x x x
x x x
x
x x x
x
x
Artikel III Deze eerste wijziging in werking te laten treden op de dag na de bekendmaking. Artikel IV Dit besluit kan worden aangehaald als “eerste wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland”