2024-45a D24.310173 ontwerpbestemmingsplan zonder bijlagen ontwerpbestemmingsplan zonder bijlagen
Tekst van het document
verkeersgeneratie werkdag 65,2 mvt/etmaal 115,0 mvt/etmaal 9,0 mvt/etmaal 189,2 mvt/etmaal
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal het zalencentrum worden gesloopt en zullen er 22 appartementen worden gerealiseerd. Voor de 16 drie- en vierkamerappartementen worden de kencijfers van de categorie "Koop, appartementen, midden" gehanteerd, voor de 6 tweekamerappartementen zijn de kencijfers van de categorie "koop, appartementen, goedkoop" gehanteerd. Als gebiedstype geldt "weinig stedelijk" en "rest bebouwde kom". In tabel 4.3 is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling uitgerekend. Tabel 4.3 Berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie functie programma Kencijfer CROW Koop, appartement, midden
37/51
16 woningen
6 mvt/etmaal per woning
verkeersgeneratie weekdag 96 mvt/etmaal
verkeersgeneratie werkdag 105,6 mvt/etmaal
Koop, appartement, goedkoop Totaal
6 kamers
5,6 mvt/etmaal per 33,6 mvt/ etmaal woning 129,6 mtv/ etmaal
37,0 mvb/etmaal 142,6 mvt/ etmaal
In de nieuwe situatie neemt de verkeersgeneratie af. De verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. De ontsluiting vindt plaats via de bestaande in/uitritten aan de noordwest- en de zuidoostzijde van het perceel. Het inrijden vindt plaats via de zuidoostzijde en noordwestzijde, het uitrijden gebeurt uitsluitend aan de zuidoostzijde van het perceel. Als gevolg van de ontwikkeling blijft de verkeersveiligheid gewaarborgd. 4.6.4 Conclusie De ontsluiting van het plangebied is goed voor de verschillende vervoersmiddelen. Er is geen sprake van een toename die leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte is berekend voor de ontwikkeling en wordt volledig op eigen terrein voorzien. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling niet in de weg.
4.7
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Toetsing Direct naast het plangebied zijn aan twee zijden woningen aanwezig en aan de noordzijde door agrarische gronden. Ten (zuid)oosten van het perceel ligt bedrijventerrein Smokkelhoek. Dit bedrijventerrein is ontwikkeld voor lokale en regionale bedrijvigheid. De aanwezigheid van woningen, detailhandel, bedrijvigheid en agrarische grond maakt dit een gemengd gebied. Op het bedrijventerrein Smokkelhoek zijn bedrijven uit categorie 3.1, 3.2, 4.1 en 4,2 uit de staat van
38/51
Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein' behorende bij het bestemmingsplan Smokkelhoek toegestaan. De bedrijven uit categorie 4.1 en 4.2 liggen op een afstand van respectievelijk 790 meter en 1.050 meter tot het plangebied, dit is ruim buiten de richtafstand van respectievelijk 100 en 200 meter in gemengd gebied. Het dichtstbijzijnde bedrijf met categorie 3.2 ligt op een afstand van bijna 200 meter van het plangebied, ruim boven de richtafstand van 50 meter. Het dichtstbijzijnde bedrijf uit categorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied, ligt op ruim 50 meter van de beoogde woningen en dus ruim buiten de richtafstand. Op basis hiervan vormt milieuhinder geen belemmering voor de beoogde oprichting van de woningen. Omdat het plangebied binnen de geluidzone van het bedrijventerrein Smokkelhoek ligt is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.8). Conclusie Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg.
4.8
Geluid
Op de aspecten railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en industrielawaai wordt hierna ingegaan. Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien in een ruimtelijk plan nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Indien er sprake is van een geluidproducerende functie moet aangetoond worden dat voldaan wordt aan wettelijke geluidseisen. Eventueel dient dit aangetoond te worden door middel van akoestisch onderzoek en zijn geluidwerende maatregelen nodig. Onderzoek Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) aangewezen als geluidgevoelige objecten. Hiervoor dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden indien deze liggen binnen de geluidzone van wettelijk gezoneerde (spoor) wegen. Omdat de HeyZon-locatie binnen de geluidzone van de spoorlijn Goes – Roosendaal en binnen de geluidzone van het industrieterrein Smokkelhoek ligt, is toetsing aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder nodig.
In het uitgevoerde akoestisch onderzoek (bijlage 6) zijn de aspecten railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en de geluidsbelasting vanwege industrielawaai beoordeeld. Geconcludeerd wordt dat het aspect railverkeer geen belemmering vormt. Er wordt op de projectlocatie voldaan aan de vookeursgrenswaarde. Ook het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De richtwaarde wordt weliswaar overschreden maar als de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit, zal een aanvaardbaar geluidniveau in de appartementen worden bereikt. De geluidbelasting vanwege industrielawaai is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). De Wgh is daarmee geen belemmering voor het aspect industrielawaai, wel dient een hogere waarde industrielawaai te worden vastgesteld.
39/51
Conclusie geluid Geconcludeerd wordt dat de woningen in een aanvaardbaar akoestisch klimaat kan worden gerealiseerd. Wel dient een hogere waarde industrielawaai van maximaal 55 dB(A) te worden vastgesteld.
4.9
Luchtkwaliteit
Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing en conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht. De beoogde ontwikkeling (woningen) behoort tot een vaste categorie waarvan vooraf bekend is dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
40/51
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de Rijksweg A58 (zie figuur 4.5). Hieruit blijkt dat zowel in 2021 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.5. Tabel 4.5 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof grenswaarde maximale waarden in jaar 2021 stikstofdioxide (NO2) 40 µg/m³ 17,5µg/m³ fijn stof (PM10) 40 µg/m³ 15,0 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 6 µg/m³ 50 µg/m³ Fijn stof (PM2,5) 25 µg/m³ 7,7 µg/m³
maximale waarden in jaar 2030 14,1 µg/m³ 13,4 µg/m³ 6 µg/m³ 6,2 µg/m³
Figuur 4.5 Luchtkwaliteit ten opzichte van het plangebied (bron: NSL-monitoringstool)
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt
41/51
getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een plan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Onderzoek In 2022 is ter voorbereiding van de ruimtelijke procedure een notitie externe veiligheid opgesteld (zie bijlage 7). Daarin wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een kwetsbaar object wordt opgericht. Hierom dient voor het aspect externe veiligheid te worden onderbouwd dat er geen sprake is van onaanvaardbare risico's. Er liggen geen plaatsgebonden risico's ter hoogte van de projectlocatie.
42/51
Risicovolle inrichtingen Ten zuidoosten van het plangebied ligt Coroos Conserven. Op dit terrein bevinden zich twee LPG vulstations. Eén ten noorden van het terrein en één ten zuiden. Het noordelijk vulpunt ligt op een afstand van ca. 320 meter tot het plangebied. Het zuidelijk vulpunt ligt op een afstand van ruim 500 meter. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van deze inrichtingen. Uit het rapport van de risicokaart hebben de LPG vulstations beide een invloedsgebied van 425 meter. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van het noordelijke LPG vulstation. In het rapport van de risicokaart is het GR gegeven (zie figuur 4.6) hieruit blijkt dat in de huidige situatie het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde ligt. Gezien de afstand en de omvang van de ontwikkeling zal het groepsrisico als gevolg van het beoogde plan beperkt toenemen en is een overschrijding van de oriëntatiewaarde uitgesloten. Gezien de ligging binnen het invloedsgebied is een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven.
Figuur 4.6 Groupsrisico Curve Coroos Conserven (bron: risicokaart.nl) Vervoer gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die van invloed hebben op de externe veiligheid van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 770 meter ligt de Omleidingsroute Vlaketunnel (A58): Oude Rijksweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van 19 meter. Het invloedsgebied van deze weg is 355 meter waar het plangebied buiten valt. Ook ligt ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 810 meter de A58 waarover gevaarlijke stoffen vervoerd wordt. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour en het plasbrandaandachtsgebied van deze transportroute. Het invloedsgebied is 880 meter waar het plangebied binnen valt. Doordat het plangebied verder dan 200 meter ligt van de transportroute is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk wel dient een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. Ten noorden van het plangebied op een afstand van circa 120 meter ligt een spoorroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied valt buiten de PR 10-6 contour. Het spoortraject heeft een invloedsgebied van 4 kilometer waar het plangebied binnen valt. Gezien de afstand is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk.
Door de ligging binnen het invloedsgebied is hieronder een beknopte
43/51
verantwoording van het groepsrisico gegeven. Verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol. De planlocatie wordt ontsloten via het Jufferswegje in noordelijke en zuidelijke richting. Het Jufferswegje is een doorgaande weg waarmee het plangebied snel aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden.
Zelfredzaamheid Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het noordelijk LPG vulstation van Coroos Conserveren, het spoor (stofcategorieën A, B2 en D4) en de weg (stofcategorie: LT 2). Gezien de afstand tot de risicobronnen zijn de maatgevende scenario's BLEVE (m.b.t. de LPG-vulstation en de spoorlijn) en een gifwolk (m.b.t. het spoor en de weg). Zelfredzaamheid in beide scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Het advies is om de bewoners vooraf te informeren over de externe veiligheidsrisico's en de juiste handelingsperspectieven bij de incidenten. Bij een BLEVE en een toxische wolk is het handelsperspectief schuilen. Dit betekent schuilen in een gebouw, alle ramen en deuren sluiten en de mechanische ventilatie uitschakelen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.
Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Het zwaartepunt qua externe veiligheid ligt bij deze ontwikkeling bij het spoor en dan met name bij ongevallen met LPG (BLEVE-scenario). Bij een BLEVE ontstaat een grote vuurbal die met name zorgt voor veel hittestraling. Deze vuurbal kan 300 meter hoog worden en duurt ongeveer 13 seconden. Een BLEVE kan het gevolg zijn van een beschadiging van een wagon door een botsing of ontsporing (koude BLEVE) of het aanstralen van een wagon
44/51
door een externe brand (warme BLEVE). In dit laatste geval zit er tussen het ontstaan van de brand en de BLEVE enige tijd. In die tussentijd kan er gevlucht worden. De afstand van het plangebied tot het spoor is ca. 120 meter. Hiermee ligt het plangebied op het randje van de 100% letaliteitszone van het spoor (het gebied waarbinnen bij een BLEVE een groot deel van de aanwezigen komt te overlijden). Binnen de afstand van 120 meter kunnen in geval van een BLEVE brandhaarden ontstaan aan of in de appartementen en zullen ruiten bezwijken door de hitte. Met betrekking tot een BLEVE adviseert de Veiligheidsregio de volgende maatregelen: Situeer de appartementen binnen het perceel op een zo groot mogelijke afstand van het spoor. Gelet op de participatie met de buurt en het juist waarborgen van privacy en schaduwwerking, wordt dit advies niet gevolgd. Plaats de appartementen bij voorkeur haaks op de spoorlijn met de kopse kant richting het spoor gericht. De positionering van het pand is gunstig. De kopse kant stat richting het spoor, zodat achterliggende ruimtes worden afgeschermd. Aan dit advies is invulling worden gegeven. Het Jufferswegje kan dienen als vluchtweg van het spoor vandaan (naar het zuiden richting Abijdstraat). Zorg voor (nood)uitgangen die aansluiten op het Jufferswegje, bij voorkeur aan de zijde die van het spoor is gericht.
Aan dit advies zal zover mogelijk invulling worden gegeven. Informeer bewoners over het handelingsperspectief bij een ongeval met LPG op het spoor. Aan dit advies zal invulling worden gegeven. Met betrekking tot de LPG-tank bij Coroos: Gelet op de grote afstand en de aanwezigheid van tussenliggende bebouwing zijn voor deze risicobron geen uitgebreide maatregelen noodzakelijk. Mocht er zich een incident voordoen met de LPG-tank dan is het voornaamste handelingsperspectief voor de bewoners om binnen te blijven. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van Coroos Conserven, de A58 en een spoortraject. Vanwege de ligging, locatie en omvang van het plan vormt het groepsrisico geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in of nabij het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig die een belemmering vormen.
4.11 Duurzaamheid Toetsingskader Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energiezuinigheid. De gemeente Kapelle verbindt zich aan de afspraken uit het Klimaatakkoord. Het duurzaamheidsbeleid voor de gemeente Kapelle wordt verwoord in de Duurzaamheidsagenda Kapelle. De duurzaamheidsagenda helpt de gemeente de juiste keuzes te maken om de uitstoot van broeikasgassen (drastisch) te verminderen. Deze
45/51
duurzaamheidsagenda bestaat uit verschillende onderdelen (bouwstenen). Iedere bouwsteen is een beleidsdocument die zijn eigen integraal opstel- en besluitvormingsproces doorloopt. 1. Warmte in de gebouwde omgeving. Om onze woningen en gebouwen in Kapelle aardgasvrij te verwarmen moeten we samen stappen zetten. We vinden wooncomfort en lage lasten belangrijk. De bouwsteen geeft ons richting in deze ingewikkelde opgave. Deze bouwsteen is in oktober vastgesteld door de gemeenteraad. 2. Elektriciteit. In deze bouwsteen nemen we op hoeveel duurzame energie we in Kapelle willen opwekken. We leggen vast naar welke soort duurzame opwek onze voorkeur uitgaat en wat we belangrijk vinden bij het maken van keuzes voor duurzame energie. Het eerste deel van deze bouwsteen is vastgesteld door de gemeenteraad. 3. Natuur en biodiversiteit. Een aantrekkelijke, groene woonomgeving vinden we belangrijk. Maar de natuur en biodiversiteit heeft flink te lijden onder de uitstoot van broeikasgassen. Wat we daaraan kunnen doen is onderdeel van deze bouwsteen. De gemeente is bezig met het opstellen van deze bouwsteen. 4. Klimaatbestendige Leefomgeving. We willen droge voeten houden bij hevige buien maar in de zomer wel genoeg water hebben voor onze gewassen. We vinden verkoeling tijdens steeds vaker voorkomende hittegolven belangrijk.
In de bouwsteen klimaatbestendige leefomgeving staat welke maatregelen we daarvoor nemen. We zijn gestart met het opstellen van deze bouwsteen. 5. Mobiliteit. In de bouwsteen mobiliteit nemen we onze ambities over duurzame mobiliteit op, zoals laadpalen in onze gemeente en het verduurzamen van ons eigen gemeentelijk wagenpark. 6. Afval en grondstoffen (circulaire gemeente) Het programma ‘Afval scheiden loont’ blijven we opvolgen en bijsturen waar nodig. Maar deze bouwsteen gaat ook over het minder gebruiken van primaire grondstoffen; hoe kunnen we meer hergebruiken in plaats van nieuw kopen? 7. Verduurzamen eigen organisatie. Als gemeentelijke organisatie maken we natuurlijk ook afspraken voor het verduurzamen van onze gebouwen en over uit te voeren werken. We geven het goede voorbeeld aan onze inwoners. Met verduurzaming kunnen we ook de maatschappelijke kosten, die ten laste komen van onze inwoners, verlagen. 8. Waterstof In deze bouwsteen worden de beleidskaders voor waterstof in beeld gebracht, ambities per doelgroep bepaald en de rol van de gemeente. Besluitvorming is voorzien eind 2023. Toetsing en conclusie
46/51
Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde appartementen worden bijna energieneutraal en zonder gasaansluiting gebouwd. Niet alle bouwstenen uit de duurzaamheidsagenda zijn van toepassing op deze ontwikkeling. Omdat vanwege de realisatie van nieuwbouw zijn aansluiting op het aardgasnet reeds uitgesloten en gelden bovendien de hoge eisen ten aanzien van energiezuinigheid. De groene inrichting aan de straatzijde van het plangebied draagt daarnaast bij aan een klimaatbestendigere leefomgeving ten opzichte van de nu bijna volledig verharde situatie.
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig.
Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een KLIC-melding bij het kadaster worden gedaan.
4.13 Omgevingsdialoog Initiatienemer heeft meerdere keren de omwonenden van het plangebied geïnformeerd over het plan. Er zijn bijeenkomsten geweest op 29 september 2022, 7 maart 2023 en 23 oktober 2023. Naar aanleiding van vragen en opmerkingen van omwonenden zijn in het ontwerp van het bouwplan wijzigingen en aanpassingen doorgevoerd. Zo zijn er geen woonruimtes met uitzicht richting de privé tuinen. De ruimtes met ramen op het zuiden en westen zijn overwegend slaapkamers en in een enkel geval een keuken. De ramen aan die kanten zijn vooral bedoeld om daglicht te kunnen ontvangen. Balkons op het zuiden zijn zo ingericht dat ze niet geschikt zijn om te zitten maar alleen gebruikt kunnen worden om beglazing te kunnen schoonmaken. Schaduwwerking als gevolg van de nieuwe appartementen is nihil.
47/51
Tijdens de bijeenkomsten hebben omwonenden aangegeven te vrezen voor sloop- en bouwschade aan hun eigen woningen. Dit is geen afweging voor het bestemmingsplan maar hoort tot het civiele recht tussen partijen.
48/51
Hoofdstuk 5
5.1
Toelichting op de juridische regeling
Wettelijk kader
In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) is het volgende van belang. 5.2.1 Verbeelding Op de verbeelding wordt met bestemmingen en dubbelbestemmingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, is er een dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 1, deze is op de verbeelding herkenbaar aan arceringen. 5.2.2 Regels De regels zijn opgedeeld in hoofdstukken, volgens de bepalingen uit SBVP2012: Hoofdstuk 1 (inleidende regels): hierin worden de in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald; Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels): hierin worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven; Hoofdstuk 3 (algemene regels): dit hoofdstuk bevat regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals algemene afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheden, de anti-dubbeltelbepaling et cetera; Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregel): dit hoofdstuk geeft het overgangsrecht weer voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Tevens is de titel van het plan opgenomen.
De artikelen in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving: hier wordt aangegeven welk gebruik binnen de bestemming is toegestaan; bouwregels: deze zijn onderverdeeld in de toelaatbaarheid van bouwwerken, bouwhoogte, oppervlakte en inhoud; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: beschreven wordt of voor het uitvoeren van specifieke werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd is. Het gaat dan bijvoorbeeld om het afgraven of ophogen van grond, werkzaamheden aan beschermde stoepen. Niet ieder bestemmingsartikel hoeft al deze elementen te bevatten. Dat is afhankelijk van de aard van de
49/51
bestemming. Alle bestemmingsartikelen bevatten in ieder geval een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
5.3
Gehanteerde bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen en wat binnen deze bestemmingen is toegestaan met betrekking tot bouwen en gebruik. Artikel 3 Wonen Het plangebied is voorzien van de bestemming 'Wonen'. De maximale bouwhoogte is 13 meter en de maximale goothoogte 10 meter. Artikel 4 Waarde - Archeologie - 1 Om de aanwezige archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen te waarborgen is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Voor bepaalde ingrepen is afhankelijk van de oppervlakte en de mate van verticale bodemverstoring een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk. Voor 'Waarde - Archeologie - 1' geldt dat bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 250 m² niet zijn toegestaan zonder dat is aangetoond dat er geen archeologische waarden worden verstoord.
50/51
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat in de ruimtelijke onderbouwing in ieder geval 'de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan' moeten zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 3.1.6 Bro. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid, waaronder de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. De ruimtelijke onderbouwing met behorende onderliggende stukken vanaf ............ gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage liggen. Tijdens de termijn van terinzagelegging zijn wel/geen zienswijzen op het initiatief ingediend. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een plan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, met rijks- en provinciale diensten, etc. Dit plan is/wordt toegestuurd aan: provincie Zeeland; Waterschap Scheldestromen. Veiligheidsregio Zeeland
51/51
bestemmingsplan
Jufferswegje 31-33 Kapelle
DATUM IMRO IDN
1 december 2023 NL.IMRO.0678.kapbiezHZ021-OW01
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20230373
AUTEUR STATUS
ontwerp
Inhoudsopgave
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
5
Artikel 1
Begrippen
5
Artikel 2
Wijze van meten
9
Bestemmingsregels
10
Artikel 3
Wonen
10
Artikel 4
Waarde - Archeologie - 1
12
Algemene regels
15
Artikel 5
Algemene afwijkingsregels
15
Artikel 6
Algemene bouwregels
16
Artikel 7
Algemene aanduidingsregels
17
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
18
Artikel 9
Algemene procedureregels
19
Artikel 10
Algemene wijzigingsregels
20
Artikel 11
Anti-dubbeltelregel
21
Artikel 12
Overige regels
22
Overgangs- en slotregels
23
Artikel 13
Overgangsrecht
23
Artikel 14
Slotregel
24
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/24
4
Regels
4/24
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Jufferswegje 31-33, met identificatienummer NL.IMRO.0678.kapbiezHZ021-OW01 van de gemeente Kapelle. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en /of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6 aan-huis-gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over het certificaat als bedoeld in paragraaf 5.1, artikel 5.1 tot en met artikel 5.6, van de Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 1.8 archeologische verwachting de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten. 1.9 archeologische waarde De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten. 1.10 bebouwing één of meer gebouwen en /of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
5/24
1.11 bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 1.12 bestaand verhard oppervlak het op het tijdstip van het in werking treden van het plan bestaande verhard oppervlak. 1.13 bestaand gebruik het op het tijdstip van het in werking treden van het plan bestaande gebruik. 1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.15 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.17
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.18 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.19 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.21 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.22 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.23 bouwwerk, geen gebouw zijnde elk bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde.
6/24
1.24 dakkapel een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.25 deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen aangaande een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals bijvoorbeeld een archeologisch deskundige, landschapsdeskundige, milieudeskundige en natuurdeskundige. 1.26 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.27 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.28 huishouden de bewoning door een persoon of meerdere personen in de vorm van een vast samenlevingsverband, niet zijnde kamerverhuur of een bijzondere woonvorm, van een woning. 1.29 kamerverhuur het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de kamerhuurder te plaatse het hoofdverblijf heeft. 1.30 logies bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de betreffende personen het hoofdverblijf ter plaatse of elders hebben.
1.31 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.32 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.33 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de hoogte van de weg (ter plaatse van de hoofdtoegang) + 15 cm; c. wanneer onduidelijkheid bestaat over het peil kunnen burgemeester en wethouders een peil aanwijzen.
7/24
1.34 perceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. 1.35 voorgevel-/achtergevellijn de op de kaart als zodanig aangegeven lijn die, in combinatie met de rechte lijnen die in het verlengde daarvan zijn te trekken, bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevellijn) of aan de van de wegafgekeerde zijde (achtergevellijn) niet mag worden overschreden. 1.36 voorste perceelsgrens: de naar de weg gekeerde grens van een perceel; indien meerdere zijden van het perceel naar de weg zijn gekeerd, wijzen burgemeester en wethouders een voorste perceelsgrens aan. 1.37 woning een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouden, niet zijnde een bijzondere woonvorm of kamerverhuur / logies voor meer dan drie personen inclusief de huishouding dan wel vier personen wanneer er daarnaast geen huishouding in het gebouw is ondergebracht. 1.38 zijdelingse perceelsgrens de grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt.
8/24
Artikel 2
Wijze van meten
2.1 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte (op de achterzijde van een gebouw meer dan 70%), wordt de goot of boeibord van de dakkapel als goothoogten aangemerkt. 2.2 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en /of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, zonnepanelen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en /of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.5 breedte, lengte of diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en /of het hart van de scheidsmuren.
2.6 de bouwhoogte van een ander bouwwerk tussen het hoogste punt van het bouwwerk en het peil; bij constructies worden de werken in verticale stand meegerekend.
9/24
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bij wonen behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Bouwregels voor de bestemming Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. aan-, uit- en bijgebouwen worden op het gebouwd; c. de afstand van gebouwen onderling, niet aaneengebouwd, bedraagt ten minste 1 meter; d. van aan-, uit- en bijgebouwen ligt de voorgevel ten minste 1 meter naar achteren ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw; e. de afstand tussen de voorgevel van een aan-, uit- en bijgebouw dat als garage wordt gebouwd en de naar de weg gekeerde perceelsgrens ten minste 5 meter;
3.2.2 Hoogte, oppervlakte en inhoud De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste:
1
2 3 4 5
bouwwerk hoofdgebouw
aan-, uit- en bijgebouwen, inclusief overkappingen terreinafscheiding grenzend aan openbaar gebied overige terreinafscheidingen overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
goothoogte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' 3,5 m
bouwhoogte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' 5m 1m 2m 3m
3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, alsmede de kapvorm, ten behoeve van:
10/24
a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. het beeldkwaliteitsplan; c. toetsing aan welstand; 3.4 3.4.1
Ontheffing van de bouwregels Afstand tot zijdelingse perceelgrenzen
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor lid 3.2.1 voor het bouwen van gebouwen op een kleinere afstand tot de perceelsgrens, met inachtneming van de volgende regels: a. ontheffing wordt verleend indien de vorm van het perceel onevenredig nadelig is voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van een perceel; b. de afstand bedraagt ten minste 1 meter; c. indien burgemeester en wethouders toepassing geven aan deze regels moet de procedure worden gevolgd als omschreven in artikel 9. 3.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. het is niet toegestaan de (vrijstaande) bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; b. de vloeroppervlakte voor aan-huis-gebonden beroepen bedraagt ten hoogste 50 m² en ten hoogste 30% van het vloeroppervlak. 3.6 Wijzigingsbevoegdheid 3.6.1 Aanduidingen Burgemeester en wethouders kunnen de aanduidingen en bouwaanduidingen binnen de bestemming wijzigen in een bestemming zonder functie- of bouwaanduiding of met een andere functie- of bouwaanduiding, met inachtneming van de volgende regels: a. de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast voor zover geen stedenbouwkundige bezwaren bestaan, gelet op de aanwezige functie en woningtypen in de omgeving, tegen verandering van functie- of bouwaanduiding; b.
wijziging is toegepast indien geen milieuhygiënische belemmeringen zijn; c. wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies; d. in het wijzigingsplan wordt aandacht besteed aan de gemaakte belangenafweging; e. indien burgemeester en wethouders toepassing geven aan deze regels moet de procedure worden gevolgd als omschreven in artikel 10.
11/24
Artikel 4
Waarde - Archeologie - 1
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de vorm van een terrein met archeologische waarden. 4.2
Bouwregels
4.2.1 Bouwregels voor de dubbelbestemming Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die gebouwd mogen worden ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen wordt alvorens een reguliere bouwvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport overlegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd; c. indien uit het onder b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door Burgemeester en Wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. d. het bepaalde onder b en c is niet van toepassing indien aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. het bouwwerk dient ter vervanging van een reeds aanwezig bouwwerk, waarbij de horizontale en verticale afmetingen van de fundering van dat bouwwerk niet veranderen; 2. het bouwwerk en de fundering komen niet dieper te liggen dan 40 cm beneden het maaiveld, met uitzondering van paalfunderingen; 3. het grondoppervlak van het bouwwerk bedraagt niet meer dan 250 m². e. in afwijking van het bepaalde onder sub d2. geldt een ligging van: 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - diepte 1' niet dieper dan 143 cm beneden NAP; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - diepte 2' niet dieper dan 203 cm beneden NAP.
12/24
4.2.2 Hoogte, oppervlakte en inhoud De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een bouwwerk bedraagt ten hoogste:
1
4.3
bouwwerk bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de dubbelbestemming Archeologisch waardevol gebied
goothoogte
bouwhoogte 2m
oppervlakte/inhoud
Ontheffing van de bouwregels
4.3.1 Archeologisch onderzoek Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 4.2.1 onder b voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de voor deze gronden geldende andere bestemming(en) die niet aan de in lid 4.2.1 onder b genoemde voorwaarden voldoen, met dien verstande dat de archeologische waarden niet onevenredig mogen worden geschaad. 4.3.2 Ontheffing van archeologisch onderzoek Ontheffing, zoals in lid 4.3.1 bedoeld, zal in ieder geval worden verleend indien: a. de aanvrager van de bouwvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het college in voldoende mate worden veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de ontheffing regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige. 4.4
Aanlegvergunning
4.4.1 Aanlegverbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de navolgende werken en / of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor ontheffing zoals bedoeld in lid 4.3.1 of bouwvergunning is verleend; b. het ophogen van gronden met meer dan 30 cm; c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
13/24
d. het verlagen of verhogen van het waterpeil; e. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. g. in afwijking van het bepaalde onder sub a geldt een diepte van: 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - diepte 1' niet dieper dan 143 cm beneden NAP; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - diepte 2' niet dieper dan 203 cm beneden NAP. 4.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en / of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen; b. werken en / of werkzaamheden die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn; c. werken en / of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende bouw- of aanlegvergunning of ontgrondingsvergunning; d. werken en / of werkzaamheden waarbij geen grondbewerkingen plaatsvinden dieper dan 40 cm beneden het maaiveld, dan wel: e. werken of werkzaamheden over een oppervlakte kleiner dan 250 m²; f. archeologisch onderzoek. 4.4.3 Voorwaarde voor aanlegvergunning Aanlegvergunning wordt in ieder geval verleend indien: a.
de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarden van het betrokken terrein naar het oordeel van het college in voldoende mate worden veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4.5 Wijzigingsbevoegdheid 4.5.1 Geheel of gedeeltelijk verwijderen bestemmingsvlak Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken van de bestemming 4 geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien: a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
14/24
Hoofdstuk 3 Artikel 5
Algemene regels
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van 2 reeds kan worden afgeweken - afwijken van de bouwregels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch en /of esthetisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot; c. de bevoegdheid tot afwijken wordt niet gebruikt, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
15/24
Artikel 6
Algemene bouwregels
6.1 Overschrijding bouwregels De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. 6.2 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten a. voor een bouwwerk, dat krachtens een bouwvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden; b.
in geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; c. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.
16/24
Artikel 7
Algemene aanduidingsregels
7.1 Geluidzone Industrie Met betrekking tot de 'geluidzone-industrie' geldt dat binnen deze zone geen nieuwe geluidsgevoelige objecten zijn toegestaan.
17/24
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
Het voorzien in minder dan 75 mm waterberging per m² toegenomen verhard oppervlak ten opzichte van bestaand verhard oppervlak, is niet toegestaan.
18/24
Artikel 9
Algemene procedureregels
Indien in de bestemmingsplanregels naar deze regel is verwezen, is op de voorbereiding van een besluit tot ontheffing, uitwerking of wijziging van een bestemmingsplan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
19/24
Artikel 10 Algemene wijzigingsregels 10.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch en /of esthetisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
20/24
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
21/24
Artikel 12 Overige regels 12.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 12.2 Regels ten aanzien van parkeren a. het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde eisen ten aanzien van parkeren en stallen van voertuigen; b. een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort of die elders beschikbaar zijn. De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de normen die zijn neergelegd in CROW uitgave 381. c. indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, dan gelden de gewijzigde regels.
22/24
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt. a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%; c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt. a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
23/24
Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan Jufferswegje 31-33'.
24/24
Plangebied Plangrens
Enkelbestemmingen Wonen
W
Dubbelbestemmingen WR-A-1
Waarde - Archeologie 1
Gebiedsaanduidingen geluidzone - industrie