CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-20a D24.297871 ontwerpbestemmingsplan Maalstede 1a PDFsam merge

Raadsvergadering 26 maart 2024, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Maalstede 1a te Kapelle20.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.5.3 Aanvullend onderzoek vleermuizen en grondgebonden zoogdieren Als vervolg op het ecologisch onderzoek heeft Natuur-Wetenschappelijk Centrum te Dordrecht een aanvullend onderzoek naar vleermuizen en grondgebonden zoogdieren uitgevoerd (rapport van oktober 2023, Bijlage 4). Op basis hiervan kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). Effecten Vleermuizen Er zijn vier foeragerende vleermuissoorten waargenomen in het zuidelijke deel van het plangebied. Dit omvat een klein stukje struweel met een korte bomenrij. Ge-zien de hoeveelheid beschikbare foerageergebieden in de directe omgeving wordt er verwacht dat de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op het essentiële leefgebied van de vleermuizen. De bomenrij is geen essentiële vliegroute. Het stukje struweel wordt gedurende een deel van de avond gebruikt als foerageergebied, echter staan aan de overkant van de straat Maalstede voldoende bomen om naar uit te wijken. Grondgebonden zoogdieren Voor grondgebonden zoogdieren zal er deels meer vegetatie beschikbaar komen nadat het bouwplan voltooid is, al wordt dit andere soort begroeiing dan in de huidige situatie. Er zal voldoende vegetatie komen voor zoogdieren zoals marterachtigen om zich te kunnen blijven verplaatsen rondom het plangebied. Het plangebied zal daarom ook iets geschikter worden voor deze soortgroep, ten opzichte

30

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

van de huidige situatie. Er wordt verwacht dat de werkzaamheden verder geen negatieve effecten met zich meebrengen. Verplichtingen Vleermuizen De voorgenomen plannen hebben geen effect op individuen en hun functionele leefomgeving. Er zijn daarom met oog op de voorgenomen plannen geen aanvullende ver-plichtingen. Er geldt enkel de zorgplicht. Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen plannen hebben geen effect op beschermde individuen en hun functionele leefomgeving. Er zijn daarom met het oog op de voorgenomen plannen geen aanvullende verplichtingen. Er geldt enkel de zorgplicht. Aanbevelingen Vleermuizen Omdat het stukje groen in het zuiden van het plangebied gebruikt wordt door meerdere soorten vleermuizen als foerageergebied wordt aanbevolen dit, indien passend binnen het bouwplan, intact te laten. Indien het groen toch volledig gekapt gaat worden wordt aanbevolen in ieder geval een stuk vergelijkbaar struweel terug te planten. Grondgebonden zoogdieren Er wordt aanbevolen om buiten de winterperiode (november tot en met maart) te werken, zodat de Egel nog een plek heeft om te overwinteren in het noordelijke deel van het plangebied, in de buurt van de poel. Verder wordt er aanbevolen om zoveel mogelijk vegetatie te behouden.

Om de Egel en andere zoogdieren te ondersteunen in hun mobiliteit wordt aanbevolen om de heggen rondom en tussen de woningen en tuinen passeerbaar te maken. Voor de Egel in het bijzonder is het belangrijk dat deze vrije toegang heeft tot tuinen en schuttingen en heggen kunnen hier een barrière voor vormen. Omdat er geen beschermde of kwetsbare soorten zijn waargenomen binnen het plangebied zijn er geen verdere aanbevelingen voor tijdens de uitvoer van het project. Zorgplicht Voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) geldt de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd; In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli) uitgevoerd; In verband met verstoring van aanwezige dieren wordt er zo min mogelijk verlichting gebruikt, wordt er gebruik gemaakt van rode verlichting en zijn de lichtbronnen naar beneden gericht; Waar nodig kan er gebruik gemaakt worden van ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden voor bijvoorbeeld het herkennen van een beschermde plant, het aanwijzen van een exacte locatie van een nest, groei-, of rustplaats, het op juiste wijze plaatsen of verwijderen van amfibieschermen, nestkasten, etc.. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit gebiedsbescherming geen beperkingen worden opgelegd. Er zijn vanuit de flora- en faunaregelgeving geen beperkingen tegen deze planontwikkeling.

Toelichting

31

bestemmingsplan Maalstede 1a

4.6

Externe veiligheid

Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen.

Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt in de omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen. Over de noordelijk gelegen N670 worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Er is geen belemmering voor deze planontwikkeling. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er liggen in de omgeving van het plangebied geen aardgasleidingen van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling. Een

32

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

uitsnede van de kaart is opgenomen in figuur 12.

Figuur 12: Uitsnede Signaleringskaart EV. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.7

Geluid

4.7.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Noordweg (N670) en Wemeldingse Zandweg (N671). De maximum snelheid is hier 80 km/uur met een zonebreedte van 250

Toelichting

33

bestemmingsplan Maalstede 1a

meter. De overige wegen binnen een zone van 200 meter zijn zogenaamde 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe milieugevoelige functies bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden in binnenstedelijk gebied. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door S&W Consultancy B.V. te Vlissingen (rapport van 31 augustus 2023, projectnr. 2231379, Bijlage 6), waarin ook de niet gezoneerde wegen zijn beschouwd. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Noordweg bij de twee grondgebonden woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 1 dB overschrijdt. Er wordt wel voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB voor wegverkeerslawaai. Er dient een verzoek om hogere waarde te worden ingediend. Woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen. Het geluidsniveau van alle geluidsbronnen samen geeft een indicatie voor de te verwachten geluidhinder.

De cumulatieve geluidsbelasting is bepaald volgens de methode “Miedema”. Op basis van de Atlas van Zeeland (kaart omgevingslawaai provinciale wegen 2022 (Lden) blijkt dat de geluidbelasting in het plangebied 50-55 dB bedraagt. Voor de nieuwe woningen geldt dat de situatie als 'redelijk' kan worden beoordeeld. Binnen de dorpskern is dit passend. Op basis van deze uitkomst is er vanuit akoestisch oogpunt geen beletsel om de nieuwbouw van tien woningen mogelijk te maken, omdat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, nadat een procedure hogere grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai is doorlopen voor de twee grondgebonden woningen. In het kader van het Bouwbesluit zal nog onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidwering van de gevels van de woningen en de maatschappelijke voorzieningen. Bij dit onderzoek wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit rapport zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. 4.7.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds) uit het Geluidregister Spoor van 8 april 2016.

Uit artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder valt de breedte van de zones van spoorweg af te leiden. Spoorwegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van spoorwegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder verplichten ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs spoorwegen (art. 1 Wgh en art 1.3 Bgh). Tevens stelt de Wgh regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde van 55 dB te bedragen. Onderzoek/ beoordeling Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 1 km afstand de spoorlijn Rotterdam - Middelburg met een geluidzone van 500 meter (traject 661). Het plangebied ligt ruim buiten deze zone. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.

34

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

4.7.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 4.3). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen milieugevoelige objecten zijn toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen (gezoneerde) bedrijventerreinen. Dit betekent dat er voor de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein.

Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.8

Kabels en leidingen

In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

4.9

Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 4.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 4.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer. stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht.

Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;

Toelichting

35

bestemmingsplan Maalstede 1a

d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden. Ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen, gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Om een actueel beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is met behulp van de NIBM-tool berekend of het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hierbij is het extra aantal vervoerbewegingen ingevoerd, zijnde 68 verkeersbewegingen (weekdaggemiddelde), waarvan 1% aandeel vrachtverkeer. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case omstandigheden.

Op basis hiervan is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is, zodat geen nader onderzoek nodig is.

36

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

Tabel 4.3 Worst-case berekening.

Ten behoeve van deze planontwikkeling is verder de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs zuidelijk gelegen A58. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 17,5 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 15,0 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 7,7 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Langs de Maalstede liggen geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De concentraties langs deze straat zijn evenwel veel lager zijn dan de concentraties van de drukker bereden A58 die onder de grenswaarden ligt. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit op de meest kritische locatie in het plangebied aan de luchtkwaliteit-grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren door het schoner worden van het verkeer steeds beter.

De planontwikkeling valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1 Verkeer Het plangebied wordt ontsloten met een nieuwe uitrit op de Maalstede. Deze weg is ingericht als een 30 km/uur gebied. Via de Ooststraat is in zuidelijke richting het centrum van Kapelle aan te rijden. Voorbij het dorp ligt rijksweg A58 (richting Middelburg en Bergen op Zoom). In noordelijke richting ligt op circa 80 meter de N670 richting Goes en Yersekendam. Het plangebied is ook goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Het dichtstbijzijnde busstation 'Kapelle, Kasteelstraat' is op 32 meter afstand. Dit betreft de buurtbus (route 599 tussen Yerseke Dam en Wemeldinge). Het NS-station 'Kapelle-Biezelinge' bevindt zich op 1,1 km afstand.

Toelichting

37

bestemmingsplan Maalstede 1a

De Maalstede.

Huidige inrit naar het plangebied.

Verkeersgeneratie In de nieuwe situatie komen er tien woningen. Dit brengt de volgende verkeersgeneratie met zich mee. Tabel 4.4: Verkeersgeneratie woningen. weinig stedelijk Omschrijving (maximaal) Nieuw Koop, appartement, goedkoop 6,0 Koop, appartement, midden 6,4 Koop, twee-aaneen 8,2 Totaal nieuw

Aantal (woon) eenheden 0 8 2

Verkeersgeneratie

0 51,2 16,2 68 (afgerond)

Op basis van een meting uit 2017 waren op de Ooststraat 4.000 mvt/etmaal en op de Maalstede 1.000 mvt/etmaal Het aantal verkeersbewegingen op de Maalstede en omliggende wegen blijft na deze planontwikkeling ruim onder de 6.000 motorvoertuigen per etmaal, zodat het bestaande wegennet deze toename kan verwerken. 4.10.2 Parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat er voor gebruikers en bezoekers voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig zijn. Het gemeentelijke parkeerbeleid sluit aan bij de parkeernormen van CROW publicatie 381. Uitgangspunt is dat parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein. Als stedelijkheidsgraad wordt 'weinig stedelijk' in 'rest bebouwde kom' (binnen de bebouwde kom) aangehouden. De relevant zijnde parkeernormen zijn opgenomen in tabel 4.5. Tabel 4.5: Parkeerkencijfers woningen CROW-publicatie 381. Categorie rest bebouwde kom weinig stedelijk (gemiddeld) koop, appartement, goedkoop 1,6 koop, appartement, midden 1,9 koop, twee-aaneen 2,2

Aandeel bezoekers waarvan 0,3 per woning waarvan 0,3 per woning waarvan 0,3 per woning

Op basis van deze normering ontstaat de volgende parkeerbalans (tabel 4.6). Tabel 4.6: Parkeerbalans nieuwe situatie. Typologie Parkeernorm Functies Woningen koop, appartement, goedkoop 1,6 Woningen koop, appartement, midden 1,9 Woningen twee-aaneen 2,2 Totaal

38

Aantal/opp. 0 8 2 10

Totaal 15,2 4,4 20 pp afgerond

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

Ten behoeve van het appartementengebouw en de twee-onder-één--kapwoning wordt een parkeerkoffer aangelegd met 10 parkeerplaatsen. Eén parkeerplaats per woning is voldoende gelet op doelgroepen van beleid, te weten twee kleine woningen voor de doelgroep senioren en 8 kleine appartementen waarvoor als regel één parkeerplaats volstaat. De resterende 10 parkeerplaatsen zijn aanwezig in de openbare ruimte langs de Maalstede. Hier zijn nog voldoende parkeerplaatsen aanwezig voor bezoekersparkeren. Op deze wijze kan worden voldaan aan de parkeernorm. In artikel 11.2 van de regels van het bestemmingsplan wordt dit geborgd.

4.11

Watertoets

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Toetsingskader Het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het binnendijkse gedeelte wordt gevoerd door Waterschap Scheldestromen. Het Waterschap beheert de waterkeringen in haar beheergebied buiten de bebouwde kom. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Kapelle. In het kader van de watertoets wordt deze waterparagraaf overlegd met het waterschap, waarna de opmerkingen worden verwerkt in deze waterparagraaf. Beschrijving watersysteem Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in een kernzone en/of beschermingszone van een (regionale) waterkering op grond van de Legger primaire waterkeringen. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Legger oppervlaktewater Op de Legger Oppervlaktewaterlichamen ligt in het noordelijk gedeelte een vijver. Dit betreft geen primaire, secundaire of tertiaire watergang met een beschermingszone (figuur 13). Dit water wordt gedeeltelijk gedempt. Hiervoor zal tijdig een watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.

Toelichting

39

bestemmingsplan Maalstede 1a

Figuur 13: Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen waterschap Scheldestromen. Afvalwaterketen en riolering In de gemeente Kapelle wordt het afvalwater van huishoudens en industrie voor een groot deel ingezameld met riolering. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zowel vrijverval riolering als drukriolering. Via een stelsel van persleidingen wordt het afvalwater getransporteerd naar de rioolafvalwaterzuivering. Er is sprake van een gemengd stelstel aan de Maalstede. Beschrijving waterkwantiteit Het plangebied bestaat uit een bestemmingsvlak voor 'Maatschappelijk' met een bestaande schuur en een bestemmingsvlak voor 'Agrarisch'. De oppervlakte aan bebouwing is afgerond 406 m². De verharding bedraagt 1.030 m². In nieuwe situatie wordt de bebouwing afgerond 648 m² (tien woningen met bijgebouwen). De oppervlakteverharding wordt 668 m² (tabel 4.7). De oppervlakteverharding neemt met 120 m² af, zodat er geen watercompensatie nodig is.

40

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

Tabel 4.7: Waterbalans bestaand en nieuw.

Waterafvoer Het overtollig hemelwater van de daken van de woningen wordt afgevoerd via straatkolken. Hergebruik van hemelwater kan in beperkte mate plaatsvinden door middel van opvang in regentonnen. Het afvalwater van de woningen zal op de aanwezige riolering worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het waterschap. Er is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.

Het plangebied ligt niet in een waterkering en/of kernof beschermingszone. De herontwikkeling heeft geen gevolgen voor de waterveiligheid.

Toelichting

41

bestemmingsplan Maalstede 1a

Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.

Sprake is van het oprichten van tien woningen. Het verhard oppervlak neemt met afgerond 120 m² af. Op grond van de richtlijnen van het Waterschap is geen watercompensatie nodig.

Voorkomen overlast door hemel- en Het huishoudelijk afvalwater vanuit de woningen wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater afgevoerd via (inclusief water op straat/ overlast) Waarborgen gemeentelijk rioolstelsel. Het hemelwater wordt optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's afgevoerd naar straatkolken. en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Tegengaan/ verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en -mogelijkheden.

De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. De ontwikkeling veroorzaakt evenmin mogelijke grondwateroverlast.

Grondwaterkwaliteit Behoud/ realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.

In het plangebied is geen sprake van grondwateroverlast. Voor deze ontwikkeling wordt geen grondwater onttrokken. Grondwateroverlast en verdroging wordt tegengegaan door de afvoer van hemelwater naar straatkolken. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied ten behoeve van een drinkwaterwinning. Oppervlaktewaterkwaliteit Evenals bij het voorgaande aspect geldt dat met het Behoud realisatie van goede oog op de oppervlaktewaterkwaliteit er geen gebruik oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de wordt gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. veerkracht van het watersysteem. Toepassing Hemelwater zal zo schoon mogelijk blijven doordat het van de trits schoonhouden, scheiden en gescheiden wordt afgevoerd. zuiveren. Volksgezondheid (water gerelateerd) Er zijn geen risico's voor volksgezondheid bekend. Er Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten is geen sprake van de aanleg van (extra) open water. en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/ -risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveld dalingen in zetting gevoelige gebieden kunnen veroorzaken.

42

Niet van toepassing.

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.

Als gevolg van deze herontwikkeling treden geen hydrologische effecten op aquatische natuur op.

Onderhoud oppervlaktewater In het plangebied ligt geen oppervlaktewater. Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.

Wateradvies De Watertoets wordt doorlopen middels toezending van het ontwerpbestemmingsplan naar het Waterschap Scheldestromen. Het wateradvies wordt verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. Conclusie De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. De ontwikkeling die door het plan mogelijk wordt gemaakt heeft geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.

Toelichting

43

bestemmingsplan Maalstede 1a

44

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

Hoofdstuk 5 5.1

Toelichting op juridische regeling

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

5.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:500, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd bestemmingsplan.

5.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 5.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 5.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 5.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Tuin Artikel 3 De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de in de aangrenzende

Toelichting

45

bestemmingsplan Maalstede 1a

bestemming gelegen hoofdgebouwen. Op de gronden met deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Artikel 4 Wonen De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor acht gestapelde woningen en twee grondgebonden woningen met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken. Op de verbeelding zijn de toegestane hoogten van hoofdgebouwen opgenomen. De hoogte van bijgebouwen is in de regels vastgelegd. Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat de gronden voor maximaal 50% mogen worden bebouwd tot een maximum van 40 m². In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de acht appartementen worden aan weerszijden van de twee-onder-één-kapwoning bijgebouwen mogelijk gemaakt binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen'. Om de ontsluiting en het parkeren voor de woningen te borgen is op de verbeelding de aanduiding ’specifieke vorm van wonen - ontsluiting en parkeren’ opgenomen.

Waarde - Archeologie - 1 Artikel 5 Voor dit gebied is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel. 5.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Algemene bouwregels Artikel 7 In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels Artikel 8 In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.

Algemene procedureregels Artikel 10 Indien in de bestemmingsplanregels naar dit artikel is verwezen, is op de voorbereiding van een besluit tot afwijking, uitwerking of wijziging van een bestemmingsplan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. Artikel 11 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen.

46

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

5.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Overgangsrecht Artikel 12 Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 13 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

5.4

Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.

Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Toelichting

47

bestemmingsplan Maalstede 1a

48

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Financiële haalbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten anterieure exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.

6.2

Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.

6.3

Communicatie

Hier volgt een bespreking van de momenten dat omwonenden ingelicht en betrokken zijn bij de planvorming en hoe de argumentatie zijn weerslag in het bestemmingsplan heeft gevonden.

6.4

Zienswijzen

Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zal het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage worden gelegd. In deze periode kunnen schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen worden ingediend.

Toelichting

49

bestemmingsplan Maalstede 1a

50

Toelichting

bestemmingsplan Maalstede 1a

Regels

Regels

51

bestemmingsplan Maalstede 1a

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan Het bestemmingsplan Maalstede 1a met identificatienummer NL.IMRO.0678.kapbiezHZ020-OW01 van de gemeente Kapelle. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan- en uitbouw Een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6 aan-huis-gebonden beroep Een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7 achtererfgebied Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. 1.8 achterste perceelsgrens De van de weg af gekeerde grens van een perceel; indien meerdere zijden van het perceel van de weg zijn afgekeerd, wijzen burgemeester en wethouders een achterste perceelsgrens aan.

1.9 afwijking Een afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo juncto art. 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, van de Wabo. 1.10 antenne-installatie Een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.11 archeologische waarde De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.12 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.13 bestaand gebruik Het op het tijdstip van het in werking treden van het plan bestaande gebruik.

52

Regels

bestemmingsplan Maalstede 1a

1.14 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.15 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16 bevoegd gezag Bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.17 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.18 bijgebouw Een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.19 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.20 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.21 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.22 bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel. 1.23 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.24 bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct, hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct, hetzij indirect steun vindt in of op de grond.

1.25 bouwwerk, geen gebouw zijnde Elk bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde. 1.26 dakkapel Een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.27 dakopbouw Een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.

Regels

53

bestemmingsplan Maalstede 1a

1.28 deskundige Een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen aangaande een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals bijvoorbeeld een archeologisch deskundige, landschapsdeskundige, milieudeskundige en natuurdeskundige. 1.29 detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop (bijvoorbeeld een showroom), het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.30 dienstverlening Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen. 1.31 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.32 gestapelde woning Een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere gebouwde ruimte is gelegen. 1.33 hoofdgebouw Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste gebouw valt aan te merken.

1.34 huishouden De bewoning door een persoon of meerdere personen in de vorm van een vast samenlevingsverband, niet zijnde kamerverhuur of een bijzondere woonvorm, van een woning. 1.35 kamerverhuur Het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de kamerhuurder te plaatse het hoofdverblijf heeft. 1.36 kantoor(ruimte) Voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.37 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt en waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. 1.38 logies Bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de betreffende personen het hoofdverblijf ter plaatse of elders hebben. 1.39 NEN Door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

54

Regels

bestemmingsplan Maalstede 1a

1.40 nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.41 overkapping Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.42 peil a. Voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de hoogte van de weg (ter plaatse van de hoofdtoegang) + 15 cm; c. wanneer onduidelijkheid bestaat over het peil kan het bevoegd gezag een peil aanwijzen. 1.43 perceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. 1.44 plangrens De geometrisch bepaalde lijn, die de grens vormt van het plan. 1.45 prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.46 seksinrichting Het bedrijfsmatig - of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt - gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of in een vaartuig, verrichten van seksuele handelingen. 1.47 twee-aaneen gebouwde woning Een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee-aaneen gebouwde woningen.

1.48 voorerfgebied Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. 1.49 voorgevel-/achtergevellijn De op de verbeelding als zodanig aangegeven lijn die, in combinatie met de rechte lijnen die in het verlengde daarvan zijn te trekken, bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevellijn) of aan de van de wegafgekeerde zijde (achtergevellijn) niet mag worden overschreden. 1.50 voorste perceelsgrens De naar de weg gekeerde grens van een perceel; indien meerdere zijden van het perceel naar de weg zijn gekeerd, wijzen burgemeester en wethouders een voorste perceelsgrens aan. 1.51 wonen Het gehuisvest zijn in een woning, conform het begrip “woning”. 1.52 woning Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.53 zijdelingse perceelsgrens De grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt. 1.54 zijerf De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

Regels

55

bestemmingsplan Maalstede 1a

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstanden Afstanden tussen bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 de bouwhoogte van een ander bouwwerk Tussen het hoogste punt van het bouwwerk en het peil; bij constructies worden de werken in verticale stand meegerekend. 2.4 de breedte, lengte en diepte van een gebouw Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 2.5 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte (op de achterzijde van een gebouw meer dan 70%), wordt de goot of boeibord van de dakkapel als goothoogte aangemerkt.

2.7 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

56

Regels

bestemmingsplan Maalstede 1a

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Tuin

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Bouwregels voor de bestemming Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 3.2.2 Bouwhoogte, oppervlakte en inhoud De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste: bouwwerk goothoogte bouwhoogte oppervlakte/ inhoud 1 terreinafscheiding voor de gevel van 1m het hoofdgebouw 2 overige terreinafscheidingen 2m 3 bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3m 3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1 Aan-, uit- en bijgebouwen en overkappingen Het bevoegd gezag kan bij afwijking een omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde in lid 3.2.1, ter plaatse van de bestemming, voor het aan- of uit- van gebouwen en overkappingen bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen, met inachtneming de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van aan-, uit- of bijgebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan 8 m², de goothoogte niet meer dan 3,5 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5 meter; b. verlening van afwijking mag niet tot gevolg hebben dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld of de verkeersveiligheid onevenredig worden aangetast; c. de afwijking mag niet worden verleend indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; d. indien burgemeester en wethouders toepassing geven aan deze regels moet de procedure worden gevolgd als omschreven in artikel 10.

Regels

57

bestemmingsplan Maalstede 1a

Artikel 4

Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen in een woning; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en water. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Bouwregels voor de bestemming Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. aan-, uit- en bijgebouwen worden op het bouwperceel gebouwd; c. per bouwperceel is ten hoogste één woning met aan-, uit- en bijgebouwen toegestaan, tenzij anders is aangegeven; d. ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld': gestapeld bouwen; e. ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee-aaneen': twee-aaneen bouwen; f. van een hoofdgebouw bedraagt de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste: 1. ter plaatse van gronden met de bouwaanduiding 'twee-aaneen 'tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 3 meter; g. de afstand van gebouwen onderling, niet aaneengebouwd, bedraagt ten minste 1 meter; h. van aan-, uit- en bijgebouwen ligt de voorgevel ten minste 1 meter naar achteren ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw; i. de afstand tussen de voorgevel van een aan-, uit- en bijgebouw dat als garage wordt gebouwd en de naar de weg gekeerde perceelsgrens ten minste 5 meter; j. de totale oppervlakte van aan-, uit- en bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50% van het bouwperceel en bedraagt per perceel niet meer dan voor: 1. percelen kleiner dan 450 m² 45 m²; 2. percelen vanaf 450 m² 60 m²; 3. percelen vanaf 800 m² 75 m². 4.2.2 Hoogte, oppervlakte en inhoud a.

De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste:

1 2 3 4 5

bouwwerk woning

goothoogte zie maatvoeringsaanduiding aan-, uit- en bijgebouwen bij een 3,5 m woning, inclusief overkappingen terreinafscheiding grenzend aan openbaar gebied overige terreinafscheidingen

bouwhoogte zie maatvoeringsaanduiding 7m

overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

3m

oppervlakte/ inhoud

zie artikel 4.2.1, sub j

1m 2m

b. in afwijking van het bepaalde onder sub a zijn tevens bijbehorende bouwwerken toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen'.

58

Regels

bestemmingsplan Maalstede 1a

4.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, alsmede kapvorm, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. toetsing aan welstand. 4.4

Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Afstand tot zijdelingse perceelsgrenzen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 4.2.1 voor het bouwen van gebouwen op een kleinere afstand tot de perceelsgrens, met inachtneming van de volgende regels: a. afwijking wordt verleend indien de vorm van het perceel onevenredig nadelig is voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van een perceel; b. de afstand bedraagt ten minste 1 meter; c. indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan deze regels moet de procedure worden gevolgd als omschreven in artikel 10. 4.4.2 Oppervlakte aan-, uit- en bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 4.2.1 onder j voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte aan-, uit- en bijgebouwen, met inachtneming van de volgende regels: a. ter plaatse van percelen: 1. kleiner dan 450 m² tot een gezamenlijke oppervlakte van 60 m²; 2. vanaf 450 m² tot 800 m² een gezamenlijke oppervlakte van 75 m²; 3. percelen vanaf 800 m² een gezamenlijke oppervlakte van 100 m²; 4. afwijking wordt verleend indien de gronden buiten het bouwvlak niet meer dan 50% worden bebouwd; 5. indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan deze regels moet de procedure worden gevolgd als omschreven in artikel 10.

4.4.3 Afwijken dakopbouw en topgevels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.2 sub e voor het overschrijden van de maximaal toegestane goothoogte, teneinde een dakopbouw of topgevel in de vooren achtergevels te realiseren, met dien verstande dat: a. de goothoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, met dien verstande dat de overschrijding niet meer mag bedragen dan 3,2 m; b. geen afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige kwaliteit van de bebouwing en aan het straatbeeld; c. er geen onevenredige aantasting van het woongenot van omwonenden plaatsvindt. 4.5

Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Afhankelijke woonruimte en aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. het is niet toegestaan de (vrijstaande) bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; b. de vloeroppervlakte voor aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 50 m² en ten hoogste 30% van het vloeroppervlak. 4.5.2 Ontsluiting en Parkeren Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke van vorm wonen - ontsluiting en parkeren' zijn de gronden uitsluitend bestemd voor ontsluiting en parkeren van bouwpercelen.

Regels

59

bestemmingsplan Maalstede 1a

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13930070/1