CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-50a D23.294806 ontwerpbestemmingsplan Achterweg 2-4 ontwerpbestemmingsplan 20230504

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente KapelleBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 'Achterweg tussen 2 en 4, Biezelinge'15.979 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

afbeelding bij dit plan

Bestemmingsplan Tussen Achterweg 2-4 Kapelle Gemeente Kapelle TOELICHTING

Bestemmingsplan Tussen Achterweg 2-4 Kapelle Gemeente Kapelle TOELICHTING

Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:

NL.IMRO.0678.kapbiezHZ017-OW01 K22236 Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:

Datum n.n.b. n.n.b. n.n.b. n.n.b.

Projectleider: Auteur:

D. van Lienden T. Visser

Inhoudsopgave

TOELICHTING

6

Hoofdstuk1

Inleiding

6

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerende planologische situatie Opzet bestemmingsplan en toelichting

6 6 7 9

Beschrijving van de situatie

10

Huidige situatie Toekomstige situatie

10 11

Beleidskader

12

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking Provinciaal beleid Provinciale Omgevingsvisie Provinciale Omgevingsverordening Regionaal beleid Woningmarktafspraken Woonvisie Gemeentelijk beleid Structuurvisie Kapelle 2012-2030 Strategisch Kompas

12 12 12 13 14 14 15 15 15 16 16 16 17

Uitvoeringsaspecten

18

Flora en fauna Wettelijk kader Gebiedsbescherming Soortenbescherming Conclusie Bodemkwaliteit Wettelijk kader Resultaten onderzoek Conclusie Cultuurhistorie en archeologie Wettelijk kader Cultuurhistorie Archeologie

18 18 18 19 19 19 19 19 20 20 20 20 20

1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk2 2.1 2.2 Hoofdstuk3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.4 3.4.1 3.4.2 Hoofdstuk4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

3

4.3.4 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8 4.8.1 4.8.2 4.8.3 4.9 4.10 4.10.1 4.10.2 4.10.3 4.10.4 4.11 4.11.1 4.11.2 4.11.3 Hoofdstuk5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.4 5.4.1 5.4.2 5.5 5.5.1 5.5.2

Conclusie Luchtkwaliteit Wettelijk kader Beoordeling Conclusie Parkeren en verkeer Parkeren Verkeer Conclusie Geluidhinder Wettelijk kader Beoordeling Conclusie Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader Beoordeling Conclusie Externe veiligheid Wettelijk kader Beoordeling Conclusie Kabels en leidingen Water Inleiding Beleidskader Watertoets Conclusie M.e.r.-beoordeling Wettelijk kader Vormvrije m.e.r.-beoordeling Conclusie

20 21 21 21 21 22 22 22 22 22 22 23 23 23 23 24 24 24 24 26 27 27 27 27 27 28 29 29 29 29 29

Juridische planbeschrijving

30

Inleiding Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Opbouw bestemmingen Bestemmingen Algemene regels Anti-dubbeltelregel Overige algemene regels Overgangs- en slotregels Overgangsregel Slotregel

30 30 30 30 31 31 31 32 32 32 32 32 32

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

4

Hoofdstuk6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

33

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg met omwonenden Overleg met overheidsinstanties

33 33 33 33

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Quickscan Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zeeland

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 3

Resultaat Digitale Watertoets

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

5

TOELICHTING Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens een vrijstaande, levensloopbestendige woning te realiseren op de nagenoeg onbebouwde grond gelegen tussen Achterweg 2 en 4 in Kapelle. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat voor deze gronden hoofdzakelijk een tuinbestemming geldt. Om realisatie van een vrijstaande woning planologisch-juridisch mogelijk te maken, wordt een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) gevolgd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. 1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Achterweg in Kapelle. De locatie ligt aan de rand van de bebouwde kom en wordt hoofdzakelijk omgeven door woningen. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Kapelle, sectie F, perceel 2011. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 495 m2. In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied weergegeven.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

6

Luchtfoto met aanduiding plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)

Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied (bron: perceelloep.nl) 1.3

Vigerende planologische situatie

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Kapelle - Biezelinge'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Kapelle op 9 februari 2010. In het bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Tuin' en 'Wonen' en deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1'. Er gelden geen functie- of gebiedsaanduidingen voor het plangebied. Ook is het plangebied niet (deels) gelegen binnen een bouwvlak. Onderstaande figuur toont een uitsnede van de verbeelding van het vigerend bestemmingsplan.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

7

Verbeelding bestemmingsplan ruimtelijkeplannen.nl)

'Kapelle

-

Biezelinge'

met

aanduiding

plangebied

(bron:

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een woning. Hoofdgebouwen mogen enkel binnen het bouwvlak worden gebouwd. Aan-, uit- en bijgebouwen mogen op het gehele bouwperceel worden gebouwd. Per bouwperceel is ten hoogste één woning met aan-, uit- en bijgebouwen toegestaan. De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn - bij wijze van dubbelbestemming - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Conclusie Onderhavig initiatief om binnen het plangebied een vrijstaande woning te realiseren is in strijd met het bestemmingsplan 'Kapelle - Biezelinge', omdat voor nagenoeg het gehele plangebied een tuinbestemming geldt. Binnen de tuinbestemming zijn de gronden niet bestemd voor wonen in een woning en zijn gebouwen (waaronder woningen) niet toegestaan.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

8

1.4

Opzet bestemmingsplan en toelichting

Het bestemmingsplan 'Tussen Achterweg 2-4 Kapelle' bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding; planregels. De toelichting is niet juridisch bindend, maar vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot heeft de toelichting als doel om het bestemmingsplan te begrijpen en de regels op een correcte manier na te leven. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.

De toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied; in Hoofdstuk 3 is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de verschillende overheden die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 beschreven; in Hoofdstuk 5 worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; Hoofdstuk 6 behandelt ten slotte de economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

9

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van de situatie

Huidige situatie

In de bestaande situatie is het plangebied in gebruik als tuin ten behoeve van de woning aan de Achterweg 4. Het plangebied is op een klein houten schuurtje (ca. 10m2) na onbebouwd.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

10

2.2

Toekomstige situatie

In de gewenste situatie wordt in het plangebied een vrijstaande, levensloopbestendige woning gerealiseerd. Initiatiefnemer zal zelf intrek nemen in deze woning. Van de woning zijn in dit stadium nog geen schetsen en/of exacte maatvoeringen beschikbaar. De oppervlakte van de woning zal circa 90 m2 bedragen. De woning wordt waar mogelijk duurzaam gerealiseerd (conform eisen Bouwbesluit). Benodigde parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd.

Voorlopige inrichtingsschets (bron: initiatiefnemer)

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Conclusie Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit het nationale beleid te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit het nationale beleid. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen;

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

12

Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie Het initiatief valt niet onder één van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen: 1. er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte; 2.

indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Stedelijke ontwikkeling Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de bouw van 1 woning, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is. Conclusie Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

13

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciale Omgevingsvisie

Op 11 november 2021 is de 'Zeeuwse Omgevingsvisie' vastgesteld. De uitdagingen voor Zeeland bestaan voornamelijk uit de klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Deze ambities betreffen: 1. uitstekend wonen en werken in Zeeland; 2. balans in grote wateren en het landelijk gebied; 3. een duurzame en innovatieve economie; 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn: 1. Doe meer met minder grond. 2. Werk samen en deel kosten en baten. 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten. 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon.

Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Zeeuwse Omgevingsverordening is het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie verankerd.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

14

Conclusie Het initiatief ziet op de realisatie van één duurzame vrijstaande woning. Het plangebied valt binnen de bestaande dorpskern. Initiatiefnemer zal zelf intrek nemen in de nieuwe woning. Met het initiatief wordt invulling gegeven aan de ambitie 'uitstekend wonen en werken in Zeeland'. Het plan is passend in de omgeving en geeft invulling aan de lokale woonbehoefte. De ontwikkeling is in lijn met de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2

Provinciale Omgevingsverordening

Op 21 september 2018 is 'Omgevingsverordening Zeeland 2018' vastgesteld. Op 29 juni 2021 is de 7e wijziging op deze omgevingsverordening vastgesteld. De omgevingsverordening bevat ale provinciale regels over de fysieke leefomgeving. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. Conclusie Voorliggend initiatief ziet op de realisatie van één duurzame, vrijstaande, levensloopbestendige woning in een niet-landelijk, bestaand stedelijk gebied. Artikel 2.7 met betrekking tot wonen is derhalve niet van toepassing. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van een van de bij de Omgevingsverordening behorende kaarten. Onderhavige ontwikkeling is niet strijdig met het bepaalde in de provinciale omgevingsverordening. 3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Woningmarktafspraken

De regio De Bevelanden heeft regionale woningmarktafspraken opgesteld en opgenomen in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020 - 2030' (mei 2020). In dit document zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: Algemeen Niet méér bouwen dan de behoefte; Uitsluitend producten die echt iets toevoegen; goede producten op goede plekken; Lokaal maatwerk, aansluiten bij DNA van de plek; Flexibiliteit in de plannen; Onderling bespreken en afstemmen aan de voorkant. Ruimtelijk Hoge dichtheid in de kernen, lage in het landschap; In principe binnen de kernen, bij voorzieningen; Inbreiden voor uitbreiden; Vooral focus op kleine huishoudens in stad en dragende kernen; Inzetten op “mooie woondorpen”. Programmatisch Duurzaam, extra energiebesparende maatregelen; Levensloop- en toekomstbestendig; Aandacht voor groen en water; Omvang voorraad sociale huurwoningen gelijk; Extra middenhuurwoningen; Meer hoogwaardige grondgebonden nultreden en semipermanente woningen. Vanuit het afsprakenkader wordt ingezet op: 1. Realistische woningbouwproductie met ambitie. Binnen het programma wordt ruimte gecreëerd om in te kunnen spelen op de behoefte uit de markt. 2. De juiste kwaliteit, Product Markt Combinaties en woonmilieus. Er wordt gestreefd naar een optimale match tussen vraag en aanbod.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

15

Conclusie Voorliggend initiatief ziet op de realisatie van één duurzame, vrijstaande, levensloopbestendige woning in een niet-landelijk, bestaand stedelijk gebied. Het plangebied valt binnen de bestaande dorpskern. Initiatiefnemer zal zelf intrek nemen in de woning. De ontwikkeling is passend binnen de regionale Woningmarktafspraken. 3.3.2

Woonvisie

Met de Regionale Woonvisie De Bevelanden 2019 - 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen (oktober 2019). De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. De Regionale Woonvisie bevat de volgende missie: 'Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod'. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd: 1. De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden. 2. De Bevelanden voor iedereen. De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk. 3. De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw die echt iets toevoegt. De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma. 4. De Bevelanden benut het bestaande. De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad.

Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte. 5. De Bevelanden zorgt. Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten. Conclusie Voorliggend initiatief ziet op de realisatie van één duurzame, vrijstaande, levensloopbestendige woning in een niet-landelijk, bestaand stedelijk gebied. Initiatiefnemer zal zelf intrek nemen in de woning. De ontwikkeling is passend binnen de regionale Woonvisie. 3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Kapelle 2012-2030

Op 26 maart 2012 heeft de gemeenteraad van Kapelle de Structuurvisie gemeente Kapelle 2012 – 2030 vastgesteld. De Structuurvisie bevat de gemeentelijke visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Met als hoofddoel behoud en verdere ontwikkeling van een aantrekkelijke gemeente Kapelle. In het kader van de Structuurvisie zijn voor het hele grondgebied van de gemeente Kapelle afwegingen gemaakt voor het toekomstig ruimtelijk beleid. Er zijn keuzes gemaakt over de gewenste ruimtelijke ontwikkeling op de (middel)lange termijn: 2020 met een doorzicht 2030. Behoud en versterking van de kernkwaliteiten staat daarbij voorop: een uitstekend woon- en leefklimaat;

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

16

een prima voorzieningenniveau; voldoende werk in de gemeente; aantrekkelijk voor recreatie. Het behouden en versterken van het uitstekende woon- en leefklimaat wenst men te bereiken door onder andere: Voldoende geschikte woningen voor de bevolkingsontwikkeling in de gemeente. De bestaande kernen en woningbouwlocaties benutten voor woningbouw, met behoud van het dorps karakter. Kwaliteit vóór kwantiteit! In kleine aantallen bouwen voor de behoefte en de bestaande voorraad aanpassen aan de wensen van de tijd. Inzetten op levensloopbestendig en energiezuinig bouwen. Op 21 september 2021 heeft de gemeenteraad een addendum op de voorgenoemde structuurvisie vastgesteld. Hierin zijn in aanvulling locaties voor toekomstige woningbouw, bedrijventerrein en energielandschap opgenomen. Deze wijzigingen hebben geen betrekking op onderhavig plangebied. Conclusie Het initiatief ziet op de realisatie van één duurzame, vrijstaande, levensloopbestendige woning. Het plangebied valt binnen de bestaande dorpskern. Initiatiefnemer zal zelf intrek nemen in de woning. De ontwikkeling is in lijn met de Structuurvisie Kapelle 2012-2030. 3.4.2

Strategisch Kompas

In het Strategisch Kompas heeft de gemeente Kapelle samen met inwoners, ondernemers, en organisaties een toekomstvisie opgesteld. In het Strategisch Kompas is de kernambitie bepaald dat Kapelle een aantrekkelijke, groene woongemeente is voor iedereen, waar ondernemers en inwoners bijdragen aan het woongenot. Met betrekking tot het woningaanbod is bepaald dat het aanbod woonruimte biedt voor iedereen. In het Strategisch Kompas wordt verwezen naar de woondoelen die zijn opgenomen in de Agenda Wonen: Voldoende, passend woningaanbod, voor eigen inwoners en nieuwkomers van buiten; Begeleiden van de verwachte krimp op lange termijn; Benutten van bestaand bebouwd gebied voor woningbouw; Behoud van huidig profiel van dorpen, kernen en plaatsen; Totale portefeuillestrategie voor regio De Bevelanden, inclusief nieuwbouw, verversing en verbetering; Regionale prestatieafspraken met woningcorporaties; Stimuleren van investeringen door particulieren, marktpartijen en financiële instellingen. Conclusie Het initiatief ziet op de realisatie van één duurzame, vrijstaande, levensloopbestendige woning. Het plangebied valt binnen de bestaande dorpskern en het bebouwingsprofiel. Initiatiefnemer zal zelf intrek nemen in de woning. De ontwikkeling is in lijn met het Strategisch Kompas van de gemeente Kapelle.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

17

Hoofdstuk 4

Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid. 4.1

Flora en fauna

4.1.1

Wettelijk kader

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.

Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de plantenen diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 4.1.2

Gebiedsbescherming

Gelet op de gewenste ontwikkeling en verwachte bouwwerkzaamheden heeft Ecoresult B.V. een quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen als Bijlage 1.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

18

Ten aanzien van gebiedsbescherming wordt opgemerkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca 1,6 kilometer ten zuiden van het plangebied ligt. Dit betreft de Westerschelde & Saeftinghe. Negatieve effecten als gevolg van overige verstoringsvormen dan stikstofdepositie (zoals geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid) zijn uitgesloten wegens de grote afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het dichstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 335 meter ten zuiden van het plangebied. Dit betreft 'Het Weeltje bij Biezelinge’, gelegen aan de Biezelingse Oude Dijk. Verder is het plangebied niet gelegen in een ganzenrustgebied. Het dichtstbijzijnde ganzenrustgebied is de Kapelse Moer en bevindt zich op ca 2,25 km ten oosten van het plangebied. In de provincie Zeeland is een toetsing van externe werking niet noodzakelijk. Nader (veld)onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zeeland wordt niet overtreden. Tenslotte worden in het plangebied diverse fruit- en notenbomen gekapt. Het plangebied bevindt zich echter binnen de bebouwde kom van Biezelinge. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

Tevens vallen bomen op erven en in tuinen én fruitbomen buiten de kaders van de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden. 4.1.3

Soortenbescherming

Ten aanzien van soortenbescherming wordt in de onderzoeksrapportage (Bijlage 1) aangegeven dat negatieve effecten op soorten die vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, of die nationaal beschermd zijn kunnen op voorhand worden uitgesloten. Om schadelijke effecten op bezette nesten van algemene broedvogels én categorie 5-soorten dienen de werkzaamheden (het verwijderen van het groen) uitgevoerd te worden buiten de broedperiode. De broedperiode verschilt per soort maar loopt grofweg van 15 maart tot 15 augustus. 4.1.4

Conclusie

Het aspect flora & fauna vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Er hoeft geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. De werkzaamheden (het verwijderen van het groen) worden uitgevoerd buiten de broedperiode. 4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.2.2

Resultaten onderzoek

In verband met de gewenste gevoelige bestemming en verwachte bouwwerkzaamheden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740. Voorafgaand is een vooronderzoek uitgevoerd conform NEN 5725. De rapportage is opgenomen als Bijlage 2. Op basis van het vooronderzoek is specifiek gekeken naar eventuele verontreiniging met bestrijdingsmiddelen (OCB's), hiervoor is de onderzoekslocatie aangemerkt als 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld'. Voor de overige parameters, de ondergrond en het grondwater is de onderzoekslocatie aangemerkt als 'onverdacht'. Uit het onderzoek blijkt dat de hypothese met betrekking tot bestrijdingsmiddelen (OCB's) stand houdt.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

19

De aangetoonde lichte verhogingen zijn echter niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. Voor de overige parameters en bodemlagen dient de hypothese 'onverdacht' vanwege lichte verontreinigingen formeel verworpen te worden. Echter geven deze lichte verontreinigingen gezien de ligging van het plangebied geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygienische bodemkwaliteit is afdoende bekend. 4.2.3

Conclusie

Er zullen geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.3.2

Cultuurhistorie

Het plangebied is in de bestaande situatie nagenoeg onbebouwd. Er zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in het plangebied. Ook worden de omgeving en het landschap volgens de Kaart Cultuurhistorie Zeeland van provincie Zeeland niet aangeduid als zijnde cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.3.3

Archeologie

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Volgens de Kaart Cultuurhistorie Zeeland van provincie Zeeland kent het plangebied een hoge/middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Kapelle - Biezelinge' een dubbelbesteming met betrekking tot archeologie. Deze dubbelbestemming wordt met voorliggend plan ongewijzigd overgenomen. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal te zijner tijd op grond van deze dubbelbestemming worden beoordeeld of het uitvoeren van een archeologisch onderzoek benodigd is. 4.3.4

Conclusie

Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Wel vindt de ontwikkeling plaats in beschermd archeologisch gebied. De bestaande archeologische dubbelbestemming wordt met voorliggend plan overgenomen. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

20

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. 4.4.2

Beoordeling

Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de NSL-viewer van de Rijksoverheid. De waarden zijn afkomstig van het dichtstbijzijnde rekenpunt langs de Rijksweg/N289 op circa 330 meter van het plangebied. Stof

Jaar 2020

Jaar 2030

Grenswaarde

Advieswaarde

NO2

18,5 µg/m3

14,2 µg/m3

40 µg/m3

10 µg/m3

PM 10

14,9 µg/m3

13,1 µg/m3

40 µg/m3

15 µg/m3

PM 2,5

7,6 µg/m3

6,2 µg/m3

20 µg/m3

5 µg/m3

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. 4.4.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

21

4.5

Parkeren en verkeer

4.5.1

Parkeren

Het benodigd aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de CROW-publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Het plangebied wordt gekenmerkt als gelegen in rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied (bron: CBS). Voor een vrijstaand koophuis geldt een parkeernorm van minimaal 1,9 parkeerplaatsen. In de gewenste situatie komt de totale parkeerbehoefte daarmee uit op afgerond 2 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. In de regels van onderhavig plan is geborgd dat onder meer bij het oprichten van een nieuw bouwwerk in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien. 4.5.2

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Achterweg. Dit is een 30 km/u weg die via de Waardekensstraat een deel van de bebouwde kom van Kapelle ontsluit met De Klinker. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de CROW-publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige situatie is een tuinfunctie toegestaan. Deze heeft op zichzelf geen verkeersaantrekkende werking. In de gewenste situatie is de verwachte verkeersgeneratie uitgaand van een vrijstaand koophuis 7,8 tot 8,6 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie neemt met onderhavig initiatief toe met maximaal 8,6 mvt/etmaal. Gezien de ligging van het plangebied en de verkeerssituatie ter plaatse, wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. 4.5.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren kan op eigen terrein worden opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts zeer beperkt toe. 4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

22

4.6.2

Beoordeling

Met onderhavig initiatief wordt nieuwe geluidsgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt in de vorm van een nieuwe woning. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van railverkeer of industrielawaai. Het plangebied ligt wel binnen de geluidszone (400 meter) van de Rijksweg A58. Strikt genomen zou daarmee een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk zijn. Gelet op het feit dat de Rijksweg A58 is afgeschermd middels een geluidswal en er tussenliggende afschermde bebouwing aanwezig is, kan zonder nader onderzoek op voorhand worden gesteld dat de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Rijksweg niet hoger zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. 4.6.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er naar verwachting geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

23

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2

Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Een woning betreft een gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als rustige woonwijk, gelet op het feit dat het plangebied hoofdzakelijk omringd wordt door woningen. In nabijheid van het plangebied liggen geen reguliere bedrijfsbestemmingen. Op circa 195 meter van het plangebied ligt een agrarische bouwvlak, waarbinnen agrarische bedrijfsbebouwing is toegestaan. Gelet op de ruime onderlinge afstand vormt dit echter geen belemmering voor het woon- en leefklimaat ter hoogte van het plangebied. Omgekeerd vormt voorliggend plan geen belemmering voor de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden ter hoogte van het agrarisch bouwvlak. 4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van de woning niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

24

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

25

op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: Signaleringskaart EV) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen In de directe nabijheid (binnen 200 meter) van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

26

gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. 4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Kapelle - Biezelinge' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.10

Water

4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische'

Tussen Achterweg 2-4 Kapelle

27

toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Waterschap Scheldestromen Waterschap Scheldstromen kent naast een Strategienota op hoofdlijnen het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027. Het laat zien welke doelen Scheldestromen de komende periode nastreeft, welke ontwikkelingen daarop van invloed zijn en hoe ze daarmee om zal gaan. Dit alles in relatie tot de systemen die Scheldestromen de afgelopen decennia heeft opgebouwd om veiligheid, gebruik en de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen. Verder kent het Waterschap de Keur en Legger. In de Keur staan onder meer regels rond het onderhoud en beheer van watergangen, oevers en dijken. De geografische ligging van (beschermingszones rond) wateren en dijken is weergegeven op de kaarten van de Legger. 4.10.3

Watertoets

Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de Digitale Watertoets uitgevoerd (Bijlage 3). Gelet op het resultaat is er contact opgenomen met Waterschap Scheldestromen. Per mail d.d. 12-12-2022 heeft het Waterschap onder meer aangeven: Het initiatief voor het bouwen van een woning tussen de percelen Achterweg 2 en 4 te Kapelle betekent een toename van het verharde oppervlak. Van belang daarbij is hoe het verharde oppervlak afwatert, direct of indirect naar het oppervlaktewater. Direct is via leidingen en kolken en het HWA riool naar het oppervlaktewater, indirect is bijvoorbeeld via de tuin of bermstrook naar het HWA riool. Directe afvoer moet volledig worden gecompenseerd in het oppervlaktewater, indirecte afvoer niet. Indirect afvoer verloopt vertraagt via de bodem en op die manier wordt het watersysteem niet nadelig beïnvloed. Watercompensatie vind in de regel bij voorkeur plaats direct in het oppervlaktewater, echter is dit hier niet mogelijk. Meeste gemeenten in Zeeland hebben voor dit soort initiatieven waar gecompenseerd moet worden maar waar het onmogelijk is op of langs het perceel, het zogenaamde Waterbergingsfonds. De watercompensatie kan dan worden afgekocht en de bedoeling is dan dat er elders in de gemeente watercompensatie wordt gegraven. Echter heeft de gemeente Kapelle geen Waterbergingsfonds.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13597972/1