2023-21c D23.287285 ontwerp ruimtelijke onderbouwing Wemeldinge 001083 RO01 ON01 Flexwonen Wemeldinge
Tekst van het document
4
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Administratieve Gegevens Projectnaam
Wemeldinge Prinses Beatrixweg
Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Kapelle
Plaats
Wemeldinge
Adres / Locatie
Prinses Beatrixweg
Hoekpunten coördinaten RD
NW 58.454/ 392.768 NO 58.535/ 392.760 ZW 58.444/ 392.688 ZO 58.538/ 392.688
Centrum coördinaat RD
58.489/ 392.729
Kaartblad
65H
Kadastraal perceel
Gemeente Wemelding, Sectie C, perceel 3712 en 3944 (ged.)
Oppervlakte plangebied
Circa 7250 m2
Vigerende bestemmingsplan
Kom Wemeldinge (2010) – enkelbestemming Sport; dubbelbestemming WA‐1 (100 m2, 0.30 meter ‐mv)
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK status
Geen
Archis vondstlocatie
Geen
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen (mail helpdesk ZAD d.d. 30‐3‐2023)
OPDRACHTGEVER Naam
Juust
Contactpersoon
de heer R. Lobbezoo
Adres
Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle
Telefoon
+31 (0)6 57 08 15 63
Raoul@juust.nl
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Kapelle
Contactpersoon
Dhr. P. Vogel
Adres
Postbus 79, 4420 AC Kapelle
Telefoon
14 0113
p.vogel@kapelle.nl
5
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
TOETSING NAMENS BEVOEGDE OVERHEID Naam
Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS)
Contactpersoon
Dhr. K.‐J.R. Kerckhaert
Adres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Telefoon
0118 670870
Kjr.kerckhaert@erfgoedzeeland.nl
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Contactpersoon
dhr. J.J. H. van den Berg
Adres Telefoon
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618
jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
E‐depot
EDNA (E‐Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefact‐info.nl
Certificaat
ARC‐010/3 ‐ BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Bestemmingsplanwijziging
Begin/einddatum veldwerk
6 april 2023
Projectnummer Artefact
2023ART39
Archis onderzoeksmelding
5383888100
Vindplaats(en)
‐
6
ARTEFACT RAPPORT 784
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
In opdracht van Juust heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Prinses Beatrixweg te Wemeldinge (gemeente Kapelle; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om de bestaande sportterreinen 1 in te richten met 20 flexwoningen. Het plangebied beslaat een oppervlakte van ca. 7.250 vierkante meter.
Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2022.
Het plangebied is binnen bestemmingsplan Kom Wemeldinge (2010) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Sport. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen het gebied met dubbelbestemming geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 100 m2 én dieper reiken dan 0,30 m ‐mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Met de geplande nieuwbouw worden de vrijstellingsgrenzen 1
In de lente, zomer en herfst zijn de terreinen in gebruik voor balsporten, in de winter wordt het terrein een openlucht ijsbaan.
7
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
overschreden. Voorliggen archeologisch onderzoeksrapport is dan ook opgesteld in het kader van een bestemmingsplanwijziging.
Figuur 2 Ligging van het plangebied. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2022.
1.2
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Conform de AMZ‐cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 2 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds‐ of 2 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.
8
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO‐proefsleuvenonderzoek (IVO‐P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO‐overig (IVO‐O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek).3 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo‐archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek.
Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen. Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie‐advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.4 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase).
Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20195 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2.6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4.1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? 3
SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4.
4 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4‐5. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
9
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
1.3
Wettelijk kader en beleid
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en ‐vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 6 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.
Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017‐2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps‐ en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 7 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet (wat hier niet aan de orde is). Met de komst van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren.
6 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 7 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
10
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Het gemeentelijke beleid van Kapelle is in 2011 door Vestigia opgesteld en vervolgens in 2012 door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. In de beleidsnota is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaart‐ in‐lagen werd de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde 8 categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of –wanneer de waarde nog niet is vastgesteld– een archeologische verwachting. Dit gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2012 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde.
Op de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaart‐in‐lagen geldt voor het plangebied: Een hoge verwachting op het niveau van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1); Geen verwachting voor het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2); Geen verwachting voor het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3); Geen verwachting voor het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel; Laag 4).
1.4
Plangebied en planvorming
Het plangebied ligt op een sportterrein aan de Prinses Beatrixweg in het centrum van Wemeldinge. Het omvat de kadastrale percelen Gemeente Wemelding, Sectie C, perceel 3712 en 3944 (ged.). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om het bestaande sportveld (balsporten en ijsbaan) in te richten met 20 flexwoningen. Het plangebied beslaat een oppervlakte van ca. 7.250 vierkante meter. Het definitieve ontwerp alsook de manier van funderen is nog niet bekend (inrichtingsschets in bijlage 4).
11
ARTEFACT RAPPORT 784
2
Archeologisch bureauonderzoek
2.1
Methoden
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.8 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1.4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1.4
Beschrijven historische situatie
LS03
2.3.1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2.3.2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS02‐03‐04
2.5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2.2.2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2.4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. (Landelijke en regionale) bodem‐, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten Paleogeografische kaarten Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (Specialistische) literatuur Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet‐gesprongen explosieven Lucht‐ en satellietfoto’s Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten Gemeentelijk en/of provinciaal archief Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Gemeentelijke verwachtings‐ en beleidskaarten Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn Provinciaal depot:
archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
8 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
12
ARTEFACT RAPPORT 784
2.2
Landschap en geologie
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het pleistoceen en het holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd.9 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het onderzoeksgebied, wordt afgebeeld op figuur 4. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) stijgt de zeespiegel en gaat hierdoor het pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. Elders wordt het plantaardig materiaal als een gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.
Eerst op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeit laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei doet zich eerst voor in het westen van Zeeland, maar de grens verschuift door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces komt een einde in het midden tot laat‐atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 10 Gaandeweg wordt namelijk door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking de strandbarrière die het veenlandschap van de zee afschermt opgeruimd en loopt het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstaat hierbij een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap en (waar dit ontstaan is) het Basisveen worden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.11 Vanaf het subboreaal (circa 3.750 v. Chr.) neemt de snelheid van de zeespiegelstijging dermate af dat er zich een nieuwe kustbarrière van strandwallen kan vormen die zich sterk in westelijke richting uitbouwden. De meeste westelijke grens van dit complex wordt wellicht in de midden ijzertijd bereikt.
De zeegaten in deze barrière waarlangs het zeewater het achterliggende gebied in stroomt sluiten zich geleidelijk waardoor de getijdenwerking landinwaarts afneemt. Er vormen zich hierbij in het getijdengebied meer kleiige afzettingen. Gaandeweg houden in het getijdengebied achter de kustbarrière de sedimentatie en stijging ten gevolge van de verminderende marine invloed elkaar in balans. Op de hoger opgelslibde kwelders in het getijdengebied groeit daardoor een dichte rietvegetatie en plaatselijk gaat zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het midden‐subboreaal achter de inmiddels quasi gesloten kustbarrière een groot veenlandschap ontstaat dat bestaat uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes.12
9 Vos en de Vries, 2018. 10 Van Rummelen, 1978: 62‐64. 11 Van Rummelen, 1978: 53. 12 Vos and Van Heeringen, 1997: 28.
13
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
14
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Figuur 3 (deze en vorige blz.) Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging onderzoeksgebied. Bron: Vos en de Vries, 2018.
15
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Waar tot in de late ijzertijd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald wordt door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment zal vanaf grofweg vanaf de Romeinse tijd de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteren in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee krijgt opnieuw vat op het laag gelegen Zeeuwse veengebied. De eerste tekenen van overstromingen van dit gebied dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf circa 250 n. Chr. kan de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstaat.14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf deze periode resulteert in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden worden zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden worden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei.
De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand komen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak. Omstreeks 800 n. Chr. bestaat Zeeland grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie biedt nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgenden vindt dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik beginnen de bewoners zich ook met grootschalige bedijkingen tegen het water te beschermen en worden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuwgewonnen land wordt naast landbouw en veeteelt ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kan namelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen heeft echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg.15 De degeneratie van het landschap in de late middeleeuwen wordt bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat ertoe zal leiden dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kennen, waarbij veel land verloren gaat.
Het oostelijk deel van Zuid‐Beveland (het verdronken land van Zuid‐Beveland) welke na zware stormen aan het einde van de 16e eeuw onder water komt te staan, is hiervan een van de bekendste exponent. Bovendien heeft dit ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland. De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik via de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegt zich door de realisatie van een verbinding met de Honte zuidwaarts en vormt zo de Westerschelde.16
2.2.2
Aardkundige waarden
Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland17 (niet afgebeeld) ligt het plangebied binnen een zone met code Na6, hetgeen betekent dat hier tot grote diepte zeeklei en ‐zand van het Laagpakket van Walcheren aanwezig is. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland18 (figuur 4) is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van een zone met code DO.3a. Dit wil zeggen dat hier sprake is van diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke IIIa op deze kaart) aanwezig zijn. Oudere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, het Hollandveen, Laagpakket van Wormer en de Pleistocene afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn hier naar
13 Vos and Van Heeringen, 1997. 14 Vos and van Heeringen, 1997. 15 Dekker, 1971: 20. 16 Vlam, 1944, Coen, 2008. 17 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003. 18 Van Rummelen 1978.
16
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
verwachting volledig weg geërodeerd. Volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart kan wat rest van de Pleistocene afzettingen hier dan ook worden verwacht op een diepte tussen 25 en 30 m ‐NAP.
Figuur 4 Projectie van het plangebied (in rood) op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: van Rummelen 1978.
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket 19 leert dat onmiddellijk grenzend aan het plangebied één boring is uitgevoerd. Tot een diepte van 7 m ‐mv zijn afzettingen van het Laagpakket van Walcheren waargenomen. Het veen en de afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn compleet weggeslagen. Een Appelboormodel van DINO voorspelt dat in het plangebied onder een anderhalve meter opgebrachte grond, tot een diepte van 30 m ‐mv/ 29,25 m ‐NAP zand‐ en kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten zijn, met hieronder de afzettingen van de Formatie van Waalre.
19 www.dinoloket.nl, geraadpleegd op 30 maart 2023.
17
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Bodem Op de Bodemkaart van Nederland20 (niet afgebeeld) ligt het plangebied in niet gekarteerd gebied. In de omgeving van Wemeldinge komen op deze kaart (hoofdzakelijk kalkarme en in mindere mate kalkrijke) poldervaaggronden voor (codes beginnend met Mn). Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. In de gebieden waar geen bodemkartering heeft plaatsgevonden (zoals dit het geval is voor het plangebied) is ook de grondwatertafel niet bepaald. In de omgeving komt een grondwatertrap VI voor. Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de winter tussen de 40 en 80 centimeter ‐mv ligt. In de warmere maanden is de gemiddeld laagste grondwaterstand beneden de 1,2 m ‐mv. Volgens projectie op de oudere Bodemkaart van de Polder ‘De Brede Watering bewesten Yerseke” door van der Meer, Ovaa en de Buck uit 1952 (figuur 5) is het plangebied gelegen ter plaatse van roestige oude kreekruggrond. Onmiddellijk ten westen van het plangebied bevindt zich een kreekbedding.
Deze kreekbedding wordt ook aangegeven op de Geomorfologische kaart (zie verder) ten zuiden van Wemeldingen (het centrum van Wemeldinge is niet gekarteerd op de Geomorfologische kaart) en is ook als restgeul herkenbaar op het AHN.
Figuur 5 Uitsnede van de Bodemkaart van de Polder ‘De Brede Watering bewesten Yerseke” door van der Meer, Ovaa en de Buck uit 1952.
20 Bazen, 1987.
18
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
De zone met kreekruggronden zoals deze is opgetekend op de Bodemkaart van de Polder ‘De Brede Watering bewesten Yerseke” is tevens (overzichtelijker) opgenomen in de bij dezelfde kartering horende bijkaart met het ruggensysteem Wemeldinge. Op deze kaart is de kreekrug gestippeld aangegeven, de kreekbedding die ten westen van het plangebied gelegen is wordt hier niet aangegeven, dit betreft een restgeul van jongere datum. Geomorfologie Projectie op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 7)21 laat zien dat het plangebied deels in niet gekarteerd gebied ligt. Extrapolatie leert dat het plangebied gelegen is op een oude getij‐inversierug (code 3K33). Wemeldinge grenst in het noorden aan een inlaagdijk (roze lijn) en een hogere zeedijk (zwart‐roze lijn). Ten zuiden van Wemeldinge is een smalle geul aangegeven door middel van een stippellijn, deze gaat plaatselijk over op een iets bredere zone met een getij‐ (kreek)bedding (code 2R13). Deze smalle restgeul/kreekbedding is dezelfde die op de Bodemkaart door van der Meer, Ovaa en de Buck uit 1952 (zie hierboven) is aangegeven.
Figuur 6 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus en de Lange 1986.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied en de omgeving (figuur 7). Hierop is te zien dat het plangebied op een hoger gelegen gedeelte van het landschap ligt, namelijk een kreekruggensysteem dat zich uitstrekt van Wemeldinge tot Kapelle (en 21 Brus en de Lange, 1986.
19
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
van daaruit richting Goes, Biezelinge en Hansweert). Op de brede inversierug zijn nog de smalle meanderende restgeulen en zijkreekjes waar te nemen als smalle depressies. De min of meer centraal in de rug lager gelegen bedding betreft dezelfde restgeul die als kreekbedding op de Bodemkaart van de Polder ‘De Brede Watering bewesten Yerseke” en op de geomorfologische kaart is aangegeven (figuur 7).
Ten noorden van Wemeldinge ligt langs de Oosterschelde de zeedijk, die bijna 7 m +NAP uitsteekt, met daarvoor (aan landzijde) een smallere inlaagdijk (3‐4 m +NAP). De zeedijk wordt doorbroken door de monding van het kanaal tussen Wemeldinge en Hansweert en de bijhorende jachthaven. Dit betreft een nieuwe tijds kanaal dat richting het zuiden loopt en wiens flanken worden omgeven door meerdere dijken (tot circa 5,0 m +NAP).
Figuur 7 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
De meer gedetailleerde weergave op figuur 8 laat zien dat het plangebied gelegen is ter plaatse van een vrij egaal gebied waar het maaiveld circa 0,8 m +NAP bedraagt. De gelijkmatigheid van het plangebied komt door het feit dat het plangebied in gebruik is als sportveld en in de winter als ijsbaan. In de ruimere omgeving kleurt de ten (noord)westen van het plangebied gelegen Dorpsstraat donkerrood (tot 3,0 m +NAP). Ter plaatse van deze strook bevindt zich een middeleeuwse afdamming van de restgeul (zie volgend hoofdstuk). Nog westelijker bevindt zich een ronde verhoging (circa 10 m +NAP). Dit betreft één van de vele bergjes (motte en/of vliedberg) die in de omgeving van Wemeldinge zijn aangelegd gedurende de middeleeuwen.
20
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Figuur 8 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
21
ARTEFACT RAPPORT 784
2.3
Historie
2.3.1
Historisch‐geografische ontwikkeling
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of sub‐recent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Zoals eerder in hoofdstuk 2.2.1 is aangegeven stijgt de invloed van de zee op het Zeeuwse gebied vanaf de laat‐ Romeinse tijd en worden grote delen van Zeeland overspoeld waarbij zich Walcherenafzettingen vormen (in oudere literatuur als de oudere fasen van de Duinkerke transgressief omschreven).
De vernieuwde zee‐invloed zorgt enerzijds voor een afdekkend pakket kleiafzettingen (die het aanwezige Hollandveen afdekken) maar geeft ook aanleiding tot het ontstaan van verschillende kreken. In deze kreken (die soms ook ontstaan zijn door het verder uitschuren van reeds bestaande waterloopjes of afwateringssystemen) vindt veelal tot enige diepte erosie van de aanwezige oudere afzettingen plaats. Zeker in de grote en brede geulen zijn hierdoor het onderliggende veen en de klei‐ en zandpakketten eronder, behorende tot het Laagpakket van Wormer, geheel of grotendeels aangetast en /of volledig weg geërodeerd. Wanneer na verloop van tijd de invloed van de zee opnieuw afneemt22 heeft zich op het veen een dek gevormd van hoofdzakelijk klei en hebben de kreekbedding zich gevuld met sedimenten van hoofdzakelijk zand en in mindere mate klei. Onder druk van het afdekkend Walcherenpakket gaat uiteindelijk het buiten de kreken gelegen landschap zakken. Dit doordat het veenpakket dat zich onder het Laagpakket van Walcheren bevindt (buiten de kreken) onder de druk van het bovenliggende pakket gaat ontwateren en hierdoor compacter wordt.
Uiteindelijk vindt hierdoor een inversie van het landschap plaats waarbij de aanvankelijk lager gelegen (veelal zandige) kreekbeddingen, doordat deze niet aan deze klink onderhevig zijn, uiteindelijk hoger komen te liggen dan het omliggende veenhoudende gebied. De hierbij ontstane zogenaamde kreek‐ of geulruggen (ook wel inversieruggen genoemd) en de bijhorende oeverwallen worden doordat deze hoger in het landschap liggen en door de aanwezigheid van veelal zandige afzettingen daarenboven vrij goed ontwateren, in de vroege middeleeuwen aantrekkelijk voor bewoning. Op Zuid‐Beveland zijn er twee zulke grote ruggen bekend: Biezelinge – Wemeldinge en Kapelle – Kloetinge. De inversierug van Biezelinge‐ Wemeldinge had een totale breedte van circa 1500 meter.23 Bij een stormvloed in 1014 raken grote delen van Zeeland echter opnieuw geïnundeerd. Hierbij komt onder andere het gebied tussen het Walcheren en Zuid‐Beveland onder water te staan en vormen beiden afzonderlijke eilanden en ontstaan in het zuiden van Bevelend de eilanden van Borsele, Oudelande en Baarland 24 Ook enkele van de oude kreekbeddingen, die in de vroege middeleeuwen zijn verland, worden deels opnieuw watervoerend.
De restgeul die vanuit het zuiden vanaf Biezelinge geheel naar het noorden in de richting Wemeldinge liep en die in eerder hoofdstukken reeds is vastgesteld op de bodem‐ en geomorfologische kaart alsook het AHN (zie hoofdstuk 2.2.2) is in de 11de eeuw (opnieuw of nog) actief en is onder verschillende namen gekend (nabij het huidige Wemeldinge is dit Cutsee/Cutzee ) (figuur 9).
22
Mede doordat het toenmalig maaiveld buiten de kreken door de voortdurende sedimentatie steeds hoger is komen te liggen, waardoor overstroming steeds zeldzamer wordt en doordat de kreken zelf ook gaan verzanden. 23 Dekker, 1971, 17, 19‐20. 24 Dekker, 1971, 128.
22
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
De impact van de gebeurtenis uit 1014 zorgt er voor dat men op kleine schaal kunstmatige woonhoogten gaat opwerpen en lokaal dijkjes gaat aanleggen die bescherming moeten bieden tegen het water.25 Zo wordt ook de Cutzee (restkreek) in de 11de eeuw op twee plaatsen afgedamd: in Biezelinge waar nu de Hoofdstraat is gelegen en in Wemeldinge ter plaatse van de huidige Dorpsstraat en de Kostersdijk. 26 De dam in Wemeldinge is op het AHN nog zichtbaar (zie hoger) als hoger gelegen lijnvorming gebied. De datering van de aanleg van de dam in Biezelinge in de 11de eeuw is aangetoond bij een archeologisch onderzoek aan het Marktplein. In de dam werd een afvalkuil aangetroffen met 11de‐eeuws aardewerk. 27 Onderzoek naar de diepere lagen van de dam in de Dorpstraat van Wemeldinge heeft nog niet plaatsgevonden, wel zijn bij de bodemkartering in 1952 op de zuidzijde van de dam enkele fragmenten Pingsdorfaardewerk (globaal 11de tot 12de eeuw) aangetroffen. 28 De dam in de Dorpstraat is mogelijk eveneens gebruikt als zuidelijk polderdijk van de later als afzonderlijke polder verdwenen Polre inter Scoudee et den Lode29
Figuur 9 Reconstructie van de ligging van 11de en 12de‐eeuwse dijken en dammen rondom Wemeldinge en het verloop van de Cutzee (zwarte lijn). Bron: tekening door L.J. Vercouteren, opgenomen in Dekker 2007, 14.
Een tweede grote stormvloed, in 1134, zorgt opnieuw voor landverlies in met name in de gebieden ten westen van het latere Goes, Oost‐Zuid‐Beveland en ten noorden van Kattendijke, Wemeldinge en Yerseke. Ook bij deze vloed zijn verschillende nieuwe kreken ontstaan. 30 Een van deze kreken (de Wijtvliet) drong het gebied ten westen van Kattendijke binnen en splitste zich in vele zijtakken, onder andere de Korte Wijtvliet die zich verbond met de Cutsee en deze opnieuw van water voorzag.31 Als reactie op de grote problemen tijdens deze stormvloed gaat men het gebied beschermen met grootschaliger dijkwerken. De eerste ondernomen bedijkingen betreffen defensieve dijken. Zo wordt een dijk opgeworpen als eerste beveiligingswerk op de noordrand van de kreekrug Wemeldinge – Kapelle – Kloetinge – ’s‐Heer Arendskerke, in een 25 Dekker, 1971, 86‐91; Dekker, 2007, 11. 26 Dekker, 1971, 21‐22, 90; Dekker, 2002, 27; Dekker, 2007, 11. 27 Jongepier, 2010, 23‐26. 28 Dekker, 2002, 27; Dekker, 2007, 12. 29 Dekker, 2007, 14. 30 Dekker, 1971, 95‐97 31 Dekker 1971, 96, 101; Dekker 2007, 13.
23
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
wijde boog rond (ten zuiden van) de centrale punten van aantasting bij Kattendijke en die het gebied moet beschermen tegen de te noorden hiervan gelegen Schenge. Wemeldinge bevindt zich net ten oosten van deze door dijken beveiligde zone (figuur 10).
Figuur 10 Kaart met de situatie na 1134 met aanduiding van de dijkaanleg na deze periode. Bron: Dekker 1971, 100.
Andere delen volgen zodat het kerngebied uiteindelijk zo goed als volledig beveiligd is door middel van dergelijke defensieve dijken. Hierna volgen offensieve bedijkingen (gericht op het winnen van land) waarbij ook de gebieden buiten dit kernland opgenomen worden in het geheel. De aanwezige grangiae (grote hoeven) van de Vlaamse Cisterciënzerabdijen op Zuid‐Beveland zorgen mee voor de nodige financiering van de bedijkingsactiviteiten. 32 De bedijkingsactiviteit in de 12de eeuw zal leiden tot het ontstaan van De Breede Watering Bewesten Yerseke, kortweg de Westwatering genoemd. De Breede Watering Bewesten Yerseke is één van de oudste Zeeuwse poldergebieden en omsluit één groot gebied, beschermd door een ringdijk (figuur 11). In dit gebied zijn zowel de laaggelegen poelgebieden als de hoger gelegen kreekruggen opgenomen.
32 Dekker, 1971, 137‐140
24
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Figuur 11 De Brede Watering Bewesten Yerseke met aanduiding van de kreekruggen (ongearceerde zones). Bron: Dekker, 1971, 21.
De oudste kern van Wemeldinge zou een zogenaamd ringdorpen zijn. Zoals de naam al aangeeft, betreft dit een nederzetting aangelegd in een ringvorm, waarbij de kerk meestal het centrum vormt. 33 De eerste vermelding van de kerk is gekend via een oorkonde uit 123334 waarin de aartsbisschop van Keulen zijn goedkeuring uit over de incorporatie van de kerken van Ouwerkerk, Nieuwerkerk, Wemeldinge, Kruiningen, Yerseke en Koudewerve bij het kapittel van Oudmunster te Utrecht ter vergroting van haar inkomsten. De kerk van Wemeldinge moet destijds dus financieel al van groot belang zijn geweest. Volgens Dekker is de kerk, gewijd aan Sint Maarten, in de late 11de of 12de eeuw gesticht en is, samen met de Sint Odulf kerk van Yerseke, een van de eerste en oudste van Zuid‐Beveland. Dit betrof een houten kerk, pas in het begin van de 14de eeuw wordt er een begin gemaakt met het verstenen van de kerk.35 Voor wat het ontstaan van Wemeldinge betreft speelt ook de aanwezigheid van een lokale heerlijke familie een bepalende factor. Getuige hiervan is de aanwezigheid van drie mottes of kasteelbergjes. De aanwezigheid van drie bergjes nabij de kerk van Wemeldinge kan verklaard worden door vererving van het bezit van een lokale ambachtheer. De aanvankelijk militaire functie van de motte wordt in de loop van de 13de eeuw een eerder symbolische uiting van macht.
Vandaar dat soms verschillende mottes in elkaars nabijheid worden aangelegd. Dit duidt dan vaak op verdeling van macht en bezit onder families of bondgenoten. De eerste Wemeldingse motte ligt direct ten zuidoosten van de kerk. Dit bergje bestaat nu nog en is met circa 10 m de hoogste in Zeeland.36 Ter plaatse van de huidige Maartenskerk zal het neerhof hebben gelegen van deze motte. De tweede berg moet gelegen hebben op Overwerve, ongeveer 100 meter ten noordwesten van de kerk. Deze “Berg van Overwerve” is in de 19de eeuw genivelleerd.37 De derde berg, tot 33 Dekker, 1971, 42. 34 Oorkondenboek van Holland en Zeeland, II, 553. 35 Dekker, 2007, 17‐23. 36 Dekker, 2007, 15. 37 Dekker, 2007, 15; De Man 102.
25
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
slot, is gelegen op circa 150 meter ten zuidwesten van de kerk, in de bocht van de Kerkweg. Dit perceel stond in de 16de eeuw bekend als “dat Borchken”.38 Deze derde motte is ook deels afgegraven. Ondanks de aanwezigheid van een centraal gelegen kerk en verschillende bergjes verliest de ring in de loop van de middeleeuwen haar centrale positie. Na de constructie van de laat 11de‐eeuwse dam ter plaatse van de huidige Dorpsstraat, ten oosten van de ring, verplaatst de bewoning zich namelijk naar de zuidelijke zijde van deze dam. Dit terrein ligt aanzienlijk hoger dan de gronden waarop de kerk zich bevindt. Zoals hierboven reeds aangegeven zijn in de zone ten zuiden van deze dam aardewerkfragmenten aangetroffen die globaal dateren in de 11de en 12de eeuw. Na de realisatie van een Polre inter Scoudee et den Lode ten noorden van deze dam in het tweede kwart van de 12de eeuw wordt ook de noordzijde van de dam geschikt voor bebouwing.39 Zo ontwikkelt zich langs beide zijden van de dam bewoning en ontwikkelt Wemeldinge zich hierdoor tot een voorstraatdorp40 met bewoning langs de voorstraat (langs de dam in de Dorpsstraat) en komen de kerk en de bergen wat geïsoleerd aan de westzijde van het dorp te liggen. Na de aanleg van de ringdijk rondom de polder Brede Watering Bewesten Yerseke wordt vanaf de tweede helft van de 13de eeuw begonnen met inpolderen van nieuwe gebieden.
Deze vormen niet allen een uitbreiding van het beschikbare areaal maar konden ook bescherming bieden tegen overstroming van het achterliggend oudere land. Langs de noordkust van Zuid‐Beveland is deze uitbreiding echter sterk beperkt gebleven, dit doordat de hoofdstroom van de Schelde hier dicht langs de kust waardoor er geen grote op‐ en aanwassen ontstonden die ingedijkt konden worden. Ten noorden van Wemeldinge kunnen dan ook uiteindelijk slechts twee zones als nieuw cultuurgebied ontgonnen worden, namelijk de Stormezandpolder 41 in 1390 en nog voor 1424 de Stormstellepolder (ook wel bekend als de Ziguitpolder). De Breede Watering Bewesten Yerseke blijf, mede dankzij de vele dijkwerkzaamheden vanaf de 12de eeuw, gedurende de zware stormvloeden uit de late Middeleeuwen en Nieuwe tijd grotendeels onaangetast. Dit is niet het geval voor de polders die hier nadien buiten de ringdijk zijn gerealiseerd. Zware stormvloeden in 1509 en 1532 veroorzaken namelijk zware schade aan de dijken en de polders in de buurt van Wemeldinge. Bij de stormvloed in 1509 gaat de Stormstellepolder verloren, deze wordt opnieuw bedijkt in 1511. In navolging op de vloed van 1509 wordt er een ordonnantie uitgevoerd door Maximiliaan van Oostenrijk die de regeling van het dijkonderhoud opnieuw organiseert. De dijken hadden namelijk op meerdere plaatsen enorm veel schade geleden.
Het onderhoud van de dijken op Zuid‐ Beveland en Oost‐Borsele wordt in de ordonnantie verdeeld in 14 kavels. De verantwoordelijkheid voor het dijkonderhoud dat voorheen bij de aan de dijk grenzende ambachtsheerlijkheden en ambachtsvierscharen lag, wordt hierbij een verantwoordelijkheid van de geërfden van de betrokken kavels. De dijk vanaf de grens Kattendijke‐ Wemeldinge tot de grens Wemeldinge‐Yerseke, alsook de voor de ringdijk gelegen Stormezand‐ en Stormstellepolder maken hierna deel uit van één kavel. 42 Dit alles kan het gebied niet redden, in 1511 gaat de Stormezandepolder voor het eerst verloren, om opnieuw ingepolderd te worden in 1512.43 De Stormstellepolder inundeert (ditmaal definitief) voor een tweede maal in 1516. De storm op “St Felix quade Saterdach” 5 november 1530 en de novemberstormen van 1532 zijn op nog grotere schaal vernietigend. Met polder van de Brede Watering Beoosten Yerseke, gelegen ten oosten van de Zanddijk en Wemeldinge, komt een groot deel van het kernland van Zuid‐Beveland onder water te staan.44 Ook de Stormezandepolder gaat opnieuw verloren. Door het wegvallen van stukken land en de daarop volgende stroomwijzingen moeten oude binnendijken waterkerend worden gemaakt en verkeren dorpen, die vroeger een groot voorland hadden gehad,
38 Dekker, 2007, 17. 39 Mededeling F. de Klerk (Gemeentearchief Kapelle).
26
40 Deze bewoningstypen worden gekenmerkt door een brede hoofdstraat die aan beide zijden bebouwd is en verbonden is met
enkele achterstraatjes. Een echt centrum ontbreekt meestal. 41 Volgens Dekker kan dit nieuwe gebied nog tot de oudlandpolders worden gerekend, daar de slibafzetting te gering was om van
een nieuwlandpolder te spreken: Dekker, 1971, 217‐218. 42 Dekker, 1971, 607‐608. 43 Wilderom, 1968, 116. 44 Wilderom, 1968, 210.
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
voortaan voortdurend in “groter vresen”.45 Delen van de dijken (onder andere in het oostelijke gedeelte rondom de Westwatering) worden na 1530 dan ook versterkt tot zeewering. Op figuur 12, een uitsnede van de Kaart met de Zeeuwse Delta door Christiaan Sgrooten uit 1573, is duidelijk te zien dat meerdere delen van Zuid‐Beveland overstroomd zijn. De verdronken regio’s zijn blauw‐geelbruin gevlekt maar de namen van de verdronken dorpen staan nog weergegeven. Zuid‐Beveland vormt op dat moment een eiland met Goes als voornaamste stad. De verbinding die vanaf het midden van de 15de eeuw tussen Zuid‐Beveland en het voormalige eiland Borsele tot stand is gebracht, heeft wel standgehouden zodat deze een geheel blijven vormen. Ook het plangebied en haar omgeving zijn ogenschijnlijk van ernstige overstroming gespaard gebleven. Dit is niet het geval voor de zone ten noorden en ten oosten hiervan, waar de Stormzande‐ en Stormstellepolder enerzijds en de Brede Watering Beoosten Yerseke anderzijds verdronken zijn. Een exacte projectie van het plangebied op deze kaart is niet mogelijk, dit is gelegen in de omgeving van Wemelinghen.
Figuur 12 Uitsnede kaart uit het Ostium Scaldis fluvii cum insulis quas efficit, door C. Sgrooten uit 1573. Bron: Koninklijke Bibliotheek België.
In de 17de eeuw gaat men ten noorden van Wemeldinge over tot de herbedijking van een deel van de verloren gegane Stormezand‐ en Stormstellepolders. Het herbekijkt gebied krijgt de naam van Stormezande maar omvat slechts een beperkt deel van de vroegere polders. Op de kaart van Zeeland door Visscher uit circa 1650 is deze polder te zien (figuur 13). Net als op de oudere kaart door Sgrooten is op deze kaart de bebouwing en de weginfrastructuur nogal schematisch weergegeven. De bebouwing beperkt zich tot de kerk van Wemeldinge en enkele gebouwen bij deze kerk, de huidige Dorpsstaat en de bewoning langs deze weg zijn niet aangegeven. Dit strookt niet met de toenmalige realiteit. De Dorpsstraat is op dat tijdstip al een belangrijke oost‐westroute en is al in de 16de eeuw bestraat. Ook zijn er op dat tijdstip al secundaire routes ten noorden en ten zuiden van de Dorpstraat ontstaan, de Noordelijke en de Zuidelijke Achterwegen. Tussen de Dorpsstraat en beide achterwegen zijn ook zogenaamde 'brandsloppen'
45 Dekker, 1971, 216.
27
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
aangelegd, stegen die het gebied opdeelden en zo het risico van brand beperkt kon worden gehouden.46 Het huidige plangebied bevindt zich ten oosten van de aangegeven kern van Wemeldinge, in het gebied waar de dorpsnaam is geschreven.
Figuur 13 Globale ligging van het plangebied op een uitsnede van de Zelandiae comitatus N. Visscher, 1656. De globale ligging van het plangebied is in rood aangegeven. Bron: Nationale Bibliotheek Frankrijk.
Op het einde van de 17de eeuw gaat tijdens een zware stormvloed de Stormezandpolder opnieuw verloren. Enkel een inlaag van circa 11 hectare direct ten noorden van de dorpskern wordt opnieuw bedijkt.47 Op de kaart van Hattinga uit 1753 (figuur 14) wordt deze kleinere herbedijking afgebeeld als de Stormesand Inlage. De kern van Wemeldinge wordt op deze kaart daarenboven met meer detail weergegeven dan dat dit op de ouder kaart door Visscher het geval is. Zo worden ten oosten van de kerk de huidige Dorpsstraat en de ten noorden en zuiden hiervan gelegen achterwegen (Noordelijke en Zuidelijke Achterweg) weergegeven. Rondom de oorspronkelijke dorpskern zijn bij de kerk enkele gebouwen ingetekend en worden twee kasteelbergjes aangegeven. Het betreft ten oosten van de kerk de tegenwoordig nog (deels) aanwezige kasteelberg en ten noordwesten van de kerk de kasteelberg waarvan het restant in de 19de eeuw is afgegraven (“Berg van Overwerve”). De kasteelberg die aan Kerkweg ten zuidwesten van de kerk heeft gelegen, is op deze kaart niet weergegeven en zal vermoedelijk in deze periode niet of nauwelijks meer in het landschap zichtbaar zijn geweest. Het plangebied is op deze kaart te projecteren. Op basis van deze projectie is het plangebed in de 18de eeuw in onbebouwd gebied gelegen.
46 Mededeling F. de Klerk (Gemeentearchief Kapelle). 47 Wilderom, 1968, 116.
28
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Figuur 14 Ligging van het plangebied (in rood) op een uitsnede van de Kaarte van het Oostelyk Gedeelte van Zuydbeveland, door D.W.C. Hattinga uit 1747‐1748. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 126.
Met de invoer van het kadaster vanaf 1811 ‐ 1816 worden voor het eerst nauwkeurige kaarten van geheel Nederland gemaakt. Dit betreft de Minuutplannen van de Kadastrale Kaart die globaal opgesteld zijn tussen 1812 en 1832. Deze kaarten geven de omvang van de aanwezige gebouwen, de ligging van wegen, dijken en waterlopen en de ligging (maar niet de fysieke vorm) van de grenzen van de verschillende kadastrale percelen weer. Op het Minuutplan van de Kadastrale kaart is te zien dat het plangebied delen omvat van twee grote percelen (percelen 78 en 79) en twee kleine percelen (in het noorden perceel 77 en in het westen perceel 179) (figuur 15). In de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel (OAT) wordt het grondgebruik aangegeven. Het perceel 78 betreft een stuk bouwland in eigendom van de Grote Armen van Wemeldinge, perceel 79 is ook een stuk bouwland met landbouwer Cornelis Duijn als eigenaar. Perceel 77is in gebruik als bos en is eigendom van Agatha Westveer. Perceel 179 tot slot betreft een stuk weiland van de Kerk van Wemeldinge.
29
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Figuur 15 Projectie van het plangebied (in zwart) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuutkaart, omstreeks 1811‐1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.
In de rest van de 19de eeuw en in de eerste helft van de 20ste eeuw veranderde er weinig in de omgeving van het plangebied. Het plangebied blijft deels in gebruik als boomgaard en bouwland. De uitbreiding van de woonkern van Wemeldinge vindt grotendeels pas plaats vanaf de jaren ’50, waarbij de oorspronkelijk kerkring nog steeds buiten het centrum blijft liggen. Ook het plangebied krijgt deels een nieuwe bestemming. Het zuidelijke deel wordt in gebruik genomen als boomgaard, in het noorden wordt een tijdelijke weg in gebruik genomen. In de jaren ’70 wordt het volledige plangebied opnieuw in gebruik genomen as bouwland. In de loop van de jaren ’80 krijgt het plangebied zijn huidige bestemming, namelijk die van sportterrein.
30
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Figuur 16 Projectie van het plangebied (in lichtblauwgroen) op de Topografische Kaart uit 1850, 1916, 1950, 1968, 1985, 1995 en 2005. Bron: Esri Nederland, Kadaster.
31
ARTEFACT RAPPORT 784
2.3.2
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Verstoringsgeschiedenis
Bodemloket In het Bodemloket en de website Bodemrapportages Zeeland worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket 48 leert dat in het plangebied geen sanering heeft plaatsgevonden. Historische gegevens Voor zover op basis van de beschikbare data kan achterhaald worden is het plangebied tot op heden onbebouwd gebleven. Het gebied is enige tijd als boomgaard gebruikt. Het gebruik als boomgaard kan voor enige beperkte verstoring van de bodem gezorgd hebben (doorworteling, boomvallen, boomkuilen). KLIC Er bevinden zich enkele kabels en leidingen in de randzone van het plangebied die tot een minimale verstoring kunnen hebben geleid. Initiatiefnemer Bij de initiatiefnemer zijn geen gegevens over mogelijke verstoringen bekend, anders dan wat de KLIC oplevert aan bekende kabels in leidingen. Gegevens archief Raadpleging van (de website van) het Zeeuws Archief leverde geen relevante informatie op omtrent eventuele verstoringen van het plangebied.
48 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 31 maart 2023.
32
ARTEFACT RAPPORT 784
2.4
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
Archeologische waarden
In deze paragraaf worden de bekende archeologische gegevens opgesomd binnen een straal van 1 kilometer rond het plangebied. Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren van een AMK‐terrein. Wel bevindt zich circa 150 m ten zuidwesten een AMK‐terrein met hoge archeologische waarde, namelijk de middeleeuwse dorpskern van Wemeldinge (monumentnummer 13453). Binnen dit AMK‐terrein zitten drie andere monumenten vervat: twee vliedbergen (monumentnr. 656 en 11.349) en het kerkterrein (monumentnr. 11.350). Eerder uitgevoerd onderzoek Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat het plangebied geen deel uitmaakt van een onderzoekslocatie uit het verleden. In een straal van 500 m rond het plangebied hebben meerdere archeologische onderzoeken plaatsgevonden en zijn verschillende vondstlocaties bekend.
In figuur 19 en de bijhorende tabellen worden de locaties van bovengenoemde onderzoeken en vondstlocaties weergegeven. In onderstaande tabel worden de onderzoeken samengevat die hebben plaatsgevonden in een straal van 500 m rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers in figuur 19. Uitvoerder
Aard en resultaten onderzoek
1
Onderzoek Nummer 2053896100
SOB Research
Archeologisch bureau‐ en booronderzoek (2002). Er zijn tijdens het veldonderzoek in totaal 9 boringen gezet tot een maximale diepte van 3 m ‐mv. Hierin zijn enkel Duinkerke III afzettingen vastgesteld (=Laagpakket van Walcheren) waarbij de top is verstoord tot een diepte van 0,7 – 0,9 m ‐mv. In dit verstoorde pakket zijn aardewerkscheven en puinspikkels aangetroffen die dateren in de nieuwe tijd, vermoedelijk recent van aard. Er zijn verder geen aanwijzingen gevonden voor de eventuele aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Er werd dan ook geen vervolgonderzoek geadviseerd.
2
2272693100
RAAP
Archeologisch bureau‐ en booronderzoek (2010). Geen resultaten beschikbaar.
3
4662517100 4663295100
Artefact!
Archeologisch bureau‐ en booronderzoek (2019). Tijdens het veldonderzoek zijn 21 boringen gezet tot een maximale diepte van 4 m ‐mv (3,08 m ‐NAP). De bodemopbouw is redelijk eenvoudig, aangezien deze volledig bestaat uit zandige afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, afgezet in de bedding een getijdengeul. Enkel in boring 20 werd bovenaan een kleiigere laag waargenomen. Vermoedelijk gaat het om komklei, in dat het geval is het zuidoostelijke deel van het plangebied gelegen op de overgang van de kreekrug naar de lager gelegen komgebieden. In 13 boringen, die ter plaatse van de straten zijn geplaatst, werden tussen 0,5 en 0,85 m ‐mv verstoringen aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de recente aanleg van cunetten, leidingen en riolen. In acht boringen werd onder de bouwvoor een heterogene menglaag gedocumenteerd (0,1 – 0,5 m ‐mv/ 1,1 – 0,63 m +NAP) met
Nr.
33
ARTEFACT RAPPORT 784
WEMELDINGE PRINSES BEATRIXWEG
fragmenten van baksteen, houtskool en aardewerk. Het aardewerk dateert uit de nieuwe tijd. Dit pakket kan als een oud oppervlak of cultuurlaag worden geïnterpreteerd uit de nieuwe tijd en wellicht zelfs nog uit de late middeleeuwen. Concluderend geldt er voor het onderzocht gebied geen verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit de prehistorie tot en met de Romeinse tijd, en een lage verwachting voor de vroege en late middeleeuwen en nieuwe tijd. Vervolgonderzoek werd dan ook niet geadviseerd. 4
2062165100
RAAP
Archeologisch bureau‐ en booronderzoek (2005). Er zijn in totaal 14 boringen gezet tot een maximale diepte van 4 m ‐mv. De bovenste 50 tot 110 cm is verstoord door het gebruik van de grond als boomgaard. Daaronder bevinden zich de zandige kreekafzettingen van Duinkerke IIIa (= Laagpakket van Walcheren). In boring 1 is men gestuit op ondoordringbaar puin. Archeologische indicatoren kwamen alleen naar boven in boring 6 in de vorm van baksteenpuin, houtskool en aardewerk. Allen gevonden in de verstoorde bovenlaag. Het aardewerk dateert tussen de late middeleeuwen en de late nieuwe tijd. Aangezien er geen aanwijzingen werden gevonden voor de aanwezigheid van een vindplaats, is er geen vervolgonderzoek geadviseerd.
5
4651258100 4651266100
Artefact!
Archeologisch bureau‐ en booronderzoek Wemeldinge Bonzijweg‐ Westelijke Kanaalweg (2018). Diepgaande kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Geen vervolgonderzoek geadviseerd.
6
4578050100 4579047100
Artefact!
Archeologisch bureau‐ en booronderzoek (2018). Er werden 13 boringen verricht tot een maximale diepte van 4 m ‐mv (3,2 m ‐NAP). De bodemopbouw bestaat uit een 15 tot 80 cm dikke recent verstoorde bovengrond. Daaronder volgde een sterk zandige klei‐ tot matig siltige zandlaag met inclusies van baksteenpuin en houtskoolspikkels. Dit pakket is maximaal 45 cm dik en wordt als een menglaag geïnterpreteerd. De datering ervan kan echter niet worden bepaald. De top van de ongestoorde geulafzettingen bevindt zich tussen 0,4 en 0,85 m ‐mv (0,50 – 0 m +NAP). De vullingen van het Laagpakket van Walcheren zijn zandig met hier en daar dunne kleilagen. Aan de hand van de resultaten van bureau‐ en booronderzoek geldt er geen verwachting voor het neolithicum en de bronstijd t/m de Romeinse tijd omdat de veen‐ en Wormerafzettingen niet meer aanwezig zijn. Daarnaast is een lage verwachting gegeven voor het vinden van resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Vervolgonderzoek werd daarom als niet noodzakelijk geacht.
7
4624585100 4625695100
Artefact!
Archeologisch bureau‐ en booronderzoek Wemeldinge Bonzijweg 12 (2018). Kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op geërodeerd Hollandveen Laagpakket op Laagpakket van Wormer. Geen vervolgonderzoek geadviseerd.
8
2321065100
ArcheoMedia