2022-57a. D22.274201 BP Dow en Evides PDFsam merge
Tekst van het document
5/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
1.15 Ondergeschikte bouwdelen Ondergeschikte delen van een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte (dak)opbouwen). 1.16 overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.17 pand De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.18 Peil 1. Voor bouwwerken die onmiddellijk aan de weg grenzen; de hoogte van die weg; 2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de hoogte van de weg (ter plaatse van de hoofdtoegang) + 15 cm; 3. wanneer onduidelijkheid bestaat over het peil kunnen burgemeester en wethouder een peil aanwijzen. 1.19 propeenleiding Een ondergrondse leiding met een diameter van 6 inch en een maximale druk van 60 bar, voor het transport van propyleen met de daarbij behorende voorzieningen, zoals afsluiters en vloeistofvangers, en de daarbij behorende belemmeringenstroken.
1.20 waterleiding Een ondergrondse leiding met een diameter van 6 inch en een maximale druk van 60 bar, voor het transport van propeen met de daarbij behorende voorzieningen, zoals afsluiters en vloeistofvangers, en de daarbij behorende belemmeringenstroken.
6/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Artikel 2 Wijze van meten 2.1 Oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/.of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.2 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikt bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
7/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Leiding - Gas 3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de aanleg, het gebruik en de instandhouding van een aardgastransportleiding van: a. 20 inch en maximaal 80 bar (vastgestelde bedrijfsdruk: 66,2 bar); b. 4 inch en maximaal 50 bar (vastgestelde bedrijfsdruk:40 bar); alsmede voor: c. een propeenleiding van 6 inch en maximaal 60 bar, met een veiligheidsgebied van 80 m aan weerszijden.
3.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in lid 3.1 bedoeld, slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3,5 m; b. ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels – slechts worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
3.3
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten. b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en), tevens wordt indien van toepassing advies ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op de in lid 3.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. het aanbrengen van andere boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur dan de genoemde leidingen in lid 3.1; c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, greppels, vijvers en andere 8/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
e. f. g. h.
wateren; het vellen of rooien van struiken of bomen; het beplanten van gronden met struiken of bomen; het afbranden van de vegetatie; het opslaan van goederen.
3.4.2 Uitzonderingen Het verbod van lid 4.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die: a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 3.4.3 Beoordelingscriteria Werken of werkzaamheden als bedoeld in 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de in lid 3.1 genoemde leidingen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de leidingbeheerder(s).
9/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 4 Algemene aanduidingsregels 4.1
Overige zone - leiding water te vervallen
a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen vervalt, uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of zoveel eerder als de leidingbeheerder heeft verklaard dat de leiding buiten werking is gesteld, de regels: 1. van de in het bestemmingsplan Buitengebied 2e herziening opgenomen dubbelbestemming 'Leiding - Water'; b. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen, voor zover niet gelegen binnen het ruimtelijk plan in lid a, gelden gedurende twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of tot het moment dat de leidingbeheerder heeft verklaard dat de buisleiding buiten werking is gesteld de regels uit artikel 4.1.2. 4.1.1 Specifieke gebruiksregels a. het is verboden om op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen een waterleiding in gebruik te hebben, nadat de nieuwe waterleiding in gebruik is genomen. b.
Binnen maximaal één jaar na het vervallen van de dubbelbestemmingen, zoals bepaald in artikel 6.1 onder a, moet de leiding ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone leiding water te vervallen zijn verwijderd, wat betekent dat alle leidingen en bijbehorende bouwwerken en werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde en werkzaamheden, moeten zijn verwijderd en de grond uitsluitend gebruikt wordt en in gebruik blijft volgens de onderliggende bestemmingen. 4.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde a. Het is verboden op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 30 cm; 2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere gesloten oppervlakteverhardingen; 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair dieper dan 30 cm; 4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage dieper dan 30 cm; 5.
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren dieper dan 30 cm; 6. het permanent opslaan van goederen. b. Het verbod in artikel 4.1.2 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud, beheer of herstel betreffen van de gerealiseerde bestemming; 2. van geringe omvang of ondergeschikte betekenis zijn. c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.1.2 wordt slechts verleend, als het behoud van een veilige ligging van de leiding en de continuïteit van de functie van de leiding zijn gewaarborgd. d. Voordat wordt beslist op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.1.2 ingediend door een ander dan de leidingbeheerder, wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder. 10/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
4.2
Overige zone - leiding gas te vervallen
a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen vervalt, uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of zoveel eerder als de leidingbeheerder heeft verklaard dat de leiding buiten werking is gesteld,de regels: 1. in de het bestemmingsplan Buitengebied 2e herziening opgenomen dubbelbestemming 'Leiding - Gas'; b. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen, voor zover niet gelegen binnen de ruimtelijke plannen in lid a, gelden gedurende twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of tot het moment dat de leidingbeheerder heeft verklaard dat de buisleiding buiten werking is gesteld de regels uit artikel 4.2.2. 4.2.1 Specifieke gebruiksregels a. het is verboden om op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen een gasleiding en/of propeenleiding in gebruik te hebben, nadat de nieuwe propeenleiding als bedoeld in de artikelen 1.19 in gebruik is genomen. b.
Binnen maximaal één jaar na het vervallen van de dubbelbestemmingen, zoals bepaald in artikel 5.2 onder a, moet de leiding ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone leiding gas te vervallen zijn verwijderd, wat betekent dat alle leidingen en bijbehorende bouwwerken en werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde en werkzaamheden, moeten zijn verwijderd en de grond uitsluitend gebruikt wordt en in gebruik blijft volgens de onderliggende bestemmingen. 4.2.2 Omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde a. Het is verboden op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 30 cm; 2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere gesloten oppervlakteverhardingen; 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair dieper dan 30 cm; 4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen,mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage dieper dan 30 cm; 5. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren dieper dan 30 cm; 6.
het permanent opslaan van goederen. b. Het verbod in artikel 4.2.2 onder a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud, beheer of herstel betreffen van de gerealiseerde bestemming; 2. van geringe omvang of ondergeschikte betekenis zijn. c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.2.2 onder a wordt slechts verleend, als het behoud van een veilige ligging van de leiding en de continuïteit van de functie van de leiding zijn gewaarborgd. d. Voordat wordt beslist op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.2.2 onder a ingediend door een ander dan de leidingbeheerder, wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
11/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Artikel 5 Van toepassing verklaring ruimtelijke plannen Op de gronden met de dubbelbestemming Leiding - Gas en voor zo ver gelegen binnen de vigerende de ruimtelijke plannen: a. Bestemmingsplan Buitengebied 2e herziening, met identificatienummer NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ002-VA02; b. Bestemmingsplan Buitengebied 3e herziening, met identificatienummer NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ003-Vast; c. Bestemmingsplan Dijkversterking, met identificatienummer NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ007; d. Rijksinpassingsplan Zuid-West 380 kV West, met identificatienummer NL.IMRO.0000.Ezip15ZW380west-3002; zijn de regels van deze plannen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3 Leiding Gas onverkort van toepassing.
12/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 6 Overgangsrecht 6.1
Overgangsrecht bouwwerken
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits dezeafwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; c. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; d. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
6.2
Overgangsrecht gebruik
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
13/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Artikel 7 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan leidingen DOW en Evides'.
14/14 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
bestemmingsplan Leidingen DOW en Evides Gemeente: Kapelle
Opdrachtgever: naam_opdrachtgever
Organisatie
Telefoon
Documentnummer
wsp
+31 (0)88 910 20 00
DOHA
Datum
Versie
23 september 2022
NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST
Adres
Colofon Rapporthistorie Voorontwerp Ontwerp Vastgesteld Onherroepelijk 03-02-2022 Contactgegevens
Autorisatie Documentnummer
Versie
Status
DOHA
NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST
vastgesteld
Opgesteld door
Functie
Datum
Paraaf
Geverifieerd door
Functie
Datum
Paraaf
Akkoord projectleider
Functie
Datum
Paraaf
Hans Norbart
Bijlagen bij de toelichting
3/305 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
4/305 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
m.e.r.-beoordelingsnotitie
6
Bijlage 2
Bodemonderzoek historisch
23
Bijlage 3
Ecologie
59
Bijlage 4
QRA
95
Bijlage 5
Archeologie
112
Bijlage 6
Hydrologie
151
Bijlage 7
Niet gesprongen explosieven
236
Bijlage 8
Nota van Antwoord
299
5/305 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
Bijlage 1 m.e.r.-beoordelingsnotitie
6/305 - v astgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING OPDRACHTGEVER
Evides Waterbedrijf en DOW Benelux B.V.
BETREFT
Transportleidingen Evides & DOW te Hansweert
ONS KENMERK
DOHA
CONTACTPERSOON WSP
Hans Norbart
TELEFOONNUMMER
06 – 53 22 11 59
Hans.Norbart@WSP.com
AUTEUR
Natascha Pirovano
DATUM
10 januari 2022
STATUS
Concept
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING
De waterkering bij Hansweert, gemeente Kapelle en gemeente Reimerswaal, voldoet niet aan de normen voor hoogwaterveiligheid. De waterkering zal over een lengte van 5.150 m versterkt moeten worden. Dijksectie 6 ligt tussen dijkpaal 271 aan de oostkant en dijkpaal 296 aan de westkant. Dit deel van de dijk wordt aan de binnenzijde versterkt met een binnenberm. Het ruimtebeslag van de versterkte dijk wordt daarmee groter. Binnen dit ruimtebeslag liggen twee ondergrondse leidingen: een buisleiding met gevaarlijke stoffen, van DOW chemical, en een waterleiding van Evides. Beide leidingen moeten vanwege de dijksversterking worden verplaatst.
Figuur 1-1: ligging bestaande en nieuwe leidingen DOW en Evides
De bestaande en nieuwe leidingen worden via een open ontgraving verwijderd, dan wel aangelegd. Voor een deel van de waterleiding wordt ook gebruik gemaakt van een gestuurde boring. Om de leidingen te kunnen aanleggen is een werkstrook nodig. Voorafgaand aan de leidingaanleg worden sleuven en werkputten (voor de WSP 10 januari 2022 pagina 1/16
boring) gegraven. Na afloop van de werkzaamheden worden de sleuven en werkputten gedicht en wordt het landschap weer zo veel mogelijk in de oude staat hersteld. Effecten van de werkzaamheden kunnen ook buiten deze werkstrook optreden. In de verschillende onderbouwende onderzoeken is daarom rekening gehouden met een ruimer onderzoeksgebied. Het projectgebied ligt binnen de gemeente Kapelle.
1.2
BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE 1994
De activiteiten in het plangebied valt onder de volgende categorie van bijlage II bij het Besluit milieueffectrapportage 1994: 1. categorie D 8.11: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2- stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die, over een lengte van 1 kilometer of meer, is gelegen/geprojecteerd in een gevoelig gebied (beschermd natuurmonument, vogel- of habitatrichtlijn, Nederlands Natuur Netwerk voor zo ver vastgelegd in bestemmingsplan, grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden). Een deel van het tracé, ten westen van de Schoorse Zeedijk, kruist een dergelijk gevoelig gebied, namelijk het Natuurnetwerk Nederland, beschermd door de bestemming groen in het vigerende bestemmingsplan. De leiding heeft hier een lengte enkele meters, waarmee de drempelwaarde niet wordt overschreden. Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Op 7 juli 2017 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd.
Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling dezelfde procedure moet doorlopen als een formele m.e.r.-beoordeling: een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al of niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.
1.3
PROCEDURE
Het bevoegd gezag moet (binnen 6 weken) beslissen of een milieueffectrapportage moet worden doorlopen (artikel 7.17 onder 1 Wet milieubeheer). De beslissing moet worden gemotiveerd op grond van de informatie (aanmeldnotitie) en de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. De beslissing wordt gepubliceerd in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis bladen en, als geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, in de Staatscourant. Tegen een m.e.r.-beoordelingsbeslissing is alleen bezwaar of beroep mogelijk als deze beslissing de belanghebbende, los van het voor te bereiden besluit, rechtstreeks in zijn belang treft. Verder staat er tegen een m.e.r.-beoordelingsbeslissing geen direct bezwaar en beroep open, maar alleen via het besluit waar de beslissing bij hoort, bijvoorbeeld het vaststellen van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Deze notitie is de aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de activiteit die hiervoor is beschreven.
1.4
GEBRUIKTE INFORMATIE
Voor het opstellen van deze aanmeldnotitie en de toets aan de verschillende criteria (zie onderdeel 2) is mede gebruik gemaakt van onderzoeken die zijn uitgevoerd voor de onderbouwing van de toelaatbaarheid van de werkzaamheden, waaronder onderzoek naar archeologie, bodem, niet gesprongen explosieven en flora en fauna.
1
Categorie C 8.1, op basis waarvan een rechtstreekse m.e.r.-plicht kan gelden, is hier niet van toepassing (gasleidingen met een lengte van minimaal 40 km).
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 2/16
2
M.E.R.-BEOORDELING
In de m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. De aanmeldnotitie is weliswaar onderdeel van een verplichte procedure, maar is inhoudelijk en naar voorkomen nog steeds ‘vormvrij’. In het vervolg van dit onderdeel worden de criteria daarom kort en bondig beschouwd. Een uitgebreide beschouwing van de effecten van de activiteit is te vinden in (onder meer) de stukken die in onderdeel 2 zijn genoemd en hier niet inhoudelijk worden herhaald.
2.1
KENMERKEN VAN HET PROJECT
Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën . 2.1.1
OMVANG EN ONTWERP VAN HET PROJECT
Het project omvat de aanleg van een DOW leiding met een lengte van circa 600 meter en het verwijderen van de bestaande DOW leiding met een lengte van circa 900 meter. Daarnaast wordt een waterleiding met een lengte van circa 550 meter aangelegd (waarvan circa 460 meter door middel van een gestuurde boring) en wordt de bestaande waterleiding over een lengte van circa 950 meter verwijderd. Het tracé kruist verschillende objecten, waaronder lokale wegen/fietspaden en watergangen. De leidingen worden deels via een open ontgraving aangelegden deels door een gestuurde boring. Hiervoor worden sleuven en werkputten (voor gestuurde boringen) gegraven, tot onder de grondwaterstand. Om de werkzaamheden droog te kunnen uitvoeren is bemaling nodig. 2.1.2
CUMULATIE MET ANDERE PROJECTEN
Voor zover op dit moment bekend worden er in de omgeving geen andere projecten uitgevoerd die een relevante cumulatie met de aanleg van de leidingen veroorzaken. Na verlegging van de leiding wordt het dijkversterkingsproject uitgevoerd. Er worden verkennende onderzoeken uitgevoerd voor de realisatie van een bedrijfsterrein aan de Langeweg. De toekomstige ligging van de leiding is afgestemd op de mogelijke ontwikkelingen. Aangezien de realisatie van het bedrijventerrein zich nog in de verkennende fase bevindt, zal geen sprake zijn van cumulatie van de aanleg van de leiding met de inrichting van het bedrijventerrein. 2.1.3
HET GEBRUIK VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN
Bij het graven van sleuven en putten, het boren en het bemalen worden machines en generatoren ingezet. Deze gebruiken brandstof. De uitvoeringsduur, in combinatie met het aantal machines en generatoren zorgt niet voor een zodanig gebruik van brandstoffen, dat hierdoor belangrijke nadelige milieugevolgen ontstaan. 2.1.4
PRODUCTIE VAN AFVALSTOFFEN
Bij de aanleg van de leidingen komen slechts beperkt afvalstoffen vrij, in de vorm van aan het werk gerelateerd leidingenafval, hout, enz. Ook hierdoor ontstaan geen belangrijke nadelige milieugevolgen. 2.1.5
VERONTREINIGING EN HINDER
De werkzaamheden zorgen op zichzelf niet voor verontreiniging. De activiteiten zorgen alleen in de aanlegfase - mogelijk - voor hinder. In de eindsituatie, als de werkzaamheden volledig zijn uitgevoerd, bestaat er geen enkele hinder. De hinder veroorzakende werkzaamheden bestaan uit graven, bemalen, transport, enz. Het boren van leidingen vanuit werkputten veroorzaakt geen relevante hinder.
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 3/16
De leidingen lopen door agrarisch gebied met weinig hindergevoelige objecten (zoals woningen). Gezien de uitvoeringsduur in combinatie met de uitvoeringswijze en het aantal/de soort machines, is de eventuele hinder niet zodanig dat dit leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. 2.1.6
RISICO OP ONGEVALLEN OF VOOR MENSELIJKE GEZONDHEID
De aard en omvang van de werkzaamheden op zich zorgen niet voor een risico op ongevallen. De aanwezigheid van een in werking zijnde propeenleiding is wel van belang uit oogpunt van externe veiligheid. Voor deze leiding wordt een kwalitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. Voor de toekomstige situatie, dus na aanleg, zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) berekend. Dit onderwerp wordt verder uitgewerkt in de paragraaf over externe veiligheid.
2.2
PLAATS VAN HET PROJECT
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: − wetlands; − kustgebieden; − berg- en bosgebieden; − reservaten en natuurparken; − gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); − gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Ad a. Ter plaatse van de leidingen is sprake van een open landschap. Het landschap bestaat hier vooral uit agrarisch gebied: intensieve akkers en graslanden. Daartussen liggen sloten en wegen. Oeverbegroeiing langs de sloten ontbreekt. De leidingen liggen in het bestemminsplan Buitengebied 3e herziening (d.d.
2017) en hebben, naast de enkelbestemmingen 'Waterstaat' en 'Agrarisch - Open landschap' de dubbelbestemmingen 'Leiding - Water' en 'Leiding - Gas'. Deze laatste dubbelbestemming geldt voor zowel aardgastransportleidingen als voor de propeenleiding van DOW. Beide leidingen worden verlegd naar het noorden. Daarvoor moet het bestemmingsplan worden gewijzigd.
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 4/16
Figuur 2-1: ligging Leiding water
Figuur 2-2: ligging Leiding DOW
Ad. b en c Het gebied waar de leidingen worden aangelegd, heeft geen bijzondere kwaliteiten. De gronden worden voornamelijk agrarisch gebruikt. Een strook ten westen van de Schoorse Zeedijk maakt deel uit van het Nederlands Natuurnetwerk, welke status planologisch beschermd is in het vigerende bestemmingsplan (bestemming Groen). Dit is een gevoelig gebied in de zin van het Besluit m.e.r. Zoals al gezegd is de lengte van de leiding in dit gebied enkele meters, ruim onder de drempelwaarde van 1 km. De leiding wordt hier via een boring aangelegd. De situatie boven maaiveld blijft hierdoor vrijwel onaangetast. Ook bij het verwijderen van de bestaande leiding in het NNN gebied worden geen blijvende effecten verwacht. Grote nadelige milieugevolgen treden niet op.
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 5/16
2.3
KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT
Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); b. het grensoverschrijdende karakter van het effect; c. de waarschijnlijkheid van het effect; d. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. 2.3.1
GEOHYDROLOGIE
Er is een geohydrologische bureaustudie2 uitgevoerd vanwege de geplande bemalingen. Het betreft een bureaustudie om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de verwachte debieten. De ontgravingen (voor de werkputten) vinden plaats beneden de grondwaterstand. Om droog te kunnen werken is het nodig grondwater te onttrekken en het opgepompte grondwater te lozen. Waterschap Scheldestromen is bevoegd gezag voor deze handelingen. Door de bemaling wordt de grondwaterstand in de omgeving van de werkputten tijdelijk verlaagd. Dit kan leiden tot negatieve effecten in de vorm van droogteschade aan gewassen en het verplaatsen van verontreinigingen. Watersysteem Eventuele negatieve invloeden van de bemaling op het watersysteem, zoals de vermenging van grondwater uit verschillende watervoerende pakketten en/of het freatisch pakket en de verstoring van het oppervlakte- of grondwatersysteem (o.a. blokkeren van watergangen, verstoring natuurlijke stromingsrichting), worden gezien de relatief korte duur van de bemaling niet verwacht. Natuur Een deel van het projectgebied en/of invloedsgebied ligt binnen het Natuurnetwerk Nederland met het beheertype kruiden- en faunarijk grasland. Omdat de werkzaamheden tijdelijk zijn en de grondwaterstanden zich na het stoppen van de tijdelijke bemaling weer herstellen is blijvende schade aan dit gebied uit te sluiten.
Landbouw Uit ervaringen van initiatiefnemer bij vergelijkbare projecten blijkt dat eventuele droogteschade aan landbouwgewassen minimaal is. Eventueel kan worden overgegaan tot beregening of infiltratie van het opgepompte water, bijvoorbeeld bij uitvoering tijdens lage grondwaterstanden, droge perioden of groeiseizoenen. Als toch schade optreedt wordt eventuele schade vergoed. Grondwater, mobiele verontreiniging Uit een historisch bodemonderzoek3 blijkt dat binnen de onderzochte strook (25 meter aan weerszijden van de leiding) de volgende verontreinigingen bekend zijn: een voormalige stortplaats; Wegberm van de Langeweg. Voor deze locaties dient te worden nagegaan of de geplande bronneringen deze verontreinigingen negatief beïnvloeden. Daar waar het invloedsgebied van de geplande bemaling groter is dan 25 meter aan weerzijden van de leiding dient een aanvullend historisch onderzoek uitgevoerd te worden teneinde na te gaan of er nog meer mobiele verontreinigingen binnen het invloedsgebied bekend zijn. De werkzaamheden mogen de aanwezige mobiele verontreinigingen niet beïnvloeden. Opbarsten Pm
2
verwijzing
3
Historisch bodemonderzoek Tracés Kapelle-Schore (Adverbo, rapportnummer 2490706-00, d.d. 19 november 2021).
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 6/16
Het advies is om de bemaling zo veel mogelijk te optimaliseren (werkelijk gewenste of vereiste niveau) waardoor effecten kunnen worden voorkomen of beperkt. De bemaling is verder relatief kortdurend. Op basis hiervan is de verwachting gerechtvaardigd dat er niet zodanige negatieve milieugevolgen optreden, dat een milieueffectrapportage aan de orde is. pm 2.3.2
NATUURWAARDEN
Uit een natuurtoets 4 blijkt het volgende: Wet natuurbescherming – onderdeel soortenbescherming - Negatieve effecten van de werkzaamheden op mogelijk binnen het plangebied voorkomende beschermde flora en fauna worden niet verwacht. In het plangebied komen meerdere niet beschermde en vrijgestelde diersoorten voor. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Voor deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing. Het nemen van voorzorgsmaatregelen wordt aanbevolen om aan de zorgplicht te voldoen. Wet natuurbescherming - onderdeel gebiedsbescherming − Nabij het ingreepgebied liggen de natura 2000-gebieden ‘Westerschelde & Saeftinghe’ en ‘Yerseke en Kapelse Moer’. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000- gebied, zoals geluid, licht, enz., zijn op voorhand uitgesloten. Voor wat betreft stikstofdepositie geldt het volgende. Op basis van artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming geldt een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor activiteiten van de bouwsector. De partiële vrijstelling houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie buiten beschouwing wordt gelaten bij de natuurvergunning. De vrijstelling heeft betrekking op het bouwen en slopen van een bouwwerk en voor het aanleggen, veranderen en verwijderen van een werk.
Daarnaast vallen de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden onder de vrijstelling. Het project veroorzaakt in de gebruiksfase geen enkele stikstofdepositie, wat inhoudt dat de genoemde vrijstelling op de aanlegwerkzaamheden van toepassing is. − Natuurnetwerk Nederland: de ingreeplocatie ligt binnen de begrenzing van het NNN. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn op voorhand uit te sluiten. Een nader onderzoek naar het voorkomen van enkele beschermde soorten binnen het invloedsgebied van de ingreep is nodig. De invloed van het project op het aspect ecologie is, vooralsnog, niet zodanig dat hiervoor een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. 2.3.3
ARCHEOLOGIE
Ook voor archeologie is een bureauonderzoek5 uitgevoerd met als doel het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting en een inschatting geven van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op bekende en verwachte archeologische waarden. Ten westen van de kruising Schoorse Zeedijk/Langeweg geldt een lage archeologische verwachting voor alle perioden. Voor het oostelijke deel van de ingreeplocatie geldt voor het Laagpakket van Wormer en Hollandveen een middellage verwachting voor de late prehistorie tot Romeinse tijd. Voor Het Laagpakket van Walcheren geldt een lage verwachting. De verwijderen van de bestaande leidingen vindt plaats in geroerde grond en vormt geen bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. De gestuurde boring vormt eveneens geen bedreiging voor de eventueel aanwezige archeologische waarden in het westelijke deel van de ingreeplocatie. Bij werkzaamheden in het oostelijk deel van de ingreeplocatie kunnen bij de aanleg van nieuwe leidingen smalle stroken van het Hollandveen en het laagpakker van Wormer verstoord worden. Gezien de smalle ontgravingen wordt de kans dat archeologische resten ook daadwerkelijk verstoord raken als bijzonder klein ingeschat.
4
Ecologisch bureauonderzoek Tracés Kapelle-Schore (Adverbo, rapportnummer 2490706-00A, d.d. 19 november 2021).
5
Archeologisch bureauonderzoek Leidingtracés DOW en Evides in de gemeente Kapelle (Archol rapport 609, 2021)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 7/16
Eventuele archeologische resten kunnen en zullen bij de aanleg van de leidingen worden gerespecteerd. Het feit dat een deel van het gebied mogelijke archeologische waarden heeft, betekent niet dat er zodanige nadelige milieugevolgen optreden, dat een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. 2.3.4
EXTERNE VEILIGHEID
Externe veiligheid beschrijft de grootte van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, een transportroute of een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is vastgesteld op ten hoogte 1 x 10 -6 per jaar voor kwetsbare objecten. Groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, een transportroute of een buisleiding en een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde: - 10-5 per jaar voor 10 dodelijke slachtoffers - 10-7 per jaar voor 100 dodelijke slachtoffers - 10-9 per jaar voor 1000 dodelijke slachtoffers De oriëntatiewaarde is het ijkpunt in een systeem waarin gezocht moet worden naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Een toename van het groepsrisico dient dan ook verantwoord te worden. Het in gebruik hebben van de DOW leiding kan risico’s met zich brengen. Voor dit leidingtracé is een kwantitatieve risicoanalyse6 uitgevoerd om het eventuele risico in kaart te brengen. Plaatsgebonden risico: voor dit deel van het tracé is de PR 10-6 per jaar contour berekend op 16 meter uit het hart van de leiding. Binnen deze afstand liggen geen (beperkt) kwetsbare objecten. Dit betekent dat wordt voldaan aan de grenswaarde voor het PR uit het Bevb. Groepsrisico: uit de berekening in de QRA blijkt dat het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt. Het hogere maximaal aantal slachtoffers (N=20) voor leidingstuk Kapelle (0-2) D wordt veroorzaakt door de dag populatie van 28 personen in een loods/ bedrijfspand (BAG P-678100000000016). Gelegen aan de Fransenweg 2 4421 RW Kapelle. Hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 12 Bevb. Het aspect Externe veiligheid is geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage. 2.3.5
BODEM
Er is een historisch bodemonderzoek 7 uitgevoerd met als doel te achterhalen of er informatie is met betrekking tot de bodemkwaliteit ter hoogte van de voorgenomen werkzaamheden. Hierbij zijn onder meer bestaande bodemonderzoeken en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Kapelle geraadpleegd. Het onderzoek richt zich op de gehele werkstrook (25 meter vanuit hart leiding). Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat ter plaatse van de wegberm van de Langeweg, de noordrand van de voormalige stortlocatie en bij het in- en uittredepunt van de gestuurde boring bodemonderzoek nodig is voorafgaand aan de geplande (graaf)werkzaamheden. Van deze locaties is onvoldoende informatie beschikbaar over de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Indien grond wordt afgevoerd dan is de aanbeveling om deze grond ook op PFAS te keuren, bij het aantreffen van puin is een asbestonderzoek noodzakelijk. 6
7
QRA Dow Propyleen Transportleiding Traject Gemeente Kapelle (DOW Benelux, april 2021). Historisch bodemonderzoek Tracés Kapelle-Schore (Adverbo, rapportnummer 2490706-00, d.d. 19 november 2021).
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 8/16
2.3.6
EXPLOSIEVEN
Er is onderzoek gedaan naar het voorkomen van niet gesprongen explosieven 8. Hierbij is gebruik gemaakt van bestaande historische vooronderzoeken en CE-bodembelastingkaarten. Uit het onderzoek blijkt dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van niet ontplofte explosieven. Op onderstaande afbeeldingen is aangegeven waar de verdachte gebieden zich bevinden.
Figuur 2-2: bodembelastingskaarten onderzoek niet gesprongen explosieven (bron: AVG, d.d. 26 oktober 2021)
Vervolgens is een nadere verdiepingsslag gemaakt, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse.Uit de projectrisicoanalyse is voortgekomen dat er een verhoogd risico bestaat met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten bij diverse geplande werkzaamheden. Het totale risicoprofiel voor de projectlocatie is vastgesteld op matig. Een deel van de projectlocatie is tijdens een eerder bodemonderzoek al vrijgegeven en een geplande gestuurde boring komt naar verwachting onder de verdachte laag uit. Bij werkzaamheden in deze gebieden en lagen worden geen aanvullende maatregelen voor ontplofbare oorlogsresten noodzakelijk geacht.Voor open ontgravinen in gebied dat niet eerder is vrijgegeven en bij de in- en uittredepunten van de gestuurde boring wordt een bodemonderzoek door middel van detectie aangeraden. Uitgangspunt is dat het project kan worden uitgevoerd, eventueel na benadering en onschadelijk maken van niet gesprongen explosieven.
8
Vooronderzoek CE, Raasdorp Sloten (AVG, kenmerk 1962002-VO-03, d.d. 26 oktober 2021)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 9/16
3
CONCLUSIE
In het plangebied worden twee nieuwe leidingen aangelegd. De leidingen hebben een lengte van respectievelijk 0,55 en 0,9 km. Hiervan ligt enkele meters van de waterleiding binnen een gevoelig gebied in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. De omvang van het project blijft daarmee onder de drempelwaarde van 1 kilometer (voor zover gelegen binnen gevoelig gebied). Voor de activiteit moet een vormvrije m.e.r.beoordeling worden uitgevoerd, aan de hand van de Europese m.e.r.-richtlijn. De ontwikkeling is, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Initiatiefnemer verzoekt de verschillende bevoegde gezagen om op basis van deze aanmeldnotitie te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is voor de genoemde ontwikkeling.
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 10/16
Bijlage 1:
Geohydrologisch rapport (pm)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 11/16
Bijlage 2:
Historisch bodemonderzoek (zie bijlage bij de toelichting bij het bestemmingsplan)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 12/16
Bijlage 3:
Ecologisch bureauonderzoek (zie bijlage bij de toelichting bij het bestemmingsplan)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 13/16
Bijlage 4:
Archeologisch bureauonderzoek (zie bijlage bij de toelichting bij het bestemmingsplan)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 14/16
Bijlage 5:
QRA DOW (zie bijlage bij de toelichting bij het bestemmingsplan)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 15/16
Bijlage 6:
Vooronderzoek CE (zie bijlage bij de toelichting bij het bestemmingsplan)
Projectnummer: SOL007980, versie 3
WSP 10 januari 2022 pagina 16/16
Bijlage 2 Bodemonderzoek historisch
23/305 - vastgesteld - NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST - 23 september 2022
RAPPORT Historisch bodemonderzoek Tracés Kapelle-Schore
Opdrachtgever:
DNWG T.a.v. Dhr. M. Pree Postbus 399 4460 AT Goes
Rapportnummer:
2490706-00
Datum rapport:
19 november 2021
Rapport opgesteld door
Paraaf
Mevr. B. Jelsma
Rapport gecontroleerd door Dhr. M. den Haan, MSc
Datum verzending 19 november 2021
Paraaf
Datum controle 19 november 2021
Postbus 1105, 2302 BC Leiden Gerrit van der Veenstraat 75, 2321 CD Leiden Telefoon 071 - 581 55 55 Internet: www.adverbo.nl E-mail: info@adverbo.nl Milieu adviesbureau Adverbo is de handelsnaam van AA milieu- en adviesbureau B.V. NL69 RABO 0180 7410 47 K.v.K. nr. 60616180 BTW nr. NL 8539.84.840.B.01 Omgevingsvergunning - Bodemonderzoek - Ecologisch onderzoek - Bodemsanering - Civiele techniek - Sloop en asbest Op al onze leveringen zijn van toepassing de algemene voorwaarden van de DNR2011
INHOUDSOPGAVE pagina
1.
INLEIDING ...................................................................................................................... 3
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7.
HISTORISCH BODEMONDERZOEK ............................................................................ 5 Onderzoeksopzet .......................................................................................................... 5 Algemene gegevens ...................................................................................................... 6 Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................. 7 Gebruik en beïnvloeding van de locatie ........................................................................ 8 Asbest ............................................................................................................................ 9 Verwachting ten aanzien van milieuhygiënische bodemkwaliteit ................................ 10 Leemten in kennis ....................................................................................................... 13
3.1. 3.2.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................ 14 Conclusies ................................................................................................................... 14 Aanbevelingen en vervolgonderzoek .......................................................................... 14
3.
BIJLAGEN: 1. Overzichtstekening tracés 2. Historische kaarten 3. Bodemkwaliteitskaarten 4. Historische informatie
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 2 van 14
1.
INLEIDING
In opdracht van DNWG heeft AA milieu- en adviesbureau B.V., handelsnaam en hierna Adverbo, een historisch bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van vier tracés ter plaatse van Kapelle en Schore (gemeente Kapelle, provincie Zeeland). De aanleiding voor het historisch bodemonderzoek is de voorgenomen verlegging van twee tracés, zijnde een Evides tracé en een DOW tracé. De bestaande en nieuwe leidingen worden door middel van open ontgraving verwijderd dan wel aangelegd. Voor de nieuwe leiding van Evides wordt ook een deel gebruik gemaakt van een HDD (Horizontal Directional Drilling/Horizontaal gestuurd boren). Zowel de bestaande als de nieuwe tracés zijn in onderstaand overzicht weergegeven. Een overzicht is ook opgenomen in bijlage 1.
Figuur 1: De ligging van de onderzoekslocatie (aangegeven in rood) (Adverbo, 2021).
De doelstelling van voorliggend historisch bodemonderzoek is het in kaart brengen van (voormalig) potentieel bodembedreigende activiteiten en mogelijke verontreinigingen in de bodem en het grondwater, op en in de directe omgeving van de tracés, voor het vaststellen van eventuele risico’s ten behoeve van de aanleg van de nieuwe tracés. Voorgenomen werkzaamheden Het nieuwe tracé voor Evides wordt deels in open ontgraving aangelegd en deels wordt gebruik gemaakt van een HDD. Voor het aanleggen van de Evides leiding wordt de bodem tot maximaal 2,5 m -mv. over een breedte van maximaal 4 m ontgraven. Voor de aanleg van de DOW leiding wordt de bodem tot maximaal 1,75 m -mv. over een breedte van maximaal 2,25 m ontgraven. Aan weerszijde van de leiding tracés, niet tussen de leidingen in, wordt een werkweg gerealiseerd. In onderstaande figuur is een schematische doorsnede van de leidingsleuven en werkstroken weergegeven.
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 3 van 14
Figuur 2: Gewenst sleufprofiel en werkterrein
Daar waar de leiding middels een horizontaal gestuurde boring wordt aangelegd, reikt deze tot maximaal 25 m -mv. De consequentie van de voorgenomen aanleg van de leidingen kan zijn dat eventueel in contact wordt getreden met verontreinigde grond. 1.1.
Onafhankelijkheid
Milieu adviesbureau Adverbo is een zelfstandig en onafhankelijk adviesbureau dat geen andere relatie heeft met de opdrachtgever dan opdrachtnemer - opdrachtgever. Adverbo heeft geen (eigendoms)relatie met de onderzoekslocatie. Adverbo verklaart hierbij dat het bureauonderzoek onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd.
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 4 van 14
2.
2.1.
Historisch bodemonderzoek
Onderzoeksopzet
Het historisch bodemonderzoek is opgesteld conform de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Het onderzoek is opgezet aan de hand van aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. In het onderzoek worden de onderzoeksvragen behorende bij de aanleiding beantwoord. Binnen de tracéstudie is sprake van bestaande tracés en twee nieuwe tracé (Evides en DOW). Van elk tracé wordt de bekende bodeminformatie, binnen een buffer van 25 meter om het tracé, onderzocht. Per bekende milieulocatie worden de volgende vragen beantwoord: - Zijn op de locatie bodemonderzoeken, saneringen en/of beschikkingen bekend en zijn kennishiaten aanwezig? - Zijn op de locatie potentieel (voormalige) bodembedreigende activiteiten, waaronder onder/bovengrondse tanks, bekend en zijn deze activiteiten voldoende onderzocht? Tevens worden in onderhavig onderzoek milieulocaties meegenomen van buiten de bufferzone indien een mogelijk risico bestaat kunnen vormen voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een verontreiniging in het grondwater. 2.1.1.
Ligging tracés in huidige situatie
Evides Het meest westelijke punt (aansluitpunt waterleiding Evides) van het plangebied is in de noordelijke berm van de Langeweg gelegen. Vandaar doorsnijdt de te plaatsen waterleiding de Langeweg en de naastgelegen berm tot de zuidelijk van de Langeweg gelegen akker. De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg worden niet in de sloot uitgevoerd. Ter plaatse van de akker is het intredepunt van een gestuurde boring gelegen. Het uittredepunt van de gestuurde boring ligt circa 460 m ten noordoosten van het intredepunt. De gestuurde boring wordt onder enkele sloten, de Langeweg, de Schoorse Zeedijk en meerdere akkers uitgevoerd. Ter plaatse van de gestuurde boring is enkel bij het in- en uittredepunt sprake van werkzaamheden op het maaiveld. Vanaf het uittredepunt van de gestuurde boring tot aan het meest oostelijke punt (aansluitpunt waterleiding Evides) van de voorgenomen waterleiding doorsnijd deze meerdere akkers en sloten. De te verwijderen waterleiding loopt door de wegberm van de Langeweg waarna deze de Schoorse Oudedijk doorsnijd. Vandaar loopt de waterleiding onder meerdere akkers naar het aansluitpunt. DOW De bestaande en de te plaatsen DOW-leiding liggen oostelijk van de Schoorse Oudedijk en Schoorse Zeedijk onder meerdere akkers. De te plaatsen leiding doorsnijdt tevens een sloot.
Algemene omgeving plangebied Direct ten noorden van het plangebied ligt de Rijksweg A58 gevolgd door het industrieterrein de Smokkelhoek. Zuidelijk van het plangebied ligt de Westerschelde. Ten oosten en westen van het plangebied bevinden zich agrarische velden. Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 5 van 14
Figuur 3: ligging tracés.
2.2.
Algemene gegevens
In onderstaande tabel zijn de algemene gegevens van de onderzoekslocatie weergegeven. Tabel 1. Algemene gegevens onderzoekslocatie Algemeen Opdrachtgever Locatie en ligging start tracé Evides Locatie en ligging start DOW tracé Locatie en ligging eindpunt tracé Onderzoekslocatie Kadastrale aanduiding begin tracé Evides RD coördinaten begin tracé Evides Kadastrale aanduiding Schoorse Zeedijk (ong.), Kapelle RD coördinaten begin tracé DOW Kadastrale aanduiding Langeweg, Kapelle RD coördinaten einde tracé Voormalig gebruik Huidig gebruik Toekomstig gebruik Lengte tracé Evides bestaand Lengte tracé DOW bestaand Lengte tracé Evides nieuw Lengte tracé DOW nieuw
DNWR Langeweg (ong.). 0 m. NAP Schoorse Zeedijk (ong.) Eereweg (ong.) Schore. - 0,25 m. NAP 4 tracés tussen de Langeweg (ong.) en de Eereweg (ong). Gemeente Kapelle, sectie G, nummer 392 x: 56265 y: 386954 (RD) Gemeente Kapelle, sectie S, nummer 379 x: 56746 y: 387106 (RD) Gemeente Kapelle, sectie S, nummer 895 x: 57303 y: 386836 (RD) Regionale weg, landbouw Regionale weg, landbouw Regionale weg, landbouw Ca. 0.95 kilometer Ca. 0.90 kilometer Ca. 0,55 kilometer Ca. 0,60 kilometer
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 6 van 14
2.3.
Bodemopbouw en geohydrologie
Ten aanzien van de bodemopbouw en geohydrologie blijkt, op basis van de bekende gegevens op het Dinoloket (B48H1211, kruising Langeweg met Schoorse Zeedijk), dat de bovenste 10 meter als volgt zijn opgebouwd: • 0-3,5 m-NAP bestaat uit klei/zand, mariene afzetting formatie Naaldwijk; • 3,5-4,7 m-NAP, bestaat uit veen, formatie nieuwkoop; • 4,7-10,7 m-NAP zand/klei, mariene afzettingen (getijde/geul) formatie Naaldwijk. Boorstaat B48H1096 staat ten zuidoosten van boorstaat B48H211, aan de oostzijde van de Schoorse Zeedijk. Hierin is dezelfde bodemopbouw te zien, waarbij de veenlaag van 2,3 – 3,2 m-NAP wordt waargenomen. Bovenbeschreven opbouw is onderdeel van een Holocene deklaag van ongeveer 18-35 m dik. De Holocene deklaag bestaat uit afwisselende klei, veen en zandafzettingen van variërende dikte en diepte. Onder de Holocene deklaag worden opeenvolgend de formatie van Peize en Waalre (zand) en de formatie van Maasluis (klei) aangetroffen tot circa 40 m-NAP. De geohydrologische situatie is in de figuur 4 weergegeven. Het freatisch grondwater kan op een diepte van circa 0,35 m -NAP worden aangetroffen. De zandige laag van de formatie van Peize en Waalre vormt het eerste watervoerende pakket (1e WVP). De top van het eerste watervoerende pakket is op een diepte van circa 18-35 m -NAP gelegen. De stroming binnen het 1e WVP is zuidwestelijk gericht, op een diepte van circa 35 m-mv.
Uit de online beschikbare atlassen en kaarten opgesteld door de provincie Zeeland valt op te maken het onderzoeksgebied niet in een milieubeschermingsgebied voor grondwater is gelegen. Binnen het onderzoeksgebied is mogelijk sprake van kwel.
Figuur 4: Verticale Doorsnede tracé Bro Regis II model (Dinoloket)
Een aandachtspunt in deze regio is de zogenoemde katteklei. Katteklei is de algemene naam voor veelal kleiige (maar soms ook venige, klei op veen) afzettingen waarin behalve zwavelzuur ook grote hoeveelheden ijzer, aluminium en zware metalen voorkomen. Deze gronden zijn vooral herkenbaar aan de gele jarosiet-vlekken, daarnaast komen veelvuldig ijzervlekken (ijzeroxide zoals pyriet) voor. De zuurgraad van de grond is hoog (pH < 5). De gronden ontstaat meestal in kustgebieden, met name in rustige milieus als lagunes of rustige delen van estuaria. Wanneer deze gronden aan lucht worden blootgesteld, bijvoorbeeld bij drainage, vormt zich zwavelzuur. Het verzuren kan zorgen voor de vrijlating van arseen en chroom. Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 7 van 14
2.3.1.
Antropogene lagen in de bodem
Voor het onderzoeksgebied zijn geen locaties bekend waar antropogene lagen in de bodem voorkomen anders dan de aanwezig wegen. De tracés liggen grotendeels in grasland en landbouw gebieden. Ter plaatse van wegen, waaronder de dijk,is mogelijk zand toegepast als bodemverbeteraar.
2.4.
Gebruik en beïnvloeding van de locatie
In tabel 2 zijn de ontwikkelingen van 1850 tot begin 21ste eeuw weergegeven. Hierbij is gebruikt gemaakt van historisch kaartmateriaal beschikbaar op Topotijdreis.nl. In onderstaande tabel is een samenvatting van de gebiedsontwikkeling op grote lijnen gegeven. De historische kaarten zijn in figuur 5 en bijlage 2 weergegeven. Tabel 2. Ontwikkeling locatie op basis van historische kaarten Jaartal Bijzonderheden 1850 De onderzoekslocatie is aan de westzijde van de Schoorse Zeedijk in gebruik als grasland. De Langeweg is zichtbaar. De oostzijde van de weg is in gebruik als landbouwgrond. De dijk tegen het water van de Westerschelde is aanwezig. Tussen de dijk en het water is eveneens een dam aanwezig. 1900 Het gebruik van de onderzoekslocatie is onveranderd. De Eereweg is inmiddels zichtbaar. 1950
1985
De dam tussen de dijk en het water is weg, waardoor het water meer ruimte heeft. De onderzoekslocatie aan de westzijde van de Schoorse Zeedijk is meer onderverdeeld in percelen. Er is nog sprake van grasland. De oostkant van de weg lijkt onveranderd. Ten noorden van het onderzoeksgebied ligt inmiddels de A58. De situatie op de onderzoekslocatie is ongewijzigd.
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 8 van 14
Figuur 5: Historische kaarten.
2.5.
Asbest
Op basis van bekende informatie zijn geen aanwijzingen gevonden voor bodembelastende activiteiten waarbij asbest op of in de bodem terecht is gekomen. Tevens zijn in de directe omgeving geen bouwwerkzaamheden, aanwezig waardoor mogelijk asbest verdachte materialen gebruikt zouden kunnen zijn. Bij het aantreffen van puin in de bodem zal de locatie derhalve als asbestverdacht moeten worden beschouwd.
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 9 van 14
2.6.
Verwachting ten aanzien van milieuhygiënische bodemkwaliteit
Ten aanzien van de verwachtte bodemkwaliteit zijn de beschikbare gegevens beoordeeld, waarbij de beschikbare gegevens van het Bodemloket, Geoweb en de digitaal beschikbare rapportages van de Provincie Zeeland zijn geïnventariseerd en samengevat. Het resultaat zijn tevens op de overzichtstekening in bijlage 1 weergegeven. 2.6.1.
Bodemkwaliteit op basis van de Bodemkwaliteitskaart
Bodemkwaliteitskaart Voor de gemeente Kapelle is op 14 december 2011 de Nota bodembeheer vastgesteld. Deze is opgesteld door Marmos Bodemmanagement, P09-20, d.d. 1-12-2011. Naast de algemene bodemkwaliteitskaart is ook de Bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan voor wegbermen in de provincie Zeeland van kracht (Waterschap Zeeuwse Eilanden, 22 november 2005). De bodemkwaliteitskaart is gepresenteerd in het geoloket van Provincie Zeeland. Voor het onderzoeksgebied geldt deels de functieklasse ‘Achtergrondwaarde’ en deels de functieklasse ‘Industrie’. De ontgravingskaarten van de bovengrond en ondergrond geven aan dat voor het onderzoeksgebied de klasse ‘Achtergrondwaarde’ geldt. Het onderzoeksgebied is gelegen in gebied ‘Overige’. Voor toepassing geldt ten westen van de Schoorse Zeedijk klasse ‘Achtergrondwaarde’. Ten oosten van de Schoorse Zeedijk geldt klasse Áchtergrondwaarde specifiek’, waarbij geldt dat PFAS moet voldoen aan 1,4 µg/kg en PFOA aan 1.9 µg/kg. In onderstaande figuren 6 t/ 9 (en bijlage 3) zijn is de bodemfunctieklassen van de boven- en ondergrond en de toepassing weergegeven.
Figuur 6: Bodemfunctieklasse bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv).
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 10 van 14
Figuur 7: Bodemfunctieklasse ondergrond (>0,5 m-mv).
Figuur 8: Toepassingsgebied
Figuur 9: Toepassingsgebied PFAS en PFOA
2.6.2. Verwachtte bodemkwaliteit op basis van voormalig gebruik De tracés liggen grotendeels in niet bebouwde landbouw- en graspercelen. Deze percelen hebben in het verleden geen andere functie gehad dan grasland en/of landbouw. Enkel het bestaande tracé van Evides ligt langs de Langeweg in openbaar gebied en kruis de Schoorse Zeedijk. Wegbermen langs wegen zijn in het algemeen verdacht op de aanwezigheid van diverse zware metalen en PAK. Binnen het onderzoeksgebied is één bodembedreigende activiteit geregistreerd. Ter plaatse van de westzijde van de Schoorse Zeedijk en de Langeweg ligt de voormalige stortlocatie Smokkelhoek. Het bestaande tracé van Evides ligt langs de noord grens van de voormalige stortlocatie. Voor het nieuwe tracé van Evides is een HDD boring onder de stortlocatie gepland. De locatie is schematisch weergegeven in figuur 9.
Historisch Bodemonderzoek tracéstudie Schore Projectnummer: 2490706-00B Pagina 11 van 14
Figuur 9: Ligging voormalige stortlocatie
2.6.3.
Verwachtte bodemkwaliteit op basis van voorgaande onderzoeken stortlocatie Smokkelhoek In de periode van 1949 t/m 1973 is op de locatie huishoudelijk-, industrieel- en bedrijfsafval gestort, mogelijk afkomstig van bedrijfsterrein Smokkelhoek. De voormalige stortlocatie is bij Pronvincie Zeeland bekend onder locatie code A0678009392 en heeft een oppervlakte van circa 10.500 m2. Ter plaatse van de voormalige stortlocatie zijn in het verleden verschillende onderzoeken uitgevoerd. Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste resultaten. • VO Smokkelhoek Langeweg te Schore, ATKB, 20200286/rap01, d.d. 11-06-2020. Tijdens het onderzoek van ATKB is in het grondwater arseen sterk verhoogd aangetroffen. In de bovengrond licht verhoogde waarden gemeten voor zware metalen, PCB, minerale olie en PFAS. In de ondergrond zijn zink en PAK aangetroffen in waarden boven de tussenwaarde. Overige zware metalen en minerale olie zijn aangetroffen in waarden boven de achtergrondwaarde. • Monitoring stortplaats Smokkelhoek Langeweg Schore, UDM, 0600900, d.d. 2-6-2003. Plaatselijk zijn sterk verhoogde waarden gemeten voor arseen in het grondwater. Overige zware metalen en benzeen zijn aangetoond in licht verhoogde waarden. • Monitoring stortplaats Smokkelhoek Langeweg Schore, UDM, 0600900, d.d. 10-6-2002. In het grondwater is een sterk verhoogde waarden gemeten voor zink.