2022-41a. compleet ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3 1e herziening (fase 2)
Tekst van het document
5
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
Met het GR wordt geëvalueerd of als gevolg van een ongeval een groot aantal slachtoffers kan vallen, doordat een grote groep personen blootgesteld wordt. 2.2.1
Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Het PR leent zich daarmee goed voor het vaststellen van een veiligheidszone tussen een route en kwetsbare bestemmingen zoals woonwijken. In tabel 1 wordt weergegeven welke normen voor het plaatsgebonden risico van toepassing zijn.
Type object
Omgevingsbesluit
Kwetsbare objecten
Grenswaarde PR 10-6
Beperkt kwetsbare objecten
Richtwaarde PR 10-6
Tabel 1.
Normen plaatsgebonden risico
De grenswaarde moet te allen tijde in acht worden genomen, het bevoegd gezag mag niet van de grenswaarde afwijken. Voor de richtwaarde geldt dat uitsluitend in geval van zwaarwegende belangen (zoals economische) daarvan mag worden afgeweken. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes dienen de afstanden rechtstreeks getoetst te worden aan de risicoplafonds zoals die zijn vastgesteld in de Regeling Basisnet [3]. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van andere dan de basisnetroutes dienen de afstanden getoetst te worden aan de berekende 10-6 contour van het plaatsgebonden risico. In veel gevallen is een risicoberekening niet nodig en kan worden volstaan met het toepassen van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) [5]. 2.2.2
Groepsrisico Indien een plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning in elk geval ingegaan op:
de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die transportroute, en 6
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die transportroute een ramp voordoet.
Als het groepsrisico door een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een transportroute meer dan 10% toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico te worden verantwoord. Dit wordt ook wel aangeduid als de verantwoordingsplicht groepsrisico. In de motivering bij het betrokken besluit moeten ten minste de volgende gegevens worden opgenomen:
1°. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en 2°. de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde activiteit, kortom de kans op een ramp. Het aantal personen dat in de omgeving van de route verblijft, bepaalt mede de hoogte van het GR. Het GR wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve, op de verticale as staat de cumulatieve kans per jaar f op een ongeval met N of meer slachtoffers en op de horizontale as het aantal slachtoffers. Figuur 1 geeft een voorbeeld. 7
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
Het groepsrisico wordt bepaald per kilometer route en vergeleken met de oriëntatiewaarde. Deze waarde helpt het bevoegd gezag bij de afweging of de kans op een ramp opweegt tegen het maatschappelijk voordeel van het voorgenomen besluit. Het begrip oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag gemotiveerd kan besluiten een hogere kans op een ramp te accepteren.
Figuur 1.
2.3
Voorbeeld groepsrisico transportroute
Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Incidenten met grote lekkage van gevaarlijke stoffen komen heel weinig voor. Het meest voorkomende type incident op wegen en spoorwegen is een lekkage van een brandbare vloeistof zoals benzine. Naast het voldoen aan het plaatsgebonden risico en het verantwoorden van het groepsrisico moet het bevoegd gezag daarom tevens ingaan op een keuze om te bouwen in het zogeheten plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied naast Basisnetroutes waarbij rekening gehouden wordt met de effecten van een plasbrand. Deze kan ontstaan wanneer bij een ongeval vrijgekomen brandbare vloeistof ontstoken wordt. Met het oog op een dergelijk ongeval zijn in het Bouwbesluit 2012 en de daarop berustende ministeriële regeling bouwvoorschriften gegeven voor gebouwen in plasbrandaandachtsgebieden. De plasbrandaandachtsgebieden zijn bij ministeriële regeling aangewezen [3]. 8
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
3 Uitgangspunten risicoberekening 3.1
Plangebied Figuur 2 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de spoorlijn Sloehaven – Roosendaal West.
Figuur 2.
3.2
Ligging plangebied en invloedsgebied rond spoorlijn
RBM II Het risico van het transport is berekend met RBM II versie 2.3, ontwikkeld in opdracht van Rijkswaterstaat voor evaluatie van transportroutes [6]. Voor de berekening zijn de volgende gegevens nodig:
De transportintensiteit van gevaarlijke stoffen. Trajecteigenschappen zoals de uitstromingsfrequentie, de kans per voertuigkilometer dat een spoorketelwagen met gevaarlijke stoffen betrokken raakt bij een ongeval zodanig dat er uitstroming van de stof optreedt. Het aantal personen dat langs de route blootgesteld wordt aan de gevolgen van een ongeval. 9
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
3.3
De meteorologische condities: hiervoor is weerstation Woensdrecht gebruikt.
Trajecteigenschappen De planlocatie ligt volledig binnen het invloedsgebied van de spoorroute Sloehaven – Roosendaal west (traject 11V). De baanvaksnelheid is groter dan 40 km/uur. Voor het traject geldt geen wisseltoeslag. In de berekeningen wordt daarom uitgegaan van de ongevalsfrequentie van 2.77 10-8.
3.4
Transportintensiteit Gerekend is met de voorgeschreven vervoersintensiteiten conform bijlage 2 van de Regeling Basisnet [3]. Deze worden in tabel 2 getoond. Ook de zogenoemde warme/koude Bleve-verhouding die is afgeleid uit de samenstelling van de vervoersstroom is een invoerparameter. Bij de risicoberekening wordt standaard aangenomen dat 29% van het transport overdag plaatsvindt tussen 8:00 en 18:30 uur evenredig verdeeld over de dagen van de week [5].
Hoofdcategorie
Stofcat.
Voorbeeldstof
Brandbaar gas
A
Propaan
10300
Toxisch gas
B2
Ammoniak
600
B3
Chloor
Brandbare vloeistof
C3
Pentaan
2700
Toxische vloeistof
D3
Acrylnitril
600
D4
Acroleïne
300
Warme/koude
A
Propaan
0.03
Bleve-verhouding
B2
Ammoniak
1.84
Tabel 2.
Aantal transporten
0
Vervoershoeveelheden cf. Regeling Basisnet
10
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
3.5
Aanwezigheid personen Omgeving De bebouwing in de omgeving van het plangebied en de hiermee gepaard gaande aanwezigheid van personen binnen een zone van 995 m, het invloedsgebied van stofcategorie B2, rond het beschouwen traject is verkregen via de BAG-populatieservice [7]. Voor de omzetting naar het bevolkingsbestand voor RBM II zijn de drempelwaarden voor alle functies verlaagd naar 50 personen per object. Boven deze waarde wordt bevolking geleverd in polygonen (vlakken), beneden deze waarde wordt bevolking verdeeld over een bevolkingsgrid met een gridgrootte van 50x50 m. Voor overige instellingen zijn de standaardwaarden gehanteerd. Leemtes in de BAG-populatie zijn opgevuld aan de hand van bestemmingsplaninformatie [8]. Dit heeft geresulteerd in de toevoeging van twaalf bouwvlakken. Een overzicht wordt gegeven in bijlage 1. Figuur 3 toont de geleverde bevolking en toegevoegde bouwvlakken.
Figuur 3. Bebouwingsvlakken BAG-Populatieservice, ruimtelijkeplannen.nl en plangebied
Plangebied In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd. Er worden daarom geen 11
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
personen verondersteld in de huidige situatie.1 De toekomstige ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 140 woningen. Uitgegaan wordt van 2.4 personen per woning waarvan 50% overdag en 100% ’s nachts aanwezig is. De woningen worden toegekend aan gele bouwvlak dat weergegeven is in figuur 4 [9].
Figuur 4. Plangebied
1
De groepsrisicoberekening van het vigerende bestemmingsplan uit 2010 is ook uitgegaan van geen personen binnen dit plangebied. 12
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
4 Resultaten 4.1
Plaatsgebonden risico Bij het Basisnet Spoor gelden de afstanden die in bijlage 2 bij de Regeling Basisnet zijn opgenomen [3]. Voor het traject ter hoogte van de beoogde ontwikkeling geldt een PR-plafond van 0 m. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de spoorbundel, niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied.
4.2
Groepsrisico Het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie wordt getoond in figuur 5. Tabel 3 toont de hoogte van het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0.16 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico meer dan 6 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.
Figuur 5. Groepsrisicocurven Huidige situatie Toekomstige situatie
13
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
Situatie
Factor t.o.v. OW
Huidig
0.13
Toekomstig
0.16
Tabel 3. Groepsrisico huidige en toekomstige situatie
Uit figuur 5 en tabel 3 blijkt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet wordt overschreden. De voorgenomen ontwikkeling is wel groter dan 0.1 x oriëntatiewaarde en leidt tot een toename van 23% op het groepsrisico. Figuur 6 vat het berekeningsresultaat op een andere wijze samen. In de figuur is het gedeelte van het traject dat het kilometervak met het maximale groepsrisico omvat weergegeven met blauwe cirkels. Geel gemarkeerd is het ongevalspunt dat de grootste bijdrage levert aan het groepsrisico van dit kilometervak.
Figuur 6. Kilometer hoogste groepsrisico toekomstige situatie Deel van het traject dat het kilometervak met het hoogste groepsrisico omvat. Ongevalspunten met de grootste bijdrage aan het groepsrisico van dit kilometervak. Deel van het traject met een groepsrisico groter dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde, maar kleiner dan de oriëntatiewaarde. Overige deel van het traject met een groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde.
14
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
4.3
Plasbrandaandachtsgebied Het PAG is het gebied tot 30 m van het spoor waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf van de spoorbundel. In de regeling Basisnet is voor het hier beschouwde traject geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) voorgeschreven [3].
15
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
5 Conclusie Het externe veiligheidsrisico door het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor ter hoogte van Kapelle is berekend. De belangrijkste conclusies naar aanleiding van de resultaten worden in dit hoofdstuk benoemd.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico op 0 m gemeten vanuit het hart van de spoorbundel, mag niet hoger zijn dan 10-6. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied.
Groepsrisico Het groepsrisico is in de huidige gelijk aan 0.13 keer de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk aan 0.16 keer de oriëntatiewaarde Het groepsrisico is daarom groter dan 0.1 x de oriëntatiewaarde en neemt toe met meer dan 10%. Dit betekent dat het groepsrisico dient te worden verantwoordt. Het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet.
Plasbrandaandachtsgebied Voor het hier beschouwde traject geldt geen plasbrandaandachtsgebied (PAG). Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.
16
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
Referentie 1.
Ministerie IenM
2014
Besluit externe veiligheid transportroutes Stb. 2013, 465
2.
Ministerie IenM
2015
Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten Stct. 2014, 25839
3.
Ministerie IenM
2014
Regeling Basisnet Stct. 2014, 8242
4.
Ministerie VROM
2004
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Staatsblad 2004, nr. 250
5.
Ministerie IenM
2017
Handleiding risicoanalyse transport, versie 1.2
6.
Ministerie IenM
2012
RBM II versie 2.3
7.
Impuls Omgevings Veiligheid
2018
BAG-Populatieservice geraadpleegd op 16 februari 2018 http://populatieservice.demis.nl/
8.
Ministerie IenM
2017
Ruimtelijkeplannen.nl
9.
-
2018
Plattegrond aangeleverd door opdrachtgever Verbeelding zuidhoek 3 versie 7
17
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
Bijlage 1 Gegevens bebouwing De bebouwing in de omgeving van het plangebied en de hiermee gepaard gaande aanwezigheid van personen binnen een zone van 995 m rond het te beschouwen traject, is verkregen via de BAG-populatieservice [7]. Leemtes in de BAG-populatie zijn opgevuld aan de hand van bestemmingsplaninformatie [8]. Dit heeft geleid tot de toevoeging van twaalf bouwvlakken. Deze worden weergeven in tabel 4 en figuur 7. Hierbij is uitgegaan van de volgende kengetallen: Bedrijfsbestemming en bestemming detailhandel: 40 personen per hectare, met alleen aanwezigheid van personen overdag. Woonbestemming: 70 personen per hectare, waarbij 50% overdag en 100% ’s nachts aanwezig is. Bouwvlak 10: bestemmingsplaninformatie, maximaal 18 woningen met gemiddeld 2.4 personen per woning, waarvan 50% overdag en 100% ’s nachts aanwezig is.
Nr.
Omschrijving
Aantal personen
% buitenshuis
Dag
Dag
Nacht
Nacht
1 woonbestemming
22
43
0.07
0.01
2 woonbestemming
37
74
0.07
0.01
3 bestemming detailhandel
18
0
0.07
0.01
4 bestemming wonen
19
37
0.07
0.01
5 bedrijfsbestemming
49
0
0.07
0.01
6 bedrijfsbestemming
37
0
0.07
0.01
7 bedrijfsbestemming
36
0
0.07
0.01
8 bedrijfsbestemming
125
0
0.07
0.01
9 bedrijfsbestemming
25
0
0.07
0.01
22
44
0.07
0.01
11 bedrijfsbestemming
6
0
0.07
0.01
12 woonbestemming
11
21
0.07
0.01
10
woonbestemming met max. 18 woningen
Tabel 4 Overzicht toegevoegde bouwvlakken.
18
Externe veiligheid / Spoor Kapelle
Figuur 7. Toegevoegde bouwvlakken
19
Bijlage 3 Archeologisch onderzoek
Juust
33
Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)
ARTEFACT! RAPPORT 603
Kapelle Dijkwelseweg (KPL01O318) Gemeente Kapelle Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
M. van den Berg J.E.M. Wattenberghe
Colofon Titel
Kapelle Dijkwelseweg (KPL01O318). Gemeente Kapelle. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Auteur(s)
M. van den Berg MA en drs. J.E.M. Wattenberghe
Artefact rapport
603
Status rapport
Definitief
Datum
08-03-2021
Projectcode
2020ART153
Projectleider veldwerk
drs. F.G.R. D’hondt
Projectmedewerker(s)
drs. F.G.R. D’hondt
ISSN
2213 7424
Autorisatie
Naam
drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2021 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5
1
Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen .............................................................................................8 1.3 Wettelijk kader en beleid ........................................................................................................................... 10 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming ........................................................................................ 11
2
Archeologisch bureauonderzoek ....................................................................................... 13 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 13 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 14 2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 14
2.2.2
Aardkundige waarden .................................................................................................................. 17
2.3 Historie ...................................................................................................................................................... 23 2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling ........................................................................................... 23
2.3.2
Verstoringsgeschiedenis .............................................................................................................. 29
2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 30 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 34 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 35
3
Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 37 3.1 Methoden .................................................................................................................................................. 37 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 38 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 39
4
Conclusie en Advies ......................................................................................................... 40 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ...........................................................................................40 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 41
Lijst met figuren ....................................................................................................................................................... 42 Bronnen ..................................................................................................................................................................... 43
Bijlage 1
AMZ-cyclus ..........................................................................................................................................45
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen ............................................................................................. 46
Bijlage 3
Tijdstabel ............................................................................................................................................. 47
Bijlage 4
Boorstaten .......................................................................................................................................... 48
Bijlage 5
Vondstgegevens .................................................................................................................................. 55
3
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Samenvatting De opdrachtgever heeft het voornemen om woningen te realiseren op een perceel aan de Dijkwelseweg (KPL01O318) te Kapelle (gemeente Kapelle). In het kader van een omgevingsvergunning heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek is een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten dit onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ Het plangebied gesitueerd is in een gebied waar de natuurlijke ondergrond bestaat uit zandige jonge kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. ⎯ Oudere archeologische niveaus door de betreffende getijdenkreek zullen zijn weggeërodeerd. ⎯ Er op enig moment zand is afgegraven, waarna het restant van de natuurlijke ondergrond is afgedekt door een heterogene kleilaag en het maaiveld uiteindelijk circa 75 cm lager is komen te liggen dan omliggende delen van de inversierug. ⎯ Door het afgraven van de ondergrond eventueel aanwezige archeologische waarden naar verwachting niet meer aanwezig zijn, of zwaar beschadigd zijn.
⎯ Binnen het hele plangebied een lage verwachting geldt voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op basis van de resultaten van het onderzoek geldt het volgende advies: ⎯ De potentiële archeologische waarde van het plangebied is in voldoende mate vastgesteld. ⎯ Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
4
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Administratieve Gegevens Projectnaam
Kapelle Dijkwelseweg (KPL01O318)
Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Kapelle
Plaats
Kapelle
Adres / Locatie
Kapelle Dijkwelseweg (KPL01O318)
Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD
NW 55.257 / 389.111 ZW 55.262 / 389.027 55.300 / 389.060
Kaartblad
65H
Kadastraal perceel
Gemeente Kapelle, Sectie O, Perceel 318
Oppervlakte plangebied
5.269 m²
Vigerende bestemmingsplan
Kapelle-Biezelinge (2010) – Uit te werken Wonen – boomgaard: WA-1 (100 m², 0,30 m-mv)
ZO 55.374 / 389.048
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK status
Geen
Archis vondstlocatie
Geen
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen (mail helpdesk d.d. 21-1-2021)
OPDRACHTGEVER Naam
Gemeente Kapelle
Contactpersoon
Dhr. M. Poppe
Adres
Postbus 79, 4420 AC Kapelle
Telefoon
0113 333157
m.poppe@kapelle.nl
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Kapelle
Contactpersoon
Dhr. P. Vogel
Adres
Postbus 79, 4420 AC Kapelle
Telefoon
0113 333153
p.vogel@kapelle.nl
5
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam
Erfgoed Zeeland – Advies Archeologie
Contactpersoon
Dhr. M. van de Glind
Adres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Telefoon
0118 670611
adviesarcheologie@erfgoedzeeland.nl
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Contactpersoon
dhr. J.J. H. van den Berg
Adres
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Telefoon
0118 670618
jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
E-depot
EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefact-info.nl
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Omgevingsvergunning
Begin/einddatum veldwerk
15 februari 2021
Projectnummer Artefact
2020ART153
Archis onderzoeksmelding
4939554100
Vindplaats(en)
-
6
ARTEFACT RAPPORT 603
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
In opdracht van de gemeente Kapelle heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Dijkwelseweg (KPL01O318) te Kapelle. De aanleiding tot het onderzoek is het voornemen van de gemeente om dit perceel bij de uitbreidingswijk Zuidhoek 3 te trekken en er woningbouw te realiseren. Het plangebied omvat één perceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Kapelle, Sectie O, Perceel 318 en een oppervlakte beslaat van circa 5.269 vierkante meter (Figuur 1 en 2).
Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2020.
Het plangebied is binnen bestemmingsplan Kapelle‐Biezelinge (2010) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Uit te werken Wonen. Mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 100 vierkante meter én dieper reiken dan 0,30 meter beneden maaiveld. Tevens is het ophogen van het terrein met meer dan 30 cm verboden. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Omdat de vigerende vrijstellingsgrenzen worden overschreden, is in het kader van de benodigde omgevingsvergunning voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd. 7
ARTEFACT RAPPORT 603
1.2
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Conform de AMZ- cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot een van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.
Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P, waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O, waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.
⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.
1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4-5 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019
8
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2020.
9
ARTEFACT RAPPORT 603
1.3
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Wettelijk kader en beleid
De zorg voor het (archeologisch) erfgoed wordt in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de (in 2021 in werking tredende) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Tot dan blijven de bepalingen uit de Monumentenwet die niet zijn opgenomen in de Erfgoedwet van kracht. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020.
In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet.
Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening. As gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. Het gemeentelijke beleid werd in 2011 door Vestigia opgesteld en vervolgens door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. In de beleidsnota is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch 4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019
10
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaart-in-lagen werd de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde 8 categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of –wanneer de waarde nog niet is vastgesteld– een archeologische verwachting. Dit gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2011 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde. Op de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaart-in-lagen geldt voor het plangebied: ⎯ Een hoge verwachting voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1) ⎯ Geen verwachting voor het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2) ⎯ Geen verwachting voor het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3) ⎯ Geen verwachting voor het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel; Laag 4) Het plangebied valt binnen bestemmingsplan Kapelle‐Biezelinge (2010) en heeft een enkelbestemming Uit te werken Wonen.
1.4
Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming
Het plangebied (figuur 2 en 3) ligt aan de Dijkwelseweg (Kapelle, sectie O, nummer 318; KPL01O318) te Kapelle, direct ten oosten van de ZRD Milieustraat Kapelle. Aan de noordkant wordt het plangebied begrensd door de spoorweg; aan de zuidkant wordt het plangebied begrensd door fase 2 van het woningbouwproject Zuidhoek 3. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 5.269 vierkante meter. Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied. Het plangebied is thans nog in gebruik als boomgaard. De opdrachtgever, i.c. de gemeente Kapelle, wil het plangebied aankopen en bij de uitbreidingswijk trekken. In eerste instantie zal de bestaande geluidswal langs het spoor worden doorgetrokken en de milieuzone (spuitzone) worden weggenomen voor de nieuw te bouwen woningen. Nadere details omtrent de inrichting van het gebied zijn nog niet bekend, maar de bodemverstoringsdiepte zal samenhangen met de fundering van woningen en de aanleg van wegen, kabels en leidingen en andere infrastructuur.
11
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Figuur 3 Plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2019). Bron: ESRI Nederland, Beeldmateriaal.nl.
12
ARTEFACT RAPPORT 603
2
Archeologisch bureauonderzoek
2.1
Methoden
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.6 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1.4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1.4
Beschrijven historische situatie
LS03
2.3.1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2.3.2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS02-03-04
2.5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2.2.2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2.4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Amateurarcheologen, AWN
en/of heemkundevereniging ⎯ Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019
13
ARTEFACT RAPPORT 603
2.2
Landschap en geologie
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling 7
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn op de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd.8 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel en deed het pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. Plantaardig materiaal werd door het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.
Eerst in de op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeide laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst in het westen van Zeeland, maar de grens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden tot Laat Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking werd de strandbarrière opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die toen gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.10 Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zette zich meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Die wortels zijn een indicatie voor het begin van een periode met veenvorming.
Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie het getijdengebied en plaatselijk ging zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het Midden-Subboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap dat bestond uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes.11 Geologisch wordt het dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee, in steeds bredere geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, brak de strandwal door en ontstond een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten. Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en NoordBeveland, is in oorsprong wellicht ook toen ontstaan.12
7
Overgenomen uit: Wattenberghe 2020
8 Vos & De Vries 2013 9 Van Rummelen 1978: 62-64 10 Van Rummelen 1978: 53 11 Vos & Van Heeringen 1997: 28 12 Vos & Van Heeringen 1997: paleogeografische kaart
14
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
15
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos & de Vries 2013.
16
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Tot in de Late IJzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd ging de antropogene invloed een geleidelijk aan meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf het Midden-Subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond.14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hadden ingesneden zijn zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden zijn afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak.
Ook de omgeving van het plangebied bestond omstreeks 800 n. Chr. grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie bood nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgenden vond dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik begonnen de bewoners zich ook met dijken tegen het water te beschermen en werden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuw gewonnen land werd naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kon hoofdzakelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 15 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat ertoe leidde dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kregen, waarbij veel land verloren ging. Het oostelijk deel van Zuid-Beveland en meer specifiek Reimerswaal, die na zware stormen aan het einde van de 16de eeuw onder water kwamen te staan, zijn hiervan de bekendste exponenten. Bovendien had dit ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland.
De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegde zich zuidwaarts naar de Westerschelde. Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water kreeg op de verdronken Bevelanden, kon de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies.
2.2.2
Aardkundige waarden
Geologie Het plangebied maakt deel uit van het zuidwestelijke zeekleigebied en ligt in een jonge zeekleipolder. Op de Geologische overzichtskaart van Nederland (De Mulder et al, 2003) bevindt het plangebied zich binnen een gebied met code Na6. Dit duidt erop dat zich binnen het plangebied zeeklei- en zandafzettingen bevinden, behorende tot het Laagpakket van Walcheren. Vanwege de relatieve grofschaligheid van deze kaart is hier geen uitsnede afgebeeld. Op de Geologische Kaart van Nederland (figuur 5) is het plangebied gesitueerd op een grote en brede getijdegeul. De code D0.2 16 duidt op een post-Romeinse datering van dit geulensysteem. De aanwezigheid van dit getijdensysteem impliceert dat binnen het plangebied tot op grote diepte zandige geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn. Het oudere Hollandveen Laagpakket en de oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn helemaal geërodeerd. De pleistocene afzettingen van het Laagpakket van Wierden kunnen, volgens de bijbladen 13 Vos & Van Heeringen 1997 14 Vos & Van Heeringen 1997
17
15 Dekker 1971: 20
16
Afzettingen van Duinkerke II (oude nomenclatuur), oftewel: oudere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (nieuwe nomenclatuur)
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
van de Geologische Kaart van Nederland, verwacht worden tussen 25 en 30 m -NAP. De bovenzijde daarvan is vanzelfsprekend geërodeerd.
Figuur 5 Uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: van Rummelen 1978
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Raadpleging van de ondergrondmodellen in het DINO-loket 17 leert dat in de omgeving 5 boringen zijn gesitueerd binnen een straal van 500 meter rond het plangebied. De dichtstbijzijnde boring (B48F0597) is op iets meer dan 100 meter ten zuidwesten van het plangebied uitgevoerd. Vanaf het maaiveld (maaiveldhoogte: 1 m +NAP) zijn tot op de maximaal bereikte diepte (5 m -NAP) alleen afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen; de bovenste 1,10 meter -mv bestond uit matig zandige klei, hieronder bevatte de boring matig fijn zand. Simulatie door middel van Appelboor bevestigt de gegevens van de Geologische Kaart van Nederland. Tot 28 m -mv (28,25 m -NAP) worden afzettingen van het Laagpakket van Walcheren verwacht. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland18 (figuur 6) ligt de westelijke helft van het plangebied in niet gekarteerd gebied. De oostelijke helft staat beschreven als knippige poldervaaggrond (kalkarm), bestaande uit lichte zavel (gMn15C) met profielverloop 5 ( “Homogene, aflopende en oplopende profielen”).
17
www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens en www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen : geraadpleegd op 01-02-2021
18 Bazen 1987
18
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. Binnen het plangebied is sprake van grondwatertrap VII. Dit betekent dat de bodem hier goed ontwaterd is, zeer geschikt is voor landbouw en mogelijk een aantrekkelijke vestingplaats was in het verleden.
Figuur 6 Projectie van het plangebied (rode rechthoek) op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: StiBoKa Wageningen 1967.
Tabel 1 Indeling grondwatertrappen.
grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
GHG in cm -mv
(< 20)
(< 40)
< 40
> 40
< 40
40 - 80
> 80
GLG in cm -mv
< 50
50-80
80-120
80-120
> 120
> 120
(> 160)
19
ARTEFACT RAPPORT 603
KAPELLE DIJKWELSEWEG (KPL01O318)
Op de meer gedetailleerde Bodemkaart van de Polder “De Brede Watering bewesten Yerseke” (figuur 7) bevindt het plangebied zich ter plaatse van oudland-afzettingen, bestaande uit lichte oude kleiplaatgronden (MOa16). Oudlandafzettingen zijn afgezet vanaf de Laat-Romeinse tijd (Midden-Subatlanticum), toen de zee vat had gekregen op het veengebied. De MO-gronden zijn circa 1.500 jaar oud en worden gekenmerkt door een diepe ontkalking. De oude kleiplaat-, of MOa-gronden, vormen hiervan een variant die niet direct op veen liggen, maar op een lichtzavelige of zandige ondergrond. MOa16 is een lichter type, dat meestal vrij hoog ligt en goed ontwaterd is. Meestal zijn deze gronden beplant (geweest) met bos of gras.19 Ter hoogte van het plangebied bevindt zich volgens de kaart een zone waarin sprake is van uitgekleide of ontzande grond. Dit laatste kan betekenen dat er sprake is van een verstoring.
Figuur 7 Uitsnede van de Bodemkaart van De Brede Wateringe bewesten Yerseke. Bron: van der Meer 1952.
Geomorfologie Op de Geomorfologische Kaart van Nederland20 ligt de westelijke helft van het plangebied in niet gekarteerd gebied. De oostelijke helft maakt deel uit van een getij-inversierug (3K33). Actueel Hoogtebestand Nederland Op de bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) is de hogere ligging van de getijinversieruggen ten opzichte van het omringende komlandschap duidelijk zichtbaar. De sterk bebouwde omgeving laat niet toe om op basis van analyse van het AHN subtiele maaiveldverschillen waar te nemen en op die manier potentiële vindplaatsen aan te duiden. Bovendien valt landschappelijk gezien duidelijk op dat het plangebied deel uitmaakt van
19 20
Van der Meer et al. 1952: 3-16 Brus & De Lange 1986
20