CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-41a. compleet ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3 1e herziening (fase 2)

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente KapelleBij agendapunt: Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Zuidhoek 1e herziening25.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Juust

26

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet. Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van een route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: 1. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of, 2. het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt of, 3. de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. In het basisnet worden de transportroutes onderverdeeld in twee type routes: basisnetroutes en overige routes. De spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom betreft een basisnetroute. Voor de basisnetroutes heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu een 'begrensde risicoruimte' toegekend, ook wel de basisnetafstand of het PR-plafond genoemd. Voor zowel de overige als basisnetroutes geldt de PR10-6 contour als wettelijke norm.

In deze contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen en woonbebouwing, liggen. Voor bestaande basisnetroutes wordt de hoogte van het groepsrisico (GR) gereguleerd door het toepassen van het GR-plafond. Bij vervoer over het spoor volgt het GR-plafond de PR 10-7 en de PR 10-8 contouren.

Afbeelding 11 | Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Juust

27

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Op de risicokaart is nabij het plangebied de spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom als risicobron aangegeven als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen en het perceel Noordstraat 59 in verband met opslag van vuurwerk. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Over de spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats, bestaande uit brandbare, explosieve en toxische stoffen. Dit brengt risico's met zich mee. Bij een ongeval tijdens het transport kunnen gevaarlijke stoffen vrijkomen met schadelijk of zelfs dodelijke gevolgen voor mens en milieu. Bijvoorbeeld een explosie, een brand of het vrijkomen van een gifwolk. Conform Basisnet Spoor bedraagt de PR-contour 0 meter en is er geen Plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Wel ligt het plangebied binnen een zone van 200 meter van het spoor. Binnen deze zone zullen woningen worden gebouwd. Door AVIV is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Hierna volgt de conclusie van de groepsrisicoberekening. Het rapport is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Het onderzoek is in 2018 uitgevoerd, maar de Veiligheidsregio heeft aangegeven dat dit rapport ook voor dit gebied van toepassing kan worden verklaard. Het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie wordt getoond in onderstaande figuur.

De onderstaande tabel toont de hoogte van het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0,16 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico meer dan 6 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde.

Situatie Factor t.o.v. OW Huidig 0.13 Toekomstig 0.16 Afbeelding 12 | Groepsrisicocurven en tabel groepsrisico huidige en toekomstige situatie (bron: AVIV) Het groepsrisico is in de huidige situatie gelijk aan 0.13 keer de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk aan 0.16 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico is daarom groter dan 0.1 x de oriëntatiewaarde en neemt toe met meer dan 10% (23%). Dit betekent dat het groepsrisico dient te worden verantwoord. Hierna wordt ingegaan op de maatregelen die genomen (kunnen) worden om het risico te verlagen, de bestuurlijke afweging van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de overgebleven risico's, de zelfredzaamheid van mensen in het risicogebied en de rampenbestrijding.

Juust

28

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Maatregelen De VeiligheidsRegio Zeeland heeft een advies uitgebracht over de mogelijke maatregelen voor de verschillende incidentscenario's (plasbrand, BLEVE en toxische wolk). De maatregel die voor alle scenario's effectreducerend werkt is de aan te leggen geluidswal. Dit is ook op het gebied van veiligheid een belangrijk ruimtelijke maatregel. In de wijk dienen voldoende ontvluchtingsmogelijkheden aanwezig te zijn van de bron af, dus wegen en fietspaden waar mogelijk in zuidelijke richting aanleggen. Tevens zijn meerdere ontvluchtingswegen de wijk uit erg belangrijk. Van de woningen direct grenzend aan het spoor zouden de buitenmuren zowel aan de spoorzijde als de zijkanten uitgevoerd kunnen worden als vlakke gevels, dus geen openingen en nissen (daar kan luchtdruk zich opbouwen) en geen ornamenten of andere objecten die door een luchtdrukgolf kunnen gaan rondvliegen. Tevens dienen de buitenmuren aan de spoorzijde en zijkanten van de gebouwen ramen met beperkt glasoppervlak te bevatten. De ramen dienen stevig bevestigd te worden in de kozijnen en de kozijnen dienen voldoende stevig in de muren te worden verankerd. Ten aanzien van een toxisch scenario wordt geadviseerd ramen en deuren te sluiten en mogelijke luchtventilatieroosters af te sluiten. Mechanische ventilatie dient uitgeschakeld te worden, bij voorkeur vanuit één centraal punt.

Ten aanzien van bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid wordt geadviseerd meerdere toegangswegen richting het plangebied aan te leggen. Ingeval en een incident op en nabij het spoor is het wenselijk dat ook het spoor via twee zijden bereikbaar is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de maatvoeringen, welke voorgeschreven zijn in de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2012 van Brandweer Nederland. Geadviseerd wordt op strategische plaatsen opstelplaatsen en brandkranen die voldoende capaciteit leveren te realiseren. Zorg voor een primaire bluswatervoorziening met een capaciteit van tenminste 30 m3/uur met een maximale afstand van 100 meter tussen opstelplaatsen en bluswatervoorziening. Dit kan gerealiseerd worden met brandkranen. Per wijk is een bluswatervoorziening in de omgeving noodzakelijk ingeval van escalatie. De capaciteit van deze bluswatervoorziening is 1500 liter per minuut voor een periode van 4 uur. Toepassing Langs het spoor wordt een geluidswal van 2,5 meter (gerekend vanaf het spoor) aangelegd met daarop een scherm van 1,1 meter hoog. De wal is noodzakelijk in verband met de geluidsbelasting, maar heeft ook een belangrijke beschermende functie in geval van incidenten op het spoor. De wijk wordt ontsloten via de Annie MG Schmidtsingel.

Vanaf de Annie MG Schmidsingel is het mogelijk om via de woonstraten van de Annie MG Schmidtwijk verder richting het zuiden te vluchten. Op de Annie MG Schmidtsingel zullen meerdere woonstraten worden aangesloten waardoor het altijd mogelijk is om richting het zuiden (van het spoor af) te vluchten. Ook de langzaamverkeersverbindingen (fietspaden) worden in zuidelijke richting aangelegd. De bouwkundige adviezen worden meegenomen bij de uitwerking van het verkavelingsplan en de ontwikkeling van de concrete bouwplannen. Hierbij worden de adviezen zoveel mogelijk in acht genomen, voor zover het passend is binnen de eisen ten aanzien van het wooncomfort en het esthetisch aspect. Aan de noordkant van het spoor is de Stationsstraat gelegen. Deze is direct langs het spoor gelegen. Vanaf deze weg is het spoor in geval van calamiteiten bereikbaar. Omdat aan de zuidkant van het spoor een geluidswal wordt aangelegd, zullen niet direct langs het spoor wegen worden aangelegd. In de woonwijk worden meerdere brandkranen gerealiseerd en wordt voorzien in opstelplaatsen van brandweerauto's. Mogelijk kan het regenwaterriool als secundaire bluswatervoorziening dienen. Direct ten noorden als ten zuiden van de geluidswal (dit is afhankelijk van de situering van de geluidswal) worden watergangen aangelegd.

Zelfredzaamheid In het totale gebied van Zuidhoek 3 worden maximaal 190 grondgebonden woningen gerealiseerd. Deze woningen zullen hoofdzakelijk uit eengezinswoningen bestaan. Mogelijk worden er ook levensloopbestendige woningen gerealiseerd.

Juust

29

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

De bewoners in het gebied zullen daardoor voornamelijk bestaan uit personen die in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. In het plangebied worden geen voorzieningen gerealiseerd voor personen met een lage zelfredzaamheid (zoals in ziekenhuizen, verpleeghuizen en kinderdagverblijven). Er is sprake van laagbouw, die gemakkelijker is te ontvluchten dan hoogbouw. Bij het ontwerp van de beoogde woningbouwontwikkeling zal rekening worden gehouden met goede ontvluchtingswegen. Afweging De gemeente is zich bewust van de risico's, maar omdat langs het spoor een geluidswal van 2,5 meter hoogte ten opzichte van het spoor en 3,5 meter ten opzichte van het plangebied en een scherm van 1,1 meter, wordt aangelegd en er voldoende vluchtroutes zijn van het spoor af en de bewoners in het plangebied hoofdzakelijk zelfredzaam zijn, acht het college van burgemeester en wethouders het groepsrisico aanvaardbaar. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg De Rijksweg A58 en de Provinciale weg N289 zijn aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een aantal stoffen mag namelijk niet door de Vlaketunnel worden vervoerd en moet daarom de mogelijkheid hebben om ter hoogte van Kapelle de A58 te verlaten en later te vervolgen.

Conform de risicokaart is er geen plaatsgebonden risicocontour en bedraagt het groepsrisicoplafond voor de A58 25 meter en voor de N289 19 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstanden. Het transport van gevaarlijke stoffen over deze wegen vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Risicovolle inrichtingen Op het perceel Noordstraat 59 is een tuincentrum aanwezig. Hier vindt opslag en verkoop van consumentenvuurwerk plaats. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit is aangegeven, dat bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting, tot een beperkt kwetsbaar object of kwetsbaar object en een geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht dient te worden genomen. Het plangebied is op een grotere afstand dan 8 meter van de inrichting gelegen. Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

Afbeelding 13 | Afstand van plangebied tot A58, N289 en Noordstraat 59

Juust

30

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

4.4

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. Ten gevolge van de gehele ontwikkeling Zuidhoek 3 is destijds archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het plangebied zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' (13-03-2018) is op basis van het uitgevoerde onderzoek vrijgesteld van een archeologische verwachtingswaarde. Voor het perceel dat aan het plangebied (fase 2) in dit bestemmingsplan wordt toegevoegd, is door Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd, bestaande uit een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen (5 maart 2021, zie Bijlage 3). In het kader van het bureauonderzoek is een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied.

Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden, dat: het plangebied gesitueerd is in een gebied waar de natuurlijke ondergrond bestaat uit zandige jonge kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Oudere archeologische niveaus door de betreffende getijdenkreek zullen zijn weggeërodeerd. Er op enig moment zand is afgegraven, waarna het restant van de natuurlijke ondergrond is afgedekt door een heterogene kleilaag en het maaiveld uiteindelijk circa 75 cm lager is komen te liggen dan omliggende delen van de inversierug. Door het afgraven van de ondergrond eventueel aanwezige archeologische waarden naar verwachting niet meer aanwezig zijn, of zwaar beschadigd zijn. Binnen het hele plangebied een lage verwachting geldt voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan gesteld worden dat er een lage verwachting is op het voorkomen van archeologische vindplaatsen en dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het door OAS (Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband) opgestelde advies op het door Artefact uitgevoerde archeologisch onderzoek van 5 maart 2021 blijkt, dat het plangebied gesitueerd is op een brede inversierug tussen Kapelle en Biezelinge.

Het gaat om een brede getijdengeul die oudere geologische niveaus volledig heeft weggeërodeerd. Op basis van deze ligging bestaat er geen archeologische verwachting voor het Laagpakket van Wierden, het Laagpakket van Wormer en het Hollandveen Laagpakket. Op basis van gegevens van de bodemkaart en het AHN is het plangebied voor 1950 afgegraven ten behoeve van de winning van zand. Het huidige maaiveld ligt ongeveer 75 cm lager dan het omliggende gebied. Daarnaast is het gebied sinds in ieder geval de 19e eeuw in gebruik geweest als boomgaard waardoor de top verstoord kan zijn door doorworteling. Bovengenoemde verwachting is bevestigd tijdens het booronderzoek. Behalve dat een deel van het profiel als gevolg van zandwinning is afgegraven waarna de toplaag terug opgebracht is, bestaat de toplaag tot een diepte van 1,25 meter beneden maaiveld uit verstoorde grond door vergraving en doorworteling. Als gevolg hiervan is een eventueel archeologisch niveau dat vanaf de vroege middeleeuwen in gebruik kan zijn geweest volledig vergraven. De archeologische verwachting voor de middeleeuwen en nieuwe tijd is daarom laag. Op basis van bovenstaande blijkt dat voor alle geologische en archeologisch relevante lagen de verwachting naar laag kan worden bijgesteld.

Gelet hierop zal, net als in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' niet meer opgenomen worden met uitzondering van een kleine spie ter hoogte van de bestaande woningen aan de Fruithof. Hier zal de geldende dubbelbestemming worden opgenomen omdat het onderzoek niet op dit deel ziet.

Juust

31

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Ondanks dat er in het plangebied geen behoudenswaardige archeologische waarden verwacht worden, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase bij de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Deze dienen direct gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Cultuurhistorie Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden. Cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn niet aanwezig. Het plangebied is op een kreekrug gelegen en oud zeekleigebied. Beide hebben geen planologische gevolgen.

4.5

Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, kan de gemeente in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning eisen dat er onderzoek wordt uitgevoerd naar bodemverontreiniging. Verkennend bodemonderzoek plangebied Het deel van het plangebied wat in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3' was opgenomen is al onderzocht en opgenomen in het bestemmingsplan 'Zuidhoek 3'. Het deel van het plangebied wat nu wordt toegevoegd aan dat plangebied is onderzocht. Door Mitec Advies B.V. is in 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4) ter plaatse van het perceel kadastraal bekend gemeente Kapelle, sectie O, nummer 318 en plaatselijk bekend Annie M.G. Schmidtsingel ong. te Kapelle. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de bovengrond matig tot sterk verontreinigd was met bestrijdingsmiddelen (OCB's met name DDT). De gehele bovenlaag dient als sterk verontreinigd te worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt zijn er echter geen directe belemmeringen voor de voorgenomen planologische ontwikkeling.

Vervolg In de periode van 28 juni t/m 1 juli 2021 is door KWS uit Roosendaal in totaal circa 1250 m3 met OCB’s verontreinigde grond van het zuidelijk terreindeel ontgraven en op het noordelijk deel in een geluidswal geplaatst. Aan de hand van de uitgevoerde saneringswerkzaamheden heeft Wematech Bodem Adviseurs op 15 oktober 2021 een evaluatieverslag opgesteld (Bijlage 5). Uit de conclusie van dit verslag blijkt dat op basis van zintuiglijke waarnemingen na uitvoering van de graafwerkzaamheden op het zuidelijk terreindeel geen verontreinigingen met OCB’s meer zijn achtergebleven. Het nemen van controlemonsters en het uitvoeren van het laboratoriumonderzoek heeft bevestigd dat in de wanden en de bodems van de ontgravingsput geen verontreinigingen met OCB’s meer aanwezig zijn ten opzichte van de terugsaneerwaarden (klasse industrie). De ontgravingsput is in de periode van 3 september 2021 tot en met 8 september aangevuld met circa 5406 m3 schone grond afkomstig van een nabij gelegen locatie aan de Smokkelhoek te Kapelle.

Juust

32

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Geconcludeerd kan worden dat het doel van deze grondsanering, het herschikken van de verontreinigde grond binnen het perceel zodat op het zuidelijk deel woningbouw mogelijk is, bereikt is. De verontreinigde grond in de kern van de geluidswal is voorzien van een leeflaag schone grond. Op basis van de resultaten van de zintuiglijke en chemisch analytische controle van de controlemonsters kan de grondsanering als afgerond worden beschouwd. Conclusie De grond is na het treffen van de beschreven maatregelen geschikt voor de beoogde functie.

4.6

Niet gesprongen explosieven

In de Tweede Wereldoorlog is in Zeeland veel gevochten. Doordat tijdens de gevechten niet alle munitie is ontploft zijn er tot op de dag van vandaag blindgangers in de bodem te vinden. De Provincie Zeeland heeft een kaart ontwikkeld waar op te zien is waar gevochten is en waar een grote kans is om blindgangers in de bodem aan te treffen. Op de kaart met aandachtsgebieden ten aanzien van niet gesprongen explosieven, is het plangebied niet als aandachtsgebied aangegeven. Het spoor betreft wel een aandachtsgebied voor explosieven. Deze zone is in het verleden onderzocht. Er zijn geen explosieven aangetroffen. Het plangebied is geen verdachte locatie.

4.7

Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt. In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.

4.8

Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Doel van het watertoetsproces is dat waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig worden meegenomen bij ruimtelijke plannen of besluiten. De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan. De watertoets wordt ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Scheldestromen.

Juust

33

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Thema en water(beheer)doelstelling Uitwerking Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening Het plan is niet gelegen op of in de directe omgeving houden met de daarvoor benodigde ruimte. van een waterkering. Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, In het plangebied is voldoende openbaar groen bergen en afvoeren van water. aanwezig om de benodigde watercompensatie te Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming realiseren. Op de verbeelding bij dit bestemmingsplan vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te is de minimale groenstructuur als 'Groen' bestemd. voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van Binnen de bestemming 'Woongebied' wordt ook groen klimaatverandering en de kans op extreme en water aangelegd. Momenteel wordt een weersituaties. geohydrologisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de infiltratiemogelijkheden. Door RSK is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Uit de infiltratieproeven blijkt dat lokaal de infiltratiecapaciteit van de bodem lokaal sterk varieert tussen circa 0 en > 30 mm/u. Deze infiltratiecapaciteit < 10 mm/u is kenmerkend voor water dat slechts zeer beperkt de bodem aan het maaivel kan infiltreren en is indicatief voor kleiige bodem.

De resultaten komen goed overeen met de verwachte bodemopbouw waarin een deel van de projectlocatie bestaat uit een erg ondiepe of aan het maaiveld liggende kleilaag. Echter zijn er ook locaties die een deklaag hebben van zand. De infiltrometerproef toont aan dat de infiltratiecapaciteit hier significant hoger is vergeleken met de locaties met een kleilaag. De infiltratie capaciteit is op deze lcoaties erg goed en kenmerkend voor een zandige toplaag (>30 mm/u). In het gebied worden wadi's aangelegd, waaronder een grote wadi ter plaats waar de bodem erg goed waterdoorlatend is. NXXS ingenieurs en adviseurs heeft de waterhuishoudkundige opgave bepaald op basis van uitgewerkte en (deels) gerealiseerde plannen en onderzoeken (o.a. infiltratieproeven). Hieruit blijkt het volgende: In het plangebied wordt vooralsnog ca. 2,09 ha verharding gerealiseerd waarbij een aanname is gedaan van ca. 60% perceelverharding. Met een bergingseis van 75 mm bedraagt de bergingsopgave ca. 1.568 m3. - De berging in de wadi's bedraagt ca. 1.456 m3; - De infiltratiecapaciteit bedraagt ca. 2.095 m3/dag; - De infiltratiecapaciteit bedraagt ca. 74 mm/dag; De bergingsopgave van ca. 1.568 m3 wordt ruimschoots behaald met een beschikbare berging van ca. 1.456 m3 aangevuld met een infiltratiecapaciteit van ca. 74 mm/dag.

Bij overbelasting van de wadi's kan het water alsnog afgevoerd worden naar de watergang tussen het spoor en de geluidswal.

Juust

34

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ In het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. aangelegd. Het huishoudelijke afvalwater zal via het Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in gemeentelijke rioolstelsel worden afgevoerd naar de verband met de reductie van hydraulische belasting van RWZI. de RWZI, het transportsysteem en het beperken van Het hemelwater zal op het oppervlaktewater worden overstorten. afgevoerd. Een deel van het gebied heeft een goede bodem voor infiltratie (zandgrond). Het hemelwater wordt van de woningen afgevoerd naar de weg. De weg ligt onder afschot naar naastgelegen wadi's waar het water tijdelijk wordt geborgen om te infiltreren in de bodem. De wadi's liggen rondom de woonwijk en staan door hoogteverloop in verbinding met de bestaande watergang langs het spoor. Wanneer de wadi's volledig gevuld zijn, kunnen deze alsnog afvoeren naar de watergang aan het spoor. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en Het plangebied is op een kreekrug gelegen. De bodem -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van bestaat deels uit zandgrond en is daardoor geschikt klimaatverandering. Beschermen van infiltratie- voor infiltratie. Onderzocht wordt in hoeverre hiervan gebieden en –mogelijkheden.

gebruik kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door het hemelwater van de straten direct te laten infiltreren. In het plangebied wordt geen grondwater onttrokken. Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwater- Het plangebied is niet gelegen in of nabij een kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. grondwaterbeschermingsgebied. Door de ontwikkeling zal de grondwaterkwaliteit niet verminderen. Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede Door het toepassen van een gescheiden rioolstelsel zal oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht alleen het relatief schone regenwater in het van het watersysteem. Toepassing van de trits oppervlaktewater terecht komen. schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en De nieuw aan te brengen waterlopen in het gebied plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via zullen worden gedimensioneerd met flauwe taluds o.a. de daarvoor benodigde ruimte. volgens de richtlijnen van het waterschap (minimaal 1:2). Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelds- Het grondwaterpeil wordt niet aangepast als gevolg of dalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen ten behoeve van dit plan. veroorzaken. Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en In het gebied zijn geen natuurgebieden aanwezig.

De natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. nieuw aan te leggen waterlopen zullen zodanig worden ingericht dat ontwikkeling van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur mogelijk is.

Juust

35

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden De waterlopen kunnen onderhouden worden door worden. Rekening houden met obstakelvrije onder- middel van een onderhoudsstrook met een breedte van houdsstroken vrij van bebouwing en opgaande tenminste 5 meter. (Indien deze verhard wordt zal er (hout)beplanting. rekening gehouden worden met een aslast van 10 ton). De schouwstroken zijn gelegen in het openbaar gebied. In de schouwstrook mogen, op ten minste 1 meter van de insteek, bomen geplant worden met een minimale tussenafstand van 12 meter. Achter de bomen dient een strook van 5 meter te worden vrijgehouden. Anderer belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van De ontwikkeling zal de werking van de objecten niet objecten (terreinen, milieuzonering) van de belemmeren. waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) n.v.t. * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? *na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.

Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).

4.9

Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is Yerseke en Kapelse Moer. Dit natuurgebied ligt op circa 2,0 kilometer van het plangebied, net zoals het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt, worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.

Juust

36

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de AERIUS Calculator moet en kan voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Echter is per 1 juli 2021 de Wet en het Besluit (Stikstofwet) van kracht. Belangrijk onderdeel van het Besluit is de bouwvrijstelling. Kort gezegd houdt deze vrijstelling in dat de aanlegfase van ontwikkelingen vrijgesteld is van de vergunningplicht Wet natuurbescherming en dat voor deze fase geen stikstofberekening meer nodig is. De bouwvrijstelling betreft een partiële vrijstelling, omdat deze alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens sloop, aanleg en bouwactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase. Voor dit plan is voor de gebruiksfase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (zie Bijlage 6). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning.

Soortenbescherming De boomgaard is gerooid en in het hele gebied is het grondwerk uitgevoerd, vooruitlopend op het bouwrijp maken. Beschermde soorten zijn daardoor in het gebied niet te verwachten. Het uitvoeren van een quickscan is daarom niet nodig.

4.10

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 97 woningen. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een project die NIBM bijdraagt. Voor de volledigheid is met behulp van de NIBM-tool, inzicht gegeven in de maximale bijdrage NO2 en PM10. Hieruit blijkt dat de toename onder de grenswaarde van 1,2 µg/m3 blijft. Dit is gebaseerd op 718 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal, zie 4.12.

Afbeelding 14 | NIBM (bron: Infomil)

Juust

37

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

4.11

Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. In de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden dienen te worden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur en stof) en gevoelige functies zoals woningen in een rustige woonwijk. Indien er sprake is van een gemengd gebied, kunnen de richtafstanden met één stap worden verlaagd. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Ten westen van het woongebied is de gemeentewerf/milieustraat aanwezig. Dit betreft een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 3.1.

Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk en 30 meter in een gemengd gebied. Het aspect geluid is hierbij maatgevend. Gemeentewerf/milieustraat Ten westen van het plangebied zijn de milieustraat en gemeentewerf van Kapelle gelegen. De activiteiten binnen de gemeentewerf zijn, vanwege uitbesteding van taken, niet meer relevant. De activiteiten op de milieustraat zijn echter wel relevant voor de geluidbelasting. Door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn verwoord in de Notitie 'Geluidsbelasting vanwege de milieustraat Kapelle op het plan Zuidhoek fase 3 west' van 7 december 2020 (Bijlage 7). In het onderzoek is uitgegaan van een gemengd gebied gezien de verschillende functies aan de Dijkwelseweg. Nabij de gemeentwerf is namelijk een kinderopvang, verenigingsgebouw en het fruitteeltmuseum aanwezig. Uit de rekenresultaten van dit onderzoek blijkt dat zowel de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de grenswaarde voor het maximale geluidniveau overschreden worden. De gemeentewerf, waar feitelijk geen relevante activiteiten meer plaatsvinden behalve opslag en lichte werkzaamheden in de loods, is bestemd met milieucategorie 3.1. Bij een dergelijke bestemming hoort in een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter.

Indien er voor gezorgd wordt dat deze richtafstand tussen de woningen in het plangebied en de activiteiten binnen de gemeentewerf nageleefd wordt, wordt voldaan aan de richtafstand. Daarom is ervoor gekozen om de activiteiten met hinder op de gemeentewerf in te perken en de aanduiding ten behoeve van de milieuactiviteiten in categorie 3.1 te verkleinen. Hiermee wordt (ruim) voldaan aan de afstand van 30 meter. Buiten de aanduiding zijn activiteiten mogelijk met beperkte hinder, zoals opslag.

4.12

Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd. Parkeren Voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen worden de richtlijnen van het CROW gehanteerd. Hierin is per type woning de parkeernorm met een bandbreedte opgenomen. Omdat dit bestemmingsplan een flexibel bestemmingsplan betreft en de nadere uitwerking van het inrichtingsplan nog moet plaatsvinden, wordt hieronder de parkeerkencijfers per woningtype weergegeven. In het verkavelingsplan zal hiermee rekening worden gehouden, zodat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid.

Juust

38

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Woningtype

Parkeerkencijfers (aantal parkeerplaatsen per woning) minimaal maximaal Vrijstaand, koop 1,9 2,7 Twee-onder-één-kapwoning, koop 1,8 2,6 Tussen/hoek, koop 1,6 2,4 (uitgaande van stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en gebiedstype 'rest bebouwde kom') Ontsluiting De woningen worden ontsloten op woonstraten. Deze woonstraten worden ontsloten op de Annie MG Schmidtsingel richting de Biezelingseweg en de Dijkwelseweg. De Annie MG Schmidtsingel is hiertoe anders ingericht waarbij geanticipeert is op de nieuwe aansluitingen vanuit Zuidhoek 3 worden meegenomen. De Annie MG Schmidtsingel krijgt geen doorgaand karakter. Hiermee wordt voorkomen dat het een doorgaande weg wordt tussen Biezelinge en de Dijkwelseweg. Verkeersgeneratie Op basis van de CROW-publicatie is een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' en gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Dit bestemmingsplan vormt een flexibel bestemmingsplan waarbij het aantal type woningen niet vastligt. Wel is vastgelegd, dat in het gebied maximaal 97 woningen mag worden gebouwd. Daarom wordt uitgegaan van een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie bedraagt daarmee 756,6 motorvoertuigen per etmaal (97 x 7,8). Woningtype

Minimum verkeersgeneratie Vrijstaand, koop 7,8 Twee-onder-één-kapwoning, koop 7,4 Tussen/hoek, koop 7,0

Maximum verkeersgeneratie 8,6 8,2 7,8

Gemiddelde verkeersgeneratie 8,2 7,8 7,4 7,8

De Annie MG Schmidtsingel en Biezelingseweg zijn erftoegangswegen. Voor dergelijke wegen wordt een etmaalintensiteit van circa 5.000 motorvoertuigen acceptabel geacht. Gelet op het huidige gebruik (circa 2.000 mvt/etmaal) en de te verwachten toename blijft dit onder de etmaalintensiteit van 5.000 motorvoertuigen, waardoor dit geen probleem oplevert voor de doorstroming op deze weg.

4.13

Trillingshinder

Met betrekking tot het aspect “schade aan gebouwen” worden de trillingen beoordeeld aan de hand van SBR-richtlijn A (SBR-A). Deze richtlijn is van toepassing op trillingen met een dominante frequentie tussen de 1 en 100 Hz. In SBR-A wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen metingen, namelijk een indicatieve, een beperkte en een uitgebreide meting. Tevens wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen trillingen, namelijk kortdurende, herhaald kortdurende en continue trillingen. En als laatste wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën bouwwerken, namelijk categorie 1, 2 en 3. Met betrekking tot het aspect “hinder voor personen” worden de trillingen beoordeeld aan de hand van SBR-richtlijn B (SBR-B). In SBR-B wordt onderscheid gemaakt in de duur van de periode waarin de trillingen voorkomen, te weten een lange en een korte periode. Wanneer sprake is van een lange periode wordt tevens onderscheid gemaakt in gebouwfuncties, dag- en nachtperioden, type trillingen en bestaande of nieuwe situaties. Voor Zuidhoek 3 is uitgegaan van een lange periode, herhaald kortdurende trillingen en een nieuwe situatie (nieuwe gebouwen nabij railverkeer).

Juust

39

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Door IFCO Funderingsexpertise bv zijn trillingsmetingen uitgevoerd vanwege de ligging van het plangebied aan de spoorlijn Vlissingen – Bergen op Zoom. Het doel van de metingen is om een beeld te krijgen van trillingen die worden veroorzaakt door passerend treinverkeer. Op basis van de meetresultaten is een inschatting gegeven van de te verwachten trillingen ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen op verschillende afstanden uit het spoor. De kortste afstand van de nieuw te bouwen woningen tot de spoorlijn bedraagt circa 60 meter. Het rapport is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Voor Zuidhoek 3 zijn indicatieve trillingsmetingen uitgevoerd. Trillingen veroorzaakt door passerend treinverkeer zijn in de regel herhaald kortdurende trillingen. De nog te bouwen woningen kunnen worden geplaatst in categorie 2. Een gebouw wordt geplaatst in categorie 2 wanneer de draagconstructie en of onderdelen ervan bestaan uit metselwerk of uit andere brosse steenachtige materialen in een goede bouwkundige staat. Op basis van de resultaten van de trillingsmetingen wordt de kans erg klein geacht dat door trillingen door treinverkeer trillingsschade aan de toekomstige woningen op minimaal 60 meter van de spoorlijn wordt veroorzaakt.

Op basis van de resultaten van de trillingsmetingen worden de trillingen door treinverkeer op grond van SBR-richtlijn B in de toekomstige woningen op minimaal 60 meter van de spoorlijn voor personen als toelaatbaar beschouwd. Op een afstand tussen circa 30 meter en 60 meter van de spoorlijn is de kans op schade en hinder naar verwachting ook klein.

4.14

Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bijlage D van het Besluit m.e.r.

is onder 11.2 de activiteit 'De aanleg, wijziging, of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein' opgenomen met een drempelwaarde van een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 97 woningen mogelijk. Daarmee bevat het bestemmingsplan de activiteit van de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject, maar wordt ruim onder de drempelwaarde gebleven. Om die reden kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De memo van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting. Op basis van deze integrale beoordeling van de milieueffecten kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) is daardoor niet noodzakelijk.

4.15

Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Juust

40

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs. De ontwikkeling van het gebied Zuidhoek 3 wordt door de gemeente Kapelle gerealiseerd. Hiervoor heeft de gemeenteraad op 22 december 2015 de benodigde besluiten genomen. Besloten is kennis te nemen van de startnotitie voor het in exploitatie nemen van het gebied en het grondexploitatieplan vast te stellen. In dat plan zijn de te verwachten kosten en opbrengsten weergegeven. Er is dan ook geen exploitatieplan bij dit bestemmingsplan nodig.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.

Juust

41

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Goessestraatweg 17A, 4421 AD, Kapelle +31 (0) 85-9020222 • info@juust.nl

juust.nl

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2) Bestemmingsplan Ontwerp adviseurs • ingenieurs • openbare ruimte

COLOFON Documentgegevens Titel Rapportnummer Datum Status IMRO Gemeente

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2) 000757 28 juni 2022 ontwerp NL.IMRO.0678.Zuidhoek3HZ001- OW01 Kapelle

Opdrachtnemer Naam Adresgegevens Auteur(s) Contactgegevens

Juust Goessestraatweg 17A 4421 AD Kapelle Rudi Lems / Janita van Gastel +31(0)113 405 051

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Notitie Geluidbelasting, d.d. 18-11-2020, Rapport 2030061/No.01

4

Bijlage 2

Externe veiligheid, d.d. 19-02-2018, Rapport 183552

13

Bijlage 3

Archeologisch onderzoek

33

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek, d.d. 07-12-2020, Rapport 20MIT472.10

90

Bijlage 5 Evaluatieverslag bodemsanering, d.d. 15-10-2021, Rapport HH50210441.R001-1

91

Bijlage 6

Stikstofberekening

368

Bijlage 7

Notite Geluidbelasting, d.d. 07-12-2020, Rapport 2020061/No.02

378

Bijlage 8

Trillingsonderzoek

409

Bijlage 9

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

436

Juust

2

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Bijlagen bij toelichting

Juust

3

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Bijlage 1 Notitie Geluidbelasting, d.d. 18-11-2020, Rapport 2030061/No.01

Juust

4

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing

Notitie Aan:

de heren A. Maas en M. Poppe van de gemeente Kapelle

Betreft:

Geluidbelasting vanwege het spoorwegverkeer op het plan Zuidhoek fase 3 west

Datum:

18 november 2020

Referte:

2030061/No.01

1.

Inleiding

Door de raad van Kapelle is op 13 maart 2018 het bestemmingsplan “Zuidhoek 3” vastgesteld. Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan is onder andere een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van de spoorlijn Roosendaal-Vlissingen. Uit dat onderzoek was gebleken dat er maatregelen in de overdracht getroffen moesten worden opdat in het plan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet overschreden wordt. De gemeente Kapelle is bezig met het verkavelen van het westelijk deel van het plan. Dit deel van het plan is grafisch aangeduid in figuur A (rood gearceerd).

Figuur A (bron: gemeente Kapelle)

Datum: Referte:

18 november 2020 2020061/No.01

1/4

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing

Aan de noordzijde van het plan is een boomgaard aanwezig. Deze boomgaard, die in figuur A lichtblauw gearceerd is aangeduid, zal door de gemeente aangekocht worden om de eerder geplande geluidwal door te kunnen trekken. Door het inrichten van het plangebied zal de maaiveldhoogte van de woningen 1,1 meter boven NAP gaan bedragen. De vloerhoogte van de woningen zal 1,45 meter boven het NAP bedragen. Om de toekomstige woningen voor het geluid van de spoorlijn af te schermen, zal een wal met daarop een scherm worden opgericht. Deze wal, die in figuur A met een donkerblauwe lijn is aangeduid, heeft een maaiveldhoogte van 1,0 meter NAP en zal 3 meter hoog worden. Op deze wal van 3 meter hoogte wordt over de gehele lengte een hard scherm met een hoogte van 1,45 m geplaatst. In voorliggende notitie zijn antwoorden gegeven op de volgende vragen: 1.

Wat bedraagt de geluidbelasting vanwege de spoorlijn ter plaatse van de grens van de kavels?

2.

Wat bedraagt de geluidbelasting in het zuidelijk deel van de boomgaard?

2.

Beantwoording van de vragen

Om de geluidbelasting vanwege de spoorlijn te kunnen bepalen is een rekenmodel opgesteld. In een bronnenmodel worden alle relevante attributen (zoals gebouwen, bodemgebieden, schermen banen en rekenpunten) ingevoerd om de werkelijkheid zo goed als mogelijk te benaderen. De gegevens van de spoorlijn (en langs de spoorlijn gelegen geluidschermen) zijn verkregen uit het Geluidregisterspoor

(zie:

http://www.geluidregisterspoor.nl/).

In

dit

register

zijn

alle

relevante gegevens van de hoofdspoorlijnen in Nederland opgenomen, waaronder ook de maaiveldhoogten van de spoorlijnen. De gegevens uit het Geluidregisterspoor hebben betrekking op de peildatum 16 juli 2020 (dit is de datum dat de gegevens voor het laatst zijn bijgewerkt). Het programma Geomilieu V5.21 van DGMR Software BV is gebruikt voor het opstellen van het rekenmodel. Dit model rekent conform de Standaardrekenmethode 2, als bedoeld in hoofdstuk 4 in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Er is gerekend met 1 reflectie en een zichthoek van 20. Onder de spoorlijn is een bodemgebied gelegd met een bodemfactor van 1 (volledig absorberend). Als overall bodemfactor is een bodemfactor van 0,5 gehanteerd (half reflecterend, half absorberend). Bij de bepaling van de geluidbelasting is er van uitgegaan dat de nieuwe woningen in het plangebied maximaal twee bouwlagen met gevoelige ruimten hebben. Op de grenzen van de kavels zijn rekenpunten gelegd met een maaiveldhoogte van 1,45 m en een rekenhoogte van 1,5 m en 4,5 m. In het deel van de boomgaard ten zuiden van de wal zijn eveneens rekenpunten gelegd met een maaiveldhoogte van 1,45 m en een rekenhoogte van 1,5 m en 4,5 m. In figuur 1 is een grafische weergave van de spoorlijn, de wal met scherm en de rekenpunten op de kavelgrenzen weergegeven.

Figuur 2 geeft een grafische weergave van van de spoorlijn, de wal met scherm en de rekenpunten in de boomgaard. Figuur B geeft een 3D weergave van het opgebouwde rekenmodel weer. In deze figuur zijn de rode bolletjes de rekenpunten in het plangebied.

Datum: Referte:

18 november 2020 2020061/No.01

2/4

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing

Figuur B

Datum: Referte:

18 november 2020 2020061/No.01

3/4

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing In figuur 3 zijn de rekenresultaten gepresenteerd in het plangebied. Uit figuur 3 blijkt dat ter plaatse van de grenzen van de kavels geen grotere geluidbelasting optreedt dan 55 dB. Met de beoogde wal met scherm wordt in het plangebied voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai. In figuur 4 zijn de rekenresultaten gepresenteerd in de boomgaard. Uit figuur 4 blijkt in de gehele boomgaard op een hoogte van 4,5 m de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden wordt, alsmede dat in een deel van de boomgaard op 1,5 m hoogte de voorkeursgrenswaarde overschreden wordt.

3.

Conclusies

Door het doortrekken van de wal in de boomgaard kan op de eerste en tweede bouwlaag in het gehele

plangebied,

waar

de

verkaveling

plaatsvindt,

voldaan

worden

aan

de

aan

de

voorkeursgrenswaarde. In

de

boomgaard

kan

nergens

op

de

tweede

bouwlaag

voldaan

worden

voorkeursgrenswaarde. In een deel van de boomgaard kan wel op de eerste bouwlaag voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. In figuur C is het gebied in de boomgaard aangeduid waar op de eerste bouwlaag voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Dit gebied heeft een oppervlakte van ca. 1670 m2. Dit deel van de boomgaard is dus geschikt voor woningen met één bouwlaag.

Figuur C

Bij deze notitie behoren 4 figuren.

Datum: Referte:

18 november 2020 2020061/No.01

4/4

0m

80 m schaal = 1 : 2000

389050

1

4

3

2

5

7

6

8 9

389000

10

388950

11

12 16

388900

13 17

15

14 19

18

21

20

23

22

Figuur 1: grafisch overzicht rekenpunten plangebied

Banen Toetspunten Hulplijnen

24 25 26

33

30

31

32 34

35

36

29 37

27 28 38

39

40 41 42 43 44 45

388850

46

49 50 388800

55200 55250 55300 Railverkeerslawaai - RMR-2012, [Zuidhoek 3 west November 2020 - Figuren] , Geomilieu V5.21

55350

55400

55450

55500

55550

55600

55650

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing

47 48

0m

30 m schaal = 1 : 750

389100

Bg26 Bg1 Bg27 389075

Bg2 b1 Bg28

Bg16

Bg3 Bg29

b2

Bg15

Bg4 Bg30

b3

Bg14

b4

Bg13

Bg31 389050

Bg5

Bg6 Bg32 b5 Bg7

Bg12

b6

Bg11

Bg8 b7 Bg34

Bg10

Bg33

Figuur 2: grafisch overzicht rekenpunten in boomgaard

Banen Toetspunten

Bg17 Bg21 Bg18 Bg22 Bg20 Bg24

Bg19

Bg23

Bg25

Bg9

389000

55225 55250 55275 Railverkeerslawaai - RMR-2012, [Zuidhoek 3 west November 2020 - Figuren] , Geomilieu V5.21

55300

55325

55350

55375

55400

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing

389025

Figuur 3: geluidbelastingen in plangebied

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing Toetspunten periode:

Lden

0m schaal = 1 : 1000

49/54

389025

40 m

49/53 51/52 51/52

50/53

49/54

51/53 51/53

48/52

389000

48/52 388975

48/51

48/55

48/51

48/53 48/51

49/50 388950

48/55

48/51

49/50 48/50

49/50

48/54

49/50 49/50 49/50

48/53

49/52

388925

49/52 48/51 48/50

51/53

48/50 388900

48/50

50/52

48/50

49/51

52/55 53/55

48/50 48/50

53/55

48/50

53/55 388875

52/54

51/53 388850

50/52

50/52 388825

49/51 49/51 48/51 388800

55200 55225 55250 55275 55300 Railverkeerslawaai - RMR-2012, [Zuidhoek 3 west November 2020 - Zuidhoek 3 west wal met scherm 4,45 m hoogte plangebied] , Geomilieu V5.21

55325

55350

55375

55400

55425

55450

55475

55500

55525

55550

55575

periode:

Lden

389100

0m 389090

20 m schaal = 1 : 500

64/65 62/63

389080

62/64

Figuur 4: geluidbelastingen in boomgaard

Toetspunten

60/62 57/60 54/59

60/62 389070

58/60

56/59

59/61

51/58

57/59 389060

55/58

58/59

55/57

55/57

54/56

50/58

55/56

53/56

50/56 51/55

54/56 389040

53/56 51/56

55/57

389050

54/57 51/57

56/58 56/58

55/58

53/55

53/55

52/54

51/54

54/56 54/55 53/55 389030

389020

55240 55250 55260 55270 55280 55290 55300 Railverkeerslawaai - RMR-2012, [Zuidhoek 3 west November 2020 - Zuidhoek 3 west wal met scherm 4,45 m hoogte booomgaard] , Geomilieu V5.21

55310

55320

55330

55340

55350

55360

Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing

54/56

49/58 50/55

Bijlage 2 Externe veiligheid, 19-02-2018, Rapport 183552

Juust

13

d.d.

Ontwerp bestemmingsplan Zuidhoek 3, 1e herziening (Fase 2)

Adviesgroep AVIV BV M.H. Tromplaan 55 7513 AB Enschede

Externe veiligheid / Spoor Kapelle

Project Datum

183552 19 februari 2018

Opdrachtgever Juust B.V. t.a.v. Janita van Gastel Goessestraat 19 4421 AD Kapelle

Externe veiligheid / Spoor Kapelle

Project

183552

Datum

19 februari 2018

Auteur Review Versie nr.

Sophie van Veldhoven Ton op den Dries 01

Opdrachtgever

Juust B.V. t.a.v. Janita van Gastel Goessestraat 19 4421 AD Kapelle

Externe veiligheid / Spoor Kapelle

1 Inleiding ______________________________________________________ 4 2 Normstelling externe veiligheid ___________________________________ 5 2.1 Wet- en regelgeving _________________________________________ 5 2.2 Risicobenadering ____________________________________________ 5 2.3 Plasbrandaandachtsgebied (PAG) ______________________________ 8 3 Uitgangspunten risicoberekening _________________________________ 9 3.1 Plangebied _________________________________________________ 9 3.2 RBM II ____________________________________________________ 9 3.3 Trajecteigenschappen _______________________________________ 10 3.4 Transportintensiteit _________________________________________ 10 3.5 Aanwezigheid personen _____________________________________ 11 4 Resultaten ___________________________________________________ 13 4.1 Plaatsgebonden risico _______________________________________ 13 4.2 Groepsrisico_______________________________________________ 13 4.3 Plasbrandaandachtsgebied ___________________________________ 15 5 Conclusie ____________________________________________________ 16 Referentie ______________________________________________________ 17 Bijlage 1 Gegevens bebouwing ____________________________________ 18

3

Externe veiligheid / Spoor Kapelle

1 Inleiding Er bestaan plannen voor het realiseren van een woonwijk met maximaal 140 woningen nabij het station in Kapelle. De locatie ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Vlissingen-Roosendaal waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Inzicht in de externe veiligheidsrisico’s is daarom nodig. In deze rapportage worden de resultaten van de risicoberekeningen gepresenteerd. De rapportage is al volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt de normstelling externe veiligheid voor transportroutes toegelicht. De gehanteerde gegevens en uitgangspunten zijn samengevat in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt het resultaat van de berekeningen getoond. Hoofdstuk 5 ten slotte bevat de conclusie.

4

Externe veiligheid / Spoor Kapelle

2 Normstelling externe veiligheid 2.1

Wet- en regelgeving Het transport van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Het risico voor personen die verblijven in de omgeving wordt gevat onder het begrip externe veiligheid (EV). Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de regels opgenomen voor de ruimtelijke ordening [1]. Voor infrabesluiten zijn de regels vastgelegd in de Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten (de Beleidsregels) [2]. Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. Het doel van het Basisnet is het vastleggen en waarborgen van een duurzame balans tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ruimtelijke omgeving en de veiligheid van mensen die wonen en werken langs de route. Het Basisnet stelt grenzen aan het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorlijnen alsmede aan ruimtelijke ontwikkelingen langs die wegen, vaarwegen en spoorlijnen.

Voor elke weg, spoorlijn en vaarweg die deel uitmaakt van het Basisnet, is vastgesteld hoeveel risico het vervoer van gevaarlijke stoffen over die weg, spoorlijn of vaarweg maximaal mag veroorzaken. De basisnetroutes en deze zogenoemde “risicoplafonds” zijn vastgelegd in de regeling basisnet [3].

2.2

Risicobenadering De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de activiteit en kwetsbare functies in de omgeving. Of een functie kwetsbaar of beperkt kwetsbaar is, is te vinden in het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) [4]. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoorgebouwen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, sporthallen en bedrijfsgebouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11831896/1