CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-32b. Concept Uitvoeringsplan Het Overwegen Waard

Raadsvergadering 21 juni 2022, gemeente KapelleBij agendapunt: Herijking van het Actieplan Jeugd5.505 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Z015F79E681 Zaaknummer Documentnummer

: Z21.011832 : D22.262686

Het overwegen waard Het concept uitvoeringsplan bij het Herijkt Actieplan Jeugdhulp Gemeente Kapelle

Inleiding Het uitgangspunt van de gemeente blijft dat kinderen in nood geholpen moeten worden. Met de interventies vanuit het Actieplan uit 2019 is een goede start gemaakt met grip krijgen op de kosten van de jeugdzorg. Deze ingeslagen weg zouden we moeten voortzetten. Zo blijven we voortdurend aandacht houden voor hoe we indiceren, de cultuurverandering en de inzet van de coördinator als kwaliteitsmedewerker. Toch hebben deze interventies er vooralsnog niet voor gezorgd dat de kosten binnen begroting zijn gebleven. Om dat te bewerkstelligen willen we nog meer invloed uitoefenen en daarvoor lijken (beleids)keuzes noodzakelijk. Om dit mogelijk te maken worden een aantal nieuwe interventies beschreven, die de gemeenteraad kan gebruiken ter inspiratie. Het gaat bijvoorbeeld om interventies die eerder benoemd zijn door de gemeenteraad of interventies die nu worden toegepast of besproken bij andere gemeenten. Dit concept uitvoeringsplan beschrijft een aantal interventies die passen bij scenario 2 en 3 van het Herijkte actieplan. Bij scenario 1 horen geen van de deze interventies. Bij elke interventie staan ook de mogelijke gevolgen van de invoering van deze interventies. In het laatste hoofdstuk wordt een aanbeveling gedaan namens het college.

Hoofdstuk 1 Interventies 1.1. Interventies die passen bij scenario 2 1.1.1. Interventie 1 invoeren eigen bijdrage Bij de invoering van de eigen bijdrage ligt niet de nadruk op kostenbeheersing (al leert de ervaring dat mensen door een eigen bijdrage vaker afzien van zorg), maar op het genereren van extra inkomsten voor gemeenten om de jeugdhulp mee te bekostigen. Als gekozen wordt voor een eigen bijdrage past de inkomensafhankelijke variant beter bij de beleidsfilosofie achter de Jeugdwet dan een vaste eigen bijdrage (dit is interventie 2). Daarnaast is het raadzaam om zware vormen van zorg en zorg geleverd door het wijkteam uit te sluiten van een eigen bijdrage. Dit betreft dus niet verwijzingen door de GI. In dat geval heeft de rechter immers bepaald dat de veiligheid van het kind of de omgeving in het geding is. Dus deze kinderen vallen sowieso binnen de reikwijdte van de Jeugdwet. Zowel het Rijk als de VNG zijn van mening dat de invoering van de eigen bijdrage een kwestie is van politieke afweging door de wetgever, te beginnen door het nieuwe kabinet. Mogelijke gevolgen: Omdat het kabinet tot nu toe nog niet gekozen heeft voor deze interventie, kunnen we op dit moment wettelijk gezien deze interventie nog niet in voeren. Er zijn geen andere gemeenten in Nederland die op dit moment de eigen bijdrage al hebben ingevoerd.

Daarnaast zou invoering leiden tot een negatief imago en zeer waarschijnlijk veel ophef. Het invoeren van een eigen bijdrage.

1.1.2. Interventie 2 informele jeugdhulp – alleen ouders die vallen onder 120% van het minimumloon Het Rijk en de VNG zijn in gesprek om de maatregel eigen bijdrage te bespreken. Vooruitlopend op deze gesprekken heeft de gemeenteraad van Breda al gekozen voor het aanscherpen van de informele jeugdhulp. Gezinnen in Breda met één of meerdere kinderen, met een handicap, een psychische aandoening of een stoornis, moeten de hulp aan huis die ze structureel nodig hebben zelf gaan betalen. Een informeel persoonsgebonden budget stelden hen eerder in staat om dichtbij huis, met vertrouwde personen, steun te organiseren en dat jarenlang vol te houden. Alleen ouders die minder verdienen dan 120% van het minimumloon hebben nog recht op deze vorm van jeugdhulp. Mogelijke gevolgen: Het betreft gezinnen in een kwetsbare positie, die financieel en sociaal onder druk komen te staan. Concreet betekent deze verordening namelijk, dat gezinnen eerst alle eigen reserves moeten uitputten voordat ze de gemeente om hulp kunnen vragen. Zowel financieel door hulp in te kopen, als ook sociaal door een beroep te doen op hun netwerk. Verdient een gezin toch nog te veel? Dan moeten zij bewijzen dat ze het echt niet aankunnen. De eerste resultaten na de invoering van deze interventie zijn nu nog niet bekend. Het is ook nog onduidelijk wat de gevolgen van dit besluit zijn op de langere termijn.

Zouden de ouders besluiten dan de hulp niet in te kopen? En krijgen de kinderen die hulp nodig hebben dan geen hulp? Welke gevolgen heeft dit op de langere termijn? Het besluit zorgt in ieder geval op de korte termijn voor extra stress bij de ouders.

Situatie in onze gemeente: Wij doen het financieel gezien juist erg goed op het gebied van Persoons Gebonden Budgetten (PGB). Gemeente Kapelle blijft dit jaar op het gebied van de PersoonsGebonden Budgetten (PGB’s) ruim binnen de begroting op dat specifieke onderdeel. Hier een interventie invoeren die moet leiden tot kostenbesparing lijkt niet voor de hand liggend. Ogenschijnlijk zit daar weinig ruimte meer in om de kosten nog verder terug te dringen. Los daarvan zetten we de PGB’s alleen in wanneer formele jeugdhulp echt niet passend is. Dus alleen bij uitzonderlijke situaties. Het zijn dan de maatwerkoplossingen die we anders niet hadden kunnen realiseren. Het uitblijven van deze maatwerkoplossingen zal op termijn kunnen leiden tot escalaties en daarmee inzet van zware duurdere formele jeugdhulp. Vergoeding voor de informele jeugdhulp is alleen beschikbaar voor ouders die vallen onder 120% van het minimumloon.

1.1.3. Interventie 3 budgetplafond Het budgetplafond is een bedrag dat we vooraf afspreken met de zorgaanbieders, waar de zorgkosten niet boven mogen komen. Het bedrag verdelen we onder de zorgaanbieders op basis van ons beschikbare budget, historische aantallen, aantal aanbieders en prijs van een traject of product. Als deze grens is bereikt dan zit de zorgaanbieder vol. Inwoners die hulp zoeken, moeten dan naar een andere zorgaanbieder worden doorverwezen. Mogelijke gevolgen: Een budgetplafond leidt in veel gevallen tot wachttijden, onbegrip, schijnzekerheid en misschien zelfs verminderde kwaliteit. Een budgetplafond zorgt voor de verdeling van de markt tussen bestaande zorgaanbieders. Afspraken maken met de verschillende zorgaanbieders over hun budgetplafond zegt niets over het totale jeugdhulpbudget. Daarmee is wel inzichtelijk welke zorgaanbieders bij ouders favoriet zijn. Een budgetplafond voor het totale jeugdhulpbudget is wettelijk gezien niet haalbaar. Een zorgaanbieder zal dan aangeven dat er door de gemeente geen toestemming wordt gegeven voor de hulp en dat ze wellicht wel mogen starten bij een instelling die niet hun eerste voorkeur heeft. Of iemand van het CJG moet tegen de ouders zeggen dat hun eerste keuze helaas vol is en dat er moet worden uitgeweken naar een andere aanbieder.

Gemeenten die een budgetplafond toepasten hebben gemerkt dat dit een soort schijnzekerheid gaf. Op het moment dat een plafond bereikt was, moest dat verlegd worden vanwege de verantwoordelijkheid die een gemeente draagt voor kwetsbare jeugdigen en de hulp die zij nodig hebben. In de praktijk kan het doorverwijzen naar een andere zorgaanbieder betekenen dat een jeugdige geen passende hulp krijgt. Dit is wel onze wettelijke taak. Budgetplafonds leveren over het algemeen langere wachttijden op. Voordat overleg heeft plaatsgevonden en aanvullende afspraken zijn gemaakt met de zorgaanbieders is er al weer een bepaalde tijd verstreken. Dit komt niet ten goede aan de hulp van de jongeren. Budgetplafonds leiden niet tot een positieve prikkel voor innovatie bij zorgaanbieders. Door de markt vooraf te verdelen onder de zorgaanbieders zal het niet leiden tot concurrentie of innovatie. Organisatorisch zou het ook een probleem opleveren. We zouden afwijken van de afspraken die er Zeeuws breed zijn gemaakt via de IJZ. Daarmee brengen we die samenwerking in gevaar. Voor een relatief kleine gemeente als Kapelle levert de samenwerking met IJZ ook veel voordeel op. Het zou ons ontzettend veel geld kosten om de taken van IJZ lokaal te organiseren (contractbeheer, ICT, data analisten, etc.).

-

Er zijn al een aantal gemeenten die besloten hebben te stoppen met budgetplafonds. In de gemeente Apeldoorn bijvoorbeeld leverde de invoering van budgetplafonds schrijnende situaties op. Invoeren van het budgetplafond

1.1.4. Interventie 4 begrenzen van de jeugdhulpplicht langs de lijn van de zwaarte van de problematiek Op dit moment is in de Jeugdwet een jeugdhulpplicht opgenomen, volgens het principe ‘doen wat nodig is’. Een alternatief is om de jeugdhulpplicht te concretiseren door aan te geven wanneer gemeenten verplicht zijn jeugdhulp te bieden. Een mogelijke invulling is, dat de zorgplicht in de volgende 3 situaties geldt: 1. Er zijn zorgen over de veiligheid van het kind. 2. Het kind kan zonder jeugdhulp onvoldoende deelnemen aan het gewone leven. 3. De sociale omgeving van het kind is onvoldoende in staat om op eigen kracht het kind in een gezinssituatie te laten opgroeien en te ondersteunen in een gezonde ontwikkeling. De VNG heeft dit scenario benoemd in ‘Maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet’, maar het is nog niet overgenomen door het Rijk. Vooruitlopend op het Rijk is de gemeente Leeuwarden (als onderdeel van de Inkoopregio Sociaal Domein Fryslân) al aan de slag gegaan met de begrenzing van de specialistische jeugdzorg. Dit met als doel om de jeugdzorg te verbeteren en tegelijkertijd er voor te zorgen dat het gemeenschapsgeld zo goed mogelijk wordt besteed. De regio heeft nu een aanbesteding in voorbereiding waarbij de gemeenten met aanbieders in zee gaan, die vooral verantwoordelijkheid nemen voor de zwaardere jeugdhulp.

Voor ‘lichte’ problemen gaat de deur naar specialistische jeugdhulp dicht. Daarnaast investeren ze in het voorliggend veld. Denk aan de POH-JGGZ en de sociale wijkteams. Alleen specialistische jeugdhulp wordt regionaal gecontracteerd. Voor de zwaardere hulp willen de achttien Friese gemeenten meerjarige afspraken maken met een beperkt aantal aanbieders. Mogelijke gevolgen: De genoemde criteria zijn nog niet genoeg uitgewerkt om er echt mee aan de slag te kunnen. Wanneer de gemeenteraad deze interventie verder wil uitwerken zullen we met de bovengenoemde gemeenten contact op nemen en vragen hoe zij dit hebben opgepakt. Er zijn nog geen resultaten bekend van de aanpak van Leeuwarden. We gaan de juridische grenzen onderzoeken in het kader van de jeugdhulpplicht ten aanzien van de volgende drie situaties: 1. Er zijn zorgen over de veiligheid van het kind. 2. Het kind kan zonder jeugdhulp onvoldoende deelnemen aan het gewone leven. 3. De sociale omgeving van het kind is onvoldoende in staat om op eigen kracht het kind in een gezinssituatie te laten opgroeien en te ondersteunen in een gezonde ontwikkeling. Daar ontwikkelen we criteria aan waar we de hulpaanvraag aan toetsen.

1.2. Interventies die passen bij scenario 3 1.2.1. Interventie 5 inzet op het brengen van het CJG in de scholen: zorg in en om de school. Scholen zijn een belangrijke vindplaats van kinderen met extra zorgbehoeften. De ervaring is dat problemen steeds vaker de expertise of de mogelijkheden van een school overstijgen. Om ervoor te zorgen dat deze kinderen de juiste hulp krijgen, werken scholen samen met hulpverleningsinstanties in een Zorgadviesteam (ZAT). In een ZAT vindt een multidisciplinaire beoordeling van een casus plaats en worden afspraken gemaakt over de

inzet en coördinatie van zorg. Het ZAT vervult daarmee verschillende functies die eveneens bij het CJG zijn neergelegd. Een duidelijke verbinding tussen het CJG en ZAT is daarom belangrijk en voorkomt dubbel werk. Maar de verbinding tussen het CJG en (basis en middelbaar) onderwijs kan natuurlijk verder gaan dan alleen ZAT’s. De ZAT’s komen namelijk pas in beeld bij complexe en meervoudige problematiek. Als we willen voorkomen dat problemen ontstaan of groter worden, is het noodzakelijk dat er voldoende preventieve zorg beschikbaar is op scholen. Scholen zijn immers een vanzelfsprekende plek voor ouders om naar toe te gaan. Hier liggen volop mogelijkheden voor het CJG en het onderwijs om samen te werken aan preventie. Zo is een school een goede plek om voorlichting te geven, bijvoorbeeld tijdens een ouderavond, of om preventieprogramma’s in te zetten. Het CJG kan informatie over opvoeden en opgroeien verspreiden via folders of de schoolgids. Daarnaast kunnen CJG-medewerkers (consulenten) een belangrijke rol vervullen als schakel met bijv. maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg. Tegelijkertijd biedt het laagdrempelig een mogelijkheid om geconsulteerd te worden door leerkrachten en intern begeleiders.

Mogelijke gevolgen: Er is behoefte aan extra inzet, maar de financiële capaciteit staat vaak zowel bij de scholen financiële capaciteit staat zowel bij de scholen als bij ons onder druk. Tegelijkertijd speelt de discussie over de verdeling van verantwoordelijkheden. Hoewel scholen en gemeenten elk een (wettelijke) verantwoordelijkheid hebben voor de zorg aan kinderen, zijn de grenzen hiervan onduidelijk. Het is aan gemeenten, om vanuit hun regierol, duidelijke afspraken te maken met schoolbesturen over de inzet van preventieve zorg. Evenals bij ouders en jeugdigen is het raadzaam om vraaggericht te werken. Waar ligt de ondersteuningsbehoefte van scholen? En wat is er nodig om ervoor te zorgen dat signalen tijdig en adequaat worden opgepakt? Het realiseren van een stevige verbinding tussen het CJG en onderwijs vraagt om draagvlak tussen de betrokken partners. Situatie in onze gemeente: Het CJG en de ZAT hebben regelmatig overleg met alle scholen binnen de gemeente. Het CJG wordt ook buitenom het spreekuur door de scholen benaderd voor een consultatie. Ook wordt het CJG gevraagd om af en toe mee te denken of een situatie door te spreken. Het CJG neemt deel aan de ZAT’s. Dat verloopt dusdanig naar tevreden dat de CJGconsulenten in toenemende mate ook op andere momenten worden geconsulteerd. Ze worden dan bijv. gevraagd om mee te denken.

Bij inzet van deze interventie zouden we willen inzetten op een stevige positie bij alle scholen en daarmee aanvragen voor geïndiceerde jeugdhulp af te vangen. We zien namelijk nog steeds dat scholen snel verwijzen naar de huisarts in plaats van het CJG. Dit zou bijvoorbeeld kunnen met spreekuren in de scholen voor zowel het onderwijs als ook door ouders. We zijn er dan vroeg bij, waar een preventieve werking vanuit gaat. Tegelijkertijd kan het ook een aanzuigende werking hebben. Daarmee blijft de bewustwording ‘alleen indiceren wanneer strikt noodzakelijk’ erg belangrijk. Tussen onderwijs en beleid (ook op het gebied van jeugd) vindt met enige regelmaat afstemming plaats. De uitbreiding van het CJG is ter sprake geweest. Vanuit het onderwijs wordt het voordeel gezien, maar prioriteit gesteld bij het ontwikkelen van voorliggend aanbod in de vorm van JGGZ in de scholen. Inzet op een stevige positie bij alle scholen en daarmee aanvragen voor geïndiceerde jeugdhulp voorkomen. We zien namelijk nog steeds dat scholen snel verwijzen naar de huisarts in plaats van het CJG. Daarnaast gaan we vindplaatsgericht aan de slag.

1.2.2. Interventie 6 huisartsen en doorverwijzingen Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 en 3 zijn huisartsen, jeugdartsen en medische specialisten wettelijke verwijzers in de jeugdwet. In de praktijk houdt dat in dat het CJG niet iets anders kan vinden, of zelfs besluiten, t.a.v. de situatie. De doorverwijzing dient enkel geformaliseerd te worden middels het afgeven van een beschikking jeugdhulp. Voor het doorverwijzen In de afgelopen periode is geprobeerd door inzet van POH-jeugd GGZE (gericht op psychiatrische gezondheid van jeugdigen) invloed uit te oefenen op de verwijzingen. Er heeft een evaluatie plaats gevonden. De vooraf gestelde doelen om zo’n 75% van jeugdigen als het ware af te vangen zijn niet behaald. Corona en de bijbehorende maatregelen worden daarin genoemd als meest voorname oorzaak. Dit heeft een negatieve invloed gehad op de psychische problematiek onder jeugdigen: komt vaker voor en is zwaarder van aard. Vanuit dat perspectief lijken de behaalde resultaten niet eens zo slecht. In zo’n 60 tot 65% van de gevallen was een verwijzing naar geïndiceerde jeugdhulp uiteindelijk niet nodig. Aangezien jeugd GGZ één van onze grootste kostenposten is, hebben we ervoor gekozen de pilot voort te zetten. We willen hier invloed op blijven uitoefenen. Hadden we de pilot niet gehad, dan waren de aantallen en bijbehorende kosten jeugd GGZ vermoedelijk nog veel hoger geweest.

Een mooi resultaat is dat de samenwerking tussen huisartsen en POH een positieve invloed heeft gehad op de samenwerking met het CJG. De POH kan daarin soms als schakel fungeren. Na het doorverwijzen Na het doorverwijzen door een arts staat echter vaak nog niet vast welke vorm van jeugdhulp in welke mate nodig is. In de praktijk is het dan vaak de jeugdhulpaanbieder zelf die, samen met de jeugdige en/of ouders, beoordeelt welke specifieke voorziening nodig is, in welke omvang en hoe lang. Kortom, de rol van de jeugdhulpaanbieder ter bepaling van de zorginzet is op dit moment veelal cruciaal. Het CJG zou bepalend moeten zijn. Uiteraard moeten we daarin ruimte laten voor de expertise van de aanbieder. Situatie in onze gemeente Samenwerking met de huisartsen Met de meeste huisartsen hebben we in de afgelopen periode gesprekken gevoerd. We streven ernaar bij alle praktijken binnen te komen. Twee van de drie huisartsen geeft al aan zo min mogelijk zelf te indiceren van jeugdhulp. Zij verwijzen jeugdigen en hun ouders eerst naar het CJG, zodat zij de inschatting kunnen maken. Gezien het hoge aantal indicaties (op onder andere GGZ) afgegeven door andere wettelijk verwijzers dan het CJG, lijkt het raadzaam opnieuw de gesprekken met de huisartsen aan te gaan en de samenwerking te intensiveren. Protocol Inmiddels is er een protocol opgezet (beoordelingskader) waarmee gewerkt wordt.

Eventuele discussies achteraf kunnen daarmee voorkomen worden, omdat er vooraf door middel van een protocol een kader is geschept waarbij de professionaliteit van de jeugdhulpaanbieder voorop staat. Dit protocol betekent niet dat de gemeenten te pas en te onpas mogen ingrijpen in het proces van zorginzet na verwijzing. Voorkomen moet worden dat jeugdhulpaanbieders onnodig / zonder aanleiding belast worden door de gemeenten. Het vertrekpunt voor de afstemming tussen gemeente en jeugdhulpaanbieder blijft vertrouwen. Wij adviseren om dit de komende tijd te monitoren en dit eventueel aan te vullen met andere manieren waarop we tijdig afstemming kunnen hebben met de jeugdaanbieders. We gaan ons inzetten om te komen tot een door alle betrokkenen gedragen protocol. We gaan vindplaats gericht aan de slag.

1.2.3. Interventie 7 prenataal huisbezoek Het prenataal huisbezoek is opgenomen als gemeentelijke taak in de Wet Publieke Gezondheid (WPG) per 1-6-2022. Met de wijziging worden gemeenten verplicht een prenataal huisbezoek aan zwangere en/of gezinnen in een kwetsbare situatie aan te bieden. Het prenataal huisbezoek werd door elf andere Zeeuwse gemeenten al eerder als aanvullende dienst ingekocht. Ondanks het niet afnemen van deze aanvullende dienst zijn er ook aanstaande moeders geweest, in onze gemeente, die geholpen zijn door de jeugdverpleegkundige via het netwerk van Kansrijke Start. Kansrijke Start is een lokaal netwerk dat zich inzet voor een goed verloop van de eerste 1000 dagen van iedere jeugdige. Er wordt samengewerkt door partijen als kraamzorg, jeugdverpleegkundige en ziekenhuizen. Enerzijds hebben zij een signalerende functie, anderzijds bieden ze zelf hulp en/of verwijzen binnen het netwerk in een vroeg stadium wanneer nodig. Wij adviseren om vooruitlopend op deze wettelijke taak alvast de prenatale huisbezoeken in te kopen. Mogelijke gevolgen: Een extra bijdrage voor het afnemen van dit product. Binnenkort ontvangt het college hierover een voorstel. We zetten in op Prenatale huisbezoeken.

1.2.4. Interventie 8 extra lokale inzet boven op het Zeeuwse project Kind en Echtscheiding We willen vasthouden aan het project en inzichtelijk maken hoeveel gezinnen hier gebruik van maken in onze gemeenten. Eerder hadden we alleen de Zeeuwse cijfers. Hierover zijn inmiddels afspraken gemaakt. Toch kunnen wij ons voorstellen dat er veel meer kinderen en ouders geholpen zouden kunnen worden. We zien namelijk dat het aantal scheidingen binnen onze gemeente in de afgelopen 10 jaar is toegenomen met 40% (meetmoment 2020). Daarom willen we aanvullend op het Zeeuwse project onderzoeken of we dit ook lokaal kunnen aanvullen. Het CJG zou in samenwerking met de scholen misschien al vroegtijdig signalen kunnen ontvangen van mogelijke vechtscheidingen. Mogelijke gevolgen: Extra uren om dit bij te houden. Situatie in onze gemeente: Naast het bovenstaande zijn we in onze gemeente ook al bezig met een gerichte interventie die mooi aansluit bij deze interventie. Het gaat om een project dat nog in de kinderschoenen staat. Als gemeente gaan we inwoners, die willen scheiden en tips willen hebben over financiën, een handreiking doen. Daaraan willen we de mogelijkheid koppelen om een verkennend gesprek met een professional aan te gaan. Zoals bijvoorbeeld maatschappelijk werk. De professional zal breed naar de situatie kijken, dus naar meer levensgebieden.

Op die manier is de scheiding vroeg in beeld en kunnen de negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen worden. -

We willen het aantal aanvragen rondom vechtscheidingen te registreren. Vroegtijdig signalen ontvangen over mogelijke vechtscheidingen door samenwerking CJG en de scholen. Vervolgens gerichte interventies inzetten om te voorkomen dat het een vechtscheiding wordt.

1.2.5. Interventie 9 versterken veerkracht kinderen en hun omgeving In hoofdstuk 6 werd al aangegeven dat zowel het Rijk als de VNG hier graag op zou willen inzetten. Dit is ook een punt dat ter sprake kwam in onze gemeenteraadsvergadering. Veel kinderen ontvangen nu onvoldoende steun vanuit het eigen netwerk, waardoor ze sneller

dan voorheen een beroep doen op jeugdhulp. Het vergroten van de veerkracht van ouders en scholen voorkomt instroom in jeugdzorg. Zoals al aangegeven zijn er nog geen concrete interventies genoemd door beide partijen. De interventies zouden zich moeten richten op: het versterken van het pedagogisch klimaat thuis en op school; inclusie van brede variatie aan kinderen; het versterken van beschermende factoren en het versterken van vroegsignalering en -interventie. Opmerkingen: Een optie die hierbij aansluit is wellicht in te zetten op de (mentale) weerbaarheid van jongeren. Dat maakt dat ze beter opgewassen zijn tegen bepaalde omstandigheden. Er zijn ook andere gemeenten die inzetten op weerbaarheidstrainingen op al hun basis- en middelbare scholen. We willen met de scholen in onze gemeenten inzetten op weerbaarheidstrainingen op de scholen. De acties moeten daarbij uit de samenleving komen. Situatie in onze gemeente: De doorontwikkeling van het Kapels netwerk sluit hier ook op aan. We willen proberen veel meer door te dringen in de haarvaten van de Kapelse samenleving: Er vroeg bij zijn, informele netwerken versterken en daarmee zelfredzaamheid vergroten. Uiteindelijk is de bedoeling daarmee het beroep op geïndiceerde (jeugd)hulp te laten afnemen. Tevens zetten we in op normaliseren en niet onnodig problematiseren.

Bij elke aanvraag wordt overwogen of bij de situatie/aanvraag door de overheid moet worden ingegrepen. Liever benutten we meer laagdrempelige oplossingen. Enerzijds dient wat we al hebben beter benut te worden. Anderzijds zijn we op zoek naar hiaten en zullen we daar invulling aan gaan geven. Dit hangt eigenlijk ook samen met de projecten en experimenteren. Er zijn allerlei signalen m.b.t. wat er nodig is: JGGZ in het onderwijs, coaching voor jongeren die tussen wal en schip dreigen te vallen, steungezinnen die kunnen voorkomen dat een jeugdige of zelfs heel systeem overbelast raakt, etc. We willen samen met de scholen in onze gemeenten inzetten op een weerbaarheidstraining op de school. Denk bijvoorbeeld aan een judo weerbaarheidstraining op de scholen. Daarnaast vragen we ze ook of zij zelf nog ideeën hebben voor het versterken van de veerkracht van kinderen en hun omgeving.

1.2.6. Interventie 10 Steungezinnen en Samen oplopen Deze vorm van steun wordt ingezet bij gezinnen in uiteenlopende kwetsbare situaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ouders die vaak weinig netwerk hebben om op terug te vallen. Steunouders helpen ouders die het moeilijk hebben op vrijwillige basis 1 of 2 dagdelen per week. De ouders komen dan tot rust en de kans dat ouders zelf voor hun kind(eren) kunnen blijven zorgen neemt toe. Een (gemeentelijk) coördinator werft vrijwilligers en hulpvragers en zorgt voor een goede match. De coördinator zorgt ook voor ondersteuning van de vrijwilliger. De coördinator heeft een hulpverleningsachtergrond, zodat deze expertise ook kan worden ingezet binnen het gezin. Doelgroep: lichte(re) problematiek. Veelal gezinnen met jonge kinderen. Wordt regelmatig ingezet ter vervanging van (weekend)pleegzorg, Sociaal Medische Indicatie (SMI) of zorgboerderij. Bij Samen Oplopen worden gezinnen of jongeren met complexe zorgen gesteund door toegewijde vrijwilligers met begeleiding van een hulpverlener als coördinator. Dit is een krachtige mix van informele en formele zorg.

Situatie in onze gemeente: Regionaal wordt er een project met betrekking tot Samen Oplopen en Steungezinnen opgezet. Een voorstel leggen we binnenkort voor aan de gemeenteraad. Deelname aan het project Steungezinnen en Samen Oplopen. Samen met de andere gemeenten wordt dit verder vormgegeven en er zal dan een voorstel richting de raad volgen.

1.2.7 Interventie 11 kwaliteitsmedewerker binnen gemeente aanstellen Als gemeente kunnen we extra controle uitoefenen op de afgegeven beschikkingen door ze inhoudelijk te laten beoordelen door een kwaliteitsmedewerker. De procescoördinator ontwikkelt zich eveneens in die rol. Totdat dat proces is afgerond, kunnen we een extra controle instellen. Dit vraagt echter om een investering. Iemand moet zich daarvoor vrij maken of voor worden aangenomen. Een tijdelijke extra controle instellen van een kwaliteitsmedewerker die de afgegeven beschikkingen inhoudelijk beoordeeld.

1.2.8. Interventie 12 Kinderopvang+ (een alternatief voor ouders met kinderen met een beperking Ook hebben we de CJG-medewerkers gevraagd naar hun input voor mogelijke nieuwe interventie. Eén van de voorgestelde interventies betrof een ogenschijnlijke, lokale verruiming van de jeugdwet. Het CJG schat in we met deze interventie zouden voorzien in een bepaalde noodzaak en mogelijkerwijs andere dure oplossingen overbodig maken. Er werd aangegeven dat er geen alternatief is voor zorgboerderijen / dagbesteding / kinderen die nu een individueel PGB hebben voor een verkapte oppas functie. Deze overbelaste ouders hebben behoefte aan opvang door hun werk en hebben kinderen die niet naar de reguliere opvang kunnen. De dagarrangementen voldoen dan vaak net niet. Het idee is als volgt: een kinderopvang met een plus voor kinderen met een beperking die niet in de reguliere opvang mee kunnen. De ouders betalen net als alle andere ouders een eigen bijdrage voor de opvang. En daarnaast krijgen ze net als alle andere ouders een kinderopvangtoeslag afhankelijk van het inkomen. De gemeente kan dan overwegen om de plus te vergoeden, want deze opvang zal duurder zijn dan reguliere opvang. Opmerkingen: Wij vinden dit geen jeugdhulp/jeugdwet, maar het kan mogelijk wel in een samenwerking met andere beleidsterreinen van de gemeente.

Binnen het CJG denken de consulenten dat dit een flinke bezuiniging kan opleveren. Het is goedkoper deze kinderen in een groep op te vangen dan individueel of op zorgboerderijen, waar ze met busjes naar toe moeten. Als je het lokaal organiseert, stimuleer je ook contacten met leeftijdgenoten op hun niveau én in de buurt. Het gevolg zou kunnen zijn dat ze, onder begeleiding van hun ouders, ook buiten de opvang met elkaar kunnen spelen. Ook bespaar je vervoerskosten. Voorstel uitwerken voor opvang van kinderen die niet binnen de reguliere kinderopvang kunnen worden opgevangen. Met een berekening wat dit aan kostenbesparing zou kunnen bijdragen.

1.2.9. Interventie 13 lichte opvoedingsondersteuning door een opvoed-/gezinscoach Een andere interventie die benoemd is door het CJG is lichte opvoedondersteuning. Deze springt dan in het gat tussen de GGD en geïndiceerde begeleiding. Het CJG probeert dit ook deels te doen, maar heeft daarvoor te weinig uren en zou dit liever afnemen bij de GGD omdat niet alle medewerkers beschikken over de vaardigheden die daar bij komen kijken.

Daar heet dit een 5 gesprekkentraject. Deze kunnen we inkopen bij de GGD als maatwerk activiteit. De gemeente Borsele heeft ook een soort van opvoed-/gezinscoach in dienst bij de gemeente. Er kan ook geworden kozen voor bijvoorbeeld een jongerencoach. Speciaal voor de jongeren die net “te goed zijn” voor een beschikking, maar het toch lastig hebben om mee te komen begeleiding kunnen krijgen. Het doel is om de zelfredzaamheid van gezinnen te vergroten. Iemand loopt kort mee op om lichte hulp te bieden die bijdraagt aan een oplossing binnen het eigen netwerk en vergroten van vaardigheden bij ouders. Uitzoeken wat er voor nodig is om dit wel onder te brengen bij het CJG (extra uren of training?) en navragen wat de kosten zijn van afname bij de GGD.

1.2.10. Interventie 14 samenwerking CJG en welzijn versterken Deze interventie zal onder andere meer gestalte krijgen bij de doorontwikkeling van het Kapels netwerk. Dit is bedoeld om de vraag in kaart te brengen en aanbod te faciliteren. Het CJG heeft aangegeven dat ze graag zouden zien dat er meer samenwerking komt met welzijn. Zo zou eens gekeken kunnen worden naar ondersteuning van ouders met kinderen met een beperking. Daarnaast zullen het jeugd- en jongerenwerk en het CJG begin volgend jaar gesprekken voeren over een intensievere samenwerking. Het gaat o.a. om verstevigen van samenwerking tussen CJG tov Jeugd-Jongerenwerk, welzijnswerk, maatschappelijk werk, etc. Zij (gaan) voorzien in waardevolle informatie waarop we gerichte interventies kunnen baseren. Vervolgens zorgen zij ervoor dat ze maximaal benut worden.

1.2.11. Interventie 15 POH jeugd (vanuit CJG) Zoals eerder omschreven breiden we de CJG-uren voor het onderwijs uit. Er wordt niet alleen aan de ZAT’s deelgenomen, maar er worden ook spreekuren op de scholen georganiseerd. Dit vraagt om een uitbreiding van capaciteit. Tegelijkertijd zorgt het voor een stevigere positie van het CJG op een voorname vindplek van problemen onder jeugdigen. We gaan de capaciteit ten aanzien van het CJG uitbreiden. En zorgen voor een stevigere positie van het CJG.

1.2.12. Interventie 16 Verenigingen en kinderen met een beperking We zouden willen onderzoeken hoeveel en welke verenigingen er op een aanbod hebben voor kinderen met een beperking. Daarnaast willen we kijken hoe we deze verenigingen kunnen ondersteunen dit eventueel uit te breiden. Onderzoeken hoeveel verenigingen op dit moment de mogelijkheid bieden aan kinderen met een beperking om bij hun vereniging te sporten.

1.2.13. Pilots en experimenten en monitoring In hoofdstuk 7 beschreven we al dat gemeenten die geen budgetoverschrijding hebben, hadden ingezet op pilots en experimenten. Het is een belangrijke randvoorwaarde om aan de slag te gaan met pilots en experimenten. Het gaat over op een lerende manier werken 1et pilots en experimenten. Wetend dat zaken anders zouden lopen dan verwacht. Wij willen ook tot gerichte interventies komen, maar dat vraagt ruimte en capaciteit om te experimenteren.

Ook monitoring is een randvoorwaarde om aan de slag te gaan met de interventies. Aan de hand van de resultaten kunnen we bepalen of interventies, al dan niet, geslaagd zijn en voortgezet kunnen worden. Daarbij maken we gebruik van data van IJZ (bijvoorbeeld grootste kostenposten en opvallende stijgers), maar ook input en signalen vanuit het CJG, samenwerkende organisaties en inwoners. Data geeft ons de mogelijkheid om ontwikkelingen te ontdekken en aan de hand daarvan gerichte interventies te bepalen. Ook regionaal (Zeeuws) trekken gemeenten steeds meer met elkaar op om het gebruik van data te optimaliseren. Er is een motie aangenomen in de in de gemeenteraad om de kosten per cliënt voortaan op te nemen in rapportages. Het voorstel is om standaardwaarden te bepalen die we iedere drie maanden communiceren. Standaardwaarden kunnen zijn: Hoeveel van het budget is verbruikt? Het aantal unieke cliënten. De 5 grootste kostenposten binnen geïndiceerde jeugdhulp. De opvallende stijgers op productniveau.

Tenslotte geven we in hoofdstuk 2 aanbevelingen.

Hoofdstuk 2 Aanbeveling 2.1 Aanbeveling van het college Het college vindt het belangrijk dat kinderen in nood geholpen worden. Het voorstel is om daarom te investeren in het voorliggend veld (scenario 3). We zagen al in hoofdstuk 7 dat de gemeenten die geen overschrijding hadden juist in de afgelopen jaren hadden geïnvesteerd in preventie en vroegsignalering. Dit is ook de richting die het college graag zou willen volgen. Ook vindt zij de wisselwerking tussen het CJG en het voorliggend veld cruciaal. In bovenstaande kentering is de doorontwikkeling van het Kapels netwerk essentieel. Tezamen met data zal de input vanuit het Kapels netwerk van groot belang zijn om te bepalen welke gerichte interventies we toepassen. Dit netwerk van professionals heeft een sleutelpositie binnen ons sociaal domein. Zij staan in verbinding met de formele netwerken (professionals bij organisaties) en informele netwerken (vrijwilligers, verenigingen, etc.). Daar komen alle signalen samen en kan gezamenlijk de meerwaarde van een interventie ingeschat worden en in samenspraak met beleid vormgegeven worden. Door nadrukkelijker in te zetten op preventie verwachten we de kosten voor geïndiceerde jeugdhulp te kunnen verlagen. Daar waar laagdrempelige voorzieningen in een vroeg stadium benut kunnen worden, is zware ondersteuning later minder vaak nodig.

Gezien de tegenvallende financiële resultaten op het gebied van jeugd vraagt dat om lef. Het lijkt immers in eerste instantie niet logisch om meer geld uit te gaan geven als de uitgaven al groter zijn dan begroot. Als we echter de ambitie hebben bovenstaande kentering teweeg te brengen, zullen we die kracht moeten bijzetten door een structureel budget vrij te maken voor preventie Met dat budget kunnen we gerichte interventies in het voorliggend veld doen. Vervolgens monitoren we het effect aan de hand van data. Zien we de gevolgen? Nee, dan gaan we iets anders proberen. We hebben de data op dit moment nog niet optimaal benut. Aanvankelijk waren er te weinig goede data beschikbaar. Nu de kwaliteit is verbeterd, leren we met elkaar (Zeeuws breed) deze optimaal te benutten. Door een breder spectrum aan voorliggende voorzieningen te creëren, kunnen zowel in- als uitstroom hoogstwaarschijnlijk nog verder positief beïnvloed worden. Het college geeft daarom de aanbeveling om te kiezen voor scenario 3.

2.3 Vervolg Na het vaststellen van het kader door de gemeenteraad op 25 januari 2022, zal er in het 2e kwartaal een uitvoeringsagenda worden opgesteld. De uitvoeringsagenda zal ingaan op de mogelijke interventies die passen bij de door de raad gekozen richting. Het gaat dieper in op de kosten, capaciteit en planning van de bijbehorende interventies. De uitvoeringsagenda zal ter kennisgeving worden voorgelegd aan de gemeenteraad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11576869/1