2022-32a. Herijkt Actieplan Jeugdhulp Gemeente Kapelle
Tekst van het document
5.12 Kind In Echtscheiding Zeeland In Zeeland is in 2019 de pilot Kind In Scheiding Zeeland gestart. Gemeente Kapelle neemt hier ook aan deel. Dit programma stelt zich tot doel om te zorgen dat kinderen minder vaak de dupe worden van vechtscheidingen, door de negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. Het is niet de bedoeling om de scheiding tegen te houden, maar wel om te voorkomen dat deze escaleert en uitmondt in een vechtscheiding. Er zijn andere gemeenten in Nederland die een verband leggen tussen het aantal vechtscheidingen en de aanvragen van jeugdhulp. Het kan dus interessant zijn om hier preventief extra mee aan de slag te gaan. Dit komt ook terug in hoofdstuk 8.
5.13 Nu niet zwanger Nu Niet Zwanger (NNZ) is een preventief en vrijwillig programma uitgevoerd door de GGD. Het zet zich in op het voorkomen van onbedoelde zwangerschappen bij de meest kwetsbaren in de samenleving. De kracht van NNZ is dat het kwetsbare mannen en vrouwen ondersteunt bij het nemen van de regie over hun kinderwens. Het programma is een onderdeel van de drie actielijnen binnen Kansrijke Start (voor, tijdens en na de zwangerschap). In Zeeland draait het programma al sinds 2019. De verwachting is dat het per 2023 zal worden toegevoegd aan het basistakenpakket. In het volgende hoofdstuk geven we aan welke maatregelen de VNG en het Rijk denken om het budget beheersbaar te houden.
23
Hoofdstuk 6 VNG en het Rijk Dit is een overzicht van wat er in het land plaatsvindt. Er worden maatregelen en interventies beschreven.
6.1.
Ontwikkelingen rondom afspraken Rijk en VNG
Zoals gezegd hebben ook het Rijk en de VNG zich sinds 2019 verdiept in dit dossier met bijbehorende vragen. Eerst met een onderzoek, vervolgens met een stuurgroep en dit met een (arbitrage)commissie.
6.2. Het AEF-onderzoek en de arbitragecommissie In opdracht van het Rijk en de gemeenten heeft adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) in 2020 een onderzoek gedaan om te bepalen of, en zo ja in welke mate, de gemeenten structureel extra middelen nodig hebben voor de jeugdzorg. 6.2.1 Stuurgroep maatregelen financiële beheersbaarheid In onderling overleg hebben de VNG en het Rijk begin 2021 besloten om aanvullend op het onderzoek een stuurgroep in te stellen. De meeste punten uit het AEF-onderzoek werden onderschreven, maar er werd gevraagd: meer maatregelen in beeld te brengen die tot beheersing kunnen leiden; nog eens stil te staan bij de bedragen en er moest een ontwikkelingsagenda worden opgesteld. 6.2.2. Uitspraak arbitrage commissie In maart 2021 heeft de VNG een beroep gedaan op de mogelijkheid om arbitrage in gang te zetten. Het oordeel is niet juridisch bindend, maar wel een zwaarwegend advies aan het volgende kabinet. De (arbitrage)commissie heeft de twee eerdere rapporten onder de loep genomen. Ondanks het feit dat het rapport van de commissie niet bindend is, is het interessant om te zien hoe het Rijk en de VNG tegen de maatregelen aankijken. Wanneer we als gemeente ingrijpende keuzes moeten maken, kan het meerwaarde bieden.
Wanneer zowel het Rijk als de VNG aangeven positief te zijn over een maatregel, dan kan (voorzichtig) verwacht worden dat dit de maatregelen zullen zijn waar de komende jaren op zal worden ingezet (door het Rijk en andere gemeenten). Eén van deze maatregelen invoeren kan dus de voorkeur hebben ten aanzien van een andere ingrijpende maatregel, die later misschien weer zou moeten worden teruggedraaid. Waar zijn de gemeenten het over eens: Het stelsel zoals het nu is vormgegeven is financieel onbeheersbaar. De komende jaren verwachten ze nog grotere tekorten. Beide partijen willen de regierol jeugdzorg bij gemeenten laten. In verband met de kansen voor - en de noodzaak tot – de afstemming van jeugdzorg met een andere vorm van zorg en begeleiding. Overzicht van maatregelen waar overeenstemming bestaat tussen het Rijk en de VNG met verwachte budgettaire opbrengst: verstrekken normale leven/veerkracht jeugdigen en hun omgeving: voorkomen en verkorten residentiële zorg; normaliseren voogdijondersteuning; inperken lichte zorgvormen en niet werkende of schadelijke interventies uitsluiten; afbakenen reikwijdte; versterking bestaanszekerheid; selectie en contractering; tariefdifferentiatie; 24
-
beperking verwijzingen naar gecontracteerd aanbod; regionalisering; brede invoering POH-JGGZ; standaardisatie uitvoering; verkenning op basis van onderzoek: analyse in- en uitstroom in jeugdzorg om na te gaan of er nog andere maatregelen mogelijk zijn om de uitstroom te bevorderen en de trajectduur te beperken.
Er zijn ook nog een aantal punten waar nog niet zo veel over is gesproken. En daarmee kunnen ze nog niet worden geplaatst in de voorgaande opsomming: Het gaat om de vereenvoudiging van de jeugdbeschermingsketen, de beperking van de behandelingsduur en de uitwerking van kwaliteitsstandaarden. Verder zijn het Rijk en de VNG het nog niet eens over de toebedeling van kosten voor de toegang van het voorliggend veld en het effect van tijdelijke extra middelen van het Rijk voor de jeugdzorg op het accres van het Gemeentefonds. Het rijk is van mening dat een deel van de extra kosten voor de toegang aan de gemeenten moet worden toegerekend, omdat de gemeenten ook al vóór 2015 verantwoordelijk waren voor het voorliggend veld.
6.3. Toelichting op de maatregelen waar Rijk en VNG het over eens zijn 6.3.1 Verstrekken normale leven/veerkracht jeugdigen en hun omgeving binnen/buiten jeugdwet. Achtergrond: veel kinderen ontvangen nu onvoldoende steun vanuit hun eigen netwerk, waardoor ze sneller dan voorheen een beroep doen op jeugdhulp. Het vergroten van de veerkracht van ouders en scholen voorkomt instroom in jeugdzorg. Maatregel: betreft uiteenlopende interventies die nog niet zijn geconcretiseerd. Hoofdthema’s zijn: het versterken van het pedagogisch klimaat thuis en op school, inclusie van brede variatie aan kinderen, het versterken van beschermende factoren en het versterken van vroegsignalering en -interventie. 6.3.2. Voorkomen en verkorten residentiele zorg Achtergrond: verblijf in residentiële instellingen is duur en regelmatig zelfs schadelijk voor de kinderen die er verblijven. Een verblijfplek die zoveel mogelijk lijkt op thuis is goedkoper en beter. Maatregel: verblijf in een residentiële voorziening vervangen door een oplossing die zo veel mogelijk lijkt op thuis : thuis wonen met zeer zwaar ambulant traject; als thuis wonen niet mogelijk is dan zo gezinsgericht wonen, bijvoorbeeld in een pleeggezin of kleinschalige woonvoorziening. Opmerkingen: zowel het Rijk als de VNG willen de komende jaren meer inzetten op kleinschalige woonvoorzieningen (zoals gezinshuizen).
Er staat niets opgenomen over hoe de kwaliteit van de zorg binnen de kleinschalige woonvoorzieningen kan worden gegarandeerd. 6.3.3. Voogdijondersteuning Achtergrond: ongeveer 12.000 kinderen in Nederland staan onder voogdij van een Gecertificeerde instellingen (GI). Het is beter voor het kind en goedkoper om voogdij bij een burgervoogd onder te brengen. Maatregel: bij gezag beëindiging wordt een burgervoogd aangesteld als iemand in de omgeving van de jeugdige dit op zich wil nemen (in plaats van GI). Opmerkingen: geen.
25
6.3.4. Inperken lichte zorgvormen en niet werkende of schadelijke interventies uitsluiten Achtergrond: lichte ambulante jeugdhulp wordt niet afgegrensd in de Jeugdwet. Met een concrete afbakening van de reikwijdte van jeugdhulp kan een deel van de lichte zorgvraag worden opgevangen door basisvoorzieningen en het eigen netwerk. Maatregel: er wordt nader afgebakend welke lichte vormen van jeugdhulp door de overheid worden geboden. Er zijn 2 opties: 1. Het Rijk zet publieke financiering van lichte vormen van jeugdhulpstop door een scherpe afbakening van de Jeugdwet. 2. Het Rijk faciliteert met een aanpassing van de Jeugdwet dat lokaal scherpere keuzes gemaakt worden bij het inkoopbeleid. Opmerkingen: van veel interventies is onvoldoende duidelijk dat ze werken. Denk hierbij aan paardentherapie, een therapeutische hulphond, een vakantiekamp voor kinderen met een beperking, babythuiszorg en kindercoaching. Ook wij kijken zeer kritisch naar deze aanvragen. 6.3.5. Wettelijke afbakening reikwijdte Achtergrond: in 2019 kreeg 10% van de kinderen jeugdhulp geboden, in 2015 was dat maar 8%. Deze toename roept om een duidelijkere afbakening wanneer individuele jeugdhulp nodig is. Maatregel: normaliseren en demedicaliseren van lichte hulpvragen en afbakenen van de jeugdhulpplicht in drie situaties: 1. Er zijn vastgestelde zorgen over de veiligheid van het kind. 2.
Een kind heeft een aandoening, stoornis of beperking. 3. Een kind kan niet gezond opgroeien en participeren in maatschappij. Opmerkingen: Er is een maatschappelijk debat nodig over welke problematiek bij het opgroeien hoort. 6.3.6. Afbakening jeugdwet in relatie tot andere wetten - Versterking bestaanszekerheid Achtergrond: jeugdproblematiek hangt samen met problemen in bestaanszekerheid. Het is (soms) effectiever om deze onderliggende problemen aan te pakken. Maatregel: brede invoer van de ‘doorbraakmethode’ (ontwikkeld door Instituut voor Publieke Waarden) en maatwerkbudgetten: Aanpakken van onderliggende factoren jeugdproblematiek (wonen, werk, inkomen) in plaats van de jeugdhulp zelf te behandelen. Hierdoor nemen de kosten jeugdhulp af. Verwijzers en jeugdhulpaanbieders kiezen alleen nog voor jeugdhulpinterventies als ze dat goed kunnen onderbouwen. Opmerkingen: het is een interessante manier om naar het vraagstuk te kijken. 6.3.7. Selectie en contractering Achtergrond: meerdere regio’s zijn bezig met het verbeteren van selectie en contractering door verbeteren van inkoopeisen, samenwerking met aanbieders en handhaving. Maatregel: het Rijk kan regio’s hierin steunen op de volgende 2 manieren: 1. Faciliteren van het proces door inrichten van kennispunt inkoop. 2. Verplichten van bepaalde verbeteringen in het proces.
Bijvoorbeeld door Wet toetreding zorgaanbieders (WTZA) aan te vullen met eisen van de kwaliteit van zorg en de bedrijfsvoering en organisatie van jeugdzorginstellingen. Of door aanbieders en GI’s onder te brengen in de Wkkgz. Opmerkingen: geen. 6.3.8. Tariefdifferentiatie Achtergrond: tarieven differentiëren niet tussen kleine aanbieders (lage overhead, goedkope krachten) en specialistische aanbieders (vice versa). Hierdoor zijn tarieven niet eerlijk. Maatregel: het instellen van tariefdifferentiatie. Hierdoor besparen gemeenten op lichte trajecten en er komt geld vrij voor kwaliteit van specialistische zorg. Er zijn 3 opties: 26
1. Rijk stimuleert gemeenten om te differentiëren. 2. Rijk verplicht gemeenten om te differentiëren. 3. Optie 2 én de wetgever bepaalt hoe wordt gedifferentieerd. Opmerkingen: geen. 6.3.9. Beperking verwijzingen naar gecontracteerd aanbod Achtergrond: niet-gecontracteerde zorg is duur en ondoelmatig. Zo veel mogelijk verwijzen naar gecontracteerde zorg is beter. Maatregel: een verwijzing of bepaling mag enkel naar een gecontracteerd aanbod, bij hoge uitzondering mag hiervan afgeweken worden. Verwachte effecten zijn: Kosten dalen, omdat de gecontracteerde zorg doelmatiger is. De gemeenten krijgt betere grip op toegang en kosten en een beter beeld van ontbrekende jeugdhulp. Opmerkingen: geen. 6.3.10 Regionalisering Achtergrond: gemeenten zijn veel tijd kwijt aan het organiseren van jeugdhulp. Coördinatie op regionaal niveau leidt tot afname administratieve lasten, transactiekosten en coördinatiepunten en een betere slagkracht voor transformatie. Maatregel: regionaal organiseren van jeugdhulp. Er zijn 2 opties: 1. Gemeenten gaan over tot een niet-vrijblijvende (NVO) of verplichte samenwerking. Dit gebeurt al in jeugdhulpregio’s. 2. Gemeenten vormen centrumgemeenten die verantwoordelijk zijn voor inrichting jeugdhulpstelsel (toegang, inkoop, backoffice). Opmerking: Wij hebben IJZ opgericht met de andere Zeeuwse gemeenten.
6.3.11 Brede invoering POH-JGGZ Achtergrond: het is niet altijd nodig om een jeugdige door te verwijzen naar jeugdhulp. Een POH-JGGZ kan dit voorkomen. Maatregel: instellen van een POH-JGGZ op huisartslocaties. Deze maatregel heeft 3 effecten: 1. POH-JGGZ lost sommige problematiek op en voorkomt verwijzing. 2. POH-JGGZ signaleert problematiek eerder waardoor lichte jeugdhulp de lange, dure trajecten vervangt. 3. POH-JGGZ verwijst beter naar passende hulp. Dit leidt ook tot afname van dure trajecten en toename van lichte hulp. Opmerkingen: op dit moment hebben we in onze gemeente een pilot met een POH-GGZ.. 6.3.12 Standaardisatie uitvoering Achtergrond: gemeenten en aanbieders zijn veel tijd en geld kwijt aan administratie. Dit komt door variatie binnen uitvoeringsvarianten (inspannings-, output- en taakgericht). Maatregel: standaardiseren van uitvoeringsvarianten voor minder administratie, meer grip en meer mogelijkheden tot sturing: De instrumenten (bekostigingsmodel, contractvormen, etc.) en het format van uitvoering (contracteercyclus, prestatiemeting & rapportage) concretiseren. Optioneel: verplichten van één uitvoeringsvariant per segment jeugdhulp. Opmerkingen: de maatregel lijkt alleen realiseerbaar bij vergaande landelijke afspraken over uitvoeringsvariant, productomschrijvingen, tarief, etc. Dit staat haaks op gemeentelijke beleidsvrijheid.
Bij de nieuwe Zeeuwse contracten zou dit dan moeten worden meegenomen. 6.3.13. Vereenvoudiging keten jeugdbescherming Achtergrond: de jeugdbeschermingsketen kampt met problemen: organisaties werken niet goed samen, passende hulp wordt niet tijdig geboden en gezinsproblematiek krijgt weinig aandacht. Ingrijpende veranderingen zijn dus nodig. 27
Maatregel: De commissie onder leiding van voorzitter Sint stelt niet een nieuwe voor maar onderschrijft een toekomstscenario dat in maart is uitgebracht: Het scenario bevat initiatieven om binnen een termijn van vijf jaar grote innovatie in jeugdbeschermingsketen te realiseren. De 3 hoofddoelen zijn: creëren gezinsgerichte benadering, overstap naar ‘teammodel’, veiligheid en zorg samenbrengen. Opmerkingen: naar alle waarschijnlijkheid start de pilot Vaart in Veiligheid in 2022 in Zeeland. Op dit moment wordt aangegeven dat Tholen gastgemeente zal zijn en dat de hele Oosterschelderegio zal meewerken aan de pilot. 6.3.14. Niet-werkende of schadelijke interventies uitsluiten uit het pakket Achtergrond: staat niet toegelicht. Maatregel: er wordt een lijst opgesteld door wetenschappers en praktijkdeskundigen met niet-werkende interventies die worden uitgesloten van het publiek gefinancierde zorgpakket. Daarnaast wordt er een handvat ontwikkeld om hier landelijk, regionaal en lokaal sturing aan te geven. Gemeenten en jeugdhulpregio’s organiseren op basis van deze lijst en dit handvat de inkoop. We zien dit ook terug in Zeeland bij de contractgesprekken in aanloop naar 2023. Daarin wordt gevraagd om meer aandacht te schenken aan resultaten en effectiviteit. Opmerkingen: geen.
6.4. Nieuw kabinet De Commissie van Wijzen heeft aangegeven dat het Rijk de gemeenten dient te compenseren voor de kosten van de jeugdhulp en dat het Rijk en gemeenten samen een hervormingsagenda moeten opstellen. In het regeerakkoord is deze financiële reeks niet overgenomen. Het VNG heeft al aangegeven dat “deze vanaf 2024 met € 100 miljoen en vanaf 2025 zelfs met € 500 miljoen wordt vermindert. Dit is onhaalbaar. De voorgestelde eigen bijdrage van ouders en de normering van zorgkosten bieden geen adequate dekking”.
6.5. Conclusie Het valt op dat bijna alle maatregelen die eerder door de Arbitragecommissie zijn geselecteerd op dit moment nog niet voldoende zijn onderbouwd. Dit wordt ook gesteld door de Commissie Sint (die de besparingen zelf heeft opgesteld). Ons inziens zijn de tijdspaden vaak onduidelijk (of er kan nu al worden opgemerkt onhaalbaar), terwijl deze wel al als bezuiniging worden ingeboekt. Dit wil niet zeggen dat er geen besparingen mogelijk zijn, maar dat er nog veel werk is in het kader van de Hervormingsagenda om de hervormingen daadwerkelijk te realiseren. Het Rijk en de VNG moeten niet dezelfde fout maken, als in 2015, door een onrealistische taak(stelling) op het bord van de gemeenten te leggen.
In het volgende hoofdstuk kijken we naar gemeenten die op dit moment geen budgetoverschrijding hebben. Wat hebben deze gemeenten met elkaar gemeen?
28
Hoofdstuk 7 Gemeenten die geen budget overschrijding hebben 7.1. Inleiding Dat gemeenten kampen met overschrijdingen van de budgetten voor geïndiceerde jeugdhulp is een landelijk probleem. Het merendeel van de gemeenten, namelijk 97%, is hiermee geconfronteerd. Er is sprake van een structureel probleem wat landelijk, en dus vanuit de overheid, aangepakt dient te worden. Tegelijkertijd ontslaat dat individuele gemeenten blijven proberen om toch de kosten voor geïndiceerde jeugdhulp positief te beïnvloeden. Op zoek naar aanknopingspunten hebben wij ons verdiept in onderzoeken die zijn gedaan binnen de 3% aan gemeenten die binnen hun budget bleven. Het Verwey en Jonker Instituut heeft 5 gemeenten bestudeerd die niet kampen met een overschrijding
7.2. Factoren die kunnen zorgen voor een succesvolle transformatie Deze 5 gemeenten hebben de jeugdhulp en de inkoop verschillend georganiseerd. Toch zijn er een aantal factoren die er misschien samen wel voor zorgen dat de transformatie in deze gemeenten (financieel) succesvol zijn verlopen. Deze factoren zijn volgens het rapport Eigenwijs transformeren: Er is sprake van politiek-sociale stabiliteit in de gemeenten. De visie, waarden en leidende principes zijn in de loop der tijden redelijk stabiel gebleven. Men is zo min mogelijk afgeweken van de ingeslagen weg. Ambtenaren, college van B&W en gemeenteraad zijn goed op elkaar aangesloten. Dit heeft bijgedragen aan een lange termijn visie. De doorgevoerde veranderingen hebben de tijd gekregen om tot dit resultaat te leiden. Gemeenten zijn vroeg begonnen met werken, ruim voor 2015, vanuit de bedoeling van de transformatie. Doelen van normalisering, demedicalisering en tijdige en in samenhang geleverde zorg sloten aan bij de visie van deze gemeenten. Er is op een lerende manier gewerkt, waarbij altijd de inhoud voorop stond en de organisatie daaruit afgeleid en volgend was. Dit gebeurde met pilots en experimenten gebaseerd op vertrouwen. Wetend dat zaken anders zouden lopen dan verwacht maar uitgaande van samen leren en ontwikkelen. Leren krijgt op verschillende manieren, maar steeds op alle niveaus, vorm.
In alle gemeenten is een sterke basis in de eerste lijn gevormd. Een basis uitgaande van wederkerigheid en veelal langdurige samenwerking. Alle gemeenten kennen een hoogwaardige (toegang tot) eerstelijns jeugdhulp, ook al is de organisatievorm anders. Deze eerstelijns jeugdhulp is dichtbij vindplaatsen als onderwijs en huisartsen georganiseerd en er is nauwe samenwerking met zowel het bredere sociale domein als de specialistische jeugdhulp veelal op basis van een netwerkmodel. Er wordt veel aandacht besteed aan de professionele ontwikkeling en kwaliteit van de lokale jeugdhulpprofessional. Ook de specialistische jeugdhulp ontwikkelt zich door de interactie met jeugdprofessionals in de toegang. Gemeenten investeren in preventie en vroeg signalering. De gemeenten zien een stijging in het gebruik van de laagdrempelige eerstelijns jeugdhulp en het lukt om de instroom in de specialistische jeugdhulp beheersbaar te houden of soms zelf kleiner te maken. De jeugdhulprofessionals in de lokale basis- of toegangsteams hebben in al deze gemeenten een groot mandaat. Gemeenten hebben vertrouwen in hun kwaliteit en kunde. Na het opstellen van een gezinsplan of arrangement zijn in deze gemeenten meestal geen afzonderlijke procedures rondom beschikkingen meer nodig voor het leveren van (specialistische) ambulante ondersteuning.
De eerstelijns jeugdhulpprofessionals worden in hun werk ondersteund door specialistische jeugdzorgprofessionals die in de nabijheid van de basisteams zijn georganiseerd. Professionals hebben aandacht voor de mogelijkheden van normalisering.
29
-
-
-
-
-
De visies van de onderzochte gemeenten, die al vroegtijdig zijn ontwikkeld, worden consequent en consistent doorgevoerd. Ze ontwikkelen deze visies door en operationaliseren deze in de lokale prakijken. De wijze waarop de visie de basis vormt voor de interactie tussen professionals en gezinnen geldt ook voor de omgang van gemeenten met professionals en jeugdhulporganisaties. Dit resulteert in korte lijnen, snel schakelen en een cultuur van betrokkenheid en flexibiliteit, waarbij ook back offices een ondersteunende rol kan spelen. De betrokken gemeenten vullen hun rol als opdrachtgever (al dan niet in samenwerking met de betrokken jeugdhulpregio) stevig in, maar op een betrouwbare en rechtvaardige wijze. De gemeenten realiseren zich dat ze voor inhoudelijke kennis en kunde afhankelijk zijn van professionele jeugdhulpaanbieders. Ze voelen zich procesverantwoordelijk en richten zich ook op de lange termijn. De gemeenten nemen zo een sterke rol in het netwerk. Tevens zijn de gemeenten zich ervan bewust dat de transformatie ook een verandering qua gemeentelijke organisatie vraagt. Het risico is dat – zeker in tijden van financiële schaarste – er een risico-regel reflex optreedt en gemeenten meer controle willen. De onderzochte gemeenten leren dat juist doorbouwen op vertrouwen van belang is.
Wat ook lijkt te werken, is om de (jeugdhulp)organisaties samen verantwoordelijkheid te geven voor het te besteden budget en regie te laten nemen voor het proces om samen het beste voor cliënten te organiseren. Gemeenten kunnen dit proces faciliteren door het organiseren van gesprekken en intensieve kennisuitwisseling en reflectie op basis van cijfers en casuïstiek Monitoring speelt in alle geportretteerde gemeenten een grote rol, waarbij er steeds sprake is van een cyclisch proces met aandacht voor zowel data als duiding (tellen en vertellen) zowel binnen de gemeenten als in samenwerking met jeugdhulpaanbieders. De gemeenteraden zijn hier veelal ook nauw bij betrokken. Hoewel de wijze van inkoop en regionale samenwerking verschilt, werken de gemeenten allen vanuit een relationeel netwerkperspectief, waarbij er zowel samenwerking is met grotere aanbieders als ruimte voor kleinere aanbieders. Als er nauwe samenwerking in de regio is, is dat omdat ideeën van de gemeenten goed aansluiten bij die van de regio. In het algemeen zien we ook dat tevredenheid onder inwoners die gebruik maken van jeugdhulp in deze gemeenten hoog is. Deze gemeenten zijn zich bewust dat transformatie een voortdurend proces is.
Hoofdstuk 8 gaat in op de vraag waarmee we ook zijn begonnen. Wat voor gemeente willen we zijn?
30
Hoofdstuk 8 Wat voor gemeente willen we zijn? In deze herijking hebben we in beeld gebracht welke maatregelen in de afgelopen jaren zijn genomen om de kosten te beïnvloeden en wat daarvan de resultaten waren. Ondanks de verschillende maatregelen hebben we nog steeds budgetoverschrijdingen. Wanneer we binnen het budget willen blijven zullen er ingrijpende beleidskeuzes gemaakt moeten worden. De vraag is dan ook of we op de ingeslagen weg doorgaan. Of dat de raad nu zal kiezen voor een andere richting. Dit valt samen met de vraag: Wat voor gemeente willen we zijn? Mogelijke vragen zijn daarbij: Wat doen we met de oplopende kosten? Hoe kunnen we de oplopende kosten beïnvloeden? Willen we een gemeente zijn die per se de oplopende kosten wil terugdringen, of gaan we investeren in de voorkant? Willen we de komende tijd de nadruk blijven leggen op verantwoording en besparingen of willen we een doorontwikkeling? Dit zijn vragen die we graag aan de gemeenteraad voorleggen. Er worden daarom 3 mogelijke scenario’s beschreven. Op basis daarvan kunnen er nieuwe interventies ingezet worden. In het bijgevoegde conceptuitvoeringsplan worden een aantal interventies gepresenteerd die passen bij de twee scenario’s.
Scenario 1: We houden vast aan de ontwikkelingen die al in gang zijn gezet zonder nieuwe interventies. Het uitgangspunt van de gemeente blijft dat kinderen in nood geholpen moeten worden. Dit omdat de gemeente ‘een vangnet biedt in de vorm van regelingen en voorzieningen voor inwoners die niet mee kunnen doen’.1 Met de maatregelen vanuit het Actieplan uit 2019 is een goede start gemaakt. Deze ingeslagen weg zouden we moeten voortzetten. Zo blijven we voortdurend aandacht houden voor hoe we indiceren, de cultuurverandering en de inzet van de coördinator als kwaliteitsmedewerker. De genomen maatregelen hebben er vooralsnog niet voor gezorgd dat de kosten binnen begroting zijn gebleven. We accepteren dat dit de komende jaren zo zal blijven. We nemen geen ingrijpende beslissingen om de oplopende kosten (verder) terug te dringen en wachten op concrete plannen vanuit de centrale overheid. We zijn ons ervan bewust dat dit nog wel enige jaren zou kunnen duren. We investeren niet extra in het voorliggend veld.
Scenario 2: Oplopende kosten beïnvloeden met ingrijpende interventies. In dit scenario zetten we sterk in op nieuwe interventies die zich vooral richten op het terugdringen van de kosten. We leggen de nadruk op verantwoording en besparingen. De maatregelen die bij dit scenario passen hebben ingrijpende gevolgen voor onze inwoners. Denk hierbij aan het invoeren van de eigen bijdragen en het budgetplafond. We gaan hierbij uit van het uitgangspunt dat ‘de inwoners van Kapelle zelf verantwoordelijk zijn voor het herstellen of bevorderen van hun zelfredzaamheid en participatie in de samenleving. Indien nodig biedt de gemeente hierbij actief ondersteuning. De gemeente streeft ernaar dat haar inwoners die zorg en/of ondersteuning nodig hebben en eigen familie of netwerk kunnen deze zorg en/of ondersteuning niet verlenen zij dit van de gemeente ontvangen’ Dit was de visie van de Kapelse raad in aanloop naar de decentralisaties sociaal Domein. In dit scenario gaan we daarbij uit van de meest minimale basis zorg. In het bijgevoegde concept uitvoeringsplan worden een aantal interventies beschreven die passen bij dit scenario met de mogelijke gevolgen van de invoering van deze interventies.
1
De lokale kadernota preventie sociaal domein (2017). 31
Scenario 3: Investeren in de voorkant In aanloop naar de decentralisaties sociaal domein had de Kapelse raad de volgende visie: ‘Inwoners van de gemeente Kapelle moeten ‘daar waar noodzakelijk, tijdig worden ondersteund en bijgestaan zodat doorstroming naar du(u)r(der)e zorg niet of in mindere mate nodig is’. Het uitgangspunt van de gemeente blijft dat kinderen in nood geholpen moeten worden. ‘De gemeente wil een sociale gemeente zijn. Daarbij past een proactief, actief en op maat afgestemd beleid’ aldus de Kapelse raad in aanloop naar de decentralisaties. Met de maatregelen vanuit het Actieplan 2019 is een goede start gemaakt. Deze ingeslagen weg zouden we moeten voortzetten. Zo blijven we voortdurend aandacht houden voor hoe we indiceren, de cultuurverandering en de inzet van de coördinator als kwaliteitsmedewerker. De genomen maatregelen hebben er vooralsnog niet voor gezorgd dat de kosten binnen begroting zijn gebleven. Door een breder spectrum aan voorliggende voorzieningen te creëren, kunnen zowel in- als uitstroom hoogstwaarschijnlijk nog verder positief beïnvloed worden. We zien dat veel gemeenten deze keuze maken, waaronder ook de enkele gemeenten die hun budget niet hebben overschreden. In het bijgevoegde concept uitvoeringsplan worden een aantal interventies beschreven die passen bij dit scenario met de mogelijke gevolgen van de invoering van deze interventies.
Monitoring Ook monitoring is een randvoorwaarde om aan de slag te gaan met de interventies. Aan de hand van de resultaten kunnen we bepalen of interventies, al dan niet, geslaagd zijn en voortgezet kunnen worden. Daarbij maken we gebruik van data van IJZ (bijvoorbeeld grootste kostenposten en opvallende stijgers), maar ook input en signalen vanuit het CJG, samenwerkende organisaties en inwoners. In februari zullen er gesprekken plaatsvinden met vertegenwoordigers van uw raad. Uw wensen over welke informatie en wanneer u deze wilt ontvangen zullen worden besproken.
Financiën Met het 1e scenario houden we vast aan de ontwikkelingen die al in gang gezet zijn zonder extra interventies. Bij dit scenario is er geen extra investering voor de interventies nodig. De verwachting is dat de kosten voor de jeugdhulp de komende jaren zullen oplopen. We verwachten wel dat het woonplaatsbeginsel een positieve uitwerking zal hebben voor onze gemeente. Met het 2e scenario willen we de kosten op een zo kort mogelijk terrein terug te dringen. We gaan zorgvragen ontmoedigen. Het kan zijn dat de gekozen interventies die passen bij dit scenario op later termijn wel extra kosten met zich mee brengen, zoals uitgestelde zorgvragen. Deze kunnen meer complex zijn als ze uitgesteld worden. Met het 3e scenario streven we er naar om met de investering in het voorliggend veld de kosten te stabiliseren naar de aangepaste begroting van 2021. Het is zeer waarschijnlijk dat het tijd nodig heeft voordat onze maatregelen effect sorteren en daarmee de kosten stabiliseren. In eerste instantie zullen we dus een extra investering doen gericht op het voorliggend veld, zoals beschreven in het concept uitvoeringsagenda. Helaas leidt dat niet onmiddellijk tot een 1 op 1-besparing in de totale kosten.
32
Het doel is dat de verdeling van de kosten van geïndiceerde hulp t.o.v. kosten voorliggende voorzieningen verandert.
Geïndiceerde jeugdhulp ten opzichte van kosten voorliggend veld 120 100
2
10 25
80 60 98
90
40
75
20 0 2021
2022 Geïndiceerde hulp
2026
Preventie activiteiten
Tabel 1. Daaraan ligt een belangrijke keuze ten grondslag om besparingen te herinvesteren om deze kentering door te zetten in plaats van (slechts) tevreden te zijn met de besparing op zich. Bij scenario 3 wordt gekozen om de besparingen ten aanzien van het woonplaatsbeginsel niet in te boeken als besparing, maar te investeren in het voorliggend veld. We willen daarmee binnen de gewijzigde begroting 2021 van IJZ te blijven. De mogelijkheid blijft bestaan dat de kosten tegen vallen. Denk bijvoorbeeld aan de volgende situaties: - Er komen fors meer GGZ jeugdhulpvragen binnen komen. - De besparing ten aanzien van het woonplaats beginsel wordt niet gehaald. - Het nieuwe kabinet gaat bezuinigen op de rijksbijdrage die de gemeente ontvangt voor jeugdhulp. In dat geval is een extra bijdrage nodig om de preventieactiviteiten te kunnen ontwikkelen in de vorm van een experimenteerbudget. Het gaat om een bedrag van € 100.000 (exclusief eventuele extra ambtelijke capaciteit) om scenario 3 vorm te geven. De uiteindelijke interventies kunnen uiteenlopen van weerbaarheidstraining in het basisonderwijs (kostbaar), kinderopvang plus (kostbaar) tot sportverenigingen ondersteunen in het bereiken van een grotere doelgroep (relatief goedkoop). Bijvoorbeeld het project Steungezinnen betreft een bedrag van € 30.000,-.
Nadat de gemeenteraad het kader heeft vastgesteld zal de uitvoeringsagenda verder worden uitgewerkt. We gaan de interventies strak monitoren. Hierover maken we afspraken in februari met de gemeenteraad.
Vervolg Na het vaststellen van het kader door de gemeenteraad op 25 januari 2022, zal er in het 2e kwartaal een uitvoeringsagenda worden opgesteld. De uitvoeringsagenda zal ingaan op de mogelijke interventies die passen bij de door de raad gekozen richting. Het gaat dieper in op de kosten, capaciteit en planning van de bijbehorende interventies. De uitvoeringsagenda zal ter kennisgeving worden gepresenteerd aan de gemeenteraad.
33