CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-50f. D21.258483 2021 Regionale Structuur Warmte RSW zeeland totaal def

Raadsvergadering 23 november 2021, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen Transitievisie Warmte en de Zeeuwse Regionale Structuur Warmte15.075 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RSW ‘21 Regionale Structuur Warmte Zeeland Definitieve versie – september 2021

1

Regionale Structuur Warmte Zeeland ‘21 Onderdeel van de Regionale Energiestrategie Figuur 1

Opdrachtgever:

Programmateam Gebouwde Omgeving (GO) Zeeland

Auteurs:

Cees de Wit, Arwen van Gugten, Andries Lof en Daniël De Greef van Greenvis, onderdeel van de WarmteTransitieMakers

Projectleider:

Daniël De Greef

Programmamanager:

Carola Helmendach

Datum:

28 september 2021

2

Samenvatting De functie van de RSW ‘21 In Zeeland 1 streven we naar een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening voor alle woningen en bedrijven. Gemeenten hebben een regierol voor deze transitie naar duurzame warmte. De transitie voltrekt zich op alle niveaus. Op woningniveau door individuele pioniers, op buurtniveau door bewonersinitiatieven, op gemeentelijk niveau in visies en plannen2, en op regionaal niveau in de Regionale Structuur Warmte (RSW). Dat het een verstandig idee is om gemeente-overstijgend dialoog te voeren over de warmtetransitie is evident, want: 1. 2. 3.

Zo verkleinen we de kans dat er warmtebronnen onbenut blijven. Zo vergroten we de kans dat knelpunten worden gesignaleerd en kunnen we die samen aanpakken. Delen we onze opgedane kennis en ervaringen met elkaar.

Als Zeeuwse gemeenten doen we dit in deze RSW door: 1.

2. 3.

Bestuurlijke afspraken vast te leggen over: a. Procesafspraken en het afwegingskader bij het benutten van bovenlokale warmtebronnen. b. Actieve deelname aan het regionale overleg warmte (voortzetting van “subtafel TVW” na 2021, mogelijk onder andere naam). Inhoudelijke informatie (content) te geven over warmtevraag, warmteaanbod en warmtekansen (nu en in de toekomst). Adviezen te formuleren over: a. Reduceren van warmtevraag b. Monitoring van belangrijke indicatoren in de warmtetransitie c. Ontwikkelen van warmtenetten d. Soepele elektrificatie van de warmtevraag e. Een regionale strategie duurzaam gas

RSW

Alles wat in deze RSW staat valt onder één van bovenstaande drie noemers (afspraken, content en advies).

Cyclus 2 jaar

De RSW wordt elke twee jaar geactualiseerd met input uit zowel de transitievisies warmte (TVW’s) als de (wijk)uitvoeringsplannen (WUP). Anderzijds bevat de RSW inhoudelijke input en procesmatige afspraken voor de TVW’s en WUP’s: zie schema rechts.

Wat is de RSW ’21 niet? Er worden in deze versie van de RSW geen keuzes voor allocatie van warmtebronnen vastgelegd. Er wordt ook geen overkoepelend, integraal ‘masterplan’ voor warmte voor de regio opgesteld. Ook wordt er geen uitspraak gedaan over de optimale bronnenmix voor de regio.

TVW

(W)UP

Cyclus 5 jaar

Eenmalig per wijk

Deze elementen kunnen wel in volgende actualisaties van de RSW worden opgenomen.

Procesafspraken en het afwegingskader bij het benutten van bovenlokale warmtebronnen Bovenlokale warmtebronnen zijn warmtebronnen die wellicht voor meer dan één gemeente relevant zijn. Omdat de besluitvorming bij verschillende gemeenten niet synchroon hoeft te lopen, is het noodzakelijk om regionale procesafspraken te maken over deze lokale besluitvorming. Deze afspraken maken verkleinen het risico (maar nemen het risico niet 100% weg) dat warmtebronnen suboptimaal worden ingezet door niet alle mogelijke afzetopties voor de warmte te overwegen (bijv. in een buurgemeente). Binnen deze procesafspraken wordt een afweging gemaakt aan de hand van het “afwegingskader warmtebronnen RSW”. Onderstaande figuren geven de voorgelegde procesafspraken en afwegingskader weer.

1

Energieregio Zeeland is geografisch gelijk aan de provincie Zeeland.

2

Meer specifiek: transitievisies warmte en later uitvoeringsplannen voor buurt(en) of wijk(en).

3

Procesvoorstel voor afstemming van inzet bovengemeentelijke warmtebronnen (WUP = Wijkuitvoeringsplan)

Afwegingskader voor de inzet bovengemeentelijke warmtebronnen

Laagste kosten (nationaal en eindgebruiker)

Ruimtelijke impact totaal energiesysteem

Beschikbare alternatieven en schaarste

Duurzaamheid (CO2-uitstoot t.o.v aardgas)

Lokaal draagvlak

In de kaart hiernaast zijn de bovenlokale warmtebronnen zichtbaar waarvoor gemeente-overstijgend overleg van belang is en welke gemeenten daarbij (wellicht) betrokken moeten worden. Andere types warmtebronnen worden in de RSW inhoudelijk verdiept, maar behoeven wellicht geen of slechts beperkt bovengemeentelijke afstemming vanwege hun lokale aard. Naast warmtebronnen zoals restwarmte, aquathermie en zonthermie, kan warmte ook worden geproduceerd uit andere energiedragers, zoals elektriciteit (benodigd voor warmtepompen) en duurzaam gas. Voor het inzetten van deze energiedragers voor de gebouwde omgeving zijn regionaal overleg, monitoring, afstemming en strategievorming wel essentieel. Hierover wordt hieronder advies aangereikt.

Advies: monitoring, reduceren, elektrificatie en duurzaam gas De onderstaande aanbevelingen kunnen met het regionaal overleg warmte verder worden uitgewerkt en opgenomen in de volgende actualisatie van de RSW. 1. 2.

3.

4. 5.

Isoleer: Reduceren van warmtevraag blijft strategisch essentieel om direct CO2-uitstoot te reduceren en op termijn ook midden- en lage temperatuur warmteoplossingen te kunnen inzetten. Selecteer parameters om regionaal te monitoren en organiseer het opzetten van de benodigde systemen en procesafspraken ervoor. Let daarbij op de meetbaarheid van de geselecteerde parameters. Aanbevolen parameters zijn: Doelstelling: bijvoorbeeld de temperatuur gecorrigeerde vermindering van het totale aardgasverbruik door woningen in de regio, of aantal verduurzaamde woningen. Warmtebronnen: de totale potentie, voorgenomen inzet, vastgestelde inzet, realisatieplanning en resterende potentie van aanwezige bovenlokale warmtebronnen. Elektrificatie van warmtevraag: waar, wanneer en hoeveel woningen (of andere gebouwen) zullen overstappen op een meer geëlektrificeerde warmtevoorziening. Ga aan de slag met warmtenetten (kan in latere fase nog steeds afvallen indien lokaal niet haalbaar) Ontwikkel een solide, transparant ontwikkelproces met een toegewijde kartrekker. Start nu al met verkennende studies om tijd te winnen en onzekerheid weg te nemen. Houd (samen met de netbeheerder via de regionale monitoring) de elektrificatie van warmtevraag in de gaten om aankomende knelpunten op het elektriciteitsnet tijdig te signaleren.

Stel een regionale strategie duurzaam gas op voor het produceren en inzetten van (een nog onbekende en onzekere hoeveelheid) groengas, biogas en waterstofgas. 4

Inhoudsopgave Samenvatting

3

1. Inleiding

6

2. Context - De transitie realiseren doe je samen

7

2.1 Afwegingskader inzet bovengemeentelijke warmtebronnen

8

2.2 Procesplan regionale afstemming

9

2.3 Rolverdeling en verantwoordelijkheid

11

3. Warmtevraag en aanbod

12

3.1 Warmtevraag

12

3.2 Warmte aanbod

17

3.3 Bestaande elektriciteits-, gas- en warmte-infrastructuur

22

3.4 Warmtekansen

22

4. Concretisering van oplossingsrichtingen

24

4.1 Warmtenetten

24

4.2 De warmtepomp – individuele of klein-collectieve oplossingen gevoed met omgevingswarmte en elektriciteit

29

4.3 Zonthermische oplossingen – een stralend maar onbekend potentieel

32

4.4 Duurzaam gas - regionale strategie voor een onzekere potentie

33

5. Conclusies en aanbevelingen

36

Leeswijzer Deze RSW kan op zichzelf gelezen worden, en wordt aangevuld door de externe bijlages, zie onder. Daarnaast komt er ook een online publieksversie van de RSW met interactieve kaarten, deze is echter op het moment van schrijven nog niet vastgesteld door de projectgroep. Bijlages A:

Provinciekaarten met de huidige en toekomstige temperatuur behoefte

B:

Provinciekaarten van verschillende warmtebronnen

C:

Factsheets van verschillende warmtebronnen

D:

Menukaarten warmtekansen per buurt

E:

Stakeholderoverzicht

F:

Achtergronddocument

F-b:

Achtergronddocument Warmtetool

5

1. Inleiding In Zeeland streven we naar een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmte voor alle woningen en bedrijven. Dit gebeurt op woningniveau door de individuele pioniers, op straat-/buurtniveau door bewonersinitiatieven, op wijk-/gemeenteniveau in visies en plannen3, en op regionaal niveau in de Regionale Structuur Warmte (RSW). In deze RSW ligt de focus op samenwerking tussen gemeenten op thema’s en projecten waarvoor dat verstandig is. Bijvoorbeeld het inzetten van een grote restwarmtebron, het afstemmen van elektrificatie van de warmtevraag (door warmtepompen) zodat de netbeheerders hierop kunnen inspelen of het verdelen van mogelijk toekomstig duurzaam gas. De drie hoofdonderdelen van deze RSW zijn de context (procesafspraken en rolverdeling), de content (warmtevraag en -aanbod en infrastructuur) en concretisering van oplossingsrichtingen. Dat het een verstandig idee is om gemeente-overstijgend dialoog te voeren over de warmtetransitie is evident, want: 1. 2. 3.

Zo verkleinen we de kans dat er warmtebronnen onbenut blijven. Zo vergroten we de kans dat knelpunten worden gesignaleerd en kunnen we die samen aanpakken. Delen we onze opgedane kennis en ervaringen met elkaar.

RSW Cyclus 2 jaar

De RSW wordt elke twee jaar geactualiseerd met input uit zowel de transitievisies warmte (TVW’s) als de (wijk)uitvoeringsplannen (WUP). Anderzijds bevat de RSW inhoudelijke input en procesmatige afspraken voor de TVW’s en WUP’s: zie schema rechts.

Wat is de RSW ’21 niet en wat wel? Er worden in deze RSW geen keuzes voor allocatie van warmtebronnen vastgelegd. Er wordt ook geen overkoepelend, integraal ‘masterplan’ voor warmte voor de regio opgesteld. Ook wordt er geen uitspraak gedaan over de optimale bronnenmix voor de regio.

TVW

(W)UP

Cyclus 5 jaar

Eenmalig per wijk

Deze elementen kunnen wel in volgende actualisaties van de RSW worden opgenomen.

Dit document, de Regionale Structuur Warmte (RSW) ’21 van Zeeland, is een verdieping op de RSW die onderdeel was van de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0. Deze RES 1.0 is in 2020 vastgesteld door alle gemeenteraden, Provinciale Staten en het Waterschapsbestuur. De RSW ‘21 wordt uiteindelijk onderdeel van de RES 2.0, die uiterlijk in 2023 moet worden vastgesteld. Bij het opstellen van deze RSW is gebruik gemaakt van dezelfde lokale informatie en data zoals die ook bij de TVW’s gebruikt wordt (met peildatum voorjaar 2021). Met de Regionale Energie Strategie (RES) geeft energieregio Zeeland samen met een groot aantal partners actief uitvoering aan het klimaatakkoord van Parijs. ‘Parijs op z’n Zeeuws’. De ambitie hierin is toewerken naar een fossielvrije warmtevoorziening en een CO2-reductie van 49% in 2030 en 95% in 2050. In 2050 bestaat de gebouwde omgeving uit goed geïsoleerde woningen en gebouwen die op een duurzame (fossielvrije) manier worden verwarmd.

3

Meer specifiek: transitievisies warmte en later uitvoeringsplannen voor buurt(en) of wijk(en)

6

2. Context - De transitie realiseren doe je samen In de context van de warmtetransitie is samenwerking tussen verschillende partijen nuttig en noodzakelijk om de doelstellingen van de warmtetransitie te halen. Om op regionaal niveau samen te werken en beleid te ontwikkelen zijn een gezamenlijk doel, afwegingskader en samenwerkingsafspraken nodig. Deze gedeelde basis helpt de komende jaren de beleidskeuzes op lokaal niveau via de Wijkuitvoeringsplannen in een regionaal kader af te wegen. Zo worden de bovenlokale warmtebronnen zo efficiënt mogelijk benut.

Vanuit het Klimaatakkoord hebben gemeenten een prominente (regie)rol gekregen in de beleidsontwikkeling en uitvoering in de warmtetransitie van de gebouwde omgeving. Dit hoofdstuk is vooral ingericht op het bieden van handvatten en afspraken voor de samenwerking op het onderwerp warmte tussen de gemeenten in Zeeland. Deze vormen input voor RES 2.0 en de Transitievisies Warmte in Zeeland. Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2.1 is een afwegingskader opgenomen voor de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen. Deze bestaat uit vijf afwegingscriteria die de basis vormen voor verstandige en afgestemde keuzes rond de inzet van deze bronnen. Paragraaf 2.2 behelst een cyclisch procesvoorstel om deze afstemming te borgen en van structuur te voorzien. Paragraaf 2.3 gaat kort in op het eigenaarschap en de rolverdeling binnen dit samenwerkingsplatform. De komende 30 jaar krijgt het merendeel van de Zeeuwse inwoners en organisaties een eigen rol in de warmtetransitie. De opgave in Zeeland vraagt om verregaande samenwerking tussen inwoners, (internationale) bedrijven, overheden, installateurs en nog veel meer stakeholders. Om inzichtelijk te maken wat die rol is en de bijbehorende impact op de warmtetransitie, is in bijlage E een stakeholderoverzicht opgenomen.

Globaal gezien kunnen de stakeholders in de warmtetransitie onderverdeeld worden in de vier categorieën (niet uitputtend): 1.

2.

3.

4.

De gebouweigenaren zijn verantwoordelijk voor de warmtevoorziening van hun gebouw en de aanpassingen die hiervoor nodig zijn. De markt draagt warmteoplossingen aan via producten en diensten, zoals de verkoop van warmte, warmtepompen of een totaalservice via een Energy Service Company. Netbeheerders, netwerkbedrijven (commerciële dochteronderneming netbeheerders) en warmtebedrijven zorgen, vaak via de inzet van een grote aannemer, voor de benodigde ontwikkeling, aanpassing en soms onderhoud van de energieinfrastructuur. Figuur 2 Matrix besluitvorming stakeholders. De Rijksoverheid stelt beleidsmatige, juridische en financiële kaders op voor de warmtetransitie vanuit het algemeen belang. De gemeente geeft op lokaal niveau richting aan de voorliggende keuzes in samenspraak met bijvoorbeeld de netbeheerder en gebouweigenaren. Ze geeft besluiten democratische legitimiteit en zorgt voor een maatschappelijk afgewogen toepassing van de landelijke kaders voor haar gebouwde omgeving.

7

2.1 Afwegingskader inzet bovengemeentelijke warmtebronnen Doel warmtetransitie en afwegingskader regionale afstemming We werken in Zeeland toe naar een duurzaam verwarmde gebouwde omgeving in 2050. Alle gemeenten in Zeeland doen dit gefaseerd, op hun eigen tempo. Het voorstel is om daarin hetzelfde doel af te spreken: het realiseren van betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorzieningen. In de weg daar naartoe moeten een hoop beslissingen genomen worden. Deze beslissingen beginnen en eindigen lokaal, maar hebben regelmatig een impact die de gemeente overstijgt. Soms op de beschikbaarheid van de desbetreffende warmtebron voor andere gemeenten, soms vanwege de infrastructuur of installaties die nodig zijn om de warmte op te wekken of te transporteren over gemeentegrenzen heen. Het doel is dat een duurzame, betaalbare en betrouwbare warmtevoorziening voor iedereen gerealiseerd kan worden. Hiervoor is het van belang om als regio zorgvuldig af te stemmen waar welke warmtebronnen ingezet gaan worden. Sommige warmtebronnen (zoals industriële restwarmte) merken we aan als “bovengemeentelijke” (zie hoofdstuk 3.4), wat betekent dat verschillende gemeenten daar mogelijk aanspraak op willen maken. Een afwegingskader helpt de deelnemende partijen om het gesprek te voeren over wanneer de inzet van een warmtebron efficiënt is en het meest bijdraagt aan de doelstellingen.

Afwegingscriteria 1.

Laagste nationale kosten en laagste kosten voor de eindgebruiker

De laagste nationale kosten voor een duurzame warmteoplossing zijn een uitgangspunt uit het klimaatakkoord voor de gehele warmtetransitie. Onder de nationale kosten (over een periode van 30 jaar) vallen in ieder geval: • • • • •

de systeemkosten voor installaties (inclusief vervangingskosten bij afschrijving); de investeringen in de warmte-infrastructuur; de investeringen in maatregelen aan gebouwen; de kosten voor onderhoud; de overhead zoals projectmanagement en administratiekosten.

Subsidies en belastingen vallen niet onder de nationale kosten, leveringstarieven en aansluitkosten voor afnemers van warmte evenmin. De laagste kosten voor de eindgebruiker zijn als uitgangspunt opgenomen in het klimaatakkoord, onder de noemer van “woonlastenneutraliteit”. Hoewel woonlastenneutraliteit in de praktijk lastig te realiseren blijkt, moet de hoogte van de kosten voor de eindgebruiker van warmte altijd meegenomen worden in de overweging.

2.

Duurzaamheid (CO2-reductie t.o.v. aardgas referentie)

De duurzaamheid van een warmtebron en de warmtelevering drukken we uit in een percentage CO 2-reductie ten opzichte van de aardgas referentie. De duurzaamheid van de inzet van warmtebronnen voor een warmtecluster wordt beïnvloed door een aantal factoren. De warmtebronnenmix, de vorm van distributie en de afgifte van warmte binnen het gebouw bepalen in grote mate de duurzaamheid van het totale systeem.

3.

Lokaal draagvlak voor het gebruik van de warmtebron

Het huidige beleidsinstrumentarium voor overheden in de warmtetransitie sorteert momenteel nog voor op het verleiden van inwoners om duurzame stappen te zetten. Het wijk-per-wijk uitfaseren van aardgas staat op de beleidsagenda, echter zal er vooralsnog keuzevrijheid voor het alternatief blijven. Oftewel: er komt geen aansluitverplichting. Draagvlak onder inwoners en bedrijven voor het duurzaam verwarmen van hun woning of gebouw is daarom cruciaal voor het slagen van de overstap. Het meewegen van de mate van lokaal draagvlak voor het gebruik van een “bovengemeentelijke” warmtebron helpt omdat dit de sociale haalbaarheid van een project vergroot. De mate waarin al stappen genomen zijn in het betrekken van inwoners dient hierin ook meegewogen te worden. Kanttekening bij dit criterium is dat draagvlak in bepaalde mate ook maakbaar is.

8

4.

Beschikbare warmte-alternatieven en schaarste van de bron

De aanwezigheid van één of meerdere warmte-alternatieven naast het voorkeursscenario kan in het geval van een schaarse bron een belangrijk punt van afweging zijn. Als meerdere gemeenten de inzet van dezelfde warmtebron voorzien én deze kan niet in deze totale warmtevraag voorzien, dan is er sprake van schaarste. In het geval van schaarste is het belangrijk om de beschikbare warmtebron zo optimaal mogelijk in te zetten. Dit betekent dat de warmtebron ingezet wordt waar deze de meest toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de alternatieven. Met name afwegingscriterium 1 en 2 kunnen doorslaggevend zijn in deze vergelijking.

5.

Ruimtelijke impact energiesysteem

De ruimtelijke impact van het energiesysteem is een belangrijk onderwerp in de RES en ook een afwegingscriterium in de RSW. We gebruiken hier bewust “energiesysteem” omdat ook het elektriciteitsnet gebruikt kan worden voor de productie van warmte (in combinatie met een warmtepomp of andere vormen van elektrisch verwarmen). De opwek van duurzame elektriciteit valt buiten dit afwegingskader. De ruimtelijke impact kan onderverdeeld worden in drie categorieën: -

De ruimtelijke impact van de warmtebron (een piek/back-up voorziening voor een warmtenet, installaties die nodig zijn om warmte uit de warmtebron te onttrekken of om de warmte te produceren uit bijv. een brandstof). De ruimtelijke impact van de infrastructuur (bijvoorbeeld warmte-transportleidingen, de plaatsing van extra onderstations of verbreding van wegen voor aanvoer van biomassa). De ruimtelijke impact van de aflevering in de woning

Voor verwarming via warmtenetten geldt dat de ruimtelijke impact vooral binnen de openbare ruimte valt. Dit betreft met name een ruimtevraag in de ondergrond, en de plaatsing van een aantal warmteoverdracht stations bovengronds. Afleversets voor warmtenetten in woningen vragen (relatief) weinig ruimte. De ruimtelijke impact van de warmtebron hangt sterk af van het type warmtebron. Voor verwarming via lucht-water warmtepompen ligt de ruimtevraag vooral in en op de woning (de plaatsing van de buiten-installatie, binnen-installatie en opslagvat) en een deel in de openbare ruimte door verzwaring van het elektriciteitsnet.

2.2 Procesplan regionale afstemming Het afwegingskader kan in het regionale overleg toegepast worden om afspraken te maken over de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen. Hier is een structureel overleg wenselijk. Het voorstel is om het huidige regionale overleg – de Subtafel Transitievisie Warmte -, ook na december 2021 voort te zetten (mogelijk onder een nieuwe naam). De verbinding tussen de RSW en de TVW’s in Zeeland is een aandachtspunt. Tijdens de ontwikkeling van dit document zijn de TVW processen in de gemeenten nog in volle gang, en de uitkomsten nog niet gestold. Naar verwachting worden de visies eind 2021 vastgesteld door de gemeenteraden. Daarna is er een periode van 4 tot 5 jaar voordat de TVW vernieuwd wordt. Onderstaand stappenplan richt zich op de periode ná de vaststelling van de TVW’s: de periode waarin de eerste Wijkuitvoeringsplan-trajecten opgestart worden en een besluit over de inzet van een warmtebron dichterbij komt.

Stappenplan regionale afweging Deze RSW geeft structuur mee om de inzet van het afwegingskader komende jaren te borgen (Figuur 3). Elke organisatie in het regionale overleg draagt de verantwoordelijkheid voor de inzet van het afwegingskader. Het proces tot afweging begint bij het voornemen van een gemeente om een wijkuitvoeringsplan-traject te gaan starten met een bovengemeentelijke warmtebron (zie paragraaf 3.4) als één van de opties. Wanneer er sprake is van verkennende samenwerking over de landsgrens heen, bijvoorbeeld het onderzoek naar een warmteinfrastructuur in de Kanaalzone Terneuzen-Gent, gaat dit stappenplan niet op. Voor een dergelijke samenwerking zullen de Nederlandse en Belgische betrokken overheden en bedrijven een passende samenwerkingsvorm en bijbehorende afspraken moeten maken. Voor de samenwerking met België voor het benutten van restwarmte kansen is samenwerkingsverband RES Zeeland een logisch organisatorisch vertrekpunt.

9

Figuur 3: Afstemming inzet bovengemeentelijke warmtebronnen.

Stap 1: Start WUP (Wijkuitvoeringsplan) A.

B.

C.

Communiceer voornemen om met een WUP traject te starten in het regionale warmte overleg (huidig: Subtafel TVW) Doe dit altijd in de beginfase van een wijktraject wanneer de inzet van een bovengemeentelijke warmtebron een optie is. Doe dit nog voordat een externe partij hiervoor gecontracteerd is (mocht dit gewenst zijn). Geef hiermee andere gemeenten de mogelijkheid hun interesse voor de korte termijn inzet van de bron aan te geven. Wanneer de warmtebron in meerdere Transitievisies Warmte voor een “startwijk” als optie terugkomt, spreken we van korte termijn inzet. Vroegtijdige communicatie over het voornemen creëert mogelijkheden voor gezamenlijk onderzoek en aanbesteding. Is dit niet wenselijk dan is er ruimte om gelijktijdig een haalbaarheidsonderzoek en draagvlaktoets te doorlopen. Start haalbaarheidsonderzoek en draagvlaktoets (gezamenlijk of gelijktijdig). Hierbij is het belangrijk om de resultaten dusdanig te definiëren dat ze invulling kunnen geven aan het afwegingskader.

Stap 2: Stem de inzet van de bovengemeentelijke warmtebron af A.

B.

C.

Pas het regionale afwegingskader toe in een regionaal overleg. Dit kan pas als de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek en de draagvlaktoets beschikbaar zijn. Dan kan per afwegingscriterium besproken worden wat de resultaten zijn. De weging hiervan is geen wetenschappelijke exercitie, elke situatie is uniek. Aangesloten organisaties in het regionaal overleg zonder direct belang kunnen helpen in de interpretatie en toepassing van het afwegingskader op de resultaten. Vergelijk alternatieve warmtebronnen voor het gebied. Bespreek in het geval van schaarste de beschikbare alternatieven (afwegingscriterium 4) voor de afnamegebieden. In de vergelijking van de alternatieven kunnen de andere afwegingscriteria (1, 2, 3 en 5) als hulpmiddel gebruikt worden. Besluit gezamenlijk over de inzet van de warmtebron. De regio is op dit moment geen besluitvormend orgaan, dus dit is geen formeel besluit. Wel is dit een bekrachtiging van de afspraken die in deze RSW vastgelegd worden. Wanneer het niet lukt om tot een regionale consensus te komen is escalatie naar een incidenteel regionaal bestuurlijk overleg, bijvoorbeeld Stuurgroep RES, Vereniging Zeeuwse Gemeenten of Overleg Zeeuwse overheden wellicht noodzakelijk. 10

Stap 3: Besluit over de inzet van een warmtebron via het Wijkuitvoeringsplan A. B. C.

Start besluitvormingsproces WUP op het moment dat regionale consensus over de inzet van de warmtebron bereikt is. Communiceer de vaststelling van het WUP. Dit is nodig om de regionale partijen te informeren dat de inzet van de warmtebron beleidsmatig is vastgelegd en de realisatie dichterbij komt. Neem de impact op de warmtebron op in het RSW bronnenoverzicht. Het is wenselijk om de beleidsmatig vastgestelde afname van warmtebronnen continue bij te houden in een bronnenoverzicht in het kader van toekomstige iteraties van de Transitievisie Warmte en de Regionale Structuur Warmte. In paragraaf 2.3 stellen we voor bij wie het eigenaarschap van dit bronnenoverzicht kan komen te liggen.

2.3 Rolverdeling en verantwoordelijkheid Een belangrijk uitgangspunt van de samenwerking is om samen te leren en verstandige keuzes te maken. Duidelijkheid in de rolverdeling tussen de samenwerkende partijen helpt hierbij. In deze paragraaf beperken we ons tot de samenwerking tussen de gemeenten en de sectortafel gebouwde omgeving. In bijlage E is een uitgebreid stakeholderoverzicht opgenomen waar de rollen van alle betrokken partijen in de warmtetransitie worden toegelicht. De rol van de gemeente in deze samenwerking behelst in ieder geval: • • • • •

Het lokaal ontwikkelen, vernieuwen, vaststellen en uitvoeren van de Transitievisie Warmte en Wijkuitvoeringsplannen. Het structureel deelnemen aan de regionale “subtafel TVW” of daaropvolgend terugkerend regionaal overleg. Het communiceren en afstemmen over het lokale gebruik van bovengemeentelijke warmtebronnen (a.d.h.v. procesplan regionale afstemming, paragraaf 3.2). Het informeren van de sectortafel gebouwde omgeving over de vaststelling van (een nieuwe versie van de) Transitievisie Warmte of een Wijkuitvoeringsplan. Het aandragen van inhoudelijke inzichten en geleerde lessen over de transitie naar een duurzaam verwarmde gebouwde omgeving via het regionale overleg.

De rol van de sectortafel gebouwde omgeving behelst in ieder geval: • •

• • • •

Het organiseren en faciliteren van terugkerend regionaal overleg (frequentie nader te bepalen). Het opzetten en bijhouden van regionaal overzicht van de beschikbare warmtebronnen potentie (in MW vermogen en TJ warmtepotentie), met onderscheid in: o De voorgenomen inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen voor lopende Wijkuitvoeringsplan onderzoekstrajecten. o De vastgestelde inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen in de Wijkuitvoeringsplannen. o De realisatie-planning van de bijbehorende warmte-infrastructuur en installaties. o De (resterende) beschikbaarheid van de bovengemeentelijke warmtebronnen. Het signaleren en adresseren van knelpunten in de regionale samenwerking. Het escaleren naar bestuurlijk niveau (stuurgroep RES, regionaal bestuurlijk overleg) bij aanhouden van deze knelpunten. Het signaleren en adressen van bovengemeentelijke kansen op het gebied van de ontwikkeling en afname van een warmtebron. Het 2-jaarlijkse vernieuwen van de Regionale Structuur Warmte op basis van de bovenstaande informatie, in lijn met het klimaatakkoord.

Deze afspraken zorgen voorlopig voor duidelijkheid in de samenwerking en dienen als basis richting de RES 2.0 om op voort te bouwen.

11

3. Warmtevraag en aanbod De huidige warmtevraag (zonder grote stookinstallaties) in Zeeland is ongeveer 16 PJ. Hiervan komt een groot deel door de verwarming van woningen en de glastuinbouw. Naar verwachting zal de warmtevraag in 2050 10%-20% lager liggen. Aan de warmteaanbod-zijde is er, vanwege de intensieve industrie geconcentreerd in de Kanaalzone en het Sloegebied, een grote hoeveelheid restwarmte beschikbaar in Zeeland. Verder bieden aquathermie en zonthermie goede mogelijkheden. Ook is er een aanzienlijke potentie voor biogas in Zeeland, die deels al wordt benut. Elke warmtebron kent uitdagingen en niet alle potentie zal in de praktijk benut kunnen worden. Toch zijn er in veel Zeeuwse buurten meerdere warmtebron-opties die verder onderzocht kunnen worden.

Voor een duurzame warmtevoorziening moet de balans worden opgemaakt van de vraag naar warmte en het mogelijke aanbod. In dit hoofdstuk kijken we eerst naar de warmtevraag van Zeeland. De grootte van de warmtevraag is geïnventariseerd, maar er is ook gekeken hoe de vraag is verdeeld en wat de temperatuurbehoefte is binnen de warmtevraag. Vervolgens komen de beschikbare warmtebronnen aanbod. Hier wordt de beschikbare potentie van bronnen behandeld en worden relevante eigenschappen, zoals de zekerheid en kosten van een warmtebron, beschreven. Als laatste zijn er in een wijkmenukaart warmtekansen gedefinieerd waar vraag en aanbod aan elkaar zijn gekoppeld. In hoofdstuk 4 worden er vier warmtekansen concreet uitgewerkt.

3.1 Warmtevraag De totale warmtevraag in Zeeland is ongeveer 16 PJ per jaar (1 PJ is ca. 35.000 woningequivalenten). Deze warmtevraag bestaat uit de behoefte aan ruimteverwarming en warm tapwaterbereiding van woningen, utiliteitsbouw, recreatiefvastgoed en tuinbouw. De warmtevraag van grote stookinstallaties is niet meegerekend, want de warmtevraag van de proceswarmte in de industrie valt buiten de scope van deze RSW. De inventarisatie van de warmtevraag is gedaan via openbare bronnen. In Figuur 4 is de samenstelling van de huidige en voorspelde (2050) warmtevraag van alle sectoren weergegeven. Voor de toekomstige scenario’s zijn er drie isolatiestrategieën gedefinieerd (de precieze uitgangspunten in deze strategieën staan toegelicht in Bijlage FAchtergronddocument): Korte beschrijving

Gemiddelde isolatiekosten per woning Let op: Er zit nog een zeer grote variatie op deze kosten voor individuele woningen

Isolatie strategie 1

Beperkte isolatie

€7.000

Isolatie strategie 2

Meest rendabele maatregelen voor eigenaren

€28.000

Isolatie strategie 3

Isoleren tot de landelijke standaard4

€39.000

Het voornaamste verschil tussen isolatie strategie 2 en 3 is dat voor oude, moeilijk te isoleren woningen in strategie 2 de woningen niet naar label A, maar naar label B of C gaan. In strategie 3 gaat elke woning naar label A, waardoor de gemiddelde kosten voor strategie 3 een stuk hoger liggen. Buiten deze oude woningen gaat het merendeel van de woningen in beide strategieën naar een label A. Deze isolatiestrategieën worden uitgebreid toegelicht in het achtergronddocument. In de volgende paragrafen wordt de warmtevraag per sector toegelicht. In de verdere analyses in dit document wordt als voorbeeld isolatie strategie 2 gebruikt, omdat dit de meest gemiddelde is. Maar het is voor gemeentes ook goed mogelijk dat er in hun transitievisies voor isolatie strategie 3 kunnen kiezen

4 https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/03/18/standaard-voor-woningisolatie

12

Figuur 4: Huidige en toekomstige warmtevraag in Zeeland (exclusief stookinstallaties). De toekomstige warmtevraag is bepaald aan de hand van drie isolatiestrategieën. De percentages geven aan hoe de toekomstige vraag zich verhoudt tot de huidige situatie.

13

Gebouwde omgeving: woningen, utiliteiten en recreatie Een groot percentage van de warmtevraag komt uit de gebouwde omgeving. Onder de gebouwde omgeving verstaan we woningen, utiliteitsbouw en recreatief vastgoed zoals vakantieparken en hotels. Hoe de warmtevraag zich ontwikkelt hangt af van de mate waarin isolatie van de gebouwen wordt verbeterd. Hoe goed gebouwen geïsoleerd zullen worden hangt af van het energielabel en bouwjaar van een gebouw, van de beschikbare warmtebronnen, betaalbaarheid en van beleid en keuzes.

Woningen Figuur 5 geeft een overzicht van verschillende woningtypes, hun huidige en toekomstige energielabels en passende maatregelen en aardgasvrije technieken. Deze informatie is indicatief en een veralgemening van de werkelijkheid, waarin per woning zal moeten worden gekeken wat de nodige maatregelen zijn. Naast verduurzaming van bestaande bouw zal ook nieuwbouw aardgasvrij verwarmd worden. De invoering van de BENG-eisen per 1 januari 2021 in combinatie met het verbod op aardgas bij nieuwbouw garanderen aardgasvrije en energetisch efficiënte nieuwbouw. Zeeuwse gemeenten geven aan dat nieuwbouwplannen maar een klein aandeel extra warmtevraag opleveren. Slecht geïsoleerd

Gemiddeld geïsoleerd

Goed geïsoleerd

<1940

1941-1964

1965-1982

1983-2005

>2005

F

E

C D E

B

A B

G

• Gebouwd zonder isolatie, geen spouwmuur • Historisch uiterlijk • Beperkte isolatie mogelijk

F

• Gebouwd zonder goede isolatie, vaak wel met spouwmuur • Nieuwe uitstraling soms wenselijk • Rendabel te isoleren

C D

• Gebouwd met dak- • Gebouwd met redelijke • Gebouwd met en soms isolatie goede isolatie gevelisolatie • Jaren ’80 isolatie • Lage temperatuur verwarming vaak • Rendabel te isoleren vaak kostbaar al mogelijk • Jaren’90 gebouwd met dubbel glas en redelijke isolatie

Maatregelen • Isolatie van binnenuit (dak, • Spouwmuur isolatie of vervanging gevel gevel, vloer) • Maatwerk bij monumenten • Op natuurlijke onderhouds momenten • HR++ of triple glas, dakisolatie monumentenglas • HR++ of triple glas of voorzetramen

• Spouwmuur isolatie • Op natuurlijke moment • Extra isolatie of vervanging gevel is isolatie (dak, gevel, meestal niet zinvol vloer) goed mogelijk • Op natuurlijke • Focus op duurzame installaties onderhoudsmoment • Bij voldoende isolatie en dakisolatie focus op duurzame installaties • HR++ of triple glas

B C D

A B

A B C

A B

A

Temperatuur nodig in 2050 (volgens isolatie strategie 2) Hoge temperatuur >70 C

Midden temperatuur tussen 50 C en 70 C

Lage temperatuur <50 C

Passende aardgasvrije technieken • Biomassa (pelletkachels) • Duurzaam gas • Hoge temperatuur warmtenet

Warmtenetten op midden temperatuur of op lage temperatuur en aangevuld met Na aanpassing van de radiatoren vrijwel gebouwgebonden installaties voor tapwaterbereiding. elke techniek geschikt

Figuur 5: Overzicht woningen gebouwde omgeving. Afhankelijk van het type woningen zijn verschillende isolatiestappen en passende aardgasvrije technieken mogelijk. Deze isolatie stappen passen bij isolatie scenario 2.

Utiliteit en logiefuncties (zoals vakantieparken) Net als voor woningen is er een analyse gemaakt van de energielabels en bouwjaren van de verschillende utiliteitsgebouwen zoals kantoren, onderwijs en logiefuncties. Om meerdere redenen zijn de energielabels en bouwjaren minder betrouwbaar om de huidige warmtevraag en de potentiële energiebesparing in te schatten. Twee redenen zijn:

14

• •

De verschillen tussen gebouwen binnen categorieën. Bijvoorbeeld een lege loods en een veelgebruikt kantoorpand maken het lastiger om de warmtevraag voor utiliteit in te schatten. Werkelijke verbruiken van bedrijven zijn beschermd vanwege privacy en worden enkel cumulatief voor grote gebieden openbaar gemaakt, hierdoor geeft deze informatie onvoldoende specificiteit. Ook is het onderscheid tussen aardgasverbruik voor de verwarming en verdere bedrijfsprocessen niet altijd duidelijk.

Warmteclusters, dichtheid en temperatuur Naast de vraag hoevéél warmte er nodig is per buurt of woning, is ook van belang op welke temperatuur deze warmte beschikbaar moet zijn. De temperatuur waarop de warmte in de woning afgegeven wordt via de radiatoren of vloerverwarming (de zogeheten afgifte-temperatuur) moet passen bij de mate van isolatie van het gebouw en het type afgiftesysteem. Hoe beter de woning geïsoleerd is, hoe lager de afgifte-temperatuur kan zijn (zie Figuur 5). Lagere temperatuur heeft als voordeel dat er meer duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn, en het systeemrendement is vaak beter. Door te kijken naar dichtheid en temperatuurbehoefte van gebouwen, zijn warmteclusters samengesteld. In Figuur 6 is de verdeling van de huidige en toekomstige temperatuur warmteclusters voor de regio Vlissingen en Middelburg te zien. Hier is isolatie strategie 2 genomen voor de toekomstige temperatuurbehoefte. In bijlage A is een kaart van de gehele provincie te vinden.

Figuur 6: Huidige en toekomstige warmteclusters voor de regio Vlissingen en Middelburg. Voor de toekomstige warmtevraag is uitgegaan van isolatie strategie 2.

Concentratie van de warmtevraag Gebieden met een geconcentreerde warmtevraag (veel panden bij elkaar of panden met een hoge warmtevraag) kunnen geschikt zijn voor de aanleg van een warmtenet. Dit is dan één van de technische oplossingen die vergeleken wordt. Bij een lage warmtedichtheid liggen individuele oplossingen (zoals een warmtepomp) of duurzaam gas meer voor de hand. Gebieden met een minimale warmtevraagdichtheid van ca. 500 GJ/ha en een minimale warmtevraag van 5 TJ/jaar komen in aanmerking voor een warmtenet of collectieve oplossing. In Figuur 7 is de toekomstige warmtedichtheid voor de regio Vlissingen en Middelburg gegeven. In bijlage A staat een kaart voor de gehele provincie.

Figuur 7: Huidige en toekomstige warmtedichtheid voor de regio Middelburg en Vlissingen. Voor de toekomstige warmtedichtheid is uitgegaan van isolatiestrategie 2.

15

Clustering Op basis van de warmtevraagverdeling kunnen er warmteclusters worden gemaakt. Deze warmteclusters worden gebruikt om warmtekansen met verschillende bronnen te definiëren en geven een indruk van mogelijke warmtenetscenario’s. De clusters zijn afhankelijk van de warmtevraag en daardoor niet afhankelijk van gemeente- of andere type grenzen. De warmtevraagclusters zijn opgesteld aan de hand van de minimale warmtevraagdichtheid van ca. 500 GJ/ha en de minimale warmtevraag van 5 TJ/jaar. Dit is relatief optimistisch en resulteert in clusters die in veel gevallen groter zullen zijn dan het werkelijke eindbeeld. Door hiervoor te kiezen, voorkomen we dat opties voorbarig worden uitgesloten. In Figuur 8 is te zien Figuur 8: Deel van de Zeeuwse warmtevraag binnen en buiten de dat het grootste deel van Zeeuwse warmtevraag binnen de warmteclusters. Hiervoor is de toekomstige warmtevraag gebaseerd op warmteclusters valt. Dit betekent dat op basis van de isolatie strategie 2 gebruikt. warmtevraagverdeling het leeuwendeel van de Zeeuwse warmtevraag mogelijk geschikt is voor een warmtenet of collectieve oplossing.

Glastuinbouw Provincie Zeeland is dunbevolkt met relatief veel glastuinbouw, maar deze is wel sterk geconcentreerd. De totale warmtevraag voor deze sector is ingeschat op 4,1 PJ. De verdeling van deze vraag is weergegeven in Figuur 10. In deze figuur is te zien dat een deel van deze warmtevraag al duurzaam wordt geleverd door restwarmte van Industrie (Yara) te benutten. 1,6 PJ van de ongeveer 5,5 PJ (30%) beschikbare restwarmte wordt nu benut. Daarnaast wordt er biomassa gebruikt en staat levering via biogas op de planning.

Figuur 9: Huidige warmtevraag van de glastuinbouw in Zeeland. DeFiguur 10: Huidige restwarmte gebruik vanuit industrie in Zeeland. grafiek is opgesplitst in de verschillende warmteleveringen.

Industrie Er is heel veel industrie in Zeeland. Deze industrie bevindt zich voornamelijk in het Sloegebied nabij Borsele en in de Kanaalzone bij Terneuzen. De warmtevraag voor deze industrie komt vooral uit proceswarmte en is vele malen grotere dan de warmtevraag voor de gebouwde omgeving. De industriële warmtevraag is namelijk met ongeveer 50 PJ circa 3 keer groter dan de warmtevraag van 16 PJ in de rest van Zeeland. De verduurzaming van deze warmtevraag valt buiten de scope voor de RES en wordt behandeld in de cluster energiestrategieën, de CES. Deze processen bieden wel mogelijkheden voor restwarmte. Figuur 9 geeft een overzicht van huidige restwarmte levering tussen verschillende industrieën en glastuinbouw. De potentie van restwarmte gebruik voor de gebouwde omgeving en verder utiliteitsbouw komt aan bod in het volgende hoofdstuk.

16

3.2 Warmte aanbod Er zijn veel verschillende warmtebronnen beschikbaar in Zeeland, van restwarmte uit de industrie tot warmte uit de omgeving tot de toepassing van bio-energie. Voordat deze warmtebronnen kunnen worden ingezet is er veel om te overwegen en zijn er meerdere factoren om rekening mee te houden. Om een transparante inhoudelijke dialoog op regionaal niveau te kunnen voeren, is het van belang om een gemeenschappelijke basiskennis over de verschillende warmtebronnen en hun eigenschappen te vormen. In de volgende paragrafen is voor elk brontype beschreven hoe deze kan worden ingezet voor warmtelevering. Ook zijn er overzichten en factsheets opgesteld, de factsheets zijn te vinden in bijlage C.

Bronoverzicht Het bronoverzicht in Figuur 11 geeft een overzicht van de verschillende collectieve bronnen. Het overzicht geeft een indicatie van de beschikbare potentie voor verschillende collectieve warmtebronnen in de gehele regio. Daarnaast staan er verschillende relevante eigenschappen van de warmtebronnen, zoals bron temperatuur, minimale schaalgrootte en kosten in de figuur. De broneigenschappen en brontypes worden in de volgende paragrafen verder toegelicht.

Figuur 11: Bronoverzicht collectieve warmtebronnen Zeeland

17

Verschillende eigenschappen van bronnen Deze paragraaf geeft een korte beschrijving van de verschillende broneigenschappen uit het overzicht. In het achtergronddocument zijn uitgebreidere toelichtingen en berekeningen te vinden. Broneigenschap

Beschrijving

Warmtepotentie

Hoeveelheid energie die de warmtebronnen in Zeeland kunnen leveren. In het bronoverzicht staat de economische potentie. Hierbij is gekeken naar de hoeveelheid warmte die beschikbaar is, maar ook of er een geschikt afzetgebied is voor de warmtebron. Hierbij is meegenomen dat een hoge temperatuur bron ook aan lage temperatuur warmte vraag kan voorzien. In de praktijk zou dit echter niet ten kosten moeten gaan van de ambitie om te isoleren. In percentages is een grove indicatie voor de onzekerheid rond de potentie gegeven.

Zekerheid

Geeft een indicatie van zekerheid over de bron. De zekerheid wordt minder door: • • •

de techniek is nog niet uitontwikkeld onzekerheid over de toekomstige beschikbaarheid beperkt maatschappelijk draagvlak.

De onzekerheid in de grootte van de potentie is niet meegenomen, omdat deze al in de warmtepotentie verwerkt is. Temperatuur Warmtebron

De temperatuur van de warmtebron.

Minimale Schaalgrootte

Indicatie voor het benodigde afzetgebeid om een bron rendabel te maken.

Kosten

Geeft de kosten per GJ weer voor bronnen bij een opwaardering tot 70°C. Hierbij is gekeken naar: • • • •

investering om de bron te realiseren investeringen voor opslag kosten voor onderhoud en beheer van de bron brandstof en elektrakosten

CO2 Uitstoot

Verwachte CO2 -uitstoot per GJ bij een warmteproductie op 70°C of hoger. Voor lage temperatuur bronnen wordt uitgegaan van opwaardering door middel van warmtepompen. De CO2 -uitstoot van de benodigde elektriciteit is ook meegenomen in de vermelde waarde.

Ruimtelijke impact

Geeft een indicatieve waarde voor de ruimte die de bron zal innemen. Hierbij is gekeken naar de ruimte die bovengronds nodig is tijdens het gebruik van de bron.

Warmtebronnen In deze paragraaf worden de warmtebronnen in Zeeland beschreven, die beschikbaar zijn om in 2050 aan de warmtevraag te voldoen. Onderscheid wordt gemaakt tussen warmtebronnen die individueel (per woning of appartementencomplex) in te zetten zijn en de bronnen die collectief ingezet kunnen worden en daarmee geschikt zijn voor een warmtenet.

Beschikbare collectieve warmteoplossingen en duurzaam gas Midden temperatuur (MT) restwarmte (55 – 75 C) Bij industriële processen blijft soms warmte over die niet binnen het bedrijf gebruikt kan worden. Afhankelijk van het type bedrijf is dit lage, middelhoge of hoge temperatuur warmte. Door middel van een warmtenet kan deze restwarmte worden ingezet voor verwarming. Vanwege de grote industriegebieden rond de Kanaalzone en het Sloegebied is er veel restwarmte in Zeeland beschikbaar. Vanuit de installaties van Zeeland Refinery, DOW Chemical, Yara, Cargill en Trinseo kan er bijna 8000 TJ aan hogere temperatuur (55 – 75 C) restwarmte worden geleverd. In

MT Restwarmte bron

Technische potentie

Zeeland Refinery

1100 TJ5

DOW Chemical

4700 TJ6

Yara

1000 TJ6

Cargill

500 TJ6

Trinseo

1400 TJ7

Industrie overig

1000 TJ7

Elektrolysers (toekomstig)

17500 TJ8

Figuur 12: Technische restwarmte bronnen 5

Greenvis onderzoek restwarmte Borsele

6 Restwarmte onderzoek Quo Mare 7

Warmteatlas

8 SDR Regioplan 2020-2050

18

potentie

midden

temperatuur

Figuur 12 is een overzicht van de technische potentie van de beschikbare MT-restwarmte te zien. In de (nabije) toekomst zullen er elektrolysers in Zeeland komen, die energie van wind op de Noordzee omzetten in waterstof. Deze elektrolysers zullen veel restwarmte over hebben. De huidige inschatting voor deze technische potentie van deze restwarmte is meer dan 17000 TJ. Lage temperatuur (LT) restwarmte (30 – 55 C) Naast grote industrie zijn er ook kleinere bedrijven waar mogelijke restwarmte beschikbaar is. Deze bedrijven zijn verspreid en leveren lagere temperatuur (30 – 55 C) warmte. De totale technische restwarmte potentie die zij kunnen leveren is 3400 TJ9, hierbij zijn datacenters ook meegenomen. Dit is kleinschalige restwarmte die voortkomt uit de koeling van kantoren, supermarkten, woningen, etc. Ook bevat de eerder genoemde grote industrie grote hoeveelheden LT-restwarmte. Deze restwarmte is vooral interessant in combinatie met seizoensopslag: warmte die in de zomer aan het gebouw wordt onttrokken om te koelen, wordt in de winter weer ingezet voor verwarming. Er zijn toepassingen denkbaar per gebouw, met warmte- en koude-uitwisseling tussen enkele gebouwen en er zijn toepassingen mogelijk via een warmtenet op buurtniveau. Aquathermie (TEO, TEA, TED) Uit oppervlaktewater is warmte te winnen met een warmtewisselaar en/of een warmtepomp.

Deze warmte kan in de bodem worden opgeslagen en in de winter worden gebruikt. Met een warmtenet komt de warmte bij de gebruikers. Deze techniek is een vorm van aquathermie en noemen we TEO (Thermische Energie uit Oppervlaktewater). Zeeland is een waterrijk gebied en heeft daardoor veel kansen om TEO toe te passen. De economische potentie voor TEO is in Zeeland ongeveer 1400 TJ9. Bij TEA (thermische energie uit afvalwater) wordt er warmte uit het water van bijvoorbeeld een rioolwaterzuiveringen (RWZI’s) gehaald. Er zijn maar een paar geschikte RWZI’s en rioolgemalen in Zeeland, met een gezamenlijke economische potentie van ongeveer 500 TJ. Als laatste is het mogelijk om warmte uit drinkwaterleidingen te halen, dit wordt TED genoemd. De totale Nederlandse potentie voor TED is beperkt en voor Zeeland specifiek onbekend. Zonnewarmte op veld (zonthermie) Warmte uit zonnecollectoren kan als grootschalige of kleinschalige oplossing ingezet worden. Bij een veldopstelling wordt de warmte via een warmtenet verspreid. Het economische potentieel voor zonnewarmte is ongeveer 2500 TJ in een veldopstelling. De techniek is in Nederland nog niet op grote schaal ingezet voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, echter gezien het grote potentieel wel interessant om te onderzoeken. Zonnewarmte wordt al wel ingezet in de glastuinbouwsector in combinatie met seizoensopslag.

Zonnewarmte op dak Warmte uit zonnecollectoren kan voor als grootschalige of kleinschalige oplossing ingezet worden. Er bestaan gecombineerde panelen die zowel elektriciteit als warmte leveren. Deze worden PVT-panelen genoemd (fotovoltaïsch-thermisch). Bij toepassing op daken worden de zonthermische panelen gecombineerd met een warmtepomp in de woning. Het technische potentieel voor collectieve zonnewarmte op dak is ongeveer 3200 TJ. Biomassa (houtachtig) Biomassa is de verzamelnaam voor diverse soorten organisch materiaal, zoals voedselresten, snoeihout, meststromen en productiebossen. Dit is een hoge temperatuur-warmtebron (> 70 °C). Met biomassa kan gestookt worden in grote energiecentrales en kan op kleinere schaal ingezet worden met pelletkachels. De economische potentie voor de productie van warmte uit resthout op het grondgebied van Zeeland is geschat op 500 TJ per jaar. Over de toepassing van houtige biomassa voor energieopwek is sinds ca. 2019 relatief veel debat (zie o.a. SER-advies ‘Biomassa in balans’). Hierdoor is het maatschappelijk en politiek draagvlak ervoor aanzienlijk verkleind en is in 2021 besloten tijdelijk geen nieuwe subsidies meer te geven aan het gebruik van houtige biomassa voor warmte totdat er een goed afbouwpad voor deze subsidies is uitgewerkt. Biogas en groengas Biomassa kan ook ingezet worden om biogas van te maken.

Biogas wordt geproduceerd door organisch materiaal (biomassa) te vergisten of vergassen. Verschillende vormen van biomassa kunnen als grondstof dienen voor het produceren van biogas, waaronder vloeibare mest, gft-afval en de bio restfractie van akkerbouw en grasland. Door biogas op te waarderen kan groengas worden gemaakt, wat vergelijkbaar is met aardgas. De beschikbaarheid van groengas voor de reststromen in Zeeland is genoeg voor circa 1900 TJ per jaar. De potentie is hoofdzakelijk afkomstig van reststromen uit de akkerbouw. Groengas kan ook geïmporteerd worden uit andere gebieden, maar binnen

9

Warmteatlas 19

Nederland is de beschikbaarheid zeer beperkt. In hoofdstuk 4.4 wordt verder ingegaan op de beschikbaarheid van groengas. Aardwarmte (ondiep, diep en ultradiep) Aardwarmte of geothermie is het winnen van de warmte uit de aarde, vanaf 500 m tot 1 km (ondiep, tot 50 °C) en van 1 tot 7 kilometer diep (diep/ultradiep, tot > 100 °C). Tot nu toe is er een economische potentie van 2500 TJ ingeschat voor ondiepe geothermie in Zeeland. Deze potentie komt voornamelijk uit Tholen en Schouwen-Duivenland, waar de bodem het meest geschikt lijkt voor geothermie. Momenteel loopt op landelijke niveau het project SCAN waar de potentie van aardwarmte in kaart gebracht wordt. Diepe en ultradiepe geothermie lijken niet mogelijk in Zeeland, nader onderzoek (bijv. via SCAN) kan tot andere inzichten komen. Elektrodeboilers Elektrodeboilers kunnen elektriciteit bijna 1-op-1 omzetten in warmte. De technologie is goedkoop en eenvoudig te installeren. Met goedkope stroomoverschotten kunnen deze zeer voordelig warmte produceren. Hierbij is het belangrijk dat er een tariefstructuur bestaat die het mogelijk maakt goedkope elektriciteit te kunnen gebruiken. Daarnaast kan de elektrische boiler met gemiddelde elektriciteitsprijzen ook worden ingezet als piekvoorziening in warmtenetten. Het inzetten van elektrodeboilers voor warmteproductie kan een oplossing zijn om tijdelijke stroomoverschotten op te vangen.

Deze positieve impact is het grootst als ze zijn aangesloten op laag- of middenspanningsnetten. De technische potentie van deze bron is gelijk aan de potentie om duurzame elektriciteit op te wekken. Dit is een geheel ander vraagstuk dan bij andere warmtebronnen en om deze reden is de potentie van deze bron niet bepaald. Drycoolers Met een drycooler (droge koeler) wordt warmte uit de lucht onttrokken doormiddel van een warmtewisselaar en aan een WKO geleverd. De warmte wordt onttrokken door met een soort ventilator lucht door de warmtewisselaar te blazen. Vaak wordt deze techniek gebruikt om te koelen, maar zomers kan er ook warmte mee gewonnen worden.

Beschikbare individuele warmteoplossingen (Collectieve) Luchtwarmtepomp Luchtwarmtepompen onttrekken met elektriciteit warmte aan de buitenlucht om de woning te verwarmen. Het is een individuele oplossing, die per woning of per appartementencomplex toegepast kan worden. De standaard luchtwarmtepomp geeft warmte op lage temperatuur. Een woning moet dan – net als voor andere lage temperatuuroplossingen – goed geïsoleerd zijn. Daarbij is een passend warmte-afgiftesysteem nodig, zoals vloerverwarming of lage temperatuur radiatoren. Er zijn ook midden en hoge temperatuur warmtepompen op de markt. Deze hebben wel een hoger elektriciteitsverbruik. Luchtwarmtepompen zijn op grote schaal inzetbaar in de gehele provincie. Warmtepompen kunnen ook op (klein) collectieve schaal worden ingezet. Hierbij levert een grootschalige warmtepomp warmte aan een warmtenet i.p.v. direct aan een woning. Bodemenergie (bodemwarmtepomp) Omdat de bodem een vrij constante temperatuur heeft, kan in de zomer koude en in de winter warmte gewonnen worden uit de bodem. Er bestaan individuele en collectieve vormen van bodemenergie. Ze benutten de bovenste laag van de bodem, tussen de 20 en 300 meter diep. Op deze diepte kan warmte op lage temperatuur gewonnen worden (< 20 °C).

Om de bodem in balans te houden, moet het overschot aan warmte - die in de winter aan de bodem onttrokken wordt - in de zomer weer toegevoegd te worden. Dit heet regeneratie van de bron. Lokaal bodemonderzoek is nodig op het moment dat de inzet van bodemenergie concreet wordt.

Opslag van warmte en koude Warmte-koudeopslag (WKO) Een WKO is een vorm van opslag. Deze opslag is in te zetten in combinatie met andere technieken, zoals zonnewarmte, extra koeling van gebouwen, dry-coolers of thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). WKO kan ook goed ingezet worden bij kantoren met een grote koudevraag; wanneer de vraag naar koeling ongeveer even groot is als de vraag naar warmte, kan de WKO-bron makkelijker geregenereerd worden.

20

Sturingsmatrix De onzekerheid, de potentie en de totale levensduurkosten zijn belangrijke maatstaven voor de sturing op verschillende warmtebronnen. De sturingsmatrix is een visueel hulpmiddel die deze eigenschappen helder uiteenzet. De grootte van de cirkel geeft de relatieve hoeveelheid beschikbare warmte weer, waar de kleur een indicatie van de CO2 emissies geeft. Deze volledige grafiek is gemaakt voor twee temperatuurscenario’s, namelijk productie op 40 °C en op 70 °C. Het is te zien dat levering op 70 °C voor sommige bronnen minder klimaatwinst oplevert en hoger uitvalt qua kosten (al is niet elk effect zichtbaar omdat kosten worden afgerond om in de vakjes te vallen). Met kosten is net als bij het bronoverzicht gekeken naar de investering om de bron te realiseren, de nodige investeringen voor opslag, de kosten voor onderhoud en beheer van de bron en brandstof en elektrakosten. Dit alles wordt genormaliseerd naar geproduceerde Gigajoules (GJ) om de waarden vergelijkbaar te maken. De methodiek en uitgangspunten van de berekeningen achter de bronnen en sturingsmatrix zijn verder beschreven in het achtergronddocument.

Figuur 13: Sturing matrix voor 70 °C en 40 °C warmteproductie; de grootte van de bollen geven een indicatie van de economische potentie, de kleur geeft de kg CO2 uitstoot per GJ aan.

21

3.3 Bestaande elektriciteits-, gas- en warmte-infrastructuur Het elektriciteitsnet in Zeeland kan worden onderverdeeld in het hoogspanning-, middenspanning-, tussenspanning- en laagspanningsnet. Het hoogspanningsnet (380kV en 150kV) wordt beheerd door TenneT en zorgt voor transport van elektriciteit van bijvoorbeeld energiecentrales en wind op zee en vormt de koppeling tussen de netten die door Enduris worden beheer en het landelijke net. De regionale netbeheerder Enduris beheert de andere delen van het elektriciteitsnet inclusief de transformatoren waarmee het hoogspanningsnet gekoppeld is. Het hoogste netvlak van Enduris is het 50 kV net (tussenspanning). Het middenspanningsnet is de eerste stap naar distributie en is ook het net waar de meeste wind- (op land) en zonneparken op zijn aangesloten. Ten slotte is er het laagspanningsnet (fijnmazige kabelcircuit in steden en dorpen) waar de woningen en bedrijven op aangesloten zijn. Daar vinden we dus belasting van woningen en utiliteitsbouw voor kracht, licht en verwarming. Laadpalen voor elektrische voertuigen en het aanbod van zonnepanelen op daken zijn ook aangesloten op het laagspanningsnet.

Figuur 14: Hoog-, tussen- en middenspanningsinfrastructuur elektriciteit in Zeeland.10

Het nationale hoge druk gastransportnet wordt beheerd door Gasunie. Het regionale distributienet in Zeeland wordt beheerd door Enduris en is aangesloten op het nationale net van Gasunie. De gebouwde omgeving is aangesloten op het gasnet van Enduris. Ten slotte zijn er in Zeeland een aantal industriële buisleidingen waar onder meer aardolie, nafta, waterstof en hoogcalorisch gas door worden getransporteerd.10 Op dit moment zijn er nog niet veel woningen in Zeeland aan een warmtenet gekoppeld. In de wijk Ouverture in Goes worden er aan 320 woningen via een aquathermie warmtenet warmte geleverd. Verder zijn er in Vlissingen, Hulst en Reimerswaal kleine warmtenetten te vinden. Naast deze warmtenetten zijn er nog de eerdergenoemde restwarmte uit koppelingen (zie Figuur 9), waarvan het WarmCo project met 1.4 PJ restwarmte vanuit Yara de grootste is.

3.4 Warmtekansen Van de warmtevraag en -aanbod wordt in dit hoofdstuk een koppeling gemaakt tussen bronnen en potentiële afnemers.

Totaaloverzicht: Menukaart De menukaart biedt inzicht in de eigenschappen van de warmtevraag en -opties voor collectieve, locatiegebonden warmtebronnen per wijk. De randvoorwaarden voor de koppeling zijn gekozen op een manier waarbij de schaalgrootte (clustering/aantal woningen)

10 Bron: systeemstudie Zeeland CE Delft, 2019

22

de potentie heeft een haalbaar en rendabel warmtenet te krijgen. Een voorbeeld van de menukaart is te zien in Figuur 15, de menukaarten zelf zijn te vinden in bijlage D. De menukaart is bedoeld als startpunt voor verdere verkenningen. Voor elke gemeente is per buurt weergegeven wat de warmtevraag is, hoeveel procent daarvan binnen een cluster vallen en hoe de verdeling is tussen de warmtevraagtemperaturen in 2050 volgens isolatiestrategie 2. Daarnaast zijn voor elke buurt warmtebronopties in kaart gebracht. Deze opties zijn een resultaat van de koppeling die gemaakt is als gevolg van de economische potentie. Een lege cel geeft aan dat de buurt op basis van deze analyse niet geschikt is voor een warmtenet. Twee aanvullende opmerkingen bij het lezen van de lokale warmtebronopties: • •

Binnen het bereik van een bron kunnen meerdere buurten liggen. Sommige bronnen zullen daardoor in meerdere wijken voorkomen. Hierdoor kan de bron zowel lokaal als bovenlokaal zijn. Bronnen kunnen beschikbaar zijn voor meerdere bronopties (LT en MT). Zo is ondiepe geothermie in principe beschikbaar voor LT, maar is het in sommige gevallen kansrijk om de bron op te waarderen naar MT door middel van een warmtepomp.

MT: Midden temperatuur restwarmte uit de industrie LT: Lage temperatuur restwarmte uit de industrie ZD: Thermische warmte van zon op dak ZV: Thermische warmte van zon in veld TEO: Thermische energie uit oppervlaktewater TEA: Thermische erergie uit afvalwater LTA: Lage temperatuur aardwarmte Uitleg bij de kleuren codes: warmtevraag dat binnen een warmtecluster valt warmtevraag dat buiten een warmtecluster valt aandeel afnemers dat met 70°C verwarmt moet worden aandeel afnemers dat met 50°C verwarmt moet worden aandeel afnemers dat met 40°C verwarmt moet worden Griffioen I Griffioen II Poppenroede Seislaan Klarenbeek I Klarenbeek II & III

30,6 [TJ/jr] 21,1 [TJ/jr] 1,6 [TJ/jr] 11,7 [TJ/jr] 25,4 [TJ/jr] 20,2 [TJ/jr]

MT LT

ZD ZV

Figuur 15:Illustratie van de menukaart van een aantal buurten in Middelburg

Bovengemeentelijke warmtebronnen: restwarmte, elektriciteit en gas Restwarmte uit de grote industrie is de voornaamste bovengemeentelijke warmtebron. In de kaart hiernaast zijn de warmtebronnen zichtbaar waarvoor gemeente-overstijgend overleg van belang is en welke gemeenten daarbij (wellicht) betrokken moeten worden. Andere types warmtebronnen behoeven wellicht geen of slechts beperkt regionale afstemming vanwege hun lokale aard. Naast warmtebronnen zoals restwarmte, aquathermie en zonthermie, kan warmte ook worden geproduceerd uit andere energiedragers, zoals elektriciteit (benodigd voor warmtepompen) en duurzaam gas. Voor deze energiedragers voor de gebouwde omgeving is regionaal overleg, afstemming en strategievorming wel essentieel. Hierover worden in de volgende hoofstukken advies aangereikt.

23

TEO TEA LTA

4. Concretisering van oplossingsrichtingen Alternatieven voor aardgas in de gebouwde omgeving zijn in te delen in vier oplossingsrichtingen:

2. Warmtepomp 1. Warmtenetten

• Individueel of kleincollectief

3. Zonthermische oplossingen

4. Duurzaam gas

In dit hoofdstuk werken we deze vier oplossingsrichtingen dieper uit in Zeeland. Voor de grootschalige warmtenetten zijn twee relevante varianten gekozen, waarvan een specifieke, fictieve case wordt uitgewerkt: restwarmte uit het Sloegebied en warmte uit oppervlaktewater voor Tholen. Voor oplossingsrichtingen warmtepomp, zonthermisch en duurzaam gas worden geen cases uitgewerkt, wel wordt een eerste uitwerking van een regionale strategie op het thema uiteengezet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10776935/1