2021-50d. D21.258786 Bijlage F-b Warmtetool achtergronddocument
Tekst van het document
Exploitatiesubsidie: SDE++ Sommige collectieve warmtebronnen maken aanspraak op SDE++ subsidie. De volgende eigenschappen hiervoor zijn overgenomen uit het SDE++ eindadvies 2020: •
Basisbedrag (€/kWh)
•
Correctiebedrag (€/kWh)
•
Duur (jaar)
•
Max. aantal vollasturen (hr/jaar)
De volgende warmtebronnen in de Warmtetool worden doorgerekend met SDE++ subsidie: •
LT restwarmte uit datacenters of supermarkten
•
Biomassa
•
Warmte uit RWZI effluent (TEA) of oppervlaktewater (TEO)
•
Geothermie: ondiep, diep en ultradiep
•
Zonthermie: op veld en op dak
Investeringssubsidies (ISDE) Voor warmtepompen tot 70 kW kan een investeringssubsidie worden aangevraagd. Dit kan dus het geval zijn bij individuele warmtepompen of kleinschalige warmtenetten met collectieve warmtepompen. De Warmtetool rekent met de volgende waarden:
Type warmtepomp Lucht-water Bodem-water Hybride Water-water (bijv. bij bronnetten)
Subsidiebedrag 1.020 € +100 €/kW 2.320 € +80 €/kW 1.000 € +100 €/kW 2.800 € +125 €/kW
Sinds 1 januari 2021 vallen isolatiemaatregelen (voorheen onder SEEH-subsidie) onder ISDE. Dit is nog niet verwerkt in de huidige versie van de Warmtetool, waarin isolatiemaatregelen niet gesubsidieerd worden.
Projectsubsidie (bijv. PAW) De gebruiker van de Warmtetool kan eenvoudig een eenmalige projectsubsidie meenemen op het Dashboard. De waarde hiervan is manueel in te vullen en is dus niet gekoppeld aan de kosten van het warmteconcept.
Warmtetool achtergronddocument
28
Financiële analyse: tijd en kernresultaten Tijd Voorgaande hoofdstukken zetten uiteen hoe initiële en jaarlijks wederkerende kosten worden berekend. In dit hoofdstuk geven we aan hoe deze kosten daadwerkelijk in de tijd worden doorgevoerd om te komen tot een realistisch beeld van een businesscase en/of een total cost of ownership (zie latere secties). De Warmtetool rekent 31 jaar door: jaar 0 tot en met 30. In jaar 0 wordt enkel geïnvesteerd, vanaf jaar 1 wordt deels geëxploiteerd. De vollooptijd bepaalt hoe snel 100% van het cluster is overgestapt op het nieuwe warmteconcept. De vollooptijd kan worden bepaald op twee manieren: automatisch of handmatig. Indien automatisch, dan berekent de Warmtetool de vollooptijd zelf aan de hand van het cumulatieve vermogen van de volgens de volgende vergelijking:
De bovengrens is 30 jaar en de ondergrens 1 jaar. De volgende tijdseffecten worden meegenomen die direct of indirect impact hebben op een aantal kostenposten: •
Inflatie algemeen: Alle kosten in een jaar 𝑛 worden vermenigvuldigd met een inflatiefactor die per jaar wordt bepaald a.h.v. de formule 𝑓(𝑛) = (1 + 𝑖𝑛𝑓𝑙)𝑛 met 𝑖𝑛𝑓𝑙 = 2% (standaard waarde)
•
Extra indexatie gas, elektra en warmte: Additionele inflatie van energieprijzen bovenop de inflatie. De standaard rekenwaarden zijn 2% voor aardgas en 1% voor elektra en warmte.
•
Warmtevraag reductie door autonomie isolatie: Autonomie isolatie zijn maatregelen die gebouweigenaren zelf besluit te nemen, onafhankelijk van wat strikt noodzakelijk is in het doorgerekende scenario. De kosten hiervoor worden niet aangerekend omdat het geen noodzakelijke kosten en misschien ook wel deels rendabele kosten zijn. Hoe sterk dit wordt meegenomen is afhankelijk van de afgiftetemperatuur in het gekozen scenario: 0.5% per jaar bij 90 °C, 0.25% per jaar bij 70 °C en 0% bij 50°C en 40 °C.
•
Warmtevraag reductie door klimaateffect: Klimaateffect betekent dat door de geleidelijke opwarming van het klimaat de warmtevraag minder wordt. De Warmtetool neemt voor deze afname standaard 0.5% per jaar.
•
Leereffect: Je kan veronderstellen dat technologieën door innovatie en opschaling over de jaren heen goedkoper worden, dit noemen we het leereffect. De Warmtetool onderscheidt een verschillend leereffect voor drie verschillende kostencategorieën: o
Voor installaties en isolatie gaan we uit van 25% kostendaling over 30 jaar, ofwel 1% per jaar.
o
Voor leidingwerk gaan we uit van 20% kostendaling over 30 jaar, ofwel 0,7 % per jaar.
Warmtetool achtergronddocument
29
o
Voor onderhoud en administratie gaan we uit van 18% kostendaling over 30 jaar, ofwel 0,6 % per jaar.
De gebruiker van de Warmtetool kan met een schuifje op het Dashboard eenvoudig schakelen tussen deze default leercurve, een pessimistische leercurve (geen leereffect) of een optimistische leercurve (dubbel leereffect).
Minimale investeringsstap warmtebronnen De Warmtetool hanteert voor warmtebronnen een minimale volloopstap. Dat wil zeggen dat als de vollooptijd hoger dan 1 jaar is, de investering van de warmtebron moet worden verdeeld over de vollooptijd op een dusdanige manier dat elke investeringsstap minimaal de minimale investeringsstap is. Dit is met name van belang voor warmtebronnen zoals geothermie die niet in kleine stapjes kunnen worden gerealiseerd maar altijd in één keer een grote investering vereisen.
Herinvestering en restwaarde Veel investeringen in nieuwe warmtesystemen vereisen binnen minder dan 30 jaar een herinvestering voor de vervanging van componenten. De Warmtetool definieert voor elke investering welk percentage geherinvesteerd moet worden en na hoeveel tijd. Bijvoorbeeld bij warmtepompen (alle formaten) gaat de Warmtetool uit van een herinvestering van 80% van de initiële investering na 15 jaar. Voor het deel dat buiten deze herinvestering valt, gaat de Warmtetool uit van een levensduur van 50 jaar. Tenzij een investering precies na het laatste jaar in de Warmtetool weer aan een herinvestering toe is, zit er nog een restwaarde op. We rekenen met de technische restwaarde. Dit wordt als volgt berekend: 1.
Per jaar wordt voorspeld wat van de investering die in dat jaar plaatsvindt de restwaarde zal zijn na 30 jaar. Deze inschatting gebeurt op basis van de levensduur van de asset die wordt aangeschaft en het aantal jaren tussen dat jaar en jaar 30.
2.
Deze waarden worden bij elkaar opgeteld, dat is de totale restwaarde op het einde van de 30 jaar.
Actoren en kernresultaten De Warmtetool onderscheidt twee soorten kosten: • •
Nationale kosten, ofwel totale systeemkosten. Interne kasstromen, ofwel kosten tussen stakeholders in het model.
Beide sluiten elkaar per definitie uit: een interne kasstroom is nooit een nationale kost, omdat het voor de ene stakeholder een kost is maar voor de andere een baat. De samenhang tussen nationale kosten, interne kasstromen en stakeholders (ofwel actoren in het model) is weergegeven in onderstaande schema’s. De total cost of ownership (TCO) voor een bepaalde partij is de som van alle nationale kosten, interne kosten (vertrekkende pijl) en baten (arriverende pijl, negatieve kosten) die bij een partij staan, over de 30 jaar 4. De (financiële) businesscase de warmtenetexploitant is opgebouwd uit dezelfde kosten en baten als de TCO van de exploitant. De nationale kosten, TCO’s en businesscase van de warmtenet-exploitant noemen we de kernresultaten van de Warmtetool.
4
Gecorrigeerd voor financieel rendement door toepassing van verdiscontering.
Warmtetool achtergronddocument
30
Figuur 6: Voorbeeldsituatie warmtenet - Samenhang tussen stakeholders (actoren), nationale kosten en interne kasstromen.
Figuur 7: Voorbeeldsituatie individuele warmtepompen - Samenhang tussen stakeholders (actoren), nationale kosten en interne kasstromen.
Warmtetool achtergronddocument
31
Aardgasreferentie Bij elk doorgerekend scenario wordt ook het referentie-scenario op aardgas berekend. De uitgangspunten van dit scenario zijn: •
Gebouwen behouden hun huidige warmtevoorziening.
•
Het gasnet wordt in stand gehouden.
•
Er vindt autonome isolatie plaats met een warmtevraagreductie van 0.5% per jaar tot gevolg.
Gasketel en gasaansluiting De meegerekende kosten voor gasketels zijn: •
Kleinverbruik: € 1.500 per ketel (uitgangspunt CW4-klasse HR107 ketel)
•
Grootverbruik: 140 €/kW
•
Onderhoudskosten: 3% van investeringskost per jaar (voor huishoudens komt dit neer op € 45per jaar).
Gasketels hebben een gemiddelde levensduur van 15 jaar. De Warmtetool gaat er (bij gebrek aan specifieke informatie) vanuit dat de huidige gasketels gemiddeld midden levensduur zijn en dus over 7 jaar vervangen moeten worden. Voor de gasaansluiting wordt gerekend met: •
Geen eenmalige aansluitkosten, want woningen zijn al aangesloten
•
Netbeheerkosten kleinverbruik: € 213 per jaar per aansluiting
•
Netbeheerkosten grootverbruik: 20 €/kW per jaar
Leveringskosten en energiebelasting aardgas Het leveringstarief voor aardgas waarmee wordt gerekend bedraagt: •
Kleinverbruik: 32 ct/m3
•
Grootverbruik: 21 ct/m3
Over levering van aardgas worden energiebelasting en Opslag Duurzame Energie geheven. De berekening hiervan volgt de officiële staffelmethodiek en de tarieven worden elk jaar bijgewerkt.
Instandhouding gasnet De netbeheerder moet kosten maken voor het in stand houden van het gasnet. De Warmtetool gaat hiervoor uit van een jaarlijkse kapitaallast van 12 €/m/jaar en onderhoudskosten van 3,8 €/m/jaar. De lengte voor het te behouden lage-druk gasnet lengte wordt overgenomen van de automatisch bepaalde tracélengte van de secundaire warmteleidingen voor het cluster. Uiteraard worden de kosten voor de warmteleidingen dan niet in rekening gebracht, enkel de meters tracé worden overgenomen.
Financiële analyse Voor de financiële analyse van de aardgasreferentie wordt dezelfde methodiek gebruikt als voor duurzame warmteconcepten, zoals beschreven in Hoofdstuk 6 Financiële analyse: tijd en kernresultaten.
Warmtetool achtergronddocument
32