CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-04b. D21.248110 Rapport van Expload explosievenadviseurs Rapportage vooroeverbestorting

Raadsvergadering 23 maart 2021, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen kosten opsporen en ruimen explosieven Rijkswaterstaat in het kader van de Bommenregeling14.523 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 38 van 63

7

BIJLAGEN

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 39 van 63

7.1

BIJLAGE 1 : PROCESSCHEMA OCE

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 40 van 63

3. Projectbegroting en aanbesteding

Nee Ja

2. Besluitvorming

Ja

30% van de opsporingskosten (+ voorfinanciering 70%)

4. De Opsporing

Nee

1. Risicoinventarisatie & evaluatie (RI&E) Verbod op uitvoering werkzaamheden

Ja Nee

Nee Nee Ja

Nee Ja

Nee

Ja

Processchema OCE

5. De ruiming (EODD)

7.2

BIJLAGE 2 : KAART MET OPSPORINGSGEBIEDEN

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 41 van 63

58300,000000

58400,000000

58500,000000

58600,000000

394000,000000

58200,000000

58700,000000

58800,000000

58900,000000

59000,000000

59100,000000

58700,000000

58800,000000

58900,000000

59000,000000

59100,000000

393800,000000 393700,000000 393600,000000 393500,000000 393400,000000

393400,000000

393500,000000

393600,000000

393700,000000

393800,000000

393900,000000

394000,000000

58100,000000

393900,000000

58000,000000

Opsporingsdiepte minimaal 30 cm in de ondiepe zone tot de witte stippellijn en 25 cm in de diepere zone. 58000,000000

58100,000000

Werkgebied Wemeldinge-Oost Stortvak

Waterbodem circa -5 m NAP

Waterbodem circa -11,8 m NAP 100

Meters

58200,000000

58300,000000

58400,000000

58500,000000

58600,000000

Opsporingsgebied: afwerpmunitie t/m 500lb

Opsporingsgebied: contactmijnen en invloedsmijnen uit WO-II Geen beheersmaatregel noodzakelijk

Opdrachtgever Ex pload BV Pos tbus 85 4100 AB C ulemborg Tel: 0345 778990 info@ expload.nl Irene Vorrinkstraat 29 4105 JA Culemborg Kv k: 54955890 www.expload.nl

´

Rijkswaterstaat Project

VOV 3.0 Wemeldinge-Oost Onderdeel

Opsporingsgebieden Wemeldinge-Oost Datum Get. Gec.

30-3-2018 MR JB

Projectnummer

17035

Schaal

Tekeningnummer

1.2

Status

DEF.

1:3.000 Formaat

A3

7.3

BIJLAGE 3 : RESULTATEN ONDERZOEK ZEEMIJNEN

Het onderzoek voor het werkgebied is onderdeel van vijf soortgelijke, parallel lopende onderzoeken in de Wester- en Oosterschelde. Een verdiepend onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van zeemijnen is daarom uitgevoerd voor de Wester- en Oosterschelde. Zowel de Wester- als de Oosterschelde vormden de toegangspoort tot Antwerpen, een van de grotere zeehavens van Europa.

7.3.1

Algemeen

Zeemijnen werden voor het eerst sporadisch toegepast tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (18611865). Grootschalige gebruik door strijdende partijen vond voor het eerst plaats tijdens WO-I, toen alleen al op de Noordzee honderdduizenden exemplaren zijn gebruikt door zowel de Fransen, de Engelsen als de Duitsers. Het aantal gebruikte zeemijnen in de Tweede Wereldoorlog was zelfs nog groter dan tijdens WO-I. Zeemijnen bleken een effectief oorlogsmiddel18, iets wat letterlijk zichtbaar was op de stranden; er spoelden regelmatig zeemijnen aan op de kust, waarbij soms (te) nieuwsgierige burgers de mijn verstoorden en slachtoffer werden van de daarop volgende explosie.

Figuur A: Contactmijn uit WO-I op de Zeeuwse kust (1918).

7.3.2

Soorten zeemijnen en ontstekingsinrichtingen

Er zijn twee hoofdsoorten zeemijnen: 1. Contactmijnen (vrij drijvend / verankerd) 2. Invloedsmijnen (grond- c.q. bodemmijnen)

18

In de Noord-Europese wateren werden tijdens WO-II meer dan 150 oorlogsschepen tot zinken gebracht en raakten er 340 beschadigd. Ook circa 300 vrachtschepen kwamen tot zinken en 165 raakten beschadigd. Daarnaast ging een groter aantal Duitse onderzeeërs verloren door zeemijnen dan door aanvallen van de geallieerde vloot.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 42 van 63

Zeemijnen kunnen tot explosie gebracht worden door: a) direct fysiek contact (contactmijnen); b) het magnetisch veld van een schip (Invloedsmijnen); c) het akoestisch (geluid) vermogen van een schip (Invloedsmijnen); d) het hydrodynamisch drukveld van een schip (Invloedsmijnen). Zeemijnen werden op verschillende manieren gelegd. Zo werden ze eenvoudigweg overboord gezet vanaf oppervlakteschepen, op de waterbodem gelegd door (eenpersoons)onderzeeërs en vanuit vliegtuigen in het water gegooid, al of niet voorzien van parachutes.

Figuur B: Zeemijnen op de Noordzee (1940)19

19

Bron: The War at Sea 1939-1945, by Captain S.W. Roskill, D.S.C., R.N.; Published by Her Majesty's Stationery Office, London.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 43 van 63

Contactmijnen zijn meestal uitgerust met externe chemische ontstekingsmechanismen ( Hertzhoorns). Deze mijnen liggen normaliter met een ketting verankerd aan een zwaar blok op de waterbodem. Door de aanwezige luchtkamers in de mijn “zweven” ze 5 tot 6 meter onder het wateroppervlak zodat schepen met een behoorlijke diepgang in contact kunnen komen met de ontstekers. Lichtere schepen met weinig diepgang varen dus over de mijn heen. De ontstekers (Hertzhoorns) bevatten elk een glazen ampul met chroomzuur en die ampul breekt als de Hertzhoorn wordt verbogen of beschadigd. Het chroomzuur komt hierbij vrij en treedt op als elektrolyt voor een droge batterij die zit ingebouwd onder in de hoorn (zie figuur 8). De batterij wordt geactiveerd door het chroomzuur en stuurt een elektrische impuls naar het ontstekingsmechanisme, waardoor de mijn explodeert. De contactmijn komt dus tot werking als gevolg van fysiek contact tussen de romp van een schip en de Hertzhoorn.

Figuur C: Grafische impressie contactmijn.

Tijdens WO-I werden vrijwel uitsluitend de contactmijnen toegepast in de oorlogsvoering. Bij het doorroesten van de ketting of kabel waarmee ze aan de verankering is bevestigd stijgt de zeemijn als een ballon op naar het wateroppervlak, raakt op drift en wordt een speelbal van getijde, stroming en golven. Hierdoor spoelen (2017) nog steeds af en toe zeemijnen aan op stranden langs de Nederlandse kust. Ook worden met regelmaat zeemijnen opgevist en binnengebracht door vissersschepen; bij de vismijn Vlissingen ruim 10 keer tussen 1984 en 200420. Een ander gegeven dat zich voordoet is de inwerking van het zoute zeewater op het drijflichaam van de zeemijn, waardoor corrosie ontstaat en na verloop van tijd de zeemijn “lek” raakt. Hierdoor zal de zeemijn niet opstijgen naar het wateroppervlak maar zal hij juist afzinken naar de waterbodem.

20

Bron: Archief ruimopdrachten van de EOD.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 44 van 63

Figuur D: losgeraakte contactmijnen (drijvende en gezonken versie).

Invloedsmijnen, ook wel grond- of bodemmijnen genoemd, kwamen pas tijdens WO-II massaal in gebruik en hadden verschillende mogelijke ontstekingsmechanismen die ook gecombineerd geplaatst konden worden op één mijn: magnetisch, akoestisch en druk. (multi-ignition)

Figuur E: Voorbeeld grondmijnen (Duits) opgevist.

Een magnetische ontsteker werd geactiveerd door de magnetische invloed van een passerend (ijzeren) schip. Door de grote hoeveelheid ijzer reageert de ontsteker omdat deze is voorzien van een spoel die een wijziging in het (aard) magnetische veld registreert. Mijnenjagers en mijnenvegers hebben daarom een hele lage magnetische waarde (veelal gemaakt van hout of composiet) om zo lang mogelijk buiten het detectiebereik van de magnetische ontstekingsinrichting te blijven. Een zeemijn met een akoestische ontstekingsinrichting bevat hydrofoons. Een hydrofoon is een onderwatermicrofoon die ook wordt gebruikt bij het opsporen van walvissen. Het opgepikte geluid van een schip wordt omgezet in een elektrische spanning waardoor de zeemijn tot explosie komt. Dit type ontsteker kan tegenwoordig dusdanig worden ingesteld dat hij alleen reageert op het geluid van een specifiek (met naam genoemd) schip. Dit laatste kon nog niet in WO-II.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 45 van 63

Een zeemijn met een drukontsteker werkt op een drukverschil in het water. Een schip dat passeert veroorzaakt een boeggolf waardoor een waterdruk wordt gecreëerd die daarna weer wegvalt direct onder het schip. Dit drukverschil wordt geregistreerd door de drukontsteker die werkt op het principe van een rubber balg. Door het indrukken of juist uitzetten van de rubber balg geeft de ontsteker een signaal waardoor de zeemijn tot uitwerking komt.

7.3.3

Engelse en Nederlandse zeemijnen uit WO-I

Hierna zijn drie kaartjes opgenomen van (tijdens WO-I) door Engeland en Nederland gelegde zeemijnen (type onbekend) in de monding van de Westerschelde. De kaarten zijn afkomstig uit The National Archives in Londen, ingewonnen uit de bedrijfsdatabase van de firma Adede.

Figuur F: Britse mijnenvelden in de monding van de Westerschelde (WO-I). Bron: ADM 137/845, British minelaying operations 1916-1917 via Adede.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 46 van 63

Figuur G: Nederlandse zeemijnen in de monding van de Westerschelde (WO-I).

Figuur H: Nederlandse zeemijnen in de monding van de Westerschelde (WO-I).

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 47 van 63

7.3.4

Engelse zeemijnen uit WO-II

In april 1940, toen de Duitse bezetting van Nederland net was begonnen, begon de Engelse Admiraliteit (Admiralty) met het strategisch leggen van invloedsmijnen om de Duitse scheepvaart te hinderen. Het leggen van deze mijnen vond plaats vanuit vliegtuigen van Bomber Command en Coastal Command en werd “gardening” (tuinieren) genoemd. Het leggen van mijnen vonden plaats op vooraf vastgestelde zones in Zeeland, in de Maas bij Rotterdam en Hoek van Holland en bij de Waddeneilanden. De zones in Zeeland hadden de volgende namen: Gardening Area Flounder(s) Newt I Newt II Newt III Newt IV Tabel A: Engelse mijnenlegzones in Zeeland.

Op 9 oktober 1940 werd de Admiraliteit bovendien geadviseerd om mijnen te leggen in de zone “East Scheldt” bij Wemeldinge, in de monding van het Kanaal door Zuid-Beveland. Hierdoor zou het voor Duitse schepen nog moeilijker worden om de haven van Antwerpen te bereiken.21 De coördinaten van deze zones zijn gevonden in archiefstukken over het mijnenleggen door de Bomber en Coastal Commands uit The National Archives in Londen (zie tabel B). De zones zijn afgebeeld in figuur 13. Zij bevonden zich in de scheepvaartroutes.

Toegang/inventaris AIR 10/3755 AIR 10/3756 AIR 14/1557 AIR 14/2064 AIR 15-245

AIR 20/1031 AIR 20/1032

Omschrijving Air Staff Memorandum No. 60 S.69519 Sea Mining Operations (April-December 1940, 1941) Air Staff Memorandum No. 60 S.69519 Sea Mining Operations (January 1941-April 1942) Air Ministry: Bomber Command: Registered Files: Sea mining operation results (January 1941 – July 1944) Air Ministry: Bomber Command: Registered Files: Operation "Gardening" (March 1940 – December 1943) Air Ministry and Admiralty: Coastal Command: Registered Files: Mine-laying in enemy waters (January 1940 – December 1940) Directorate of Naval Cooperation: Mining by air in German controlled waters (April 1940 – April 1941) Directorate of Naval Cooperation: Mining by air in German controlled waters (April 1940 – February 1941)

Tabel B: Geraadpleegde archiefstukken over het leggen van zeemijnen door de Engelsen. 21

Brief van de Air Officer Commanding-in-Chief van Coastal Command aan de Admiralty, 9 oktober 1940. Bron: The National Archives Londen, AIR 15/245

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 48 van 63

Figuur I: Locaties van Engelse mijnenlegzones in Zeeland (paars) en de extra zone East Scheldt (blauw).

Rapporten over het aantal gelegde mijnen lopen uiteen. Volgens een overzicht van gelegde mijnen tussen april 1940 en eind december 1940 hadden vliegtuigen van Bomber Command en Coastal Command in totaal 1.107 zeemijnen gelegd langs de Europese kust, waaronder 35 mijnen in Zeeland.22 Mijnen werden gelegd tot tenminste halverwege het jaar 1942. Doorgaans werd de “A Mk. I Mine” gelegd (zie figuur J). Dit is een Britse zeemijn van het type invloedsmijn en werd ontwikkeld in 1918, op het eind van WO-I. Dit was de eerste Britse invloedsmijn en werd gebruikt tot en met WO-II.

Air Staff Memorandum No. 60. Sea Mining Operations April – December 1940. Bron: The National Archives Londen AIR 10/3755. 22

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 49 van 63

Figuur J: Afbeelding en specificaties van de Engelse A Mk. I invloedsmijn.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 50 van 63

7.3.5

Duitse zeemijnen uit WO-II

Duitse contactmijnen werden al vanaf 1942 voor de kust van Nederland geplaatst: de Küstenmine A (KMA mijn / Käthy Mine). Deze anti-invasiemijnen werden in rijen van 2 tot 4 in de branding geplaatst tot een waterdiepte van 8 meter. De rijen werden verspringend aangelegd met een onderlinge afstand van ongeveer 40 meter. Schattingen van het aantal in Nederland gelegde Kathy mijnen liggen tussen de 8.000 en 10.000 stuks. Een Kathy mijn bestaat uit een betonblok, met daarop een metalen driepoot waarop een voelhoorn met ontstekingsmechanisme was bevestigd. In het betonblok zijn springladingen verwerkt: 75 kg Hexaniet. De mijn kwam tot detonatie wanneer een schip of ander hard voorwerp tegen de voelhoorn stootte.

Figuur K: Kathymijn.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 51 van 63

De figuur hieronder geeft aan waar de mijnen in Nederland lagen. Er bevonden zich vier Kathy mijnenvelden bij Walcheren en in de monding van de Westerschelde: • K20 langs de westkust van Walcheren (858 mijnen); • K20a in de aanvoerroute van de Westerschelde (136 mijnen); • K20b in de aanvoerroute van de Westerschelde (168 mijnen); • K21 langs de zuidoever van de Westerschelde (348 mijnen).

Figuur L: Kathymijnenvelden in Nederland. Bron: L. Guldemond, De vergeten Marine. De geschiedenis van de Kathy Mijnen Party’s in de periode van 1945-1952 (z.p., z.j.).

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 52 van 63

Uit dagboeken van de Duitse mijnendienst, ingewonnen via de firma ADEDE, blijkt dat Duitse invloedsmijnen zijn gelegd in de Wester- en Oosterschelde bij Vlissingen, Breskens, Terneuzen en Wemeldinge (zie de kaarten op de volgende pagina’s). De dagboeken zijn tussen medio jaren ’70 en ’80 uit diverse Duitse, Franse en Engelse archieven verzameld en zijn niet geïndexeerd. Zij zijn tot heden niet teruggevonden in de archieven die regulier in een historisch vooronderzoek worden geraadpleegd. Het leggen van Duitse invloedsmijnen gebeurde vaak s ’nachts vanuit vliegtuigen en vooral om die reden is de exacte plaats van leggen uitsluitend bij benadering bekend, GPS bestond nog niet. De Duitsers gebruikten hoofdzakelijk de HE-111 en de Ju-88 bommenwerpers voor deze operatie, die elk twee tot drie invloedsmijnen konden meenemen.

Figuur M: Duits mijnenveld E.33 voor Vlissingen, met 10 invloedsmijnen van het type LMB.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 53 van 63

Figuur N: Duits mijnenveld E.31a voor Breskens, met 8 invloedsmijnen van het type LMB; Duits mijnenveld E.63 voor Breskens, met 16 invloedsmijnen van het type LMB; Duits mijnenveld E.72 voor Breskens, met 20 invloedsmijnen van het type LMB.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 54 van 63

Figuur O: Duits mijnenveld E.75a voor Terneuzen, met 28 invloedsmijnen van het type LMB; Duits mijnenveld E.75b voor Breskens, met 24 invloedsmijnen van het type LMB .

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 55 van 63

Figuur P: Duits mijnenveld E.64 voor Breskens, met 14 invloedsmijnen van het type RMA.

De RMA is een invloedsmijn van aluminium en half-sferisch van vorm, ook wel “Schildkrot Mine” genoemd. Gezien de vorm van het bemijnde gebied (zie kaartje hierboven) gaat Expload er vanuit dat de betreffende zeemijnen zijn gelegd vanaf een schip en niet door vliegtuigen; bij leggen door een vliegtuig zou het mijnenveld een lijn vormen en geen vierhoek. Er zijn geen gegevens bekend van het ruimen van dit mijnenveld.

Regulärmine A (RMA) Gevechtslading : 826 kg TNT eq. Diameter : 1,27 m Hoogte ; 0,99 m Totaalgewicht : 1215 kg Ontsteking : Magnetische invloed

Figuur Q: Duitse invloedsmijn van het type RMA.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 56 van 63

De LMB (Lüftmine B) is Duitse invloedsmijn van aluminium en cilindrisch van vorm. De mijn werd gelegd door zowel oppervlakteschepen, U-boten als vliegtuigen. Bij gebruik uit vliegtuigen (Heinkel HE11, Junkers Ju-88) werd het lange type gebruikt, waar ruimte in zat voor een parachute. Bij gebruik door schepen was geen parachute nodig en werd het korte type gebruikt (zie afbeelding hieronder).

Figuur R: Duitse invloedsmijn van het type LMB.

Luftmine B (Luftwaffe versie) Gevechtslading : 705 kg Diameter : 0,66 m Lengte : 2,64 m Totaalgewicht : 960 kg Ontsteking : Magnetische / Akoestisch

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 57 van 63

Uit eerder uitgevoerd vooronderzoek door Bodac blijkt dat bij de gevechten om de Westerschelde Duitse zeemijnen zijn ingezet. Het vooronderzoek specificeert niet of dit invloeds- of contactmijnen zijn. Mogelijk zijn contactmijnen geplaatst. Contactmijnen werden uitsluitend vanaf schepen gelegd, zowel tijdens WO-I als WO-II. Groot voordeel hiervan was dat schepen vele malen meer mijnen konden meenemen dan vliegtuigen. Deze methode van leggen - zoals hieronder weergegeven - wordt Anno 2017 nog steeds wereldwijd gebruikt.

Figuur S: Leggen van contactmijnen (Finland 1942).

7.3.6

Het ruimen van zeemijnen

Het vegen van Duitse zeemijnen in de Schelde begon eind 1944. De geallieerden hadden vanuit het zuiden België en Walcheren bevrijd en de Westerschelde kwam daardoor in geallieerde handen. Direct werd begonnen met het ruimen van mijnen in de 70 km lange waterweg vanaf de Scheldemonding tot aan Antwerpen. Antwerpen was één van de grootste havens van Europa en bijna geheel intact veroverd. Door de Westerschelde vrij van mijnen te maken kon het geallieerde leger vanaf zee worden bevoorraad. Op 2 november 1944 werd gestart met operatie Calender. Tien flottieljes mijnenvegers, dat bestond uit meer dan 100 schepen, voeren in formatie tussen Antwerpen en de Scheldemonding. Op 26 november 1944 werd de Schelde mijnenvrij verklaard, nadat 267 mijnen waren geruimd,23 namelijk 229 grondmijnen en 38 verankerde zeemijnen.24

23 24

www.go2war2.nl L.W. de Bree,Zeeland ’40-’45 deel II.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 58 van 63

Het ruimen van contactmijnen gebeurt door mijnenvegers, die per twee een verzwaarde kabel met daar aan bevestigd “cable cutters” achter zich aanslepen. Als deze kabel de ketting van een mijn oppikt, zal die door een van de cutters worden doorgeknipt, waarna de mijn opstijgt en gaat drijven aan het wateroppervlak. Zo’n drijvende contactmijn werd dan – zeker in oorlogstijd – lek geschoten door een boordkanon of geweervuur, waarna hij zonk naar de zeebodem.

Figuur T: Systeem van mijnen vegen

In december 1944 bleek de Schelde toch niet mijnenvrij te zijn. Die maand werden 9 schepen beschadigd door zeemijnen, of zonken. Dit kwam enerzijds doordat mijnen waren blijven liggen bij het vegen en anderzijds omdat Duitse vliegtuigen en vaartuigen vanaf 27 november 1944 opnieuw mijnen legden. Dergelijke incidenten bleven niet beperkt tot de maand december. Ook in 1945 voeren schepen op nieuw gelegde Duitse mijnen in de Westerschelde. Rapporten over het leggen van Duitse zeemijnen, of het nemen van pogingen daartoe, vanaf eind december 1944 tot aan de bevrijding in 1945 zijn gevonden door Expload in archiefstuk ADM 232/114 uit The National Archives in Londen. Het dossier bevat aanwijzingen van het leggen van zeemijnen in de aanvoerroute / monding van de Westerschelde: De Engelse Admiraliteit rapporteerde in de week van 27 december 1944 tot en met 3 januari 1945: “On each of the three nights of 30th and 31st December and 1st January about 12 Ju. 88s entered the Scheldt area flying low and singly with the apparent intention of minelaying (..).”25

25

Minesweeping Summary No. 273.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 59 van 63

En in de daaropvolgende week: “(..) Two groups of E-boats attempted to raid the Scheldt approaches during the night of 15th/16th, but were intercepted and driven off (..).“26 De mijnen waren bedoeld om de zeevaart via de Westerschelde te saboteren: “Attempt to disrupt Scheldt traffic (..) Determined effort by E-boats occurred on the night of 17th/18th. Between 2230 and midnight 3 groups of E-boats got through our patrol and it was thought that mines had probably been laid between N.F.6 and N.F.8 Buoys on the Ostend- Scheldt diversion; in particular around N.F.6 and N.F.7 Buoy. Enemy had been shadowed by aircraft. A southerly diversion was made to the route. The next day the 18th and 42nd M.S.Fs. carried out Oropesa and E.G.M.S. operations and one blue magnetic mine was detonated on the 18th 8 cables W.S.W. of N.F.6 Buoy in the convoy route. The next day a moored mine exploded in the sweep of M.S. 18 near N.F. 7 Buoy. (..) In januari 1945 vond een incident plaats met een zeemijn bij Vlissingen:27 (..) One magnetic ground mine was detonated off Flushing on the 13th January, the first mine put up in that area since 3rd December [1944]. (..)”28 Toen WO-II eindigde vormden de zeemijnen een probleem tot direct moest worden opgelost. De verantwoordelijkheid voor het ruimen van de mijnen in Europa werd op nationaal niveau gelegd.

De coördinatie op Europees niveau werd uitgevoerd door een voor dat doel opgericht orgaan: de Central Mine Clearance Board (CMCB). Europa werd door deze raad opgedeeld in vier zones. Nederland viel onder de East Atlantic Zone Board, waar ook landen als Denemarken, België en Frankrijk onder vielen. Nederland kreeg de taak om mijnen te ruimen in haar wateren tot 40 mijl uit de kust. In oktober 1947 waren de belangrijkste vaarwegen in Nederland mijnenvrij gemaakt. Expload heeft de volgende archiefstukken geraadpleegd uit The National Archives in Londen over het ruimen van zeemijnen: Toegang/inventaris ADM 232/46 ADM 232/114 ADM 232/115

Omschrijving Netherlands Admiralty : Reports of Ground Mine Clearance (1947-1951) Admiralty: Central Mine Clearance Board: Minesweeping Reports: Nos. 272331 (27-12-1944 tot en met 20-2-1946) Admiralty: Central Mine Clearance Board: Minesweeping Reports: Nos. 332383 Final Issue (21-2-1946 tot en met 18-10-1947)

Tabel C: Geraadpleegde archiefstukken over het ruimen van zeemijnen.

26

Minesweeping Summary No. 274. Minesweeping Summary No. 274. 28 Minesweeping Summary No. 263 27

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 60 van 63

In maart 1945 begon een grote mijnenveegoperatie langs de westkust van Walcheren, tussen Vlissingen en West-Kapelle: “Schelde Minesweepers have completed their operations of an inshore channel between Flushing and West Kapelle and a searched channel has been promulgated. B.Y.M. S. detonated 6 more mines during this operation on the 7th and a further 2 on the 8th. A total of 11 ground mines have been detonated in addition to 5 during the initial CALENDAR operations. Katie mines were observed at low water almost the whole length of the shore.” 29 Een incident bij het mijnenvegen in september 1945 toont aan dat er nog mijnen waren blijven liggen: “The Dutch Fishing Vessel A.R.N.9, of Arnemuiden, Holland, was blown up by a mine (type not known) in the inshore channel off the Coast of the Island of Walcheren, between Flushing and Zunderhoofd. There were no survivors. The incident occurred on the 12th [of November, 1945].” 30 De verslaglegging over het mijnenruimen in de jaren 1946 en 1947 is zeer beknopt en mogelijk niet volledig. Hier volgen twee meldingen die betrekking hebben op de omgeving van het eiland Walcheren, zonder nadere specificatie van de locaties.

Een rapport van de week van 20 tot en met 26 juni 1946 vermeldt de ruiming van 3 zeemijnen buitengaats langs de kust van het eiland Walcheren.31 De daaropvolgende week werden 4 zeemijnen bij Walcheren geruimd.32 In de periode 1947 tot en met 1951 werden nog steeds mijnen geruimd voor de Nederlandse kust. Zelfs in gebieden die eerder al waren onderzocht op zeemijnen. Dossier ADM 232/46 bevat ruimrapporten met coördinaten van de afgezochte gebieden. Expload heeft deze coördinaten verwerkt in GIS en figuur U opgesteld:

29

Minesweeping Summary No. 282. Minesweeping Summary No. 318. 31 Minesweeping Summary No. 349. 32 Minesweeping Summary No. 350. 30

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 61 van 63

Figuur U: Gebieden waar zeemijnen zijn geveegd in de periode 1947-1951.

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 62 van 63

7.4

BIJLAGE 4 : RAPPORT DELTARES

Kenmerk: RAP0017353-WO-1.3

Pagina 63 van 63

Memo

To

John Blokvoort, Expload b.v. Date

Reference

Number of pages

24 November 2017

11201572-000-GEO-0002

6

Author

Direct line

E-mail

Panagiota Mingou

+31(0)88335 7728

panagiota.mingou@deltares.nl

Reviewer

Direct line

E-mail

Dirk Luger

+31(0)88335 7481

dirk.luger@deltares.nl

Subject

Calculation of penetration depth of stones during rockdumping

1 Introduction Expload b.v. has commissioned Deltares to perform calculations regarding the penetration depth of stones placed by rockdumping in several locations for a project for Rijkswaterstaat. Samples were taken at various locations and water depths and particle size distributions tests were carried out by Rijkswaterstaat. An overview is given below in Table 1.1. Table 1.1 Overview sample locations

Location 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

Name Hoedenkerke 10.5 Kabel noord Hoedenkerke 10.5 Kabel zuid Ellewoudsdijk 11.1 Ellewoudsdijk 11.2 Ellewoudsdijk 11.3 Bosselle 12.3 Port Scaldis 2010.16 Schelphoek Burgsluis 13.1 Zierikzee 2010.02 Oost-beveland Wemeldingen West Wemeldingen Oost Waarde en Westveerpolder Molenpolder Eendragtpolder Kleine Huissenpolder Margaretpolder Nieuw Neuzenpolder Vlissingen

Depth from [m] -3 -3 -3 -3 -3 -3 -3 -3 -3 -3 -3 -3

to [m] -15 -15 -8 -10 -8 -25 -25 -8 -10 -35 -35 -15

-3

-7

-3 -3 -3 -3 -3 -3

-8 -25 -20 -22 -25 10

Sand average percentage 51% 90% 42%

84% 59% 77% 45% 100% 100% 95% 100% 100% 100% 100% 96% 100% 100%

The last column indicates the average percentage of sand in the samples taken.

Date

Our reference

Page

24 November 2017

11201572-000-GEO-0002

2/6

The soil in these locations consists mainly of sand. Due to lack of soil strength parameters, conservative assumptions have to be made. Two undrained shear strength profiles are assumed. One with cu=0 kPa at the seabed and one with cu=1 kPa at the seabed. For both profiles a strength increasing with depth at a rate of 1.5 kPa per meter is assumed. These strength profiles had to be assumed since quantitative data regarding the (relative) density of the seabed at the various locations was not available. The profiles aim to represent a lower bound and a conservative best estimate strength for nearshore, normally consolidated, soil profiles.

2 Assumptions The other assumptions made for the calculations are summarised below: • Stone density is 2650 kg/m 3. • Stones are considered to have a spherical shape. • Stone diameters vary between 0.05 and 0.60 m. (Values of 0.05, 0.10, 0.15, 0.30, 0.50 and 0.60 m are analysed.) • Unit weight density for seabed is assumed to be 1600 kg/m 3. • A cone resistance is assumed on basis of the shear strength profile. • The static (plastic deformation) resistance against the penetrating stone is taken equal to this cone resistance. Apart from the static resistance caused by plastic deformation of the soil also forces caused by gravity, buoyancy and dynamic drag are considered. • Dynamic drag coefficient in water and seabed is 1, (reference is made to DNV-RP-H103, "Modelling and Analysis for Marine Operations") • The release height of the stones above the water level is assumed to be 2m (Free fall dropping height from vessel to sea-level. The velocity of the stones when entering the water is then •

= 2×ℎ×

=

2×2

× 9.81

≅ 6.3

Water depths of 1 and 3 m are assumed, 1m being related to Rijkswaterstaat design plans (drawing ref. Ontwerpdwarsprofiel Kleine Huissenspolder) and 3m being the minimum depth that the samples were taken in the area of interest. Since stones are slowed down by the water the minimum water depth is governing for the analyses.

For the calculation, the spreadsheet of Deltares was used with a methodology similar to the one used for estimating the penetration depth of ammunition in soil. Reference is made to Deltares report “Ontwerp Voorschrift Bepaling Indringingsdiepte Conventionele Explosieve”, March 2015 (http://www.explosievenopsporing.nl/site/media/upload/files/1210497-000-geo0002-r-ontwerp-voorschrift-bepaling-indringingsdiepte-conventionele-explosieven.pdf) The method entails the integration over time of all the forces acting on the stone until all kinetic energy of the stone is dissipated. Main difference between the VEO approach and the one used for these calculations is that the partial penetration of the stone into the seabed was analysed more in detail: In the VEO spreadsheet the focus is on deep penetration of bombs and that spreadsheet was considered not accurate enough in cases of partial or small complete penetration (penetration depths in the order of 1 to 2 times the penetrating object diameter).

Date

Our reference

Page

24 November 2017

11201572-000-GEO-0002

3/6

3 Results The calculation was made for 5 different stone diameters, for two different soil profiles. One layer of stones on the seabed was taken into account for this purpose: As soon as more stones are present these prevent further penetration of individual stones into the seabed. The results of the analysis for all cases are summarised in Table 3.1 and Table 3.2 below. The tables show for each stone diameter the velocity of impact at the seabed and the resulting penetration into what is considered a lower bound strength profile and a conservative best estimate strength profile. Table 3.1 Overview of results for 1m water depth

Stone diameter [m] 0.05 0.10 0.15 0.30 0.50 0.60

Stone weight [kg] 0.17 1.39 4.68 37.5 173 300

Speed at seabed [m/s] 1.04 1.51 2.02 3.39 4.48 4.82

Penetration into seabed (Cu=1.5z kPa) [m] 0.06 0.13 0.20 0.43 0.72 0.87

Penetration into seabed (Cu=1 + 1.5z kPa) [m] 0.01 0.03 0.06 0.20 0.43 0.54

Table 3.2 Overview of results for 3m water depth

Stone diameter [m] 0.05 0.10 0.15 0.30 0.50 0.60

Stone weight [kg] 0.17 1.39 4.68 37.5 173 300

Speed at seabed [m/s] 1.04 1.47 1.80 2.57 3.43 3.81

Penetration into seabed (Cu=1.5z kPa) [m] 0.06 0.12 0.19 0.37 0.63 0.76

Penetration into seabed (Cu=1 + 1.5z kPa) [m] 0.01 0.03 0.05 0.15 0.33 0.44

Date

Our reference

Page

24 November 2017

11201572-000-GEO-0002

4/6

Figure 3.1 below illustrates the overview of penetration depths for all cases.

Figure 3.1

Overview penetration depths for 2 soil profiles and 2 different water depths

Note that in cases where the undrained shear strength at the seabed is zero and the strength further increases linearly with depth, one finds a constant ratio between penetration depth and stone diameter.

Date

Our reference

Page

24 November 2017

11201572-000-GEO-0002

5/6

As illustration two graphs are provided below: Figure 3.2 shows, as an example, the velocity of the 0.5 m diameter stone in the water. Note that the velocity with which the stone enters the water is higher than the equilibrium velocity. For smaller stones the equilibrium velocity in the water is lower as can be seen in Tables 3.1 and 3.2. This justifies the assumption of minimum water depth as being more conservative than larger water depths.

Figure 3.2

Velocity over water depth for stone diameter D=0.50m

Date

Our reference

Page

24 November 2017

11201572-000-GEO-0002

6/6

The last illustration shows the velocity of the 0.5 m diameter stone in the seabed, for the two different soil profiles.

Figure 3.3

Penetration velocity of a 0.5 m diameter stone in the two different soil profiles for 3m water depth.

Figure 3.3 shows that from an initial velocity of 3.43 m/s the stone slows down and stops at 0.33 m depth for the Cu=1+1.5z [kPa] profile and at 0.63 m depth for the Cu=1.5z [kPa] strength profile.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9870078/1