131b. Voortgangsrapportage Vindplaatsen verborgen armen, juni 2021
Tekst van het document
Voortgangsrapportage “Vindplaatsen verborgen armen” Juni 2021 Inleiding
In september 2020 zijn we als consortium gestart met ons onderzoeks- en ontwikkelproject: Vindplaatsen verborgen armen; naar effectievere wegen om huishoudens met een laag inkomen te ondersteunen. In deze notitie informeren wij u graag over de voortgang behaald begin juni 2021. We geven voor de duidelijkheid eerst nog een korte beschrijving van het project.
Project
Naar aanleiding van een subsidieronde in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda in opdracht van het ministerie van SZW, hebben tien gemeenten (te weten Amsterdam, Amersfoort, Almere, Hoekse waard, Kapelle, Krimpenerwaard, Lelystad, Nijmegen, Schiedam en Vlaardingen) een consortium gevormd met vier kenniscentra (te weten UvA, het Nibud, INK. en de HvA) en twee samenwerkingspartners (te weten Over rood en Stichting lezen en Schrijven) om gezamenlijk een project op te zetten om enerzijds beter te begrijpen wie deze verborgen armen zijn en waarom ze verborgen zijn en om anderzijds in gezamenlijkheid werkwijzen te ontwikkelen die gemeenten en andere relevante actoren kunnen helpen om verborgen armen te vinden, te bereiken en beter te ondersteunen. Het project heeft een looptijd van drie jaar en wordt onder leiding van de HvA uitgevoerd. De start van het project is vanwege COVID-19 verzet naar 1 september 2020.
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het consortium heeft als gemeenschappelijke doelstelling geformuleerd: Het identificeren, ontwikkelen, deels implementeren en op meerwaarde beoordelen van mogelijkheden om meer huishoudens waarbinnen sprake is van verborgen armoede te bereiken met materiële en immateriële vormen van ondersteuning die deze huishoudens uiteindelijk in de gelegenheid stellen hun materiële positie zo te verbeteren. Om het doel van het project te realiseren worden drie praktijkvragen beantwoord: • Welke subgroepen verborgen, met name werkende, armen kunnen onderscheiden worden? • Welke bestaande vindplaatsen van (verborgen) armen lenen zich ervoor om op grotere schaal te worden ingezet? • Welke nieuwe vindplaatsen van (verborgen) armen kunnen worden opgezet en geïmplementeerd wanneer zij van toegevoegde waarde blijken en welke kunnen op grotere schaal worden ingezet?
Uitvoering project: twee onderzoekslijnen en twee praktijklijnen
Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden en daarmee de doelstelling van het project te behalen is het project onderverdeeld in twee onderzoekslijnen en twee praktijklijnen. De onderzoekslijnen worden door de UvA en het Nibud uitgevoerd. De praktijklijnen worden onder leiding van de HvA i.s.m. met de gemeenten uitgevoerd. Deze voortgangsrapportage informeert over de onderzoekslijn van het Nibud en over de eerste praktijklijn van de HvA. De UvA is volop bezig met haar onderzoekslijn. Hierover kunnen echter nog geen resultaten gepresenteerd worden. Voortgang eerste praktijklijn Juni 2021 In september 2020 zijn we begonnen met de eerste praktijklijn. Deze praktijklijn heeft als doel om bestaande vindplaatsen in de verschillende gemeenten te onderscheiden, beoordelen en verspreidbaar te maken. Bij alle deelnemende gemeenten hebben we hiertoe documenten opgevraagd over mogelijke vindplaatsen verborgen armen en over hun armoedebeleid. Daarnaast hebben we
groepsgesprekken gehouden naar aanleiding van deze documentanalyse. In deze groepsgesprekken stonden mogelijke vindplaatsen van verborgen armen centraal dan wel initiatieven waarbij gemeenten in contact komen met verborgen armen. De gesprekken voerden we met beleidsadviseurs, met betrokkenen van welzijnswerk en projectmedewerkers van relevante projecten/initiatieven. Al deze informatie is samengebracht in een format en tijdens een digitale werksessie in januari 2021 hebben we met de deelnemende gemeenten een keuze gemaakt voor acht vindplaatsen die we nader onder de loep hebben genomen. Het gaat om de volgende vindplaatsen/initiatieven met hun gemeenten: Gemeenten Almere Amersfoort Amsterdam Krimpenerwaard Lelystad Nijmegen Lelystad/Almere
Vindplaats-initiatief Als ik later groot ben Geldcheck033 Datakoppeling Brede Inloop Money Talks Financieel Expert in de Wijk Zelfstandige Loket Flevoland (ZLF) en MKBDoorgaan
Bij de gemeenten hebben we vervolgens aanvullend een documentanalyse gedaan, toegespitst op het initiatief, en vervolgens hebben we met beleidsadviseurs en met betrokkenen van het initiatief twee digitale sessies gehouden. In deze sessies hebben we de verandertheorie (Theory of Change) met de betrokkenen besproken en hebben we nader zicht gekregen op de werkwijzen. Deze informatie zijn we momenteel aan het verwerken tot een eerste aanzet van een methodiekbeschrijving en ToC. Afgelopen 25 mei hebben we met alle deelnemende gemeenten wederom een digitale werksessie gehouden. In deze sessie hebben we hen op de hoogte gebracht van de vorderingen. Daarnaast was het belangrijk om met elkaar het vervolg van deze praktijklijn vorm te geven. We hebben met elkaar besproken en besloten met welke initiatieven we verder gaan, dat wil zeggen: welke initiatieven we tussen september en februari 2022 ter plekke gaan onderzoeken. De gemeenten hebben besloten om met alle initiatieven verder te gaan (zie tabel). MKBDoorgaan behandelen we niet als apart initiatief, aangezien het een samenwerkingspartner van het ZLF is. In totaal gaan we zeven initiatieven nader onderzoeken en beoordelen als effectieve vindplaats voor verborgen armen. Het onderzoek c.q. veldwerk zal starten in september 2021. We hopen dan dat de werkzaamheden weer hun normale verloop hebben. Het doel van deze stap is om
tot een goed inzicht/beoordeling te komen van de werkzaamheid en effectiviteit van de geselecteerde vindplaatsen in het bereiken en ondersteunen van verborgen armen. Per initiatief bekijken we momenteel hoe het onderzoek moet worden ingericht. We gaan daarbij uit van de volgende onderzoeksactiviteiten zoals beschreven in werkpakket 2b van de aanvraag: Het afnemen van een gestructureerde vragenlijst onder deelnemers behorend tot onze doelgroep (n=75) Het houden van 15 face to face interviews met deelnemers behorend tot onze doelgroep Het houden van observaties op de vindplaats (8 dagdelen) Het opstellen van een kostenraming van de vindplaats/initiatief Samenwerkingspartner Over Rood heeft 20 interviews afgenomen met nietfysieke vindplaatsen, zoals beschreven in werkpakkeet 1. Momenteel worden deze geanalyseerd.
Resultaten onderzoekslijn Nibud Het Nibud maakt onderdeel uit van het consortium dat onderzoek doet naar “Vindplaatsen verborgen armen”. Het Nibud voert een deel van dit onderzoek uit en richt zich hierbij specifiek op werkende armen. Een belangrijke groep die door gemeenten te weinig bereikt wordt is de groep werkende armen. Uit onderzoek van het SCP bleek dat in 2017 werkenden één derde van de totale groep arme volwassenen vormen. Iets meer dan de helft van deze groep was werkend in loondienst en een ruime 40 procent was werkend als zelfstandige. Afgezet tegen het totaal aantal werkenden in loondienst of zelfstandigen is twee procent van alle werknemers en acht procent van alle zelfstandigen arm.1 De werkplek is zodoende een belangrijke vindplaats voor verborgen armoede. Om meer inzicht te krijgen in deze groep werkende armen en om een antwoord te vinden op de vraag waarom deze groep door gemeenten zo moeilijk wordt bereikt, voert het Nibud drie deelonderzoeken uit: 1. kwalitatief onderzoek onder werkgevers en opdrachtgevers 2. kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers 3. kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers In deze notitie worden de bevindingen tot nu toe beschreven.
1. Kwalitatief onderzoek onder werkgevers en opdrachtgevers Voor dit onderdeel zijn twintig interviews gehouden onder werkgevers, arbeidsmarktintermediairs en opdrachtgevers. Er is gesproken met directeuren, leidinggevenden, HR-/P&O-adviseurs of -managers en medewerkers/ leidinggevende van de salarisadministratie. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen vier categorieën werkgevers: werkgevers die voornamelijk werken vanuit een commerciële doelstelling, werkgevers van ondernemingen die een meer sociale verantwoordelijkheid voelen (bijvoorbeeld leerwerkbedrijven), de (lokale) overheid als werkgever en uitzendbureaus/ of bemiddelingsbureaus en opdrachtgevers die zzp’ers inhuren. Daarnaast is variatie aangebracht in de omvang van de organisaties: klein (5 tot 50 werknemers), midden (50 tot 250 werknemers) en groot (250 of meer werknemers). Conclusies van dit onderzoek zijn: Werknemers en zzp’ers met een inkomen onder een bepaalde inkomensgrens kunnen aanspraak maken op toeslagen van de overheid en vergoedingen vanuit hun gemeente. De meeste werkgevers in dit onderzoek geven aan dat zij hier niet (goed) van op de hoogte zijn. Positief is dat werkgevers, eenmaal op de hoogte, hun medewerkers zeker op deze mogelijkheden willen wijzen. Als het gaat om lokale tegemoetkomingen, ontvangen zij het liefst van gemeenten periodiek een overzicht van de mogelijkheden.
Dit kunnen zij dan verspreiden via algemene kanalen, zodat medewerkers zelf kunnen bepalen of zij hiervan gebruik kunnen maken. Aspecten als inbreuk op de privacy of schaamte spelen dan geen rol. Maar er zijn ook werkgevers die de informatie van gemeenten juist gericht willen inzetten. Als zij de inkomensgrenzen van verschillende regelingen kennen, kunnen zij medewerkers die daarvoor in aanmerking kunnen komen hierop wijzen. Als het gaat om direct contact met de gemeente, dan pleiten werkgevers voor één loket of één vast contactpersoon waar zijzelf, dan wel hun werknemers met financiële problemen, terecht kunnen. Tegelijkertijd bleek uit de interviews dat werkgevers weinig zicht hebben op de financiële situatie van hun medewerkers. Zij weten vaak niet of hun personeel goed kan rondkomen: Zo zijn sommige werkgevers van mening dat kennis over de financiële situatie van hun werknemers buiten de arbeidsrelatie tussen werkgever-werknemer valt. Zolang eventuele geldzorgen geen negatieve invloed hebben op het werk, kunnen en hoeven zij daarvan niet op de hoogte te zijn.
1
Hoff, van Hulst & Wildeboer Schut, 2019
Ook vinden werkgevers het vaak lastig het gesprek over geld aan te gaan. Meerdere werkgevers hebben aangegeven dat zij op zo’n moment bang zijn om de privacy van hun werknemers te schenden. Los van het privacy-aspect noemen sommige werkgevers het de verantwoordelijkheid van werknemers zelf om geldzorgen op de werkvloer bespreekbaar te maken. Ten slotte kunnen ook de aard en de frequentie van het contact tussen werkgever en werknemers een rol spelen. Wanneer werkgever en werknemer niet letterlijk op dezelfde werkvloer staan, zoals bijvoorbeeld in de transportsector of bij werk via uitzendbureaus, is er sprake van een minder sterke band, waardoor het moeilijker wordt om delicate onderwerpen als financiële problemen aan de orde te stellen. Zijn werkgevers eenmaal op de hoogte van financiële problemen van hun medewerkers, dan is de volgende vraag wat zij in een dergelijk geval te bieden hebben. De meeste werkgevers in dit onderzoek zien zichzelf voornamelijk in de rol van doorverwijzer of informatieverstrekker. De daadwerkelijke hulpverlening wordt vaak buiten de deur gezocht. Praktische hulp, in de vorm van het verstrekken van voorschotten of het uitbetalen van vakantiedagen, wordt wel regelmatig aangeboden. Dat hierbij niet alleen het belang van de medewerker, maar ook het belang van de organisatie een rol heeft, komt in bijna alle interviews terug.
Uiteindelijk gaat het erom dat de organisatie goed draait en dat heeft meer kans van slagen met medewerkers zonder (geld)problemen. Hoewel de meeste werkgevers dus hebben aangegeven dat zij een rol voor zichzelf zien weggelegd in de ondersteuning van werknemers met financiële problemen, wijzen zij een (wettelijke) verantwoordelijkheid op dit gebied nadrukkelijk af. Als zij ondersteuning kunnen bieden, zullen zij dit zeker doen, maar wel op hun eigen manier en binnen hun eigen grenzen. 2. Kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers Voor dit kwantitatief onderzoek is een vragenlijst uitgezet onder werknemers en zzp’ers met een inkomen lager dan 2.000 euro per maand, waarin wordt doorgevraagd naar hun financiële situatie, de bekendheid en het gebruik van inkomensondersteunende regelingen en die rol zij weggelegd zien voor hun werkgever of opdrachtgever. De resultaten worden momenteel geanalyseerd, hieronder volgen kort de eerste resultaten. Recht op toeslagen en tegemoetkomingen: Werknemers en zzp’ers weten vaak niet of zij recht hebben op gemeentelijke tegemoetkomingen. Maar liefst 31% zegt niet zeker te weten of zij recht hebben (tegenover 2% toeslagen van de Belastingdienst). De belangrijkste reden om een voorziening niet aan te vragen, terwijl er mogelijk wel recht is, is angst om terug te moeten betalen.
Ook opvallend is dat 13% zegt geen geld te willen van de gemeente (tegenover 3% die aangeeft geen geld van de Belastingdienst te willen). Andere redenen om geen gemeentelijke tegemoetkomingen aan te vragen zijn: “zolang ik mezelf kan redden vind ik dat ik geen recht heb”, “schaamte”, “slechte ervaringen in het verleden”, “ik had geen idee dat dit bestond”. Bij de landelijke toeslagen weten de meeste mensen dat ze recht hebben op toeslagen van de Belastingdienst en ontvangen dit ook (55%) Ook hier speelt angst om terug te betalen de grootste rol in het niet aanvragen terwijl er mogelijk wel recht is. Kenmerken over rondkomen en omgaan met geld: De meerderheid (58%) geeft aan de afgelopen 12 maanden niet goed rond te kunnen komen Mensen zonder partner kunnen minder vaak goed rondkomen (63% komt niet rond) dan mensen met partner (53% komt niet rond) De meerderheid (77%) zegt geen contact te zoeken met de werkgever bij financiële zorgen. Op de vraag of zij hier wel voor open zouden staat reageert de meerderheid (57%) positief. De hulp die zij het liefste ontvangen: meer uren werk, voorschot, hulp om de financiën te ordenen en een gesprek met een vertrouwenspersoon.
3. kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers Via de vragenlijsten van het kwantitatief onderzoek, zijn 15 werknemers en 15 zzp’ers benaderd voor verdiepende interviews. Er hebben inmiddels 20 interviews plaatsgevonden. De interviews moeten nog geanalyseerd worden. Enkele opvallende bevindingen uit de reeds gehouden interviews zijn: Rol gemeente Het recht op gemeentelijke tegemoetkomingen is vaak minder duidelijk dan het recht op toeslagen van de Belastingdienst. Over het algemeen zijn mensen goed op de hoogte van het recht op toeslagen van de Belastingdienst. Dit moet ook wel aangezien nagenoeg alle tot nu toe geïnterviewden aangeven zonder toeslagen niet rond te kunnen komen. Het graag zelf willen oplossen van financiële uitdagingen komt in de interviews sterk naar boven. De meeste mensen geven aan het niet prettig te vinden om hun hand op te moeten houden. De combinatie uitkering en werken blijkt voor mensen erg moeilijk. Je moet continu opletten of je nog wel recht hebt op je uitkering, tegemoetkomingen en toeslagen. Het verdiende geld voelt niet echt van jezelf, vanwege de angst om terug te moeten betalen. Rol werkgever De meeste mensen geven aan moeilijk een rol te zien voor de werkgever. Als zij een rol zien dat is dit met name op het vergroten van het inkomen door meer uren of meer salaris te bieden.
Deze mensen zeggen hun financiën heel goed te kunnen beheersen en goed te kunnen budgetteren uit nood. Ze geven aan geen hulp op dat gebied nodig te hebben, maar hulp om hun inkomen te vergroten. Mensen ervaren hulp van de werkgever als bemoeizuchtig of teveel in de privésfeer. Een zzp’er geeft aan geen hulp te vragen aan de opdrachtgever uit angst om onprofessioneel over te komen wat kan leiden tot verlies van opdrachten.