CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein Kaag en Braassem 2022

Gemeenteraad 29 november 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein 202210.966 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 47. Zeer ernstige misdragingen 1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 9 lid 6 van de Participatiewet wordt een verlaging opgelegd van 50% van de norm gedurende twee maanden. 2. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 37 lid 1 onder g IOAW/IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van 50% van de norm gedurende één maand.

Artikel 48. Niet nakomen van overige verplichtingen 1. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt anders dan een verplichting gericht op arbeidsinschakeling, wordt voor zover deze gedraging niet valt onder een verplichting van artikel 18 lid 4 van de Participatiewet, een verlaging toegepast van 20% van de norm gedurende één maand. 2. Als een belanghebbende de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17 lid 2 of 4 van de Participatiewet of artikel 13 lid 2 of 4 van de IOAW of IOAZ niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast van 10% van de norm gedurende één maand. 3. Als er sprake is van een gedraging zoals genoemd in lid 2 kan eenmalig worden volstaan met het geven van een waarschuwing. Paragraaf 3.4. Het besluit tot opleggen van een maatregel

Artikel 49. Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende mondeling of schriftelijk in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. In bijzondere gevallen of als belanghebbende dit heeft aangegeven, kan hiervan worden afgeweken.

Artikel 50. Individuele beoordeling en afzien van een maatregel 1. Het college ziet af van een maatregel als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een maatregel als: a. het daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of 20

b. als dit naar oordeel van het college gelet op bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de voortgang van het integraal plan. 3. Als het college afziet van een maatregel op grond van lid 2, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 51. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel 1. Een maatregel wordt toegepast op de uitkering over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm. 2. Indien een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan deze met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. 3. Voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald, kan – in afwijking van het eerste en tweede lid de maatregel worden uitgevoerd in de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. 4. Als de maatregel niet op de wijze zoals hiervoor vermeld kan worden geëffectueerd kan de maatregel op een volgende uitkeringsperiode worden uitgevoerd, waarbij de termijn van artikel 57 lid 1 sub b van deze verordening in acht wordt genomen.

Artikel 52. Berekeningsgrondslag 1. De maatregel wordt toegepast over de norm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend op grond van artikel 12 van de Participatiewet; of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. De maatregel kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop belanghebbende recht zou hebben gehad, gedurende de periode waarop de maatregel betrekking heeft, indien er geen grond voor een maatregel zou zijn geweest.

Artikel 53. Samenloop van gedragingen 1. Indien een belanghebbende zich tegelijk schuldig maakt aan verschillende gedragingen, wordt uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. 2. In afwijking van lid 1 wordt een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoveel mogelijk afzonderlijk van een andere maatregel toegepast.

Artikel 54. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 van de IOAW of artikel 20 lid 2 van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Artikel 55. Recidive 1. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan verwijtbaar gedrag van dezelfde of hogere categorie of verwijtbaar soortgelijk gedrag als bedoeld in de artikelen 40, 41, 43, 46, 47 en 48. Dit geldt ook als er sprake is van recidive door een gedraging als genoemd in dit lid na een eerdere verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in 21

artikel 18 lid 4 van de Participatiewet bedraagt de verlaging 100% van de uitkering gedurende twee maanden. 3. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen gelijkgesteld.

Artikel 56. Het besluit tot opleggen van een maatregel 1. In het besluit tot het opleggen van een maatregel van de uitkering worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de maatregel; b. de duur van de maatregel; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging; e. ingangsdatum van de maatregel. 2. De maatregel die is opgelegd wegens het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet wordt afgestemd op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven als – gelet op bijzondere omstandigheden – dringende redenen daartoe noodzaken.

Artikel 57. Vervallen Paragraaf 4 Handhaving

Artikel 58. Preventie Het college draagt zorg voor vroegtijdige en duidelijke voorlichting aan inwoners en belanghebbenden. Hier valt tevens onder dat duidelijke afspraken onderdeel zijn van de dienstverlening gedurende de periode van de uitkering.

Artikel 59. Controle 1. Het college controleert op afspraken, signalen en (anonieme) meldingen en anticipeert op gedrag van de belanghebbende of zijn huisgenoten. De dienstverlening is daarbij gericht op vroegtijdige detectie en afhandeling. Daarnaast voert het college nadere onderzoeken op maat uit. 2. Het college kan voor de controle- en opsporingstaken opdracht geven aan de sociale recherche.

Artikel 60. Opsporing en sanctionering 1. Indien belanghebbende zich, zonder dat er sprake is van een dringende reden, niet of onvoldoende houdt aan afspraken en/of verplichtingen op grond van de wet, dan heeft dit consequenties. 2. Indien het fraudebedrag boven de aangiftegrens uitkomt, wordt proces verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie volgens de regels van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude.

Hoofdstuk 7 Inburgering Artikel 61. Nadere regels Inburgering 1. het college kan nadere regels stellen over de wettelijk vastgestelde uitvoeringsbevoegdheden zoals genoemd in de inburgeringswet

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

22

Artikel 62. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college zorgt voor een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp, uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Artikel 62a. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden op grond van de Wmo 1. Voor de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo en b.

rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexaties van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren hulpmiddelen en woonvoorzieningen voor de Wmo, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b.

de eventuele extra taken die in verband met de diensten van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2. instructie over het gebruik van de voorziening; 3. onderhoud van de voorziening.

Artikel 63. Toepassen verordening en stellen nadere regels 1. 2. 3.

Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet opgenomen begrippen en bepalingen leidend. Het college maakt nadere afspraken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over de verwijzing van inwoner(s). Het college kan in aanvulling op deze verordening nadere regels stellen, voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening. 23

Artikel 64. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 65. Beschikkingstermijn schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 4a, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, dan wel de afwijzing of beëindiging ervan, wordt door het college gegeven binnen maximaal acht weken na het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 65a. Vroegsignalering schulden 1. De gemeente heeft overeenkomsten met (tenminste) de vaste lasten partners zoals genoemd in de wet op grond waarvan deze vaste lasten partners betalingsachterstanden melden aan gemeente. 2. Bij een melding van een vaste lasten partner zoals bedoeld in lid 1 neemt het college contact op met de inwoner die een betalingsachterstand heeft om een eerste aanbod voor een gesprek te doen. 3. Afhankelijk van het aantal meldingen per huishouden of de hoogte van de betalingsachterstand vindt het contact schriftelijk, telefonisch of door middel een huisbezoek plaats. Artikel 65b. Opvragen gegevens voor het besluit tot verlenen van schuldhulp. Het college kan gebruik maken van de bevoegdheden als genoemd in artikel 3 lid 2 en 3 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening bij het opvragen van gegevens.

Artikel 66. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo. 2. Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthoudende ambtenaar. 3. De toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 9 Inspraak en cliëntenparticipatie Artikel 67. Inspraak Het college betrekt inwoners, hun mantelzorger(s) dan wel vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende deze verordening, overeenkomstig de Inspraakverordening Kaag en Braassem 2009.

Artikel 68. Cliëntenparticipatie 1. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid te doen, gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en andere beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste lid.

24

Hoofdstuk 10 Klachten Artikel 68. Klachtenregeling Het college behandelt klachten van inwoners die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 69. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening sociaal domein Kaag en Braassem 2022”.

Artikel 70. Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022. Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening sociaal domein 2019 Kaag en Braassem ingetrokken.

25

Bijlage 1 Vaststelling loonwaarde Wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld In artikel 6 lid 2 van de Participatiewet is opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening regels opstelt over de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. In de verordening beschrijven we de methodiek van loonwaardebepaling en wie het uitvoert. Het college maakt hierbij gebruik van de ‘werkwijze vaststelling loonwaarde UWV’ om de loonwaarde van een persoon te bepalen. In deze bijlage zijn de stappen beschreven om de loonwaarde vast te stellen. Deze werkwijze is afgestemd met het UWV en met de regio Holland Rijnland en voldoet aan de door het Rijk gestelde voorwaarden (zorgvuldig, geobjectiveerd en transparant). Hierna wordt de werkwijze omschreven. Werkwijze vaststelling loonwaarde UWV Doelgroep De doelgroep zijn werkzoekenden die door medische en of sociaalpsychologische beperkingen worden belemmerd in hun werk. Voor deze groep komt de potentiële werkgever mogelijk in aanmerking voor loonkostensubsidie. Uitgangspunt hierbij is dat de werknemer niet in staat is het geldende wettelijk minimumloon te verdienen en staat ingeschreven in het doelgroep register. De loonwaardebepaling wordt vastgesteld en uitgevoerd door deskundige en gecertificeerde arbeidsdeskundigen. Van belang is dat sociaal-medische gegevens aanwezig zijn.

Dit kan in de vorm van een Sociaal Medisch Advies van UWV, of vergelijkbare informatie uit een andere bron. Indien noodzakelijk kunnen arbeidsdeskundigen collega-arbeidsdeskundigen –of artsen consulteren. Deze wijze van loonwaardebepaling garandeert een deskundig, betrouwbaar en objectief advies. Het onderzoek vindt vooral plaats op de werkplek van de werknemer. Het bestaat uit een aantal onderdelen: • Verzamelen van sociaal-medische gegevens voor het opstellen van een arbeidskundig werknemersprofiel. Hierin zijn de kennis, vaardigheden en belastbaarheid van de klant opgenomen. • Vaststellen en beschrijven van de soortgelijke functie van een collega zonder beperkingen: de functieanalyse (taken- en urenanalyse). • Vaststellen van het loonniveau van deze collega als referentie/norm. • Vaststellen van het prestatieniveau van de werknemer: de loonwaarde. • Verslaglegging, verwachting loonontwikkeling en advies planning vervolgonderzoek. De Loonwaarde vaststelling door UWV UWV onderscheidt bij de loonwaarde vaststelling de volgende stappen: Inventarisatie van de feitelijke taakopbouw in termen van de feitelijke uitoefening van de functie door de werknemer. 1. Het vaststellen van de normfunctie op basis van de feitelijke in de functie door de werknemer uitgeoefende taken. 2.

Vaststellen bij de normfunctie behorende loonwaarde en waarden voor Tempo, Kwaliteit en Inzetbaarheid voor de hoofdtaken. 3. Beschrijven hoe de medewerker in de praktijk in de functie op de werkplek functioneert, beschreven in termen van Tempo, Kwaliteit, Inzetbaarheid per hoofdtaak. 4. Beschrijven van eventuele bijzondere omstandigheden bij de functie uitoefening. 5. Het vaststellen van de prestatie van de werknemer per hoofdtaak afgezet tegen de normfunctie op basis van drie kernbegrippen Tempo, Kwaliteit en Inzetbaarheid uitgedrukt in een % van de arbeidsprestatie op deze elementen in de normfunctie. 6. Het vaststellen van de werkelijke additionele kosten, waar aan de orde, uitgesplitst naar eenmalige en structurele kosten. 7. Het integraal vertalen van de uitkomsten bij Tempo, Kwaliteit en Inzetbaarheid naar een totale arbeidsprestatiewaarde van de werknemer in een % ten opzichte van de normfunctie. Dit met behulp van de rekenformule. 26

Nb. De rekenformule is als volgt: %Tijdsbesteding werknemer in de taak x %Tempo x %Kwaliteit x %Inzetbaarheid. Arbeidsprestatie taak tijdsbesteding tijdsbesteding tempo kwaliteit inzetbaarheid Loonwaarde norm werknemer t.o.v. de gezonde soortgelijke 1 % % % % % % 2 % % % % % % 3 % % % % % % 4 % % % % % % 5 % % % % % % Totaal 100% % (G) Het UWV legt deze gegevens vast in een rapportage. Daarin vermelden ze de onderzoeksactiviteiten, de resultaten van het onderzoek en het advies over de loonwaarde.

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=0aff8d30-60a0-47bb-8d27-d4d73805af11