CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Tussenuitspraak Raad van State (anoniem)

Gemeenteraad 2 juni 2025, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Julianalaan 68-70, Kaag’ (bestuurlijke lus).11.117 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Over de stelling van [appellant] en anderen dat geen rekening is gehouden met de zichtlijnen vanaf het water, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat uit paragraaf 2.2 van de plantoelichting blijkt dat de relatie met het water bij de totstandkoming van het plan uitdrukkelijk is betrokken. In het plan wordt een nieuwe directe zichtlijn gecreëerd vanaf het water tot aan de Julianalaan. De Afdeling acht dit standpunt juist. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat: "Centraal in het plangebied en aan de zuidkant wordt extra oppervlaktewater gerealiseerd, waarbij het water naar binnen wordt getrokken en zicht op het water vanaf de Julianalaan is veiliggesteld […]. Daarnaast is sprake van een noord-zuidzichtlijn, mede door het verwijderen van erfbebouwing bij De Twee Wilgen." In de niet onderbouwde stelling van [appellant] en anderen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen rekening heeft gehouden met de zichtlijnen vanaf het water.

19

Het betoog slaagt in zoverre niet. 20.4. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd over de schade aan horecagelegenheid De Twee Wilgen als gevolg van de bouwwerkzaamheden, heeft geen betrekking op de in het plan gemaakte ruimtelijke keuze, maar op de uitvoering daarvan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling maken uitvoeringsaspecten geen onderdeel uit van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke keuze en hoeven zij daarom niet te worden betrokken bij de vaststelling van het plan. De Afdeling verwijst als voorbeeld naar haar uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3019, onder 6.2. Uitvoeringsaspecten zijn bij de beoordeling van het besluit tot het vaststellen van het plan dan ook niet het onderwerp van toetsing door de Afdeling. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd over de gevolgen van de feitelijke bouwwerkzaamheden, geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen. Het betoog slaagt niet. Strijd met de Omgevingsvisie 21. [appellant] en anderen betogen dat het plan niet in lijn is met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem, die op 26 oktober 2020 door de raad is vastgesteld (hierna: de Omgevingsvisie). Zij verwijzen hiervoor naar vijf passages uit de Omgevingsvisie.

Uit deze passages valt volgens hen allereerst af te leiden dat het niet wenselijk is om binnen het plangebied te bouwen omdat dit gebied al last heeft van bodemdaling. Ook stellen zij dat het plan niet voorziet in de meest urgente woningvraag terwijl hier in de Omgevingsvisie wel de focus op ligt. Verder voorziet het plan ten onrechte in grootschalige woningbouw en zal de bereikbaarheid van Kaag negatief worden beïnvloed, terwijl er gestreefd wordt naar goede leefbaarheid, veiligheid en bereikbaarheid. Tot slot stellen [appellant] en anderen dat de herontwikkeling onvoldoende in lijn is met de Omgevingsvisie, omdat daarin volgens hen staat dat de gemeente recreatieve initiatieven wil blijven stimuleren om de balans tussen de vraag van de recreant en het aanbod van recreatie te behouden. De wijziging van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" in de bestemming "Wonen" staat daar haaks op. 21.1. De eerste passage van de Omgevingsvisie waarnaar [appellant] en anderen verwijzen, luidt: "Belasting van de veengrond met zwaarder ophoogmateriaal zoals zand, beton of asfalt. Deze vorm van bodemdaling is vooral terug te zien in gebieden waar gebouwd wordt: de bebouwde kom en bij wegen.

Deze vorm van bodemdaling kan (plaatselijk) oplopen tot centimeters per jaar een heeft grote gevolgen: wegen verzakken, rioleringsbuizen breken af, er ontstaat wateroverlast of hinder en er kan paalrot optreden in houten funderingen. […] Daarnaast is het niet wenselijk om te bouwen binnen gebieden die gevoelig zijn voor bodemdaling." De tweede passage luidt: "We bouwen voor alle doelgroepen, maar hebben op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren." De derde passage luidt: "Grootschalige woningbouw - meer dan 11 woningen - concentreert zich voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn (Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge) en die zijn aangemerkt als ‘centrum dorps’."

20

De vierde passage luidt: "Gewenste beweging. We zien een volgende beweging: naar het integraal oppakken van mobiliteitsvraagstukken, waarbij we andere opgaven in het oog houden, met als uitgangspunt een goede leefbaarheid in Kaag en Braassem." De vijfde passage luidt: "Het behoud van en waar mogelijk investeren in recreatieve voorzieningen. Het mogelijk maken van nevenfuncties voor agrarische bedrijven. […] Daarnaast wordt er ingezet op het behoud en waar mogelijk versterken van de recreatieve faciliteiten op het eiland. Ideeën voor het verbeteren hiervan zijn nieuwe wandel- en/of laarzenpaden en het toevoegen van aanlegsteigers ten behoeve van passanten." 21.2. De Afdeling stelt vast dat de Omgevingsvisie mede betrekking heeft op het plangebied. Ten aanzien van de eerste passage overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant] en anderen feitelijke grondslag mist. De passage waarnaar zij verwijzen is van toepassing op gronden die aangewezen zijn als "veenweide". De Afdeling constateert dat het plangebied daar niet onder valt. Over de tweede passage overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat het plan voorziet in woningen in een duurder segment, niet betekent dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie. Daarin staat immers dat voor alle doelgroepen wordt gebouwd.

Hoewel er in staat dat extra focus ligt op bepaalde doelgroepen, volgt uit de passage naar het oordeel van de Afdeling niet dat niet voor de andere doelgroepen zou mogen worden gebouwd. Ten aanzien van de derde passage overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant] en anderen feitelijke grondslag mist. Artikel 5.2.1, aanhef en onder c, van de planregels en de verbeelding maken de realisatie van negen appartementen en één vrijstaande woning mogelijk. Het plan voorziet dus, in tegenstelling tot wat [appellant] en anderen betogen, niet in grootschalige woningbouw bestaande uit meer dan 11 woningen. Ten aanzien van de vierde passage overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant] en anderen feitelijke grondslag mist. De passage waarnaar zij verwijzen ziet op de doorstroming en bereikbaarheid via de A4 en N207. De Afdeling constateert dat het plangebied zich op een afstand van ongeveer 1,5 km van de A4 en 0,7 km van de N207 bevindt. Ten aanzien van de vijfde passage overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt voorop dat, zoals de raad terecht opmerkt, het initiatief waarvoor het bestemmingsplan is vastgesteld in de Omgevingsvisie is benoemd als één van de (potentiële) woningbouwontwikkelingen.

In dat verband acht de Afdeling ook van belang dat uit de passage niet alleen volgt dat er wordt ingezet op het behoud en waar mogelijk de versterking van de recreatieve faciliteiten op het eiland, maar ook dat de uitbreiding van het aantal bedrijven en bestaande evenementen (zowel in volume als in aantallen) niet wenselijk is. Daarom heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling binnen de Omgevingsvisie past. 21.3. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie. Het betoog slaagt niet. Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025

21

22. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025 (hierna: de structuurvisie), omdat daaruit volgens hen volgt dat het dorp wat woningbouw betreft is voltooid. 22.1. De raad heeft in de zienswijzennota toegelicht dat het voorgenomen plan uitgaat van sloop van de bestaande woningen en netto acht wooneenheden toevoegt aan de kern van Kaag, waardoor het volgens de raad geen grootschalige ontwikkeling betreft. Verder heeft de raad toegelicht dat de Structuurvisie inmiddels is vervangen door de Omgevingsvisie en dat daarin de door [appellant] en anderen aangehaalde tekst is genuanceerd. Zij hebben dit niet gemotiveerd betwist. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie. Het betoog slaagt niet. Bestuurlijke lus 23. Het besluit tot vaststelling van het plan is in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. De Afdeling ziet aanleiding om de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb in de gelegenheid te stellen om de gebreken te herstellen.

Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak (alsnog): - met inachtneming van wat is overwogen onder 11.2, artikel 4.1 en artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels te wijzigen; - met inachtneming van wat is overwogen onder 11.6, artikel 5.3.3 van de planregels te wijzigen; - met inachtneming van wat is overwogen onder 18.4.1, 18.5.1 en 19 - 19.6 dit gebrek te herstellen door alsnog deugdelijk te onderzoeken en te motiveren dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie rondom de veerpont en op de Julianalaan. - en de Afdeling en [appellant] en anderen de uitkomst zo spoedig mogelijk mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. Proceskosten en griffierecht 24. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Kaag en Braassem op: - om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van de overwegingen 11.2, 11.6, 18.4.1, 18.5.1 en 19 - 19.6 en 23, de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Kaag en Braassem van 10 oktober 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Julianalaan 68-70, Kaag" te herstellen, en - de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede

22

te delen. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier. w.g. De Moor-van Vugt voorzitter w.g. Van der Heijden griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2025 884-1091

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=cf684895-dff6-4781-bf87-5bfc1bdd759c