Toelichting bestemmingsplan Molenkade 28 Leimuiden_2024_02_21
Tekst van het document
Toelichting
Molenkade 28, Leimuiden Gemeente Kaag & Braassem
21 februari 2024
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
2
Bestaande en toekomstige situatie
6
3
Beleidskader
11
4
Milieu- en omgevingsaspecten
24
5
Economische uitvoerbaarheid
48
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49
7
Juridische regeling
50
1.1 1.2 1.3 1.4
2.1 2.2
3.1 3.2 3.3 3.4
4.1 4.2
5.1 5.2 5.3
6.1 6.2 6.3
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5
Aanleiding en doelstelling Plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer
Bestaande situatie Toekomstige situatie
Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Milieu-aspecten Omgevingsaspecten
Inleiding Beoordeling plan Conclusie
Overleg Zienswijzen Conclusie
Inleiding De verbeelding De regels Opbouw regeling per bestemming De bestemmingen
3 3 4 5
6 9
11 11 13 19
24 39
48 48 48
49 49 49
50 50 50 51 53
Bijlagen 1. Quick scan Wet natuurbescherming Molenkade 28 Leimuiden, Wijnands Milieu Consultancy, 2 augustus 2023 2. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Molenkade 28 Leimuiden, Wijnands Milieu Consultancy, 11 september 2023
1 1.1
Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan de Molenkade 28w in Leimuiden bevindt zich een verouderde woonark. Deze is aan vervanging toe, doch overwogen is dat een reguliere woning hier ook gebouwd kan worden. Deze wordt met dit bestemmingplan toegestaan; tegelijk wordt de woonark wegbestemd. Tevens wordt een steiger voorzien. De woonark zal dan verdwijnen en dat is in lijn met het uitsterfbeleid van de gemeente Kaag & Braassem aangaande woonarken. Een woning is hier stedenbouwkundig inpasbaar. Wel is het initiatief in strijd met het bestemmingsplan en kan mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan te herzien. Dit document vormt de toelichting daarvan.
1.2
Plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Molenkade 28w, gelegen in Leimuiden en omvat twee kadastrale percelen, namelijk LMD02-A-3857, groot 463 m2 en LMD02-A-3858, groot 65 m2. De woonark ligt deels op grond (water). Deze grond maakt geen deel uit van het plangebied waar deze aanvraag op toeziet.
Ligging plangebied uitgezoomd
Ligging plangebied ingezoomd
3
1.3
Geldend bestemmingsplan Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude, vastgesteld op 17 juni 2013. De woonark is gelegen op gronden met de bestemming Water. Ze is positief bestemd met een aanduiding ‘specifieke vorm van water – woonschepenligplaats permanent’. De locatie waar de woning gedacht is heeft de bestemming Tuin en een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3. Een aanduidingsvlak bijgebouwen is tevens zichtbaar. De steiger wordt gerealiseerd op ‘gronden’ met de bestemming Water.
Uitsneden geldend bestemmingsplan Gronden met de bestemming Tuin zijn bestemd voor: a) tuinen en bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b) ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen': de bestaande bijgebouwen voor de voorgevel van het hoofdgebouw; c) bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, toegangswegen, paden, water en groen;
4
d) bruggen ten behoeve van perceelsontsluiting. Het realiseren van een woning is zowel qua gebruik als bouwen niet mogelijk binnen deze bestemming. De gronden op de verbeelding aangewezen als ‘Waarde archeologie 3’ zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Er mag hier niet worden gebouwd tenzij het gaat om een bouwwerk kleiner dan 2.500 m2 of niet dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Binnen deze grenzen wordt gebleven en zodoende levert dit artikel geen strijd op. De op de verbeelding voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) waterberging; b) waterhuishouding; c) waterlopen en waterpartijen; d) ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats': een ligplaats voor maximaal één woonschip; e) groenvoorzieningen; f) infiltratievoorzieningen; g) kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden. In de bouwregels is bepaald dat steigers niet zijn toegestaan. Dit levert dus ook strijdigheid met het bestemmingsplan op. Volledigheidshalve wordt vermeld dat de aanduiding specifieke vorm van water – woonschepenligplaats permanent niet terugkomt in de regels. Daarmee is de woonark dus eigenlijk niet positief bestemd en valt deze onder het overgangsgrecht. Er wordt van uitgegaan dat dit een omissie betreft. Een gevolg is ook dat er geen woonark teruggeplaatst kan worden als deze eenmaal weg is.
Volledigheidshalve is er in dit plan een voorwaardelijke verplichting voor opgenomen (de nieuwe woning mag pas als zodanig gebruikt worden als de woonark weg is).
1.4
Leeswijzer Deze toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 5), de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en de juridische beschrijving (hoofdstuk 7).
5
2 2.1
Bestaande en toekomstige situatie Bestaande situatie Het plangebied is gelegen tegen Leimuiden aan en kan daar gezien de ruimtelijke opbouw maar ook het feit dat het bestemmingsplan Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude ook toe gerekend. De locatie ligt aan het riviertje de Drecht. Leimuiden ligt tussen de Braassemermeer en de Westeinderplassen aan de Ringvaart en de Drecht. De Herenweg vormde de belangrijkste (noord-zuid) verbinding tussen Alphen aan de Rijn en Amsterdam en langs deze weg ontstonden dorpen en steden, waaronder Leimuiden, bij de kruising van de Herenweg met de Drecht. Het plangebied bevindt zich aan de Molenkade, die hier langs de Drecht doodloopt en ten noorden begeleid wordt door woonboten en enkele woningen. De naam verwijst naar de poldermolen die De molen is in 1772 gebouwd door Joost Timmer uit Oude Wetering. De molen stond aan het einde van de Molenkade ongeveer waar nu de garage van Kees ten Brink staat en is in 1950 verplaatst naar Schipluiden waar deze nu de Korpershoek heet.
Historische foto Molenkade
6
Impressie Molenkade met graansilo omkaderd
In het plangebied bevindt zich een woonark; de aangrenzende grond is als tuin in gebruik bij het aangrenzend voormalig bedrijfsperceel. Het perceel is deels verhard, en deels groen aangekleed. Er wordt o.a. geparkeerd door de eigenaren van de aangrenzende woning; er bevindt zich ook een bijgebouw. Het plangebied kent dezelfde eigenaar als de eigenaar als die van de bedrijfswoning. Zie navolgende situatieschets en foto’s.
7
Huidige situatie, ENZO architectuur
8
2.2
Toekomstige situatie De woonark is verouderd en aan vervanging toe. Overwogen is dat een reguliere woning op het vasteland is hier ook mogelijk is. Hiermee wordt tegelijk invulling gegeven aan het uitsterfbeleid van de gemeente Kaag & Braassem aangaande woonboten. Na verwijderen van de woonark wordt op het aangrenzend perceel een eengezinswoning teruggebouwd. De woning bestaat deels uit één bouwlaag, plat afgedekt, en deels uit twee bouwlagen met een kap. De goothoogte van dat deel bedraagt 5 m en de nokhoogte 7 m. op het perceel is tevens plek voor 2 parkeerplaatsen, tuin/erf en een terras. Zie navolgende situatieschets en impressies. Wanneer gekeken wordt naar de regels zoals die gelden voor woningen dan geldt in dit bestemmingsplan dat hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel mogen bevatten. Het perceel heeft een oppervlakte van 463+65= 528 m² en de woning een oppervlakte van 170 m². Zowel qua oppervlakte als hoogtes is de woning daarom inpasbaar en wordt aangesloten bij het ernaast gelegen perceel (deze woning bestaat ook twee bouwlagen met kap). Voorts dient een minimale afstand van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens aangehouden te worden. De nieuwe woning zal grenzen aan de garage van de bestaande bedrijfswoning in het perceel ernaast.
Het initiatief kan aan de minimale perceelsgrens voldoen als er gemeten wordt vanaf het bestaande hoofdgebouw – de afstand tot de erfgrens bedraagt dan 6 meter. Voor het bereiken van het perceel is een recht van overpad gevestigd op het aangrenzend perceel.
Situatieschets nieuwe situatie en impresses, ENZO architectuur 9
Er kan daarom meegewerkt worden met het initiatief. In navolgende hoofdstukken wordt getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid van diverse overheden en milieu- en omgevingsaspecten.
10
3 3.1
Beleidskader Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.
sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemd in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna.
11
Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding, behoudens het belang van de zorgvuldige belangenafweging, zie hiervoor paragraaf 3.2.3. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, bestemmingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Deze onderwerpen worden in het Barro exact ingekaderd en begrensd. Per project worden regels gegeven die gemeenten direct of indirect (via provincies) moeten laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de andere onderwerpen uit het Barro.
Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.
3.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de
12
behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken (zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4) blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken.
Een uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 400 m² wordt ook niet gezien als geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442 en dat geldt ook voor de uitbreiding van een kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319). Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de ABRvS van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de ABRvS van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). Beoordeling en conclusie Onderhavig plan betreft het realiseren van één woning, en het verwijderen van een woonark. Dit plan is gezien de jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zodoende kan een toets aan de Ladder achterwege blijven.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn er operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. -
13
De voormalige structuurvisie Ruimte en Mobiliteit is dus integraal opgenomen in de Omgevingsvisie. In die structuurvisie is de ruimtelijke koers omschreven: een sterk Zuid-Holland is een slim en schoon Zuid-Holland. Er moet ruimte voor ontwikkeling zijn met waarborg kwaliteit. Daarbij zijn zes ambities benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid sluiten we aan op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Omgevingskwaliteit is het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Het gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Met het oog op de invoering van de Omgevingswet in 2024 wordt dit verder ontwikkeld. De basis hiervoor is gelegd in de volgende onderdelen van ‘omgevingskwaliteit’:
Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen: 1. Laag van de ondergrond 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen 3. Laag van de stedelijke occupatie 4. Laag van de beleving
14
Voor dit plan is relevant laag 2. Op de ruimtelijk kwaliteitskaart ligt het plangebied op de kaart van cultuur- en natuurlandschappen in een droogmakerij (klei).
Uitsnede Visie Ruimte en Mobiliteit Droogmakerijen (klei en veen) Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. In sommige gebieden is de (historische) relatie tussen droogmakerij en molengang (toentertijd om diepere plassen droog te malen) nog herkenbaar. Dit zijn bijzondere elementen in het Zuid-Hollandse landschap. Droogmakerijen (klei en veen): • De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of –vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land. • Behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders.
Droogmakerijen (klei): •
Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten.
15
Relevant zijn voorts de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt binnen het gebiedsprofiel Hollandse Plassengebied. Het Hollands Plassengebied is gelegen in het noordwesten van het Groene Hart tussen binnenduinrand, Oude Rijn, Meije, Kromme Mijdrecht en de Haarlemmermeerpolder. De combinatie van de hoge ligging van het boezemwater ten opzichte van de lagere omringende polders, het grote aantal molens en het vele water is uniek en draagt sterk bij aan de ultieme ‘Nederland Waterland’-ervaring: het besef dat je onder de zeespiegel staat. Van grote betekenis voor dit typisch Hollandse open landschap is de ontginning van de veenbodem en het daaraan gekoppelde watersysteem. De plassen, weilanden, droogmakerijen en zelfs de dorpen hebben hun verschijningsvorm te danken aan het (al dan niet afgegraven) veen. Het Hollands Plassengebied heeft een ‘luw’ karakter ten opzichte van de haar omringende stedelijke omgeving. Het water in het Hollands Plassengebied is vanaf het maaiveld paradoxaal genoeg, nauwelijks direct beleefbaar.
Het verbeteren van deze beleefbaarheid en de toegankelijkheid van het water zou de identiteit van het gebied versterken. Dynamiek Het Hollands Plassengebied is een populair gebied om te wonen en recreëren. Onder watersporters is het gebied zeer geliefd. Er is dan ook een vraag naar jachthavens. Er is sprake van een snelle vergrijzing en een onevenwichtige bevolkingsopbouw. Dit is een risico voor het draagvlak van de voorzieningen in de kleine kernen. Vraag en aanbod in bouwprogramma’s moeten op regionale schaal in balans worden gebracht. Veranderingen in klimaat, demografie en economie drukken een stempel op de verschijningsvorm van de ruimte en zullen dat blijven doen. De Drecht is als identiteitsdrager aangemerkt en het plangebied maakt onderdeel uit van een droogmakerij als herkenbare eenheid. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Drie soorten ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: - De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. 16
- Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling; inpassing, aanpassing en transformatie.
Beschermingscategorieën De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, waardeert de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Er wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar ook onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Beoordeling en conclusie Aan het gebied is beschermingscategorie 3 toegekend, zie navolgende paragraaf. Aangezien gaat om vervangen van een woonark door een reguliere woning, kan gesproken van ‘inpassen’ en het is plan zonder meer mogelijk. De openheid wordt niet aangetast omdat er in de huidige situatie geen sprake is van doorzichten naar het achterliggende open gebied. De wezenskenmerken van de droogmakerij worden niet aangetast. Ook neemt de beleving van het water/ de Drecht toe omdat er een woonark verdwijnt. Het initiatief is zodoende op meerdere punten overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.3.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld 2022-10-12 De provincie Zuid-Holland kiest ervoor om in aanloop naar de komst van de Omgevingswet twee belangrijke kerninstrumenten van deze wet – de omgevingsvisie en de omgevingsverordening – op basis van huidig recht vast te stellen. Deze verordening integreert achttien verordeningen met het oog op het vereenvoudigen en harmoniseren van de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Het algemene artikel 6.9 is op de gehele provincie van toepassing:
17
Een ruimtelijk plan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1° zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2° het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1° een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2° het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Een plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling. De functie is passend binnen het gebied/ de gebiedsidentiteit en is van kleinschalige aard zodat het gaat om “inpassen”. Deze functies zijn zonder meer toegestaan op gronden die niet voorzien zijn van een beschermingscategorie. Het plangebied lig in het buitengebied, waarvoor een beschermingscategorie 3 geldt, zie navolgende uitsnede. Deze ligging houdt in feite in dat voornoemd artikel met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit van toepassing is.
Hierop is eerder ingegaan (zie hoofdstuk 2). De ligging binnen buitengebied levert geen strijd op met de Omgevingsverordening. Hier kan aan toegevoegd worden dat de locatie ook gerekend kan worden tot Bestaand Stedelijk Gebied, gezien de bebouwingscontext en de ligging binnen het bestemmingsplan voor de kern Leimuiden.
18
Uitsnede omgevingsverordening
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Kaag en Braassem, astgesteld 2020-11-26, 2e versie vastgesteld 2022-01-24 In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. En vanuit deze visie geeft de gemeente, waar het kan, zoveel mogelijk de regie aan onze inwoners en professionals. De gemeente staat open voor initiatieven uit de samenleving en men is duidelijk naar initiatiefnemers wat zij van de gemeente kan verwachten. Er worde diverse thema’s behandeld, waarvan woningbouw uiteraard relevant is. De volgende opgaven zijn geformuleerd 1. woningbouwplannen richten op de behoefte; 2. doorstroming bevorderen; 3. huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen realiseren; 4. het definiëren van wat passend is in de omgeving. Woningbouwprogramma Het woningbouwprogramma in Kaag en Braassem is, ook per kern, in lijn met de provinciale bevolkingsprognose. Met de regio Holland Rijnland zijn afspraken gemaakt omtrent sociale woningbouw. 25% van het totale woningbouwprogramma per gemeente dient zodoende te bestaan uit sociale huurwoningen. De gemeente heeft zelf de doelstelling gesteld om 30% van de totale bouwproductie per jaar uit te voeren als sociale woningbouw: 25% sociale huur en 5% sociale koop. Bij woningbouwontwikkelingen van 12 woningen of meer is het percentage sociale woningbouw een harde eis en kan dit niet worden ‘afgekocht’.
19
Het realiseren van ruimtelijke kwaliteitswinst wordt als doel genoemd; bijvoorbeeld in het kader van ‘ruimte voor ruimte’ en/of het slopen van vervallen bebouwing. Doorstroming bevorderen Op dit moment zit de woningmarkt in onze gemeente vast. Ouderen blijven langer in een grote woning wonen, omdat een kleinere woning niet beschikbaar is of omdat de huurlasten van de nieuwe woning te hoog zijn. Starters kunnen (vervolgens) niet of nauwelijks een woning kopen en worstelen zodoende ook met de betaalbaarheid van woningen. Deze doelgroep blijft daarom ook langer in een sociale (huur)woning zitten dan gewenst. Een manier om doorstroming op de woningmarkt te stimuleren en bovendien starters en spoedzoekers van woonruimte te kunnen voorzien, is om op korte termijn de juiste woningtypes te realiseren.
Uitsnede Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze worden per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven. Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in centrum dorps en landelijk dorps. Als het gaat om het bouwen van woningen geven wij de voorkeur aan inbreiding, maar dit betekent niet dat uitbreiden geen mogelijkheid is. Het buitengebied willen wij zoveel mogelijk open houden, maar aan de randen van de kernen is ruimte voor ontwikkeling Wat willen we bereiken? - Het in stand houden en verder opwaarderen van het voorzieningenniveau binnen de kernen. - Een passende woning voor iedereen. - Een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving.
20
Leimuiden ligt op een strategische plek bij wegen en water. De relatie met dit water kan meer gezocht worden en mag ook beter zichtbaar worden. Rondom Leimuiden vinden we open landschap. We streven het behoud van dit open landschap zoveel mogelijk na. De scheidslijn tussen bebouwing van de kern en het open landschap kan een groengordel worden rondom Leimuiden. Er zijn binnen deze kern al de nodige woningbouwinitiatieven in de afgelopen en aankomende jaren, maar de meest logische plek voor eventuele woningbouw in de toekomst zou nog in westelijke richting zijn. Beoordeling en conclusie Met het initiatief voegt een woning toegevoegd aan de voorraad en indirect draagt dit ook bij aan het in stand houden van de voorzieningen. De kwaliteiten van Leimuiden worden voorts niet aangetast en het plan staat het realiseren van doelstellingen voor Leimuiden niet in de weg. Zodoende past het plan binnen de omgevingsvisie van de gemeente. 3.4.2
Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Beoordeling en conclusie Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied (zie navolgende afbeelding). Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.
Uitsnede welstandsnota
21
3.4.3
Nota inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 is de Nota inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘Nota inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien. Dit betekent uiteraard niet dat alle onbebouwde of in onbruik geraakte ruimte binnen de kernen moet worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe woningen, winkels en bedrijfsruimten. In de Nota inbreidingslocaties heeft de gemeente Kaag en Braassem een aantal algemene voorwaarden opgenomen waarin initiatieven worden getoetst. Het betreffende de volgende: • De nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingslocaties.
Bij de ontwikkelingslocaties is sprake van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte binnen de rode contouren van de kernen. • Voor alle verzoeken is een kostendekkend legestarief verschuldigd conform de gemeentelijke legesverordening. • De woningen dienen elk zelfstandig volledig te voldoen aan de normen van het Bouwbesluit, de bouwverordening en andere van toepassing zijnde bouwen gebruiksregelgeving. • Burgemeester en wethouders behouden zich het recht om, omwille van de verdeling van de ambtelijke werklast over de diverse projecten, een volgorde van behandeling te hanteren. • Aanvulling van de criteria kan plaatsvinden door burgemeester en wethouders op grond van stedenbouwkundig advies, op advies van de welstands/monumentencommissie en kaderstellende normen van andere overheden zoals de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Beoordeling en conclusie Het plangebied grenst aan het historisch dorpslint. Voor het historisch lint van Leimuiden (Dorpsstraat/Dokter Stapenseastraat/Burgemeester Bakhuizenlaan) worden enkele uitgangspunten benoemd. In de navolgende tabel zijn de uitgangspunten uit de Nota Inbreidingslocaties weergegeven. Om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de aard en schaal van het gebied, dient hier in het ontwerp van de woning rekening mee gehouden te worden.
22
Aan deze voorwaarden wordt voldaan, behoudens de afstanden tot de achterste en zijdelingse perceelsgrens. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, de geografie van het perceel noopt tot de gekozen stedenbouwkundige opstelling, zie hoofdstuk 2
23
4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
Milieu-aspecten
4.1.1
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Algemeen In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in het realiseren van een woning. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 1. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak niet in grote mate toe ten opzichte van de bestaande situatie (zie paragraaf 2.2) en mede gezien de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Een M.e.r plicht kan ook ontstaan vanwege de Wet natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Nu het plangebied niet is gelegen binnen beschermd natuurgebied en er ook geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied (zie meer in detail paragraaf 4.2.2), ontstaat er ook geen M.e.r plicht als gevolg van de Wet natuurbescherming.
1 ECLI:NL:RVS:2022:2394
24
Het aspect Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.1.2
Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen c.q. de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.
Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere
25
milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid is als gemengd gebied te typeren. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Milieucategorie
Richtafstand woonomgeving in meters
Richtafstand gemengd gebied in meters
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is 2. Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan worden van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 3. De maximale mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie. Zo kan van het bestaand gebruik blijkens een uitspraak van de Raad van State worden uitgegaan als verandering van het bestaand agrarisch gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden 4. In deze uitspraak van de Raad van State is er sprake van een melkveehouderij, ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen concreet voornemen kenbaar is gemaakt om de veehouderij te staken of de bedrijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak ABRS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, r.o. 36.2.
Daarmee wordt dus het huidig gebruik bepalend en hoeft niet gekeken te worden naar de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook wordt in dit verband gewezen op een uitspraak van 4 april 2012, ABRS 4 april 2012, nr. 201004316/1/R1 welke betrekking op een nieuw te realiseren bedrijventerrein. De Afdeling overweegt dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek uit is gegaan van een invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in milieucategorie 2 ECLI:NL:RVS:2014:1173 3 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r.o. 4.2. en Vz. ABRS 5
november 2010, nr. 201007744/2/R1, r.o. 2.7.5 4 ECLI:NL:RVS:2018:3131
26
3.1 en 3.2. Zij is van oordeel dat niet tevens rekening hoefde te worden gehouden met bedrijven in milieucategorie 4.1. Weliswaar kunnen volgens de Afdeling met ontheffing categorie 4.1-bedrijven op Distriport worden gerealiseerd, maar kunnen tevens bedrijven in een lagere milieucategorie dan 3.1 worden gevestigd. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt is genomen. Uit deze uitspraak tenslotte, volgt ook dat uitgegaan mag worden van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, zijnde de feitelijke situatie in combinatie met concrete plannen, als het gaat om het beoordelen van de geluidseffecten van een bedrijventerrein in relatie tot woningbouwontwikkeling. I.c zijn de geluidseffecten van de feitelijke situatie van enkele bedrijven in milieucategorie 3.1 berekend, terwijl het bestemmingsplan maximaal milieucategorie 3.2 toestaat (ECLI:NL:RVS:2020:717). Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt in een gebied dat als rustig valt te typeren. De locatie ligt naast water, tevens zijn enkele woningen aanwezig, waar geen milieu-overlast van uitgaat. De twee direct gelegen woningen hebben wel een bestemming Bedrijf en kunnen dus als zodanig gebruikt worden, i.c.
voor bedrijven met een milieucategorie 1 of 2. Het meest oostelijke perceel, no. 24, bevindt zich op ongeveer 30 m en mede omdat er bebouwing tussen staat, kan bij een maximale invulling van het bestemmingsplan toch sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Echter, omdat het betreffend perceel al zeer lang als wonen in gebruik is (meer dan 25 jaar) kan gemotiveerd uitgegaan worden van de feitelijke situatie als representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Het perceel is geheel ingericht als wonen en het is zeer onwaarschijnlijk dat deze gedurende planperiode nog als bedrijf in gebruik wordt genomen. Bovendien bevindt zich op korte afstand al een woning (no. 22) die als maatgevend moet worden gezien. Dezelfde redenering gaat op voor het direct naast het plangebied gelegen perceel, no. 26. Ook hier wordt al geruime tijd gewoond. Met de aangehaalde jurisprudentie kan dus worden uitgegaan van de feitelijke situatie als representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en behoeft dus niet, zoals vaak wordt verondersteld, uitgegaan te worden van de maximale mogelijkheden. Omgekeerd gaat van een woning geen overlast. Het plan wordt daarmee geacht haalbaar te zijn; het aspect milieuzonering werpt geen belemmeringen op. 4.1.3
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is
27
toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren.
De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten.
Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiek28
maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is. Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 3 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; 4 enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien: b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°.
de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. Deze verantwoording kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond dat: a.het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of b. 1°.het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°.de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, bevat de toelichting bij het besluit de onderbouwing daarvan. 4 Het groepsrisico wordt berekend volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels. Dit wordt een beperkte verantwoording van het GR genoemd. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in een uitbreiding van mogelijkheden voor mensen de locato permanent te verblijven.
Om te bepalen of er sprake is van veiligheidsrisico’s wordt per potentieel gevaar opleverende activiteit (Inrichtingen, buisleidingen, vervoer over de weg) gekeken naar de aanwezigheid daarvan in de buurt van het plangebied en daarna naar het eventuele plaatsgebonden- en groepsrisico. 29
Inrichtingen en buisleidingen Aan de hand van de Atlas voor de Leefomgeving, kan worden gesteld dat het plangebied - en de omgeving daarvan – niet valt binnen een Plaatsgebonden Risico contour (PR) of binnen het invloedsgebied van een inrichting of een buisleiding. Dit houdt tevens in dat het Groepsrisico (GR) van die activiteiten niet nader hoeft te worden beschouwd.
Uitsnede Atlas Leefomgeving
Wel ligt op een afstand van circa 1.800 meter van de rijksweg A4. De A4 heeft een invloedsgebied van meer dan vier kilometer als gevolg van het transport van toxische vloeistoffen van de categorie LT3. Dit houdt voor onderhavig plan in dat er rekening mee gehouden moet worden dat bij een calamiteit met het transport van deze stoffen op de A4 een gifwolk kan ontstaan die de locatie kan bereiken. In navolging van het Bevb is in het Bevt geregeld dat de verantwoordingsplicht voor het GR niet van toepassing indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied het groepsrisico of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan niet hoger is dan een bij regeling van Onze Minister gestelde waarde. In artikel 8 van het Rebv staat vermeld dat deze waarde het groepsrisico: 0,1 maal de oriëntatiewaarde mag bedragen, en de toename van het groepsrisico: minder dan 10%, voor zover de waarden, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van het besluit (i.c. 0,1 van de oriëntatiewaarde) niet worden overschreden. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (17 juni 2014) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn vuistregels gegeven hoe om moet worden gegaan met het Plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 3
30
(eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 4 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Het voldoet in de praktijk meestal de bevolking te inventariseren in het gebied binnen de 10-8-contour van het plaatsgebonden risico. Met een RBM II berekening kan worden gecontroleerd of de uitkomst van de groepsrisicoberekening gevoelig is voor bevolking buiten de 10-8-contour. In vrijwel alle gevallen wordt het groepsrisico bepaald door stofcategorie A. Voor de uitkomst van de groepsrisicoberekening is het dan voldoende nauwkeurig om de bevolkingsdichtheid te inventariseren tot 400 m van de as van de spoorbaan d.w.z. toevoegen van bevolking buiten de 400 m levert geen wezenlijke verandering meer in het resultaat.
Voor dit deel van de A4 bedraagt voor GF3 het maximaal aantal bewegingen met GF3 per jaar 2162. Het beschouwde gebied is 71ha 5, hierbinnen is een aanwezigheid mogelijk van ca. 4.850 personen 6 (worst-case schatting van de nieuwe situatie~dus inclusief dit plan~; het gaat om eenzijdige bebouwing), derhalve 68/ha. Bij deze waarden is er geen drempelwaarde; er is dus ruimschoots geen toename van 10% van het GR.
5 De regelgeving [3] schrijft voor dat de bevolking binnen het invloedsgebied in de
QRA meegenomen moet worden. Het invloedsgebied wordt begrensd door de 1%letaliteitafstand, gemeten vanuit het hart van de doorgaande sporenbundel of vanuit het hart van de (vaar)weg. Bij GF3 is het invloedsgebied 355m, en bij tweezijdige bebouwing bedraagt het onderzoeksgebied dus bij een kilometer lengteX355mX2= 710.000 m2, ofwel 71 ha 6
Woonplaats Leimuiden in cijfers en grafieken (bijgewerkt 2023!) | AlleCijfers.nl 31
Onder deze omstandigheden voegt een RBMII berekening voor LF3 niets toe voor de conclusie. Er kan daarom van worden afgezien. Gelet hierop is een verantwoording van het GR niet verplicht. Wel is dan dan zoals aangegeven een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden, naast voornoemde GR ‘berekening’ en hoeveelheid personen. Zelfredzaamheid Het plan voorziet niet in de mogelijkheid dat er minder zelfredzame personen kunnen verblijven. Bovendien zijn er vluchtmogelijkheden van de A4 af. Bestrijdbaarheid De locatie is binnen de wettelijk gestelde termijnen bereikbaar voor hulpdiensten en in en om de omgeving zijn voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig. De risico’s met betrekking tot de A4 worden gelet bovenstaande verantwoord geacht. Het aspect externe veiligheid werpt zodoende geen belemmeringen op voor het plan. 4.1.4
Bodem Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de 32