CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

statutenwijziging Woubrugge samenwerkingsschool

Gemeenteraad 12 juli 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Statutenwijziging samenwerkingsschool Woubrugge9.577 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

CONCEPT STATUTENWIJZIGING STICHTING PRIMAIR ONDERWIJS WIJ DE VENEN BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1 1. In deze statuten wordt verstaan onder: a. bevoegd gezag: de stichting als bedoeld in deze statuten; b. college van bestuur: het orgaan dat belast is met het bestuur van de stichting; c. gemeenschappelijke medezeggenschapsraad: de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad verbonden aan de stichting, die de bevoegdheden heeft als toegekend in de Wet medezeggenschap op scholen; d. raad van toezicht: het orgaan dat belast is met de functie intern toezicht als bedoeld in artikel 17b Wet op het primair onderwijs; e. reglement bestuur en toezicht: het reglement voor het college van bestuur en de raad van toezicht waarin de samenstelling en werkwijze nader zijn uitgewerkt; f. schooljaar: de periode van één augustus van enig jaar tot en met éénendertig juli van het direct daarop volgende jaar; g. school/scholen: de door de stichting in stand gehouden scholen voor primair onderwijs; h. stichting: deze stichting, zijnde: stichting SPO WIJ de Venen, statutair gevestigd in de gemeente Alphen aan den Rijn; i Wpo: de Wet op het primair onderwijs, dan wel daarvoor in de plaats komende regeling; j.

schriftelijk (bericht): elk via gangbare communicatiekanalen overgebracht bericht, daaronder begrepen een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht, gericht aan of afkomstig van het adres dat voor dit doel bekend is gemaakt, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld. k. samenwerkingsschool: een school waarin zowel openbaar als bijzonder 1 onderwijs wordt aangeboden, als bedoeld in artikel 17d Wpo; j. informele samenwerkingsschool: een openbare of bijzondere school die ontstaat uit samenvoeging van een bijzondere en een openbare school. 2. Een verwijzing naar een begrip of woord in het enkelvoud sluit een verwijzing naar de meervoudsvorm van dit begrip of woord in en omgekeerd, tenzij anders blijkt of kennelijk anders is bedoeld. 3. Een verwijzing naar het mannelijk geslacht sluit een verwijzing naar het vrouwelijk geslacht in en omgekeerd, tenzij anders blijkt of kennelijk anders is bedoeld. NAAM, VESTIGING en DUUR Artikel 2 1. De stichting draagt de naam: Stichting Primair Onderwijs WIJ de Venen en heeft haar zetel in de gemeente Alphen aan den Rijn. 1

Deze bepaling is verplicht vanwege de invoeging van de samenwerkingsschool. Hier is de term bijzonder onderwijs genoemd. Daarmee kunnen in toekomst ook formele samenwerkingsscholen met een andere dan de protestantschristelijke grondslag worden gerealiseerd. Het is ook mogelijk hier op te nemen protestants-christelijke grondslag en niet bijzonder. Indien u bijvoorbeeld een formele samenwerkingsschool rk/op wilt gaan besturen, dan zou weer een statutenwijziging nodig zijn.

Concept 21052028

1

2.

De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd en ten minste voor een periode van vijf jaar. 3. De stichting heeft geen winstoogmerk. DOEL EN MIDDELEN Artikel 3 1. De stichting stelt zich ten doel het in stand houden van katholiek, protestantschristelijk en openbaar en openbaar primair onderwijs in afzonderlijke scholen voor katholiek onderscheidenlijk protestants-christelijk onderscheidenlijk openbaar onderscheidenlijk openbaar onderwijs 2, informele samenwerkingsscholen en samenwerkingsscholen en direct aan deze doelstelling gelieerde en ondersteunende activiteiten in Nieuwkoop, Kaag en Braassem, Alphen aan den Rijn en andere gemeenten in het Groene Hart. 2. De stichting tracht haar doel te bereiken langs wettige weg en wel door: a. het stichten, het in stand houden en het besturen van een of meer katholieke, een of meer protestants-christelijke en een of meer openbare scholen voor primair onderwijs, informele samenwerkingsscholen en samenwerkingsscholen voor primair onderwijs;3 b. het samenwerken met organisaties die eenzelfde of verwant doel nastreven; en c. het benutten van alle andere wettige middelen, die ter bereiking van het doel dienstig zijn. GRONDSLAG EN OPENBAAR KARAKTER Artikel 4 1.

Het onderwijs aan de (mede) katholieke scholen wordt gegeven vanuit de Rooms Katholieke traditie met als richtsnoer het Evangelie van Jezus Christus 4, in een open dialoog met andere godsdiensten en levensovertuigingen. Leerlingen met een katholieke achtergrond vinden in de katholieke scholen identificatiemogelijkheden voor een verdere ontwikkeling van hun identiteit, en ontwikkelen een openheid voor de multiculturele samenleving door kennis te maken en de dialoog aan te gaan met andere godsdiensten en levensovertuigingen. Voor anders of niet-gelovige leerlingen wordt katholiek onderwijs op authentieke wijze ter sprake gebracht zodat deze leerlingen de mogelijkheid krijgen om vanuit de dialoog tussen godsdiensten en levensbeschouwingen hun eigen levensbeschouwelijke identiteit te ontwikkelen. De stichting handelt daarbij volgens de regelingen betreffende het katholiek onderwijs, die op grond van het gezamenlijk overleg in de NKSR statutair zijn vastgeste ld alsmede volgens het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs. 2. Het onderwijs aan de protestants-christelijke scholen heeft de Bijbel als Gods Woord tot grondslag, waarbij de verlossing door Jezus Christus centraal staat. De protestants-christelijke identiteit vormt de basis van waaruit de kinderen op de protestants-christelijke scholen normen en waarden meekrijgen.

Op de protestants christelijke scholen zijn alle leerlingen welkom wanneer hun ouders de christelijke identiteit respecteren. 3. Het onderwijs aan de openbare scholen draagt bij aan de ontwikkeling van leerlingen en wordt gegeven met aandacht voor de godsdienstige, 2

3 4

Conform artikel 17 lid 2 van de WPO: ”Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs in afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder onderwijs.’’ Bepaling is verplicht vanwege de invoeging van de formele samenwerkingsschool. Voor de NKSR is het wenselijk deze bepaling op te nemen.

Concept 21052028

2

levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden, zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. 4. Een informele samenwerkingsschool en samenwerkingsschool is toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.5 De stichting stelt leerlingen op een samenwerkingsschool in de gelegenheid binnen de schooltijden godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen. 6 5. Het schoolplan geeft per school aan op welke wijze vorm en inhoud wordt gegeven aan de identiteit van de bijzondere scholen, het openbare karakter van de openbare scholen en hoe door de identiteitscommissie samenwerkingsschool invulling wordt gegeven aan het openbaar karakter onderscheidenlijk de identiteit van het bijzonder onderwijs voor zover het betreft samenwerkingsscholen.7 6. Naast de wettelijk omschreven eisen met betrekking tot het onderwijs omvat het onderwijs op de protestants-christelijke scholen in elk geval ook godsdienstonderwijs. Op de katholieke scholen wordt aandacht besteed aan de godsdienstige vorming overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs. 7.

Bij benoeming van het aan haar scholen te verbinden personeel zal het college van bestuur zich ervan verzekeren dat het personeel de katholieke en protestantschristelijke grondslag en/of het openbare karakter van de verschillende scholen respecteert en loyaal zal meewerken aan de doelstellingen van elke school, mede ten aanzien van de grondslag van de bijzondere scholen en het openbare karakter zoals die in deze statuten en het schoolplan zijn omschreven. 8. Bij de benoeming en het ontslag van personeel aan de samenwerkingsschool houdt het college van bestuur zoveel mogelijk rekening met een evenwichtige spreiding naar openbaar karakter en identiteit van het bijzonder onderwijs.8 9. Inzake het personeelsbeleid bij benoeming, overplaatsing en noodzakelijke vermindering van personeel aan de scholen, wordt zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de katholieke en protestants-christelijke grondslag en/of het openbare karakter van de betreffende school en de levensbeschouwelijke overtuiging van het betrokken personeelslid. FINANCIELE MIDDELEN Artikel 5 5

6

7

8

Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 17d, lid 4 Wpo. Strikt genomen schrijft de wet niet voor dat deze bepaling in de statuten moet worden opgenomen. Het is wel gebruikelijk om deze bepaling op te nemen. Vanuit de gemeente wordt dit doorgaans wel gevraagd. Indien de bepaling niet in de statuten wordt opgenomen, dan geldt de bepaling in de wet overigens toch. Van deze bepaling in de wet mag niet worden afgeweken. Gebeurt dat toch dan wordt gehandeld in strijd met een bekostigingsvoorwaarde. Voor de NKSR is het vereist deze bepaling op te nemen in het kader van de verlening van het predicaat ‘katholiek’ en de erkenning als katholieke onderwijsinstelling. Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 50 lid 2 Wpo. Strikt genomen schrijft de wet niet voordat deze bepaling in de statuten moet worden opgenomen. Indien de bepaling niet wordt opgenomen, dan geldt de bepaling in de wet toch en van deze bepaling mag niet worden afgeweken. Voor de NKSR is het vereist deze bepaling op te nemen in het kader van de verlening van het predicaat ‘katholiek’ en de erkenning als katholieke onderwijsinstelling. Deze bepaling geldt overigens al geruime tijd voor openbare scholen en bij de wetswijziging in 2017 is deze ook gaan gelden voor de samenwerkingsschool.

Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 12 lid 1, laatste volzin, Wpo en artikel 13, lid 1, onderdeel k, Wpo. Strikt genomen schrijft de wet niet voor dat deze bepaling in de statuten moet worden opgenomen. Indien de bepaling niet wordt opgenomen, dan geldt de bepaling in de wet toch. Van deze bepaling in de wet mag niet worden afgeweken. Voor de NKSR is het vereist deze bepaling op te nemen in het kader van de verlening van het predicaat ‘katholiek’ en de erkenning als katholieke onderwijsinstelling. Deze aanvulling hangt samen met het gaan besturen van de samenwerkingsschool. Voor de NKSR is het vereist deze bepaling op te nemen in het kader van de verlening van het predicaat ‘katholiek’ en de erkenning als katholieke onderwijsinstelling.

Concept 21052028

3

Het tot verwezenlijking van het doel van de stichting bestemde vermogen wordt gevormd door: a. rijksbekostiging; b. het stichtingskapitaal en de inkomsten daaruit; c. de middelen die krachtens bestuursoverdracht aan de stichting zijn of worden over gedragen; d. vergoedingen voor de door de stichting verleende diensten; e. subsidies, giften en donaties; f. hetgeen verkregen wordt door erfstellingen of legaten, met dien verstande dat erfstellingen slechts kunnen worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving; g. hetgeen op andere wijze wordt verkregen. ORGANISATIE9 Artikel 6 1. De stichting kent een college van bestuur en een raad van toezicht. 2. Indien de stichting een of meer samenwerkingsscholen bestuurt, stelt de stichting per school een identiteitscommissie samenwerkingsschool in. COLLEGE VAN BESTUUR, SAMENSTELLING, BENOEMING, SCHORSING EN\ ONTSLAG, BELET EN ONTSTENTENIS Artikel 7 1. Het college van bestuur van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van ten minste één bestuurder. Een benoemingsbesluit wordt genomen met twee derde meerderheid in een vergadering waarin alle zittende leden van de raad van toezicht aanwezig zijn. 2.

leder lid van het college van bestuur onderschrijft doel, de katholieke en protestants christelijke grondslag en het openbaar karakter en van de stichting en verklaart dit schriftelijk bij de aanvaarding van zijn functie. Indien het college van bestuur uit meer dan een lid bestaat dan is de samenstelling van het college van bestuur zo mogelijk een afspiegeling van de aantallen van de door de stichting bestuurde scholen onderscheiden naar de in artikel 3 lid 1 genoemde grondslagen respectievelijk het openbaar karakter. 3. Benoeming geschiedt met inachtneming van een door het college van bestuur onder goedkeuring van de door de raad van toezicht opgestelde profielschets, waarin de competenties van het college van bestuur en de afzonderlijke leden worden beschreven. Een dergelijke profielschets wordt ter advisering aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voorgelegd. De profielschets is dusdanig dat deze, onverminderd de collectieve verantwoordelijkheid van het colle ge van bestuur, recht doet aan de gelijkwaardigheid van de in artikel 3 lid 1 genoemde grondslagen van het bijzonder onderwijs en het openbare karakter en van de door de stichting in stand gehouden scholen. De profielschets wordt openbaar gemaakt. 4.

Geen lid van het college van bestuur kan zijn iemand die wegens de vervulling van een bestuurs- of toezichtfunctie bij een andere organisatie in dezelfde sector en dezelfde regio met onverenigbare belangen geconfronteerd kan worden. Voorts is het gestelde in artikel 2: 297a BW van toepassing. Iedere schijn van belangenverstrengeling tussen voornoemde andere organisatie en het college van bestuur dient te worden voorkomen. 5. Een lid van het college van bestuur kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen

9

De wet schrijft deze wijziging niet expliciet voor. Vanuit rechtspersonenrechtelijke invalshoek is het wenselijk de identiteitscommissie hier te noemen, zonder te spreken van een orgaan van de rechtspersoon, omdat de Wpo deze commissie bevoegdheden toekent. Het opnemen van deze bepaling wordt aanbevolen.

Concept 21052028

4

door de raad van toezicht. De schorsing van een lid vervalt, indien de raad van toezicht niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot ontslag of tot opheffing of handhaving van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden gehandhaafd, ingaande op de datum waarop het besluit tot handhaving van de schorsing werd genomen. Het betrokken lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 6. De raad van toezicht neemt bij de benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur het bepaalde in de Wet medezeggenschap op scholen in acht. 10 7. Leden van het college van bestuur worden benoemd voor een periode gelijk aan de duur van hun arbeidsovereenkomst. De vaststelling van de bezoldiging en de regeling van de overige arbeidsvoorwaarden van de bestuurders geschiedt door de raad van toezicht met in acht neming van de desbetreffende wet- en regelgeving. 8. De leden van het college van bestuur worden periodiek beoordeeld door de raad van toezicht. 9. Het lidmaatschap van het college van bestuur eindigt: a. door overlijden van het lid; b. door aftreden van het lid (bedanken); c. door het verlies van het vrij beheer over zijn vermogen; d.

door ontslag van het lid door de rechtbank; e. door ontslag van het lid door de raad van toezicht. 10. In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Ingeval van ontstentenis of belet van één of meer leden van het college van bestuur, berust het bestuur tijdelijk bij de overblijvende leden of het overblijvende lid van het college van bestuur. 11. Ingeval van ontstentenis of belet van alle leden van het college van bestuur berust het bestuur tijdelijk bij één of meer door de raad van toezicht aan te wijzen persoon, onverminderd de verplichting voor de raad van toezicht zo spoedig mogelijk in het bestuur te voorzien. Gaat de raad van toezicht niet binnen twee weken tot een zodanige aanwijzing over, dan wordt het bestuur waargenomen door de persoon die daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt aangewezen. 12. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen of de samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft.

Voor wat betreft de samenwerkingsschool wordt de feitelijke samenwerking beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit.11 Artikel 159 lid 2 van de Wpo is van overeenkomstige toepassing op 10

11

De wet (Wet medezeggenschap op scholen) schrijft niet expliciet voor om deze bepaling in de statuten op te nemen. Het opnemen is facultatief. De Wms dijt uit. Het is niet te doen alle bepalingen uit de Wms in de statuten door te vertalen, vanwege de omvang en omdat de statuten dan steeds geüpdate zouden moeten worden om ‘bij’ te blijven. In de geldende statuten zijn enkele noodzakelijk doorvertalingen opgenomen, zoals het voordrachtsrecht van de GMR. Het is belangrijk bij het nemen van belangrijke besluiten op de hoogte te zijn van de geldende Wms (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020685/2021-01-01). Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 17 lid 8 Wpo (al in geldende statuten) aangevuld met artikel 17d lid 11 eerste volzin Wpo. De tweede volzin is gelijk aan artikel 17d lid 11 tweede volzin en hangt specifiek met de samenwerkingsschool samen. Strikt genomen schrijft de wet niet voor dat deze bepaling in

Concept 21052028

5

het bepaalde in de vorige volzin.12 COLLEGE VAN BESTUUR; TAAK EN BEVOEGDHEDEN Artikel 8 1. Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. 2. Aan het college van bestuur komen in de stichting alle taken en bevoegdheden toe, die tot het bevoegd gezag behoren en die niet door de wet of de statuten aan andere organen zijn opgedragen. Bij de vervulling van zijn taken en bevoegdheden richt het college van bestuur zich naar het doel en het belang van de stichting en het belang van de samenleving. 3. Het college van bestuur waarborgt op bestuursniveau het openbaar karakter en de identiteit van de verschillende scholen. 4. Het college van bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een ander verbindt. De besluiten tot het verrichten van deze rechtshandelingen zijn onderworpen aan de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de raad van toezicht. Het ontbreken van bedoelde goedkeuring tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan.

Bij de besluitvorming casu quo de goedkeuring bedoeld in de eerste twee volzinnen van dit lid nemen het college van bestuur respectievelijk de raad van toezicht de in de Wpo ter zake opgenomen bepalingen in acht, waaronder in het bijzonder de artikelen 106 en 110 van de Wpo. 5. Het college van bestuur heeft voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor besluiten tot: a. de vaststelling en wijziging van het strategisch meerjarenbeleidsplan van de stichting; b. het vaststellen van de begroting; c. het vaststellen van de jaarrekening en het jaarverslag; d. het aangaan, beëindigen en verbreken van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten welke niet zijn opgenomen in de goedgekeurde begroting en waarvan het belang meer bedraagt dan een door de raad van toezicht vast te stellen en aan het college van bestuur mee te delen bedrag; e. het aangaan, beëindigen en verbreken van transacties waarbij tegenstrijdige belangen van leden van het college van bestuur en/of leden van de raad van toezicht spelen die van materiële betekenis zijn voor de stichting en/of voor de betreffende leden van het college van bestuur en/of leden van de raad van toezicht; f. de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers (vijf procent of meer) tegelijkertijd of binnen een kort tijdsbestek; g.

een ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers (vijf procent of meer) in dienst van de stichting; h. de vaststelling van een klokkenluidersregeling, een klachtenregeling en een treasurystatuut voor de stichting;

12

de statuten moet worden opgenomen. Vanuit de gemeente wordt dit doorgaans wel gevraagd. Indien de bepaling niet wordt opgenomen, dan gelden de bepalingen in de wet toch. Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 17d lid 12 Wpo. Strikt genomen schrijft de wet niet voor dat deze bepaling in de statuten moet worden opgenomen. Indien de bepaling niet wordt opgenomen, dan geldt de bepaling in de wet toch. Van deze bepaling in de wet mag niet worden afgeweken.

Concept 21052028

6

i. j.

het aanvragen van faillissement of surseance van betaling van de stichting; het aangaan of verbreken van duurzame en/of strategische samenwerking met een andere rechtspersoon; k. de opheffing, afsplitsing of verplaatsing van een (deel van de) door de stichting in stand gehouden school of scholen, alsmede het stichten van een nieuwe school dan wel het aanvaarden van het bevoegd gezag over een school; l. de overdracht of het wijzigen van de grondslag dan wel het openbaar karakter van een onder het bevoegd gezag van de stichting staande school of de fusie van scholen binnen de stichting; m. het vaststellen of wijzigen van het reglement bestuur en toezicht; n. het wijzigen van de statuten van de stichting; o. de juridische fusie of juridische (af)splitsing; p. de ontbinding van de stichting, waaronder begrepen de bestemming van het batig saldo. 6. De raad van toezicht is bevoegd ook andere besluiten aan zijn goedkeuring te onderwerpen. Die andere besluiten moeten duidelijk worden omschreven en schriftelijk aan het bestuur worden meegedeeld. Een dergelijk besluit van de raad van toezicht kan in een reglement bestuur en toezicht worden vastgelegd. COLLEGE VAN BESTUUR; WERKWIJZE EN BESLUITVORMING Artikel 9 1. Het college van bestuur kan aandachtsgebieden hebben en tot onderlinge verdeling besluiten. De voorgenomen verdeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van toezicht.

Dit laat onverlet dat de leden van het college van bestuur gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het beleid van de stichting en de daaronder ressorterende scholen. Tevens worden afspraken gemaakt over de onderlinge vervanging bij duurzame afwezigheid van een lid van het college van bestuur. 2. In de vergaderingen van het college van bestuur heeft ieder lid van het college van bestuur één stem. Alle besluiten van het college van bestuur worden genomen met gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen, behoudens het elders in deze statuten bepaalde. Bij staking van stemmen over zaken wordt het voorstel geagendeerd voor de eerstvolgende vergadering; staken de stemmen dan alsnog dan wordt dit voorstel in de eerstvolgende vergadering van de raad van toezicht voor advies voorgelegd. Het advies van de raad van toezicht is bindend. Blanco stemmen worden beschouwd als niet te zijn uitgebracht. 3. Het college van bestuur kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits dit schriftelijk geschiedt, alle leden van het college van bestuur in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen, geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet en deze leden zich voor het desbetreffende voorstel uitspreken.

Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. De besluiten en de bescheiden waaruit het nemen van een zodanig besluit blijkt, worden aan de notulen toegevoegd. 4. Elk lid van het college van bestuur, alsmede de voorzitter van de raad van toezicht of twee of meer leden van de raad van toezicht, zijn gelijkelijk bevoegd een vergadering van het college van bestuur bijeen te roepen. 5. De bijeenroeping van de vergaderingen van het college van bestuur geschiedt - door de in het voorgaande lid bedoelde persoon - schriftelijk op een termijn van ten minste vijf dagen, onder opgave van de te behandelen onderwerpen. In spoedeisende gevallen, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vierentwintig

Concept 21052028

7

uur. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan het college van bestuur niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden van het college van bestuur vóór het tijdstip van de vergadering hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten. 6. Een lid van het college van bestuur kan zich niet door een ander lid van het college van bestuur ter vergadering schriftelijk doen vertegenwoordigen. 7. De vergadering voorziet zelf in haar leiding. 8. De vergadering bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden, met dien verstande, dat stemmingen over personen schriftelijk geschieden. Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes. 9. Het door de vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. Wordt onmiddellijk na het uitspreken van het in dit lid bedoelde oordeel de juistheid daarvan betwist, dan vindt er een nieuwe stemming plaats als de meerderheid van de aanwezigen dit wenst. 10.

De vergaderingen van het college van bestuur zijn openbaar voor zover het college van bestuur niet - gemotiveerd per agendapunt - beslist dat openbaarheid tegen het belang van de stichting is of een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van personen oplevert. Van een besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij het bestuur anders beslist. 11. Een lid van het college van bestuur neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang 13 heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in artikel 8 lid 2. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van toezicht.14 12. Leden van het college van bestuur melden hun nevenfuncties en het bestaan van een mogelijke verstrengeling van belangen aan de raad van toezicht. Indien sprake is van een kortdurende verstrengeling van belangen onthoudt het betrokken lid van het college van bestuur zich ter zake van het verrichten van zijn taken en bevoegdhede n, alsmede met de beraadslaging en besluitvorming. De aanwezigheid van het desbetreffende lid van het college van bestuur telt niet mee ter bepaling of het vereiste quorum voor besluitvorming is behaald. 13. Van het verhandelde in vergaderingen van het college van bestuur kan een verslag worden gemaakt.

Besluiten, alsmede de overwegingen ten aanzien van de besluiten, worden te allen tijde schriftelijk vastgelegd. 14. Indien de werkwijze en besluitvorming van het college van bestuur nadere regeling behoeft dan worden nader geregeld in, althans op basis van, een door de raad van toezicht vast te stellen regeling voor bestuur en toezicht. VERTEGENWOORDIGING Artikel 10

1.

2.

13 14

De stichting wordt vertegenwoordigd door het college van bestuur. Daarnaast wordt de stichting in geval van een meerhoofdig bestuur vertegenwoordigd door twee gezamenlijk handelende leden van het college van bestuur. Het college van bestuur kan een bestuurder en ook één of meer functionarissen schriftelijk volmacht geven om de stichting te vertegenwoordigen.

Met het opnemen van deze bepaling voldoet de stichting aan de Wbtr. Met het opnemen van deze bepaling voldoet de stichting aan de Wbtr.

Concept 21052028

8

RAAD VAN TOEZICHT: TAKEN EN SAMENSTELLING Artikel 11

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7. 15

De raad van toezicht houdt conform de wet en deze statuten toezicht op het beleid van het college van bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. De raad van toezicht staat het college van bestuur met raad en advies terzijde. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het doel en het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden en het belang van de samenleving. De raad van toezicht bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van ten minste vijf natuurlijke personen. Een niet voltallige raad van toezicht behoudt zijn bevoegdheden. De leden van de raad van toezicht worden benoemd door de raad van toezicht. De leden van de raad van toezicht verklaren vóór hun benoeming schriftelijk de doelstelling, de katholieke en protestants-christelijke grondslag en het openbaar karakter van de stichting te onderschrijven en ernaar te zullen handelen. Benoeming geschiedt met inachtneming van een door de raad van toezicht opgestelde profielschets, die ter advisering aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt voorgelegd. In de profielschets zijn de noodzakelijke competenties van de raad van toezicht en de afzonderlijke leden worden beschreven, waarbij: a.

de samenstelling van de raad van toezicht een afspiegeling is van de in artikel 3 lid 1 genoemde katholieke en protestants-christelijke grondslag, respectievelijk het openbaar karakter; b. de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in de gelegenheid wordt gesteld een bindende voordracht te doen voor één lid van de raad van toezicht, nader uit te werken in het reglement van de raad van toezicht; c. één lid van de raad, is belast met de het toezicht op de in artikel 3 lid 1 genoemde grondslagen en het openbaar karakter van het door de stichting gegeven onderwijs, dit onverlet de verantwoordelijkheid van de gehele raad ter zake. Leden van de raad van toezicht functioneren onafhankelijk en worden geselecteerd op grond van hun kwalificaties en deskundigheden. Leden worden in eerste instantie gezocht onder ouders van leerlingen van de door de stichting in stand gehouden scholen. De profielschets is voorts dusdanig dat deze, onverminderd de collectieve verantwoordelijkheid van de raad van toezicht, recht doet aan de gelijkwaardigheid van de katholieke en de protestants-christelijke identiteit en het openbare karakter van de door de stichting in stand gehouden scholen. Bij de benoeming wordt gestreefd naar een zodanige samenstelling dat daarin naar woonplaats van leden van de raad van toezicht sprake is van een evenwichtige spreiding binnen de regio waar de scholen zijn gevestigd.

De profielschets wordt openbaar gemaakt. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van drie jaar. Aftreden geschiedt volgens een door de raad van toezicht op te stellen rooster van aftreden. Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk herbenoembaar. Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk en rekening houdend met de omstandigheid dat niemand langer dan acht jaar aaneengesloten lid van de raad van toezicht kan zijn.15 De in een tussentijdse vacature benoemde neemt op het rooster de pla ats in van Governance. Verplichte bepaling in de Code goed bestuur primair onderwijs 1 januari 2021.

Concept 21052028

9

degene in wiens vacature hij werd benoemd. De voorzitter van de raad van toezicht wordt in functie benoemd. Naast de taken en bevoegdheden, die aan de raad van toezicht in of krachtens andere bepalingen van deze statuten worden opgedragen en toegekend, heeft de raad van toezicht de volgende taken en bevoegdheden: a. het toezien op de wettelijke verplichtingen, de naleving van de statuten, de governancecode en de afwijking van die code; b. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en de rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school verkregen op grond van de wet; c. het aanwijzen van de accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad van toezicht; d. het goedkeuren van de begroting, het jaarverslag, de jaarrekeningen en het strategisch meerjarenbeleidsplan; e. het jaarlijks verantwoording afleggen over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in de leden sub a tot en met d van dit lid, in het jaarverslag; f. de benoeming, schorsing en het ontslag van de leden van het college van bestuur; g. het vaststellen van de kostenvergoeding van de leden van de raad van toezicht, een en ander conform de voor de sector geldende wet- en regelgeving. 10.

De raad van toezicht voert tweemaal per jaar overleg met de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. 11. Leden van de raad van toezicht kunnen - anders dan als waarnemer geen deel uitmaken van het college van bestuur, gelijk de leden van het college van bestuur geen deel kunnen uitmaken van de raad van toezicht. 12. Het college van bestuur verschaft de raad van toezicht en ieder lid van de raad tijdig de voor de uitoefening van diens taken en bevoegdheden noodzakelijke gegevens en voorts aan ieder lid van de raad van toezicht alle inlichtingen betreffende de aangelegenheden van de stichting die deze mocht verlangen. De raad van toezicht is bevoegd inzage te nemen en te doen nemen van alle boeken, bescheiden, overige gegevensdragers en correspondentie van de stichting; het door de raad van toezicht aangewezen lid van de raad van toezicht heeft te allen tijde toegang tot alle bij de stichting in gebruik zijnde ruimten en terreinen. 13. De raad van toezicht kan zich voor rekening van de stichting in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen. 14. Het bepaalde in artikel 7 lid 7 onder a, b en c is op de raad van toezicht zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Onverminderd het in de vorige zin bepaalde, verliest een lid van de raad van toezicht het lidmaatschap door het aanvaarden van een benoeming tot lid van het college van bestuur en door zijn ontslag verleend door de gezamenlijke overige leden van de raad van toezicht of de Rechtbank. 16 15. Een lid van de raad van toezicht neemt niet deel aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden organisatie. Wanneer de raad van toezicht hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit

8. 9.

16

Met het opnemen van deze bepaling voldoet de stichting aan de Wbtr.

Concept 21052028

10

genomen door de raad van toezicht onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen.17 16. In geval van ontstentenis of belet van één of meer leden van de raad van toezicht nemen de overblijvende leden, of neemt het overblijvende lid, de volledige taken van de raad van toezicht waar. Een niet voltallige raad van toezicht blijft volledig bevoegd. In geval van ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht zal door de president van de Rechtbank binnen wiens arrondissement de stichting is gevestigd, op verzoek van hetzij een afgetreden lid van de raad van toezicht, hetzij het college van bestuur, hetzij de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, met inachtneming van het in deze statuten bepaalde, een nieuwe raad van toezicht worden benoemd.18 17. Het bepaalde in artikel 9 is op de raad van toezicht zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat: a. leden van het college van bestuur slechts toegang hebben tot de vergaderingen van de raad van toezicht indien zij daartoe zijn uitgenodigd; b.

een besluit tot benoeming, schorsing, handhaving of opheffing van de schorsing of ontslag van een lid van de raad van toezicht slechts kan worden genomen met algemene stemmen in een vergadering waarin alle in functie zijnde, niet geschorste of voor schorsing voorgedragen, leden van de raad van toezicht zijn vertegenwoordigd. BOEKJAAR. JAARSTUKKEN. ADMINISTRATIE19 Artikel 12 1. Het boekjaar van de stichting is het kalenderjaar.

2.

3.

4.

5.

17 18 19

20

Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting, behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste vijf maanden door de raad van toezicht op grond van bijzondere omstandigheden, maakt het college van bestuur een jaarrekening en een jaarverslag op over dat boekjaar en stelt het college van bestuur die jaarrekening vast. De jaarrekening wordt ten blijke van de vaststelling ondertekend door ieder lid van het college van bestuur. Indien de ondertekening van één of meer van hen ontbreekt, wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt. De vast te stellen jaarrekening behoeft de goedkeuring van de raad van toezicht. De raad van toezicht draagt, alvorens zijn goedkeuring te verlenen, het college van bestuur op de jaarrekening te doen onderzoeken door een door de raad van toezicht te benoemen accountant. De accountant brengt gelijktijdig verslag uit aan alle leden van raad van toezicht en aan het college van bestuur. Het college van bestuur zendt het vastgestelde jaarverslag, inclusief het verslag van zijn werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs in haar openbare scholen en samenwerkingsscholen, de vastgestelde jaarrekening en de begroting aan de gemeenteraad van de gemeente waarin een school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is.

20 Met het opnemen van deze bepaling voldoet de stichting aan de Wbtr. Met het opnemen van deze bepaling voldoet de stichting aan de Wbtr. Niet verplicht om op te nemen. Het voorstel hangt samen met de toevoeging in lid 6 tegen de achtergrond van de Wbtr. Zie voetnoot 20. Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 17 lid 6 Wpo (al in geldende statuten) en is aangevuld met de aanduiding openbare scholen en samenwerkingsscholen. Dit artikel regelt het sturen van het verslag aan de gemeenteraad en specifiek alleen over de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Deze verplichting is er omdat openbaar onderwijs van overheidswege wordt gegeven. Strikt genomen schrijft de wet niet voor deze bepaling in de statuten op te nemen. Het is wel gebruikelijk om deze bepaling op te nemen. Vanuit de gemeente wordt dit doorgaans wel gevraagd. Indien de bepaling niet wordt opgenomen, dan gelden de bepalingen in de wet toch. Dit wetsartikel regelt

Concept 21052028

11

6.

Het college van bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de stichting kunnen worden gekend.21 7. Het college van bestuur is verplicht de in dit artikel bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende ten minste wettelijke termijn te bewaren. IDENTITEITSCOMMISSIE SAMENWERKINGSSCHOOL – SAMENSTELLING ARTIKEL 12A22 1. Bij de samenstelling van de identiteitscommissie samenwerkingsschool is sprake van een evenwichtige verdeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. 23 2. De identiteitscommissie samenwerkingsschool bestaat uit vier 24 natuurlijke personen: a. een personeelslid en twee ouders; zij worden voorgedragen door en uit de voorstanders van openbaar onderwijs dat deel uitmaakt van de samenwerkingsschool; b. een personeelslid en twee ouders die worden voorgedragen door en uit de voorstanders van het bijzonder onderwijs dat deel uitmaakt van de samenwerkingsschool; 3. Het college van bestuur benoemt de leden van de identiteitscommissie samenwerkingsschool. 4.

De onder het tweede lid onder a en b genoemde ouders dienen ouder te zijn van een leerling van de school. 5. Partners van personeelsleden van de school kunnen niet voorgedragen en benoemd worden als leden van de commissie. 6. Benoemingen vinden plaats op basis van vooraf opgestelde openbare werving- en selectieprocedure en een profielschets. 7. Een lid van de identiteitscommissie samenwerkingsschool treedt volgens rooster, doch uiterlijk twee jaar na zijn benoeming af. Een volgens dit rooster aftredend lid is eenmaal herbenoembaar voor dezelfde periode. 8. In ontstane tussentijdse vacatures draagt het college van bestuur ervoor zorg dat hierin zo spoedig mogelijk wordt voorzien. 9. Leden van de identiteitscommissie samenwerkingsschool ontvangen als zodanig geen bezoldiging, noch middellijk noch onmiddellijk. Zij hebben wel recht op een vergoeding voor gemaakte kosten.

21

22

23

24

uiteraard niet wat er verder in het jaarverslag moet staan, en zeker niet voor het bijzonder onderwijs, dit vanwege de vrijheid van inrichting van bijzonder onderwijs. Dit is een gebruikelijke bepaling in statuten. Het voorstel is opgenomen omdat in het kader van de Wbtr de bestuurders en toezichthouders kortheidshalve gezegd, alert moeten zijn op de juiste naleving van de voorschriften rondom de administratie en de jaarrekening. De bestuurder en toezichthouder kan alleen aan faillissementsaansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat de tekortkoming geen belangrijke oorzaak van het faillissement is. Vanwege de invoeging van de formele samenwerkingsschool schrijft artikel 17d lid 5 e.v. Wpo voor dat een aantal zaken rond de identiteitscommissie samenwerkingsschool in de statuten zelf moet worden geregeld. De statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, voorzien in een regeling over de identiteitscommissie waarin in ieder geval de samenstelling, benoeming, herbenoeming, ontslag, duur van de benoeming, werkwijze, inrichting en bevoegdheden van de identiteitscommissie zijn vastgelegd. Schoolbesturen hebben ruimte om in de statuten nader invulling te geven aan deze verplichte bepalingen. Verplichting genoemd in artikel 17d lid 7 laatste volzin Wpo. Strikt genomen schrijft de wet niet voor dat deze bepaling in de statuten moet worden opgenomen.

Wordt wel aanbevolen. Indien niet opgenomen geldt de bepaling uit de wet niettemin. Meer is mogelijk, mits gelijke verdeling bijzonder/openbaar.

Concept 21052028

12

IDENTITEITSCOMMISSIE SAMENWERKINGSSCHOOL - SCHORSING EN ONTSLAG ARTIKEL 12B 1. Een lid van de identiteitscommissie samenwerkingsschool kan op voordracht van de commissie door het college van bestuur worden geschorst en ontslagen. 2. Indien een lid van de commissie is geschorst, dient het college van bestuur binnen drie maanden na ingang van de schorsing te besluiten tot ontslag dan wel tot opheffing of verlenging van de schorsing. Bij gebreke van een besluit als bedoeld in de vorige zin, vervalt de schorsing. 3. Een besluit tot verlenging van de schorsing kan slechts eenmaal worden genomen en de schorsing kan daarbij ten hoogste worden verlengd voor drie maanden, ingaande op de dag waarop het college van bestuur het besluit tot verlenging heeft genomen. 4. Het lid van de commissie dat is geschorst, wordt in de gelegenheid gesteld zich in de vergadering van het college van bestuur te verantwoorden en zich daarbij door een raadsman te laten bijstaan. 5. Een besluit tot ontslag wordt niet genomen dan nadat het lid van de commissie over wiens ontslag wordt besloten vooraf de gelegenheid is geboden om te worden gehoord. 6. Een lid van de identiteitscommissie samenwerkingsschool defungeert voorts: a. door diens vrijwillig of periodiek aftreden; b. door het verstrijken van de termijn waarvoor het lid is benoemd, behoudens de eventuele herbenoeming; c.

indien diens kind van school gaat; d. door diens overlijden. IDENTITEITSCOMMISSIE SAMENWERKINGSSCHOOL - TAKEN EN BEVOEGDHEDEN ARTIKEL 12C De identiteitscommissie samenwerkingsschool is belast met: a. het gevraagd en ongevraagd adviseren van het college van bestuur en de directeur over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter en de grondslag van de samenwerkingsschool; c. het doen van voorstellen over aangelegenheden bedoeld onder a. WERKWIJZE ARTIKEL 12D 1. De identiteitscommissie samenwerkingsschool benoemt uit haar midden een voorzitter en secretaris. 2. De voorzitter bepaalt dag en aanvangsuur van de te houden vergaderingen, met dien verstande dat ten minste tweemaal per jaar wordt vergaderd. 3. Indien twee leden van de commissie hem daartoe schriftelijk/ per e-mail de wens te kennen hebben gegeven, is de voorzitter verplicht een vergadering van de commissie bijeen te roepen, die uiterlijk tien dagen na ontvangst van het bericht wordt gehouden. 4. De voorzitter roept de leden schriftelijk op voor de vergadering onder toezending van een agenda met een beknopte toelichting van de te bespreken punten. 5. De agenda wordt ten minste één week voor de vergadering schriftelijk (daaronder mede begrepen e-mail of fax) aan alle leden verzonden. 6.

De secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de vergaderingen. Concept 21052028

13

7.

De commissie overlegt periodiek met de directeur van de school en ten minst eenmaal per jaar met het college van bestuur. 8. De commissie brengt jaarlijks een schriftelijk verslag van werkzaamheden en bevindingen uit aan het college van bestuur. 9. De commissie mag uitsluitend beraadslagen indien de meerderheid van de zitting hebbende leden tegenwoordig is. 10. Wanneer het in het vorige lid bedoelde aantal leden niet is opgekomen, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering, die ten minste één week van tevoren wordt aangekondigd met vermelding van de te behandelen punten. In die vergadering wordt met de alsdan tegenwoordig zijnde leden beraadslaagd en besloten, doch uitsluitend omtrent de op de agenda vermelde onderwerpen. 11. De besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Over zaken wordt mondeling gestemd. Bij het doen van keuzen, voordrachten of aanbevelingen omtrent personen wordt schriftelijk gestemd. 12. Bij staken van stemmen over zaken en bij het doen van keuzen, voordrachten of aanbevelingen omtrent personen vindt behandeling in de volgende vergadering plaats. In geval de stemmen wederom staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen als het gaat om zaken en bij schriftelijke stemmingen wordt het voorstel teruggenomen. 13.

Bij het uitbrengen van adviezen aan de directeur of het college van bestuur worden ook eventuele minderheidsstandpunten vermeld en toegelicht. 14. De besluiten en alle andere stukken, die van de commissie uitgaan, worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend. GESCHILLENCOMMISSIE25 ARTIKEL 12E 1. De directeur of het college van bestuur reageren binnen twee maanden op uitgebrachte adviezen over de invulling van de identiteit en het openbare karakter van de commissie. Indien het advies niet of gedeeltelijk wordt overgenomen, wordt dit gemotiveerd schriftelijk meegedeeld aan de commissie. 2. Indien de commissie zich niet wil neerleggen bij het niet of gedeeltelijk volgen van het advies door de directeur of het college van bestuur deelt het dit schriftelijk binnen een maand mee. 3. De commissie, de directeur of het college van bestuur kan binnen een maand na de mededeling als bedoeld in het vorige lid een adviesgeschil voorleggen aan de geschillencommissie. 4. Alvorens een geschil in te dienen, zijn commissie, de directeur of het college van bestuur gehouden tot overleg gericht op het bereiken van overeenstemming. 5. De geschillencommissie bestaat uit één lid dat door de directeur of het college van bestuur wordt aangewezen en één lid dat door de identiteitscommissie samenwerkingsschool wordt aangewezen. De twee benoemde leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan. 6.

De leden van de geschillencommissie hebben geen persoonlijke of zakelijke belangen bij de stichting en zijn daarin evenmin ouder, personeelslid of lid van de raad van toezicht van de stichting. 7. De geschillencommissie brengt een voor beide partijen bindend advies uit. 25

Vanwege de invoeging van de formele samenwerkingsschool schrijft artikel 17d lid 5 e.v. voor dat een aantal

zaken rond de identiteitscommissie samenwerkingsschool in de statuten zelf moet worden geregeld. De statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, voorzien in een regeling over een voorziening voor het beslechten van geschillen tussen het bevoegd gezag en de identiteitscommissie. Concept 21052028

14

COMMISSIES Artikel 13 Het college van bestuur, met voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht, en de raad van toezicht zijn ieder afzonderlijk bevoegd één of meer commissies in te stellen, welke het college van bestuur respectievelijk de raad van toezicht kunnen adviser en over de bij de instelling van de commissie benoemde thema's. Alsdan stelt het college van bestuur, met voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht, respectievelijk de raad van toezicht in aanvulling op het bepaalde in deze statuten een reglement vast, waarin de samenstelling, taken, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden geregeld. Een reglement mag niet met de wet of deze statuten in strijd zijn. STATUTENWIJZIGING Artikel 14 1. Het college van bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen. Het besluit van het college van bestuur tot statutenwijziging wordt genomen met ten minste twee/derde meerderheid in een vergadering van het college van bestuur waarin alle bestuursleden aanwezig zijn, zonder dat in het college van bestuur een vacature bestaat. Bij de oproeping tot de vergadering, waarin een voorstel tot statutenwijziging zal worden gedaan, dient zulks steeds te worden vermeld. Tevens dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, bij de oproeping te worden gevoegd.

Indien in deze vergadering niet alle leden aanwezig zijn, zal het bestuur een tweede vergadering beleggen, uiterlijk binnen veertien dagen na de eerste vergadering, waarin, mits met een meerderheid van stemmen het besluit kan worden genomen, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal leden van het college van bestuur ter vergadering aanwezig en/of vertegenwoordigd is. 2. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de goedkeuring van de raad van toezicht. 3. De raad van toezicht kan besluiten tot wijziging van de statuten slechts goedkeuren in een daartoe belegde vergadering, waarvoor de agenda met vermelding van de betreffende voorstellen minstens veertien dagen voor de aanvang van de vergadering aan de leden van de raad van toezicht moet zijn toegezonden. 4. Besluiten tot goedkeuring van de wijziging van de statuten moeten worden genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste twee derde van het aantal leden van de raad van toezicht aanwezig is. 5.

Indien in een vergadering wegens het ontbreken van het quorum bedoeld in het vierde lid geen besluit als in het tweede lid van dit artikel vermeld kan worden genomen, wordt op een termijn die niet korter mag zijn dan veertien dagen, een nieuwe vergadering belegd, waarin tot goedkeuring van de wijziging kan worden besloten met een meerderheid van ten minste twee derde van de geldig uitgebrachte stemmen van het dan aanwezige aantal leden van de raad van toezicht. 6. Een besluit tot statutenwijziging behoeft de voorafgaande goedkeuring van de gemeentera(a)d(en) van de gemeente waarin een school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is. Goedkeuring kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft 7. Overdracht of fusie van de samenwerkingsschool is slechts mogelijk na instemming

Concept 21052028

15

van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool is gevestigd.26 8. Voor het nemen van een besluiten tot wijziging betreft van artikel 2 lid 1, artikel 3, artikel 4 lid 1, lid 4, lid 5, lid 6, lid 7, artikel 7 lid 1, lid 2, lid 3, artikel 11 lid 3 en lid 4, sub a en sub c, lid 5, artikel 14 lid 7 en lid 10, artikel 15 lid 2 alsmede een besluit tot de stichting, samenvoeging, overdracht en/of opheffing van door de stichting in stand gehouden scholen met een (mede) katholieke grondslag behoeft het college van bestuur de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het bestuur van de NKSR, statutair gevestigd te Utrecht. 9. De wijziging van de statuten voor zover die statuten betrekking hebben op de regeling over de identiteitscommissie samenwerkingsschool in deze statuten, is slechts mogelijk indien het college van bestuur en deze commissie daartoe gezamenlijk besluiten. 27 10. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. leder van het college van bestuur is afzonderlijk bevoegd deze akte te doen verlijden. 11. De leden van het college van bestuur zijn verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te leggen ten kantore van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. 12.

Mutatis mutandis geldt het bepaalde in dit artikel voor het besluit tot juridische fusie of juridische splitsing. ONTBINDING EN VEREFFENING Artikel 15 1. Het college van bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het besluit tot ontbinding is onderworpen aan de goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot ontbinding is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeentera(a)d(en) van de gemeenten waarin een school waar openbaar onderwijs wordt gegeven, gevestigd is. Goedkeuring kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft. 2. Het bepaalde in artikel 14 met betrekking tot de totstandkoming van een besluit tot statutenwijziging is van overeenkomstige toepassing op een besluit van het college van bestuur tot ontbinding van de stichting. 3. Tenzij de raad van toezicht anders besluit, is het college van bestuur met de vereffening belast 4. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt in het ten kantore van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. 5. Een eventueel overblijvend batig saldo wordt bestemd voor een doel zoveel mogelijk overeenkomende met dat van de stichting, aan te wijzen door het college van bestuur na verkregen goedkeuring van de raad van toezicht. 6.

Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot de vereffening van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden "in liquidatie". 7. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en overige 26

27

Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 17d lid 13 Wpo. De wet schrijft niet voor dat deze wettelijke bepaling in de statuten moet worden opgenomen. Vanuit rechtspersonenrechtelijke invalshoek is het zeer wenselijk deze bepaling op te nemen in de statuten en de gemeente zal dat naar verwachting ook wenselijk vinden. Indien de bepaling niet wordt opgenomen dan geldt de wet toch. Deze bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 17d lid 8 eerste volzin Wpo. Zie ook voetnoot 24.

Concept 21052028

16

gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende ten minste de door de wet bepaalde termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven in het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. NADERE REGELINGEN Artikel 16 1. De onderlinge verhoudingen tussen en werkwijze van het college van bestuur en de raad van toezicht worden nader geregeld in een, na goedkeuring van de raad van toezicht, door het college van bestuur vast stellen reglement bestuur en toezicht 2. De regeling als bedoeld in dit artikel mag niet met de wet of deze statuten in strijd zijn. VRIJTEKENING EN VRIJWARING Artikel 17 Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. 1. De stichting zal een lid van het college van bestuur van de stichting niet aansprakelijk stellen ter zake van schade die de stichting lijdt als gevolg van enig handelen of nalaten van een lid van het college van bestuur in diens hoedanigheid van: lid van het college van bestuur van de stichting; bestuurder of toezichthouder van een rechtspersoon waarover de stichting zeggenschap heeft (een "Dochter").

Van zeggenschap is sprake indien de stichting meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders of meer dan de helft van de stemrechten in de algem ene ledenvergadering kan uitoefenen en/of het recht heeft om een meerderheid van de bestuurders of toezichthouders te benoemen en/of af te laten treden; bestuurder of toezichthouder van een rechtspersoon anders dan een Dochter, indien het vervullen van die functie samenhangt met het zijn van lid van het college van bestuur van de stichting en/of van een Dochter. 2. De stichting zal een lid van het college van bestuur schadeloos stellen ter zake van de schade die derden lijden als gevolg van enig handelen en/of nalaten van een lid van het college van bestuur in diens hoedanigheid van lid van het college van bestuur van de stichting en/of bestuurder of toezichthouder van een Dochter en tot vergoeding waarvan een lid van het college van bestuur gehouden is op grond van een in kracht van gewijsde gegaan rechtelijk of arbitraal vonnis of van een met die derde(n) overeengekomen vaststellingsovereenkomst, mits is voldaan aan de in lid 3 van dit artikel genoemde voorwaarden. Onder een derde wordt ook een Dochter verstaan. 3. De verdediging in de procedure bedoeld in lid 2 wordt met instemming van de stichting gevoerd.

De vaststellingsovereenkomst bedoeld in lid 2 kan uitsluitend worden gesloten met de uitdrukkelijke schriftelijke goedkeuring van de stichting. Het betreffende lid van het college van bestuur dient volledige medewerking aan de stichting te geven bij het voeren van de verdediging respectievelijk bij de desbetreffende schikkingsonderhandelingen. 4. Aan de in lid 1 omschreven vrijtekening en de in lid 2 omschreven vrijwaring kan een lid van het college van bestuur geen rechten ontlenen indien: de schade het gevolg is van opzettelijk of bewust roekeloos gedrag van het betreffende lid van het college van bestuur; het betreffende lid van het college van bestuur in redelijkheid niet kon menen in het belang van de stichting of Dochter te handelen, waaronder mede

Concept 21052028

17

begrepen de situatie dat het verweten handelen of nalaten als feitelijk of beoogd gevolg heeft dat het betreffende lid van het college van bestuur of anderen in welk opzicht dan ook onrechtmatig worden bevoordeeld. 5. Aan de in lid 1 omschreven vrijtekening en de in lid 2 omschreven vrijwaring kan een lid van het college van bestuur geen rechten ontlenen voor zover de schade als bedoeld in dit artikel is verzekerd en wordt vergoed door een verzekeraar. 6. Onder schade in de zin van dit artikel wordt mede verstaan de over enig te vergoeden bedrag verschuldigde wettelijke rente, de proceskosten welke een lid van het college van bestuur is gehouden te voldoen en/of de ten behoeve van de verdediging van een lid van het college van bestuur gemaakte rechtsbijstandkosten, inclusief de kosten van rechtsbijstand bij een onderzoek waaraan het lid van het college van bestuur zijn medewerking moet verlenen, mits deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en in redelijke verhouding staan tot de omvang van de schade. 7. Onder schade in de zin van dit artikel worden eveneens aan het betreffende lid van het college van bestuur ter zake van enig handelen en/of nalaten in diens hoedanigheid van lid van het college van bestuur van de stichting en/of bestuurder of toezichthouder van een Dochter door autoriteiten opgelegde boetes begrepen, voor zover vergoeding daarvan rechtens is toegestaan. 8.

Kosten door een lid van het college van bestuur gemaakt voor het voeren van verweer zullen door de stichting worden voorgeschoten tijdens een actie of procedure, mits het betreffende lid van het college van bestuur zich schriftelijk en onherroepelijk jegens de stichting heeft verbonden tot terugbetaling daarvan indien uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis volgt dat hij geen aanspraak kan maken op vrijwaring door de stichting. De stichting kan nadere voorwaarden aan de uitbetaling verbinden, zoals het stellen van zekerheid. 9. De vrijtekening en vrijwaring voorzien in dit artikel blijven gelden voor een persoon die geen lid van het college van bestuur meer is en komen ook ten goede aan de erfgenamen of legatarissen van het lid van het college van bestuur. 10. Ook de leden van de raad van toezicht van de stichting kunnen aanspraak maken op de vrijtekening en vrijwaring als voorzien in dit artikel onder overeenkomstige toepassing van de hierin genoemde reikwijdte en voorwaarden. 11. Dit artikel kan zonder toestemming van de personen die aanspraak op vrijtekening en vrijwaring maken gewijzigd worden. Deze personen kunnen echter aanspraak blijven maken op de bescherming als geboden door dit artikel voor schade als gevolg van handelen of nalaten tijdens de periode dat dit artikel van kracht is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=93fdc5ac-579b-4d94-b5d3-a52c0e32f41c