RO-BP-618.148.30-1e Herziening Buitengebied Oost-herstelbesluit_4sept2023-bijlagen bij toelichting deel 1
Tekst van het document
Gemeente Kaag en Braassem
Bestemmingsplan ‘‘1e herziening ‘Buitengebied Oost’” Bijlagenboek toelichting deel 1
4 september 2023
2
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Herenweg 15 en 17 Leimuiden, Buro SRO, d.d. 30 maart 2020
7
Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Vriezekoop Noord 4b Leimuiden, Buro SRO, d.d. 30 maart 2020
41
Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Westerdijk 60-61 Leimuiden, Van der Hoorn RO Visie, d.d. april 2019, gewijzigd augustus 2020
71
Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing Willem van der Veldenweg 51 Leimuiden, Buro SRO, d.d. 31 augustus 2020
139
Bijlage 5 Ruimtelijke onderbouwing Herenweg 12 Rijnsaterwoude, Buro SRO, d.d. 31 augustus 2020
173
Bijlage 6 Ruimtelijke onderbouwing Van Klaverweijdeweg 10 Hoogmade, Buro SRO, d.d. 31 augustus 2020
203
Bijlage 7 Ruimtelijke onderbouwing Van Klaverweijdeweg 11 Hoogmade, Rho, d.d. 20 augustus 2020
241
Bijlage 8 Ruimtelijke onderbouwing Bilderdam 39-40, Leimuiden, Kubiek Ruimtelijke Plannen, d.d. 15 september 2020
353
Bijlage 9 Ruimtelijke onderbouwing (incl. onderzoeksrapporten) Van Klaverweijdeweg 17 Hoogmade, Rho, d.d. 20 augustus 2020
395
Bijlage 10 Ruimtelijke onderbouwing (incl. onderzoeksrapporten) Molenkade 2, 4 en 6, KuiperCompagnons, d.d. 11 september 2020
439
Bijlage 11 Historisch bodemonderzoek naast Vriezekoop 4B te Leimuiden, Grondslag, d.d. 23 maart 2020
639
bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied Oost" Inhoudsopgave vastgesteld
3
Bijlage 12 Verkennend bodemonderzoek Westerdijk 60 Leimuiden, Milieutechniek ZVS Eemnes BV, d.d. 21 november 2013
685
Bijlage 13 Verkennend bodemonderzoek Westerdijk 60-61 te Leimuiden, Milieutechniek ZVS Eemnes, d.d. 14 april 2020
739
Bijlage 14 Historisch vooronderzoek bodem Willem van der Veldenweg 51, Grondslag, d.d. 13 mei 2020
795
Bijlage 15 Historisch (bodem)onderzoek Herenweg 12, Waders Milieu BV, d.d. 13 mei 2020
845
Bijlage 16 Verkennend (asbest) bodemonderzoek van Klaverweijdeweg 10 Hoogmade, Inventerra, d.d. 26 maart 2019
923
Bijlage 17 Geluidbelasting wegverkeer en railverkeer Van Klaverweijdeweg 10 te Hoogmade, Adviesburo Van der Boom b.v., d.d. 5 februari 2019
1039
Bijlage 18 Archeologisch bureauonderzoek & inventariserend veldonderzoek Van Klaverweijdeweg t.o. nr. 23 Hoogmade, Becker & Van de Graaf bv, d.d. 18 mei 2009
1103
Bijlage 19 Diverse milieuonderzoeken ten behoeve van Nieuwbouw Bilderdam 39-40, Kubiek Ruimtelijke Plannen, d.d. 15 september 2020
1135
Bijlage 20 Ecologische quickscan perceel LMD02A2558 Leimuiden, Elsken Ecologie, d.d. 11 februari 2019
1553
Bijlage 21 Akoestisch onderzoek Doespolderkade 1 en 2, KuiperCompagnons, d.d. 29 mei 2020
1569
Bijlage 22 Onderzoek Geurhinder Veehouderijen plattelandswoning Doespolderkade 1-2 Hoogmade, De Roever Omgevingsadvies, d.d. 13 augustus 2020
1581
Bijlage 23 Luchtkwaliteitsonderzoek plattelandswoning Doespolderkade 1-2 Hoogmade, De Roever Omgevingsadvies, d.d. 2 juni 2020
1615
bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied Oost" Inhoudsopgave vastgesteld
4
Bijlage 24 Ruimtelijke onderbouwing Oudendijkseweg 28 Woubrugge, Rho, d.d. 1 september 2020
1645
Bijlage 25
1673
Nota inspraak- en vooroverlegreacties, d.d. mei 2020
Bijlage 26 Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling, Omgevingsdienst West-Holland, d.d. 8 juli 2020
1681
Bijlage 27
1685
Nota van beantwoording zienswijzen, d.d. september 2020
Bijlage 28 Besluit Hogere Waarden, Van Klaverweijdeweg 10 en 11A Hoogmade
bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied Oost" Inhoudsopgave vastgesteld
1709
5
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied Oost" Bijlagen bij de toelichting vastgesteld
6
bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied Oost" Bijlagen bij de toelichting vastgesteld
7
Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Herenweg 15 en 17 Leimuiden, Buro SRO, d.d. 30 maart 2020
bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied Oost" Bijlagen bij de toelichting vastgesteld
omgevingsvergunning
Herenweg 15 en 17, Leimuiden Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.ROBHERENWEG15EN17-ONT1
Datum:
2020-03-30
Contactpersoon Buro SRO:
R. van der Made
Kenmerk Buro SRO:
SR1900021
Opdrachtgever:
Fam. van Dijk
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied......................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................................... 6
2 Planbeschrijving ................................................................................................................................. 7 2.1 Huidige situatie ............................................................................................................................................. 7 2.2 Toekomstige situatie ..................................................................................................................................... 8
3 Beleidskader ....................................................................................................................................... 9 3.1 Nationaal beleid ............................................................................................................................................ 9 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................................ 10 3.3 Regionaal beleid .......................................................................................................................................... 13 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................... 15
4 Haalbaarheid ................................................................................................................................... 18 4.1 Milieueffectrapportage ............................................................................................................................... 18 4.2 Bodem ......................................................................................................................................................... 19 4.3 Geluid .......................................................................................................................................................... 20 4.4 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................................. 20 4.5 Externe veiligheid ........................................................................................................................................ 22 4.6 Milieuzonering ............................................................................................................................................ 24 4.7 Waterhuishouding.......................................................................................................................................
26 4.8 Cultureel erfgoed ........................................................................................................................................ 28 4.9 Ecologie ....................................................................................................................................................... 29 4.10 Luchthavenindelingbesluit ........................................................................................................................ 30 4.11 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 31
5 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................ 32 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................. 33
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie aan de Herenweg 15 - 17 te Leimuiden was in het verleden een glastuinbouwbedrijf gevestigd. De initiatiefnemer is voornemens alle kassen te slopen. Door de sloop van de kassen en het inrichten van deze gronden als open akker- en/of grasland treedt er een kwaliteitsverbetering op. Met het fysiek verwijderen van de kassen als restant van een glastuinbouwbedrijf wenst de initiatiefnemer de Ruimte voor ruimteregeling ten behoeve van een extra woning, zoals die als wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', toe te passen. Op basis van de wijzigingsbevoegdheid is het onder voorwaarden toegestaan om een extra woning te realiseren. De compensatiewoning wordt elders gerealiseerd middels een overschot aan sloopmeters op de planlocatie. De exacte locatie van deze woning is nog nader te bepalen en daarom maakt de compensatiewoning verder geen onderdeel uit van het voorliggende plan en de bijbehorende procedure. Het bouwrecht van deze compensatiewoning zal vastgelegd worden in een anterieure overeenkomst, zodat de initiatiefnemer daar binnen een gestelde periode nog aanspraak op kan maken zodra er een geschikte locatie is gevonden.
Naast toepassing van de Ruimte voor ruimteregeling voor een extra woning elders wenst de initiatiefnemer de bestaande bedrijfswoning aan de Herenweg 17 om te zetten naar een burgerwoning. Voor de betreffende locatie geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’. Een burgerwoning is ter plaatse niet toegestaan. De gemeente Kaag en Braassem heeft aangegeven het initiatief mee te willen nemen in de eerste herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’. Om de ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' vast te kunnen leggen dient een ruimtelijke onderbouwing opgesteld te worden waarin de haalbaarheid van de ontwikkeling wordt aangetoond. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Herenweg 15 en 17 te Leimuiden. Deze bevindt zich ten zuiden van de Westeinderplassen en ten oosten van de kern Leimuiden. Het betreft de kadastrale percelen bekend onder gemeente Leimuiden, sectie B, nummer 1661 en 1662. Het plangebied is gelijk aan de omvang van de aanduiding 'glastuinbouw' in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' (zie toelichting paragraaf 1.3) binnen deze kadastrale percelen. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven.
4
Globale ligging plangebied (witte ovaal, bron: Google Earth)
Globale begrenzing plangebied (witte omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan De gronden vallen binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 31 mei 2018 door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'.
5
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' (globale begrenzing plangebied is rood omlijnd)
Het plangebied is voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met de functieaanduiding 'glastuinbouw'. Ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' is de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf toegestaan. Aan de noordzijde is het plangebied voorzien van een bouwvlak. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Het voorgenomen plan bestaat uit het omzetten van de bedrijfswoning aan de Herenweg 15 naar een burgerwoning en de toepassing van de Ruimte voor ruimteregeling waardoor de bouw van een compensatiewoning mogelijk is. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Met de wijzigingsbevoegdheid van artikel 4.7.5 (Ruimte voor ruimteregeling) kan de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' gewijzigd worden naar 'Wonen' ten behoeve van de bouw van ten hoogste 3 extra woningen in ruil voor de sloop van alle op het bouwvlak aanwezige bedrijfsbebouwing. De wijzigingsbevoegdheid en de bijbehorende voorwaarden (a t/m f) worden in toelichting paragraaf 3.4.1 toegelicht. De gemeente Kaag en Braassem heeft aangegeven het initiatief mee te willen nemen in de eerste herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’. Om de ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' vast te kunnen leggen dient een ruimtelijke onderbouwing opgesteld te worden waarin de haalbaarheid van de ontwikkeling wordt aangetoond.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij eveneens het overleg met de directe omgeving is opgenomen.
6
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft een perceel dat is ingericht ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf. Het perceel voldoet niet meer aan de hedendaagse eisen van een glastuinbouwbedrijf en is niet meer in gebruik als zodanig. In het plangebied zijn verschillende opstallen aanwezig, te weten een (bedrijfs)woning aan de Herenweg 17, kassen en een schuur. Op de navolgende afbeelding zijn de bestaande (bedrijfs)woning, schuur en kassen genummerd en in de navolgende tabel worden deze toegelicht.
Luchtfoto huidige situatie
Nummer
Omschrijving
Oppervlakte (m²)
1
(bedrijfs)woning inclusief aanbouw 148
2
schuur
340
3
kassen
6.890
De navolgende afbeelding toont een impressie van het plangebied in de huidige situatie.
Impressie huidige situatie
Het plangebied wordt direct ontsloten op de Herenweg. Via de Herenweg zijn de kernen Leimuiden (westzijde) en Calslagen en Kudelstaart (oostzijde) te bereiken.
7
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is van plan de kassen die in toelichting paragraaf 2.1 zijn genummerd als '3' te slopen danwel te verwijderen. De bestaande (bedrijfs)woning inclusief aanbouw (nummer 17) ten noordoosten daarvan blijft behouden en zal planologisch gewijzigd worden van bedrijfswoning naar burgerwoning. De oppervlakten van de te verwijderen kassen bedraagt 6.890 m². Met de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt ook invulling gegeven aan de Ruimte voor ruimteregeling die als wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' (zie toelichting paragraaf 1.3 en toelichting paragraaf 3.4.1). De Ruimte voor ruimteregeling biedt ruimte voor een extra woning. Een extra woning wordt buiten het plangebied gerealiseerd en in een separate procedure juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Het bouwrecht van deze compensatiewoning zal vastgelegd worden in een anterieure overeenkomst, zodat de initiatiefnemer daar binnen een gestelde periode nog aanspraak op kan maken zodra er een geschikte locatie is gevonden. De toekomstige inrichting van het perceel (zuidzijde van het plangebied) wordt akker- en/of grasland. Deze inrichting is passend in de Vriesekoopsche Polder, die zich kenmerkt door de aanwezigheid van open grasland.
8
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Planspecifiek De SVIR is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen, het Barro is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de
9
4.
beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien ligt bij 11 woningen. Onderhavige ontwikkeling ziet op het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Verder wordt er een glastuinbouwbedrijf 'wegbestemd'. Daarvoor in de plaats wordt de realisatie van één compensatiewoning buiten het plangebied mogelijk gemaakt. Dit alles betreft geen stedelijke ontwikkeling. Bovendien neemt het beslag op de ruimte aanzienlijk af gezien er circa 6.900 m² aan kassen gesloopt wordt. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) Actualisering 2018 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is de geconsolideerde versie in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen. De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden: 1. 2. 3. 4.
beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’
10
en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. Planspecifiek Aan de hand van voorgaande hoofdstukindeling wordt hiernavolgend de relatie tussen beoogde ontwikkeling en de VRM beschreven. Mobiliteit en bebouwde ruimte Om de bebouwde ruimte beter te laten benutten heeft de provincie het bestaand stads- en dorpsgebied en de linten in het buitengebied aangegeven en gesteld dat, in beginsel, hierbinnen de verstedelijking dient plaats te vinden. De ambitie van beter benutten en opwaarderen geldt ook voor het landelijk gebied. Leegstaande of vrijkomende bebouwing kan worden hergebruikt en de toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde van de groene ruimte kunnen worden verhoogd. Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied, aan de Herenweg te Leimuiden. In het voorgenomen plan wordt de leegstaande bebouwing van het voormalige glastuinbouwbedrijf gesloopt, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning en buiten het plangebied de mogelijkheid ontstaat een compensatiewoning te realiseren. De vrijkomende gronden krijgen, gelijk aan de gronden in de omgeving, een invulling als akker- en/of grasland.
Daarmee verbetert de toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde van de groene ruimte en wordt een bijdrage geleverd aan de rode draad 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' en 'verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit'. Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed Voor de groene ruimte, bestaande uit de overwegend onbebouwde ruimte buiten de steden, dorpen, linten en kassen en uit de stedelijke groen- en waterstructuur, is het sturen op ruimtelijke kwaliteit leidend voor de keuzes die in dit gebied worden gemaakt. De provincie stuurt middels een kwaliteitskaart en gebiedsprofielen op de ruimtelijke kwaliteit. In het vervolg van deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan de richtpunten die voortkomen uit de kwaliteitskaart. Met betrekking tot het plangebied zijn de kaartlagen 'laag van de ondergrond' en 'laag van de cultuur- en natuurlandschappen' van belang. De 'laag van de stedelijke occupatie' en de 'laag van de beleving' zijn niet van toepassing in en nabij het plangebied. Laag van de ondergrond Op de laag van de ondergrond is het plangebied aangewezen als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' en 'veencomplex - oude zeeklei'.
De bijbehorende richtpunten hebben betrekking op het herkenbaar en in stand houden van de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap, het waar mogelijk herkenbaar maken van de archeologische waarden van deze structuren en het leveren van een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding. Nabij het plangebied is er een hoogteverschil vanaf de dijk tot de (bedrijfs)woning. Dit blijft behouden. Ter plaatse van het voormalige glastuinbouwbedrijf is geen hoogteverschil aanwezig. Verder levert het plan een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding, omdat de oppervlakte aan verharding afneemt en de belasting van het watersysteem vermindert door het verdwijnen van het glastuinbouwbedrijf. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in een droogmakerijenlandschap (klei). Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij dienen vormgegeven te worden als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. Bij het voorgenomen plan worden kassen gesloopt en wordt geen bebouwing toegevoegd, wat resulteert in ruimere doorzichten. Daarmee is sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
Gebiedsprofiel Hollands Plassengebied Voor het gebied waarin het plangebied is gelegen is het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied van toepassing. De relevante ambities voor het plangebied houden hoofdzakelijk verband met de ligging in een droogmakerij. De kwaliteiten van een droogmakerij hebben betrekking op de verkavelingsstructuur, wegen, waterlopen, ontginningslijnen en doorzichten. Bij het voorgenomen plan blijven de bestaande structuren
11
behouden. Daarbij wordt een kwaliteitswinst geboekt door het feit dat het open karakter van de Vriesekoopsche Polder wordt verbeterd. Conclusie De initiatiefnemer is voornemens alle kassen van het voormalige glastuinbouwbedrijf te verwijderen en geen bebouwing daarvoor in de plaats terug te bouwen, behoudens een compensatiewoning op een nader te bepalen locatie buiten het plangebied. Daardoor is sprake van een kwaliteitsverbetering. De beoogde ontwikkeling past binnen de VRM en draagt bij aan de provinciale ambities en ondersteunt de rode draden 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' en 'verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit'. Daarmee vormt de VRM geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.2 Verordening ruimte 2014 Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Hieruit is geconcludeerd dat er met voorliggend plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Sub a en b zijn derhalve niet van toepassing. 20 Ke-contour Schiphol Voor gronden binnen de 20 Ke-contour is in artikel 2.1.11 lid 1 is bepaald dat een bestemmingsplan uitsluitend in nieuwe woningen kan voorzien binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het plangebied is gelegen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Lid 2 bevat uitzonderingen op het verbod van lid 1. De toevoeging van ten hoogste enkele woningen volgens het principe ruimte-voor-ruimte, waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door de sloop van overtollige bebouwing en kassen (sub d) en het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoningen (sub e) zijn voorbeelden van uitzonderingen. Het voorgenomen plan is daarmee in overeenstemming met artikel 2.1.11. In toelichting paragraaf 4.10 wordt het Luchthavenindelingbesluit toegelicht. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 2.2.1 lid 1 van de Verordening ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
12
a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart worden in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Ook zijn in dit kader zijn de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, waarop eveneens in toelichting paragraaf 3.2.1 nader wordt ingegaan, van belang. Conclusie De Verordening ruimte 2014 stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het initiatief vanuit de provinciale verordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland-Rijnland Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland-Rijnland als een topwoonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
13
Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling ziet op het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Verder wordt er een glastuinbouwbedrijf 'wegbestemd'. Daarvoor in de plaats wordt de realisatie van één compensatiewoning buiten het plangebied, op een nader te bepalen locatie, mogelijk gemaakt. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de kernpunten tot concentratie van stedelijke ontwikkeling en de ambitie om als topwoonregio te fungeren. Daarbij wordt de groenblauwe kwaliteit van het gebied niet uit het oog verloren. 3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling.
Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling ziet op het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Verder wordt er een glastuinbouwbedrijf 'wegbestemd'. Daarvoor in de plaats wordt het mogelijk één compensatiewoning buiten het plangebied te realiseren. De realisatie van de compensatiewoning behoort niet tot onderhavige ontwikkeling. Feitelijk worden daarmee geen nieuwe woningen gerealiseerd en zijn er geen raakvlakken met de regionale woonagenda. Wanneer er vanuit wordt gegaan dat de compensatiewoning in de buurt van het plangebied gerealiseerd wordt is sprake van een positieve invloed op de keuzes 1, 3 en 4. Het plan komt tegemoet aan de vraag naar vrijstaande woningen in het landelijk gebied. Op beperkte schaal voorkomt dit verdringing en bevordert het de doorstroming in de woningmarkt. In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017-2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. De totale behoefte van extra 940 woningen in de periode 2017-2030 is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps'. Het beoogde plan, wanneer ook rekening gehouden wordt met de realisatie van een compensatiewoning, betreft een 'dorps' woonmilieu, gezien de eenvoudige en kleinschalige opzet, die aansluit bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van de Herenweg.
Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Kaag en Braassem.
14
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Wijzigingsbevoegdheid In deze paragraaf wordt de wijzigingsbevoegdheid van artikel 4.7.5 in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' toegelicht. Deze wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: 4.7.5 Ruimte voor Ruimteregeling Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met toepassing van de Ruimte voor Ruimteregeling de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden te wijzigen in de bestemming Wonen ten behoeve van de bouw van een extra woning in ruil voor de sloop van alle op het bouwvlak aanwezige bedrijfsbebouwing, met inachtneming van het volgende: a.
b. c. d. e. f.
voor de sloop of sanering op één of meerdere percelen van iedere 1.000 m² gebouwen, 5000 m² kassen of iedere 2,25 ha boom- en sierteelt, of een combinatie naar rato daarvan, mag één compensatiewoning worden gebouwd; het aantal compensatiewoningen mag maximaal drie bedragen; de te slopen gebouwen of kassen dienen opgericht te zijn voor de peildatum van 1 januari 2007; de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse dient duurzaam verbeterd te worden; de nieuwe woningen dienen voorzien te worden van een goede landschappelijke inpassing; de nieuwe woningen dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige functies en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden).
Toetsing De gronden in het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Deze worden gedeeltelijk gewijzigd naar 'Wonen' ten behoeve van de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning (Herenweg 17). De overige gronden houden de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden', waarbij geen bouwvlak en geen aanduiding 'glastuinbouw' worden opgenomen. Daarbij worden alle kassen gesloopt (zie ook toelichting paragraaf 2.2). Ad a) In toelichting paragraaf 2.2 is de sloopopgave toegelicht. In totaal wordt circa 6.890 m² aan kassen gesloopt. Daarmee is het mogelijk om één compensatiewoning te bouwen (6.890/5.000=1,4). Bij het voorgenomen plan wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en zal één compensatiewoning buiten het plangebied en buiten deze procedure om, worden gerealiseerd wat volgens de wijzigingsbevoegdheid is toegestaan. Ad b) Het maximaal aantal compensatiewoningen (3) wordt in het onderhavige geval niet overschreden. Ad c) Uit kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) blijkt dat de te slopen gebouwen en kassen in ieder geval vanaf 1980 aanwezig waren. Ad d) Middels het voorliggende plan worden het agrarische bouwvlak en de aanduiding 'glastuinbouw' uit het geldende bestemmingsplan 'wegbestemd'. Op deze manier is juridisch-planologisch geborgd dat de agrarische bedrijfsvoering beëindigd wordt.
Het is dan ook voor de hand liggend dat de achterzijde van het perceel in de toekomstige situatie als akker- en/of grasland wordt ingericht. Daarmee is in voldoende mate geregeld dat de ruimtelijke kwaliteit duurzaam verbetert. Ad e) Bij het voorgenomen plan wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De compensatiewoning zal buiten het plangebied en buiten deze procedure om worden gerealiseerd. Van het fysiek toevoegen van een woning is dan ook geen sprake. Landschappelijke inpassing is om deze reden in
15
mindere mate aan de orde. Te zijner tijd zal bij de procedure voor de compensatiewoning waar nodig rekening gehouden worden met een goede landschappelijke inpassing. Bij het verwijderen van de bestaande kassen zal eveneens worden gezocht naar een passende overgang naar het toekomstige akkeren/of grasland. Verder is openheid een belangrijke kwaliteit van het gebied. Het voorgenomen plan betreft, gezien de aanzienlijke hoeveelheid te slopen kassen, een verbetering ten aanzien van openheid in het landschap. Ad f) Zoals in toelichting hoofdstuk 4 is toegelicht is de nieuwe woning milieuhygiënisch inpasbaar. Er treden geen beperkingen voor omliggende gevoelige functies en (agrarische) bedrijven op. 3.4.2 Maatschappelijke Ruimtelijke Structuurvisie 2025 actualisatie 2017 De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025. Op 18 december 2017 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV 2017) vastgesteld. Per thema is de voorgaande visie aangepast op het meest actuele beleid. Ook de dorpsperspectieven zijn, op basis van bijeenkomsten in de dorpen, opnieuw in uitgebreidere vorm opgesteld.
De geactualiseerde MRSV gaat uit van een horizon van acht jaar; de toekomstige ontwikkelingen tot 2025. De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis. De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. Ook het hoogheemraadschap van Rijnland staat de komende jaren voor enkele grote opgaven, met name op het gebied van waterberging, waarbij zij nauw samenwerkt met de gemeente. De gemeente maakt in de MRSV vier strategische keuzes: 1. 2. 3.
4.
delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert. wonen in alle kernen; aandacht voor de samenstelling van de woningmarkt door diverse veranderingen, met oog voor de eigen kracht en karakter van elke kern. ruimtelijke kwaliteit belangrijk, maar staat niet altijd voorop; sturing op een goede ruimtelijke ordening met aandacht voor kwetsbare gebieden, duurzaamheid en een goede afweging per potentiële ruimtelijke ontwikkeling. ontwikkelen door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving.
De strategische keuzes zijn geen pasklare antwoorden op vraagstukken, maar geven richting bij het zoeken naar passende oplossingen. Deze strategische keuzes werken door in de structuurvisie en de beleidskaders. Planspecifiek Onderhavig plan leidt niet tot strijdigheid met de uitgangspunten van de MRSV 2025. Het voorgenomen plan voorziet in de sloop van de verouderde kassen. Daarmee wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning heeft geen ruimtelijke impact. Bij de realisatie van de compensatiewoning, elders buiten het plangebied, zal rekening worden gehouden met een passende landschappelijke inpassing. 3.4.3 Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 is de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De Nota Inbreidingslocaties heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten
16
binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien. Dit betekent uiteraard niet dat alle onbebouwde of in onbruik geraakte ruimte binnen de kernen moet worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe woningen, winkels en bedrijfsruimten. Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota Inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Het uiteindelijke doel van de Nota Inbreidingslocaties is om de behandeling van inbreidingsinitiatieven op een transparante manier te laten verlopen en om de initiatieven uiteindelijk te laten leiden tot een duurzame ruimtelijke/functionele ontwikkeling van de locatie zelf en het dorp als geheel.
Planspecifiek De Nota Inbreidingslocaties heeft slechts betrekking op zelfstandige ontwikkelingen. Bij deze zelfstandige ontwikkeling moet sprake zijn van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan, maar wel binnen de rode contouren van de kernen. Het voorgenomen plan heeft betrekking op de planologische wijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning (Herenweg 17) en de toepassing van de Ruimte voor ruimteregeling waarbij de agrarische kassen op het perceel worden gesloopt waardoor een compensatiewoning, buiten het plangebied en hoogstwaarschijnlijk buiten de rode contour van de kernen, zal worden gerealiseerd. Daarmee zijn richtlijnen van de Nota Inbreidingslocaties niet letterlijk van toepassing. 3.4.4 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken.
In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.
17
4 Haalbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de
18
voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie sterk af. De ingreep die plaatsvindt, de sloop van kassen, betreft een wijziging die naar aard en omvang zeer beperkt is. Bovendien neemt de hinder voor de omgeving af, omdat de agrarische bedrijfsvoering definitief verdwijnt. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen.
Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De gronden op de achterzijde van het perceel (zuidzijde van het plangebied) houden de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. De gronden rondom de bestaande (bedrijfs)woning blijven in gebruik ten behoeve van het bestaande gebruik (wonen). De verharding rondom de bestaande (bedrijfs)woning wordt niet verwijderd en hier vinden geen bodemingrepen plaats.
Een verkennend bodemonderzoek is in het kader van de eerste herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' niet vereist. Omdat het bij het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer nodig is de eindsituatie vast te leggen en eventuele ontstane verontreinigingen moeten worden verwijderd, is het niet nodig het onderzoek al uit te voeren in de bestemmingsplanfase. De compensatiewoning wordt gerealiseerd buiten het plangebied en buiten deze procedure om. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de compensatiewoning zal de bodemgesteldheid inzichtelijk worden gemaakt. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect bodem.
19
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Gelijk aan de huidige (planologische) situatie zal de bestaande (bedrijfs)woning in de toekomstige situatie als woning worden gebruikt. Omdat de bedrijfswoning reeds een geluidgevoelige bestemming is, is geen akoestisch onderzoek nodig naar deze woning. De activiteiten op het achterliggende bedrijfsperceel worden definitief gestaakt en de kassen ter plaatse worden gesloopt. Hiermee wordt aangenomen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De beoogde compensatiewoning wordt gerealiseerd buiten het plangebied en buiten deze procedure om. Indien de beoogde woning is gesitueerd binnen de geluidzone van een (spoor)weg zal te zijner tijd een akoestisch onderzoek worden voorgelegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan vanuit het aspect geluid.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
20
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voorPM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.