P05636_bestemmingsplan Herenweg 23 Leimuiden_20240517
Tekst van het document
Bij de voorgenomen functiewijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning en het uitsluiten van de bouw danwel gebruik van een bedrijfswoning op de resterende bestemming “detaihandel” is sprake van reeds bestaande bebouwing en begroeiing. Er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats en er wordt geen groen verwijderd. Negatieve effecten van onderhavig planinitiatief op flora en fauna kunnen worden uitgesloten.
Hoofdstuk 4
30
4.8.3 Conclusie Het aspect ‘flora en fauna’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). 4.9.2 Onderbouwing In onderhavig initiatief is uitsluitend sprake van een functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning en het uitsluiten van de bouw danwel gebruik van een bedrijfswoning op de resterende bestemming “detaihandel”. Omdat op het voorliggende perceel reeds sprake is van bestaande (woon)bebouwing en er geen (grond)werkzaamheden worden uitgevoerd, is de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt voor een gebruik als woondoeleinden. 4.9.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ zorgt niet voor belemmeringen voor de beoogde functiewijziging.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland 1 Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Hoofdstuk 4
31
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 20162021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. 2 Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater; aanbrengen van verhard oppervlak. Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. 3 Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.
4 Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te
Hoofdstuk 4
32
voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door he t scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. 4.10.2 Onderbouwing Onderhavig initiatief behelst enkel de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, tevens wordt de mogelijkheid tot het bouwen of gebruiken van een bedrijfswoning op het resterende perceel met bestemming “detailhandel” uitgesloten. Voor het initiatief geldt op grond van de Keur geen vergunningsplicht. Ook worden er met het initiatief geen handelingen verricht, waarbij men weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die handelingen nadelige effecten voor het watersysteem ontstaan of kunnen ontstaan. Als gevolg van de functiewijziging vinden geen wijzigingen plaats in de omgang met afvalwater en hemelwater.
Het afvalwater is en blijft aangesloten op de bestaande riolering. Wat betreft hemelwater wordt er geen bebouwing of verharding toegevoegd en hoeven hiervoor dus geen aanvullende maatregelen genomen te worden. Regionale waterkering Bij het plangebied is een ‘Regionale Kering’ gelegen (figuur 4.2). De beoogde functiewijziging in de bestaande bebouwing ligt niet binnen de aangewezen kernzone, het profiel van vrije ruimte of de beschermingszone. Het gebied dat op grond van vigerend bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden- Landschapswaarden’ wordt veranderd naar de bestemming ‘Wonen”, valt gedeeltelijk binnen deze zones. Er wordt op dat gedeelte perceel echter niets gebouwd of aangelegd. Een klein gedeelte van de bebouwing van, en bij, de woning valt in de buitenbeschermingszone. Deze zone is, op grond van de regels bij de Keur, alleen relevant bij het aanbrengen en hebben van leidingen en het uitvoeren van bepaalde risicovolle werken Doordat het initiatief enkel om een functiewijziging gaat en er feitelijk niets veranderd, vormt deze beschermingszone dan ook geen belemmering. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming gehandhaafd. Het waterhuishoudkundige belang is met deze dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' in de planregels geborgd. Dit aspect zorgt daarom voor geen belemmeringen voor onderhavig bouwplan.
Hoofdstuk 4
33
Figuur 4.7: Uitsnede kaart 13 behorende bij de Keur 2020 (Bron: legger Hoogheemraadschap van Rijnland)
4.10.3 Conclusie Het aspect ‘water’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig project.
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Hoofdstuk 4
34
In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld.1 In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld. De archeologische verwachtingswaarden zijn doorvertaald naar het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarnaast is op provinciaal niveau in het kader van provinciaal erfgoed de Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) kaart de onderlegger voor het provinciaal erfgoed van ruimtelijk belang. De betreffende CHS-kaart voor de Provincie Zuid-Holland bevat ook archeologische kenmerken. Het plangebied valt in een “zeeafzetting” waarbij de waarde geen of laag is. 4.11.2 Onderbouwing De onderzoekslocatie heeft in het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemming Waarde- archeologie gekregen. Ook blijkt uit de CHS- kaart van de Provincie Zuid-Holland dat er geen of lage waarde is ten aanzien van de vigerende zee afzetting.
Bovendien maakt het bestemmingsplan enkel een functiewijziging mogelijk en voorziet het in een afnamen van de mogelijkheid tot het bouwen danwel gebruiken van een bedrijfswoning op de resterende bestemming “detailhandel”. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 4.11.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.12.2 Onderbouwing De cultuurhistorische waarden in de provincie Zuid-Holland zijn weergegeven op de provinciale CHWkaart (cultuurhistorische waardenkaart). In figuur 4.3 is een uitsnede van deze kaart weergegeven ter plaatse van het plangebied.
Hoofdstuk 4
35
Figuur 4.8: Uitsnede CHW-kaart provincie Zuid-Holland (bron: https://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas)
Op de kaart bij figuur 4.3 is te zien dat in het plangebied mogelijk “Landschapswaarden” aanwezig kunnen zijn. Het betreft dan, ten aanzien van onderhavig initiatief waarbij er geen sprake is grondroerende werkzaamheden, met name het kenmerk “veen” en “zee-afzetting”. Het aspect “veen” krijgt een lage tot zeer lage waardering vanwege de uiterst lage trefkans op archeologische sporen die met bewonings- of landgebruiksmogelijkheden samenhangen. Ten aanzien van het aspect “zee-afzetting” is onder het kopje “archeologie” al geconcludeerd dat dit geen of lage waarde heeft. De “historisch landschappelijke lijn” heeft een hoge waarde. De meeste typen van deze historische lijnen zijn niet bijzonder zeldzaam. Het plangebied ligt in een gebied met kenmerken van “Nederzettingen”, het betreft het kenmerk “Polderlint 1850- 1940”, waarbij de waarde: “niet van toepassing” betreft. Het plangebied ligt vlakbij het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies (bufferzone). Dit betreffen de Westeinderplassen. Het plangebied valt in een zone “Zones / plaatsen met archeologische verwachting / trefkans”. De kans op archeologische sporen is hier geen of laag. In het kader van beleid is het algemeen uitgangspunt is dat verwachte archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden moeten blijven.
Het plan betreft enkel de planologische omzetting van een bedrijfs- naar een burgerwoning betreft en het uitsluiten van de bouw danwel gebruik van een bedrijfswoning op de resterende bestemming “de-
Hoofdstuk 4
36
tailhandel”. Het feitelijk gebruik wijzigt niet. Ook worden er geen grondroerende werkzaamheden verricht. Ten slotte zijn de cultuurhistorische waardes in het plangebied laag, niet bijzonder of niet aanwezig. 4.12.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig planinitiatief.
4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt een functiewijzigingen mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. In het plangebied wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Hierbij is geen sprake van bouw- of sloopwerkzaamheden en er wordt geen woning toegevoegd. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.
De voorgenomen functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning komt niet voor in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt voor dit plan dus ook geen m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht is daarom niet aan de orde. Conclusie Er geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure of een m.e.r.-beoordelingsprocedure uit te voeren.
4.14 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol 4.14.1 Toetsingskader Het rijksbeleid ten aanzien van Schiphol is geformuleerd in de Wet Luchtvaart. Deze wet vormt de wettelijke grondslag voor het regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet is grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Het LIB omvat de ruimtelijke consequenties van de Wet Luchtvaart. In het LIB wordt een beperkingengebied aangegeven waarin beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidbelasting en aanzien van de luchthaven Schiphol. Tevens zijn er hoogtebeperkingen en regels met beperkingen ten aanzien van grondgebruik of bestemmingen met een vogel aantrekkende werking in opgenomen.
Hoofdstuk 4
37
4.14.2 Onderbouwing Het plangebied ligt binnen het beperkingenbied “geluidgevoelige gebouwen” (LIB4) en “afwegingsgebied geluid en externe veiligheid” (LIB 5) zoals volgt uit de kaart bij het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol van 28 oktober 2021 (figuur 4.4). Bij de beoordeling dient te worden getoetst aan het meest strenge regiem, te weten LIB 4. Op grond van LIB 4 geld een beperking voor bebouwing. Aanvullend geldt echter tevens een motiveringsplicht in verband met LIB 5 op het gebied van geluid en externe veiligheid. De gronden LIB 4 zijn zones in verband met geluidhinder. Ze zijn ingevoerd om ernstige hinder en ernstige slaapverstoring door vliegtuiglawaai te beperken, omdat dit kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten van inwoners en gebruikers van dit gebied. Ernstige hinder kan ook leiden tot verminderde leerprestaties. Op de gronden die zijn aangewezen als LIB 4 gronden, zijn met het oog op geluidbelasting geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan.
Uitzondering hierop vormen op grond van artikel 2.2.1c van het LIB onder andere een bestaand gebruik van een geluidgevoelig gebouw, waarbij op grond van artikel 2.2.1 onder e LIB geldt dat bestaand gebruik aan de orde is indien op 1 januari 2018 op de desbetreffende plaats een gebouw of object rechtmatig aanwezig is of een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een gebouw of object op de desbetreffende plaats. Op grond van artikel 1.1.1 lid 1 onder b van het LIB wordt verstaan onder een geluidgevoelig gebouw een woning of ander geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van het Besluit geluidhinder. De Wet geluidhinder, en daarmee het Besluit geluidhinder, kent het begrip “bedrijfswoning” niet. Een bedrijfswoning is daardoor, net als een gewone woning, een geluidsgevoelig object. Onderhavige woning valt niet onder de beperkingen voor bebouwing van LIB 4 nu het hier gaat om bestaand gebruik van een geluidsgevoelig gebouw. In onderhavig plan wijzigt er niets in het feitelijk gebruik. Er zijn dan ook geen veranderingen die getoetst dienen te worden aan de externe veiligheid, daarmee zorgt LIB 5 ook niet voor een beperking ten aanzien van onderhavig plan. Voor het plangebied geldt tevens een beperking voor “Windturbines en Laser”. Op grond van artikel 2.2.4 van het LIB zijn geen windturbines toegestaan die hoger zijn dan 35 meter.
In onderhavig bestemmingsplan is voor windturbines aangehaakt bij vigerend bestemmingsplan, waarbij een maximale hoogte is opgenomen van maximaal 15 meter. Onderhavig plan voldoet daarmee aan de beperkingen ten aanzien van windturbines.
Hoofdstuk 4
38
Figuur 4.9 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol en globale aanduiding plangebied (Bron: Webapplicatie LIB Schiphol)
4.14.3 Conclusie Het aspect ‘Luchthavenindelingsbesluit Schiphol’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig planinitiatief.
Hoofdstuk 4
39
5
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemeen Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Tevens is waar mogelijk aangesloten op het vigerende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen: een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maken de opgenomen bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij behorende gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, functieaanduidingen en een bouwvlak. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond. De in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen en aanduidingen worden in par. 5.4 nader toegelicht.
5.3 Regels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels behorende bij de verschillende enkelen dubbelbestemmingen. Deze worden in par. 5.4 nader toegelicht. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de voor elk bestemmingsplan verplichte overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden, zoals bovenstaand toegelicht. De in hoofdstuk 2 opgenomen bestemmingen kennen een gestandaardiseerde opbouw: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels;
Hoofdstuk 5
40
Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid.
Een bestemming hoeft niet alle genoemde onderdelen te bevatten.
5.4 Wijze van bestemmen In het bestemmingsplan zijn de volgende enkel- en dubbelbestemmingen opgenomen: Detailhandel Ter plaatse van het resterende deel van de bedrijfkavel met bijbehorende opstallen is de bestemming “Detailhandel” gehandhaafd, omdat het gebruik ter plaatse niet wijzigt. Dit gedeelte van het plan behoudt ook de functieaanduiding “Tuincentrum”. Uitsluitend detailhandel in de vorm van een tuincentrum is toegestaan, met daarbij behorende voorzieningen. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen. Uitsluitend binnen het bouwvlak zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen toegestaan. Het bouwvlak is verkleind ten opzichte van de huidige situatie, omdat er ten behoeve van de bestemming “Wonen” een separaat bouwvlak is opgenomen. De maatvoering is gewijzigd naar een maximum bebouwd oppervlakte van 2500 m², nu het bestemmingsvlak is verkleind. Ten slotte is er een functieaanduiding “wonen uitgesloten” waardoor er geen bedrijfswoning meer is toegestaan. Voor het overige blijven de geldende bouw- en gebruiksmogelijkheden intact. Wonen Voor het noordelijk gedeelte van het plangebied, daar waar de opstallen bij de burgerwoning beginnen tot aan de Herenweg, is de enkelbestemming “Wonen” opgenomen. Binnen deze bestemming staat het wonen centraal.
Naast wonen mag onder voorwaarden ook in de woning worden gewerkt in de vorm van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis. Het maximum oppervlak van deze activiteiten bedraagt ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met aan- en uitbouwen. Voor woningen in het buitengebied is het niet noodzakelijk om de precieze locatie van de woning vast te leggen. Daarom is binnen de bestemming “Wonen” gekozen voor ruime bouwvlakken. Binnen deze bouwvlakken zijn zowel de hoofdgebouwen als de erfbebouwing (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Insteekhavens zijn toegestaan binnen de woonbestemming, zowel binnen tuinen als erven. Voor de inhoud en de hoogte van de woningen is een generieke regeling opgenomen. De inhoud van de woning, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 750 m³. Als onderdeel van de 750 m³, mag het gezamenlijk grondoppervlak van de erfbebouwing (zowel binnen als buiten het bouwvlak gelegen) maximaal 50 m² bedragen. Voor de legaal bestaande woningen met een inhoudsmaat groter dan 750 m³ is een bestaande matenregeling opgenomen.
Hoofdstuk 5
41
Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen. Uitsluitend binnen het bouwvlak mogen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden opgebouwd. Waterstaat - Waterkering Voor het noordelijke deel van het plangebied is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost” de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gehandhaafd. Deze dubbelbestemming waarborgt de belangen van de aanwezige waterkering. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken.
Hoofdstuk 5
42
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. Indien het de beoogde ontwikkeling geen bouwplan is in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro dan hoeven de kosten niet te worden verhaald. Bij de voorliggende functiewijziging van twee bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning, is er geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro. Hierdoor is een verplichting tot kostenverhaal niet aan de orde. Wel zullen de initiatiefnemers en de gemeente wellicht een planschadeverhaalsovereenkomst willen afsluiten. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met het hoogheemraadschap en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 6.2.1 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het plan voorgelegd aan de provincie Zuid-Holland, de Omgevingsdienst West-Holland en het hoogheemraadschap van Rijnland. 6.2.2 Ter inzage Op grond van artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) is het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegd (van ….t/m …..). Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan in te dienen.
Hoofdstuk 6
43
Gedurende de termijn van zes weken heeft ….. belanghebbende een zienswijze ingediend. De ingediende zienswijze is samengevat en voorzien van een antwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘…... In de nota is tevens aangegeven in hoeverre hetgeen dat naar voren is gebracht aanleiding geeft tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan voor vaststelling.
Hoofdstuk 6
44
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek industrielawaai
Hoofdstuk 6
45
Herenweg 23 Leimuiden
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 10
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
11
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Detailhandel Wonen Waterstaat - Waterkering
11 12 14
Hoofdstuk 3
Algemene regels
16
Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
16 17 19 20 21 22
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
23
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
23 24
2
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
Regels
Hoofdstuk 6
47
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan 'Herenweg 23 Leimuiden' met identificatienummer NL.IMRO.1884.BPHERENWEG23LM-ONT1 van de gemeente Kaag en Braassem. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw is verbonden en door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt. 1.6
aan-huis-gebonden beroep
de uitoefening van een beroep door de bewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied in een woning of bijgebouw, waarbij de woning overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7
achtererf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8
bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.9
bed & breakfast
het verstrekken van logies met ontbijt binnen de (bedrijfs)woning en bijbehorende bijgebouwen of het hoofdgebouw.
4
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
1.10
bedrijf
een inrichting, onderneming of instelling gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.11
bedrijfs- of dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein. of een woning die fysiek van oudsher behoort bij het op die bestemming aanwezige complex, zoals een voormalige molenaarswoning, pastorie, zomerwoning of een rustende boer-woning, waarbij het gebruik van de woning als zodanig het functioneren van het bedrijf niet mag belemmeren. 1.12
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
legale afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.13
bestaande bouwwerken
legale bouwwerken, die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan zijn of worden gebouwd krachtens een rechtsgeldig verleende omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een bouwvergunning. 1.14
bestaand gebruik
het op het tijdstip van het in werking treden van het plan legaal aanwezige en/of vergunde gebruik. 1.15
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.16
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17
bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.18
bijgebouw
een gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
5
1.19
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 1.21
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor functies uit de bestemmingsomschrijving geschikt of geschikt te maken is. 1.22
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 1.24
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.25
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.26
dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst, achter de goothoogte. 1.27
dakopbouw
een uitbreiding van het hoofdgebouw als zijnde vergroting van de bestaande ruimten, niet op de begane grond. 1.28
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
6
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
1.29
detailhandel in volumineuze goederen
detailhandel in volumineuze goederen zoals auto's, boten en caravans, tuincentra, bouwmarkten detailhandel in grove bouwmaterialen, keukens en sanitair alsmede woninginrichting waaronder meubels die vanwege de omvang en de aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstraling. 1.30
erf- en terreinafscheiding
een bouwwerk dat dient ter afscheiding van het erf of een terrein. 1.31
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.32
geluidsgevoelige objecten
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. 1.33
hoofdgebouw
een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.34
kantoor
voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.35
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht geldt, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.36
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.37
opslag
het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
7
1.38
overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.39
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (overwegend) gesloten dak. 1.40
paardenbak/buitenrijbaan
een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijdactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining ten behoeve van het berijden, trainen en/of africhten van paarden. 1.41
peil
a. ten opzichte van gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdingang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein. 1.42
perceel
gronden die bij elkaar horen, omdat zij aan elkaar grenzen en in het gebruik een eenheid vormen, doordat zij uitsluitend bij hetzelfde bedrijf, dezelfde woning of instelling behoren. 1.43
praktijkuitoefening
het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, (para)medisch, therapeutisch of daarmee naar aard gelijk te stellen gebied. 1.44
rooilijn
a. de grens tussen de het bouwvlak en het bestemmingsvlak; b. in overige gevallen; de lijn evenwijdig aan de weg en in het verlengde van de voorgevel van het gebouw (niet zijnde een bijgebouw) dat het dichtst bij de weg is gelegen dan wel (indien de voorgevel niet evenwijdig is aan de weg) de lijn evenwijdig aan de weg door het dichtst bij de weg gelegen hoekpunt van zij- en voorgevel van het gebouw (niet zijnde een bijgebouw) dat het dichtst bij de weg is gelegen. 1.45
seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang als zij het bedrijfsmatig, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische- of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt tevens verstaan een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.46
steiger
een bouwwerk in en boven het water bedoeld als aanlegplaats voor vaartuigen (aanlegsteiger) of als kleinschalige dagrecreatieve voorziening, zoals een zwem- en/of vissteiger.
8
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
1.47
tuincentrum
een bedrijf, gericht op de teelt en/of de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair en tuingrond. 1.48
vloeroppervlak voor (neven)activiteiten
de totale oppervlakte van een (neven)activiteit, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen, keukens, toiletten en overige dienstruimten. 1.49
voorgevel
de naar de weg of waterweg gekeerde zijde van een gebouw of in het geval van hoeksituaties de twee of drie zijden van een gebouw die naar de weg of waterweg zijn gekeerd. 1.50
voorgevelrooilijn
de lijn die - evenwijdig aan de openbare weg - in het verlengde ligt van de voorgevel van het gebouw, dat het dichtst bij de weg is gelegen, gebouwen kleiner dan 6 m² niet meegerekend. 1.51
wonen
het gehuisvest zijn in een woning. 1.52
woning
een gebouw of gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.53
zijerf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
9
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
breedte, lengte en diepte van een gebouw
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 2.4
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5
hoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine 2.6
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken, het hart van de scheidingsmuren en/of de buitenwerkse maten van de draagconstructie, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8
vloeroppervlakte
de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.
10
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Detailhandel
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor: c. ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum': uitsluitend een tuincentrum; d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, toegangswegen en windturbines. 3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. met de maatvoeringaanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' is aangegeven hoeveel m² aan gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak gebouwd mag worden, indien geen aanduiding is opgenomen, mag het gehele bouwvlak bebouwd worden; c. in aanvulling op hetgeen gesteld onder b, mag het opgenomen bebouwingsoppervlak met 10% worden uitgebreid, binnen het bouwvlak; d. per bouwvlak mag 1 bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen) gebouwd worden; e. in afwijking van het bepaalde onder d is ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' geen bedrijfswoning toegestaan; f. overigens geldt het volgende; max. max. max. goothoogte max. inhoud oppervlak bouwhoogte bedrijfsgebouwen windturbines erf- en terreinafscheidingen: - voor de voorgevelrooilijn - elders overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
4m
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
8m 15 m 1m 2m 3m
11
Artikel 4 4.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, steigers, toegangswegen en paardenbakken.
4.2
Bouwregels
Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. het aantal toegestane woningen per bestemmingsvlak bedraagt één, tenzij met de maatvoeringaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' anders is aangeduid; c. het bouwvlak mag in geen geval voor meer dan 50% bebouwd worden; d. voor zover gebouwen niet op de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd, dient de afstand tot deze grens ten minste 2 m te bedragen; e. bijgebouwen, aanbouwen en overkappingen bij de woning dienen ten minste 1 m terugliggend op de voorgevelrooilijn te worden gebouwd; f. overigens geldt het volgende, tenzij met de maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' anders is aangegeven:
woningen, niet zijnde woonschepen (inclusief aanen uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen en overkappingen) - aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen behorende bij de woning
- vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen behorende bij de woning
max. max. max. inhoud oppervla goothoogte k 750 6m m³, 50 m2
10 m
de hoogte van de 5 m begane grondlaag van het hoofdgebouw + 25 cm tot een maximum van 4m 3m 5m
erf- en terreinafscheidingen: - voor de voorgevelrooilijn - elders overige bouwwerken, geen gebouwen en geen lichtmasten zijnde g. met dien verstande dat:
12
max. bouwhoogte
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
1m 2m 3m
voor zover de bestaande inhoudsmaat van een woning, inclusief aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, afwijkt van de norm van maximaal 750 m3, geldt de bestaande inhoudsmaat van alle gebouwen als maximale inhoudsmaat.
4.3
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten, zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, waarbij ten behoeve van paardenbakken tevens de volgende regels gelden: 1. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan; 2. de afmeting van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m; 3. lichtmasten zijn niet toegestaan. b. een steiger mag uitsluitend gebouwd worden ten behoeve van het gebruik op de aangrenzende gronden.
4.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 4.2 onder f ten behoeve van lichtmasten, waarbij de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 6 m. 4.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 4.3 onder a punt 3 teneinde lichtmasten bij paardenbakken toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. de lichtbundel van de lichtmasten dient volledig op de paardenbak gericht te zijn; b. de afstand tussen de paardenbak en de bestemmingsvlakken van derden of agrarische bouwvlakken bedraagt ten minste 75 m.
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
13
Artikel 5 5.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - primair bestemd voor de waterkering. 5.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: c. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; d. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1
Ten behoeve van de genoemde bestemming
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 5.2 onder a, voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijn, die noodzakelijk zijn in het kader van waterstaatsbelang.
5.3.2
Ten behoeve van andere geldende bestemmingen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 5.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; ter beoordeling dient de aanvrager hiertoe een schriftelijk advies van het hoogheemraadschap aan te leveren. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in gronden met de bestemming Waterstaat - Waterkering zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen: a. ontginnen, ophogen, afgraven, bodemverhogen, egaliseren; b. aanbrengen opgaande beplantingen; c. aanleg van verharde wandel-, fiets- en ruiterpaden en (half-)verhardingen >50 m2 (niet zijnde kavelpaden); d. dempen, graven, vergroten of herprofileren van waterlopen.
14
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
5.4.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van lid 5.4.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 5.4.3
Voorwaarden van een omgevingsvergunning
De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor het waterkeringsbelang, zoals bedoeld in lid 5.1, niet onevenredig wordt of kan worden aangetast; ter beoordeling dient de aanvrager hiertoe een schriftelijk advies van het hoogheemraadschap aan te leveren.
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
15
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
16
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
Artikel 7 7.1
Algemene bouwregels
Parkeren
Parkeren moet binnen het bouwvlak plaatsvinden. 7.2
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. 7.3
Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten
a. Voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. b. In geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing. 7.4
Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen: a. b. c. d.
7.5
ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen bouwvlakken; ondergrondse bouwwerken worden niet meegeteld bij bepaling van de inhoudsmaat van woningen; de onderkant van het bouwwerk (inclusief fundering) bedraagt ten hoogste 3,2 m onder het peil; het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde onder b, indien het hydrologisch belang niet wordt geschaad, hetgeen door de initiatiefnemer wordt onderbouwd met een schriftelijk advies van het waterschap en de provincie. Dakkapellen
Voor het bouwen van dakkapellen dient voldaan de worden aan de volgende bepalingen:
a. gemeten vanaf de voet van de dakkapel, mag deze niet hoger zijn dan 1,75 m; b. de onderzijde van de dakkapel dient meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet gesitueerd te worden; c. de bovenzijde van de dakkapel dient meer dan 0,5 m onder de daknok gesitueerd te worden;
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
17
d. de zijkanten van de dakkapel dienen meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak gesitueerd te worden.
18
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning, zelfstandig recreatief onderkomen of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan, tenzij anders bepaald in hoofdstuk 2; b. het gebruik van bed & breakfastkamers voor permanente bewoning is niet toegestaan; c. buitenopslag binnen het bouwvlak hoger dan 4 m is niet toegestaan, buitenopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald; d. het afmeren/aanleggen van (plezier)vaartuigen bij wijze van (tijdelijke) opslag langer dan 1 week is niet toegestaan, met uitzondering van ten hoogste 2 vaartuigen per (bedrijfs)woning of recreatieonderkomen aangrenzend aan het betreffende perceel; e. kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis zijn toegestaan, voor zover: 1. het vloeroppervlak ten behoeve van kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen; 2. ten behoeve van de kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien; 3.
de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. f. per bouwvlak is ten hoogste 1 insteekhaven met steiger toegestaan; g. reclameborden, neonverlichting, lichtmasten en lichtbakken zijn niet toegestaan; h. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten, zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, tenzij in deze regels anders is aangegeven; i. het gebruik van gronden en bouwwerken voor seksinrichtingen is niet toegestaan.
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
19
Artikel 9 9.1
Algemene afwijkingsregels
overschrijding bouwgrenzen
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 9.2 Afwijkingsregels voor de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten a. de herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bouwvlak; b. de nieuwe situering dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen milieutechnische beperkingen voor omliggende, bestaande (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); c. ter plaatse van de nieuwe woning dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; d. de herbouw is stedenbouwkundig aanvaardbaar; e.
door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; f. de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de voorkeursgrenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijden. 9.3
Algemene randvoorwaarden
Afwijken is slechts mogelijk mits: a. de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde uit de Wet geluidhinder of de vastgestelde hogere grenswaarde; b. blijkens een beeldkwaliteitsparagraaf of motivering voldaan wordt aan de richtpunten van de kwaliteitskaart als bedoeld in de provinciale Verordening Ruimte 2016; c. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op: 1. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; 2. de verkeersveiligheid; 3. de sociale veiligheid; 4. het milieu; d. de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de grond, dan wel de mogelijkheid van herstel van die waarden niet onevenredig wordt verkleind en de overige belangen niet onevenredig worden geschaad; e. de verkeersaantrekkende werking in overeenstemming is met de functie en vormgeving van de wegen in de nabije omgeving; f. voorzien wordt in de (extra) parkeerbehoefte.
20
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
Artikel 10 10.1
Algemene wijzigingsregels
Overschrijding bestemmingsgrenzen
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
21
Artikel 11 11.1
Overige regels
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 11.2
Voorwaardelijke verplichting parkeren
a. Voor zover in hoofdstuk 2 geen specifieke parkeernormen zijn opgenomen, dient bij het wijzigen van het bestaande gebruik en/of het bouwen op grond van de regels in hoofdstuk 2, voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen 2018', of de rechtsopvolger daarvan. b. Van het bepaalde onder a. kan worden afgeweken, indien kan worden aangetoond dat op andere wijze is voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
22
Bestemmingsplan "Herenweg 23 Leimuiden" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 Artikel 12 12.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2