CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

OUD 20260703 NL.IMRO.1884.TAMWVDVELDENWEG57-VAS1 toelichting OUD

Gemeenteraad 6 juli 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Willem van der Veldenweg 57, Leimuiden’.32.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

5.14.2 Parkeren Met het initiatief zal sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor parkeren zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan. Vanuit het geldende omgevingsplan wordt de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 van toepassing verklaard, waarmee de normen uit deze nota de geldende parkeernormen zijn binnen de gemeente.

Met het initiatief is sprake van de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak. Vanuit de beleidsregel van de gemeente is deze activiteit het beste te vergelijken met een kampeerterrein. Daarvoor geldt vanuit de beleidsregel een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per standplaats. In de gewenste situatie is sprake van maximaal 45 standplaatsen voor kampeermiddelen buiten: 13 camperplaatsen jaarrond, 8 seizoensgebonden camperplaatsen en 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen jaarrond. Daarnaast zijn afzonderlijk maximaal 3 pipowagens, 1 stacaravan en 2 chalets toegestaan. Voor de 21 camperplaatsen is geen aanvullende parkeerplaats voor een auto nodig. Voor de 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen en de 6 afzonderlijke onderkomens geldt de parkeernorm voor een kampeerterrein van 1,1 parkeerplaats per standplaats. Voor deze 30 plaatsen/onderkomens zijn daarmee minimaal 33 (30 x 1,1) parkeerplaatsen nodig. 56

Er is in de gewenste situatie sprake van 4 bed & breakfast kamers en één blokhut. In totaal zal daarmee sprake zijn van 5 kamers (vergelijkbaar met 5 bungalows). Voor deze activiteiten zijn daarmee minimaal 10 (5 x 2) parkeerplaatsen nodig. De 21 camperplaatsen zijn onderdeel van het maximum van 45 standplaatsen voor kampeermiddelen. Daarvan mogen 13 camperplaatsen jaarrond en 8 camperplaatsen seizoensgebonden worden gebruikt. Voor camperplaatsen is geen afzonderlijke autoparkeerplaats nodig, omdat men met de camper aankomt en deze als kampeermiddel op de camperplaats plaatst.

Ter plaatse wordt voorzien in ondersteunende horeca. Deze is het meest te vergelijken met een café, bar of cafetaria. Vanuit de beleidsnotitie geldt hiervoor een parkeernorm van 7 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Onder bruto vloeroppervlak wordt daarbij verstaan de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Het pand waarin de ondersteunende horeca plaatsvindt is ongeveer 325 m² groot. Dit betekent dat hiervoor in totaal 22,75 (325 ÷ 100 x 7) parkeerplaatsen nodig zijn. Ten slotte wenst de initiatiefnemer enkele kleinschalige evenementen te organiseren. Deze zullen voornamelijk in de voormalige mestsilo en op het buitenterrein plaatsvinden. Vanuit de beleidsnotitie is hiervoor geen specifieke norm opgenomen. Ook een vergelijkbare activiteit is niet in de beleidsnotitie opgenomen. Wel kan eventueel aansluiting worden gezocht bij een evenementenhal, beursgebouw of concertgebouw. Daarvoor geldt vanuit de beleidsnotitie een parkeernorm van 8,5 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Daaronder wordt verstaan de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Voor de evenementen wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de voormalige mestsilo. Deze heeft een oppervlakte van ongeveer 285 m². Deels zal gebruik worden gemaakt van het gebouw waarin de ondersteunende horeca plaatsvindt.

Tijdens evenementen kunnen de parkeerplaatsen die nodig zijn voor de ondersteunende horeca dubbel worden gebruikt voor de evenementen, omdat de ondersteunende horeca dan daarvoor in gebruik is. Op basis hiervan zijn voor de evenementen minimaal 24,23 (285 ÷ 100 x 8,5) parkeerplaatsen nodig. Voor de agrarische nevenactiviteiten op het bedrijf is geen aanvullende parkeerbehoefte. De initiatiefnemer voert deze activiteiten zelf uit. Er is geen sprake van extra personeel of bezoekers. Er is sprake van het op kleinschalige wijze houden van enkele dieren voor natuurlijk beheer van de gronden in de omgeving. Voor de gewenste bedrijfsvoering zijn in totaal 89,98 (33 + 10 + 22,75 + 24,23), afgerond 90 parkeerplaatsen nodig. De parkeerbehoefte voor de 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen kan grotendeels worden opgevangen door één auto per standplaats bij de kampeermiddelen zelf. Voor camperplaatsen is geen afzonderlijke autoparkeerplaats nodig. Voor de pipowagens, stacaravan en chalets, en voor de aanvullende parkeerbehoefte uit de parkeernorm, wordt gebruik gemaakt van het parkeerterrein op eigen terrein. Na aftrek van de 24 parkeerplaatsen bij de kampeerplaatsen/caravanplaatsen zijn nog 66 aanvullende parkeerplaatsen nodig.

Ter plaatse is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor 70 parkeerplaatsen. Daarmee kan ruimschoots in voldoende mate worden voorzien in de parkeerbehoefte op het eigen terrein. Incidentele bezoekers van het bedrijf voor dienstverlening ten behoeve van de agrarische activiteiten (denk bijvoorbeeld aan een bezoek van een dierenarts als nodig) kunnen parkeren op het parkeerterrein dat ruimschoots voldoende parkeergelegenheid biedt om deze incidentele bezoekers, ook bij een volledige bezetting van de recreatieve voorzieningen, te kunnen opvangen. De 70 parkeerplaatsen zijn ingetekend op een situatietekening op schaal welke als bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen. Met het initiatief zal daarmee sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein.

5.14.3 Verkeersbewegingen Het initiatief zal niet leiden tot een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen. Er zal daarmee geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving als gevolg van het initiatief. Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van 57

een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan. Als een gemeente geen specifieke normen voor verkeersgeneratie heeft opgenomen wordt aangesloten bij de landelijk gebruikte richtlijnen voor verkeersgeneratie die zijn opgenomen in de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW. Aan de hand van deze richtlijnen kan de verkeersgeneratie van de activiteiten worden bepaald. Dit betreft dan een theoretische benadering. In de praktijk ligt de verkeersgeneratie van activiteiten vaak (soms zelfs aanzienlijk) lager dan de theoretische verkeersgeneratie zoals zijn opgenomen in de handreiking. In de huidige situatie is sprake van een melkrundveehouderij met een kampeerterrein als nevenactiviteit. Voor agrarische bedrijven zijn geen specifieke cijfers voor verkeersgeneratie opgenomen. Vanuit de publicatie van CROW worden agrarische bedrijven aangemerkt als een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf. Hiervoor is een theoretische verkeersgeneratie opgenomen van maximaal 5,7 verkeersbewegingen per dag per 100 m² bruto vloeroppervlak. Onder bruto vloeroppervlak wordt daarbij verstaan de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen die voor het bedrijf worden gebruikt. In de huidige situatie is ongeveer 1.825 m² aan bedrijfsgebouwen in gebruik voor de melkrundveehouderij.

Vanuit de publicatie van CROW leidt dit dan gemiddeld tot 104 verkeersbewegingen per dag. Daarnaast zijn in de huidige situatie 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen, 21 camperplaatsen, 3 pipowagens, 1 stacaravan, 1 blokhut en 4 kamers voor bed & breakfast aanwezig. De nevenactiviteiten zijn het best vergelijkbaar met een camping of kampeerterrein. Hiervoor is in de publicatie van CROW een verkeersgeneratie van maximaal 0,4 verkeersbewegingen per dag per standplaats opgenomen. In totaal is sprake van 54 verblijfsplaatsen/-eenheden, wat leidt tot nog eens 21,6 verkeersbewegingen per dag. In totaal is er in de huidige situatie daarmee sprake van afgerond gemiddeld 126 verkeersbewegingen per dag. In de gewenste situatie is sprake van een recreatief bedrijf met maximaal 45 standplaatsen voor kampeermiddelen en enkele recreatieve activiteiten. Dit maximum bestaat uit 13 camperplaatsen die jaarrond gebruikt mogen worden, 8 camperplaatsen die seizoensgebonden gebruikt mogen worden en 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen die jaarrond gebruikt mogen worden. Daarnaast zijn afzonderlijk maximaal 3 pipowagens, maximaal 1 stacaravan en maximaal 2 chalets toegestaan. In totaal is daarmee in de worst-case situatie sprake van het gebruik van 51 verblijfsplaatsen/-eenheden voor kampeermiddelen en daarmee vergelijkbare verblijfsrecreatieve onderkomens.

Deze activiteiten zijn vanuit de handreiking het meest vergelijkbaar met een kampeerterrein. Daarvoor is in de handreiking een verkeersgeneratie van gemiddeld 0,4 verkeersbewegingen per standplaats per dag opgenomen. Deze activiteiten leiden daarmee in de worst-case situatie gemiddeld tot 20,4 (51 x 0,4) verkeersbewegingen per dag. Verder zullen in de gewenste situatie 4 bed & breakfastkamers en een blokhut voor groepsverblijf aanwezig zijn. De meest vergelijkbare activiteit hiermee is een bungalow(park). In totaal zal daarmee in de worst-case situatie sprake zijn van het gebruik van 5 kamers (vergelijkbaar met 5 bungalows). Voor bungalowparken geldt vanuit de handreiking een gemiddelde verkeersgeneratie van 2,8 verkeersbewegingen per bungalow per dag. Deze activiteiten leiden daarmee in de worst-case situatie gemiddeld tot 14 (5 x 2,8) verkeersbewegingen per dag.

Daarnaast wordt ter plaatse voorzien in ondersteunende horeca. Deze is voornamelijk bedoeld voor de gasten van het bedrijf zelf en niet voor buitenstaanders. Echter kan het voorkomen dat enkele bezoekers van buitenaf gebruik maken van deze voorziening. Voor ondersteunende horeca zijn in de handreiking geen cijfers voor verkeersgeneratie opgenomen. De activiteit is het meest vergelijkbaar met een café, bar of cafetaria. Ook daarvoor zijn in de handreiking echter geen cijfers voor een gemiddelde verkeersgeneratie opgenomen en wordt daarbij in de handreiking aangegeven dat hiervoor maatwerk nodig is. Het aantal bezoekers van buitenaf zal zeer beperkt zijn. Om echter de volledige worst-case situatie in beeld te brengen is uitgegaan van gemiddeld maximaal 5 bezoekers van buitenaf per dag, wat in de worst-case situatie zal leiden tot gemiddeld 10 extra verkeersbewegingen per dag. Ter plaatse vinden nog agrarische nevenactiviteiten plaats. Daarvoor geldt, net als in de huidige situatie, een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m² bruto vloeroppervlak per dag. Ook vinden andere activiteiten plaats, zoals dagrecreatie, bijeenkomsten, maaltijdservice, etc., 58

die eveneens in bedrijfsgebouwen plaatsvinden en niet gelijk zijn te stellen aan het kampeerterrein. Ook voor deze activiteiten geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m² bruto vloeroppervlak per dag. In totaal wordt ongeveer 1.200 m² aan bedrijfsgebouwen gebruikt voor de activiteiten anders dan de verblijfsrecreatie. Daarmee is in de worst-case situatie sprake van een gemiddelde verkeersgeneratie van maximaal 90 (1.200 ÷ 100 x 5,7) verkeersbewegingen per dag. Ten slotte wenst de initiatiefnemer enkele kleinschalige evenementen te organiseren. Deze zullen voornamelijk in de voormalige mestsilo en op het buitenterrein plaatsvinden. Vanuit de handreiking is hiervoor geen specifieke norm opgenomen. Ook een vergelijkbare activiteit is niet in de beleidsnotitie opgenomen. Wel kan eventueel aansluiting worden gezocht bij een evenementenhal, beursgebouw of concertgebouw. Daarvoor zijn in de handreiking echter ook geen cijfers voor verkeersgeneratie opgenomen en wordt vanuit de handreiking gesteld dat maatwerk nodig is. De kleinschalige evenementen zijn gericht op maximaal 60 personen (dit is ook zo in de regels geborgd). De meeste bezoekers van de gewenste kleinschalige evenementen zullen de gasten van het eigen bedrijf betreffen. Echter kan sprake zijn van bezoekers van buitenaf.

Voor de worst-case benadering is er daarom vanuit gegaan dat alle bezoekers van buitenaf komen. Maximaal 60 personen betekent in dit geval niet dat ook 60 afzonderlijke auto's van buitenaf het evenement bezoeken. Men bezoekt een evenement namelijk zelden alleen. Een aantal bezoekers zal met twee personen in een auto aankomen terwijl anderen met drie of vier personen in een auto aankomen. Gemiddeld genomen kan daarom worden uitgegaan van een bezetting met drie personen per auto. Dit betekent dat in geval van een evenement in de worst-case situatie sprake zal zijn van 20 extra auto's, welke leiden tot gemiddeld 40 extra verkeersbewegingen per dag. Omdat in de berekening van de minimale parkeerbehoefte (zoals nader omschreven in de paragraaf "Parkeren", paragraaf 5.14.2) een minimale parkeerbehoefte is berekend van 24,23 parkeerplaatsen is voor de verkeersgeneratie van maximaal 25 extra voertuigen en daarmee in de worst-case situatie van maximaal 50 extra verkeersbewegingen per dag. In totaal zal voor de gewenste activiteiten in de worst-case situatie sprake zijn van gemiddeld 184,4 (20,4 + 14 + 10 + 90 + 50), afgerond 185 verkeersbewegingen per dag. Dit betreft in vergelijking met de huidige worst-case situatie een toename van het aantal verkeersbewegingen met gemiddeld 59 verkeersbewegingen per dag. Dit zijn maximaal 30 extra voertuigen per dag.

Uitgaande van een beperking van de activiteiten in de dag- en avondperiode (de periode van 7:00 tot 23:00, een periode van 16 uur) betekent dit gemiddeld nog geen twee extra voertuigen per uur. Dit betreft slechts een zeer beperkte toename.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot verkeershinder in de omgeving en/of tot mogelijke risico's voor de doorstroom en verkeersveiligheid op de Willem van der Veldenweg en de omliggende wegen.

5.15

Hoogspanningsverbindingen

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid als gevolg van hoogspanningsverbindingen. De stroom door de draden van een hoogspanningsverbinding veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder andere af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningsverbinding verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningsverbinding, des te zwakker is het magneetveld. Wanneer mensen in aanraking komen met een magneetveld van een hoogspanningsverbinding dan kunnen gezondheidseffecten optreden als dat magneetveld te sterk is. Uit onderzoek is gebleken dat acute effecten (effecten die meteen optreden en merkbaar zijn) alleen voorkomen bij magneetvelden die 59

een sterkte hebben die in Nederland niet voorkomen op plaatsen die voor publiek toegankelijk zijn. Daarnaast kunnen echter effecten op de lange termijn optreden bij langdurige blootstelling aan een magneetveld. Het risico op effecten voor de gezondheid is groter naarmate sprake is van een magneetveldsterkte van 0,3 tot 0,4 microtesla of hoger. Om effecten op de gezondheid te voorkomen is het daarom belangrijk dat gevoelige gebouwen of functies op voldoende afstand van een hoogspanningsverbinding worden gerealiseerd. De afstand die daarbij aangehouden moet worden is afhankelijk van het type hoogspanningsverbinding en de hoeveelheid stroom die er door loopt. De locatie is niet in de buurt van een hoogspanningsverbinding gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding is gelegen op een afstand van ruim 4 kilometer van de locatie. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de gezondheid door hoogspanningsverbindingen.

5.16

Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de Gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat er op dit moment nog geen toereikend onderzoek beschikbaar is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen.

De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het hiermee mogelijk voorkomende risico voor de volksgezondheid is onbekend. Wel is het belangrijk een afweging te maken of bij een perceel waarop (mogelijk) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:

Het soort gewasbeschermingsmiddel (biologische of juist giftige middelen). De manier waarop de middelen worden gebruikt (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid. Hoe vaak het spuiten plaatsvindt; De weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); De inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht vanuit een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelig gebouw. In dat geval blijkt door de vermindering van drift (afhankelijk van de dikte, de hoogte en het type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Gemeenten moeten in het omgevingsplan voorwaarden opnemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit de Omgevingswet kunnen daarbij geen vooraf vastgestelde spuitzones worden aangewezen. Wel kan voor specifieke combinaties van gebruikte middelen en een 60

bepaalde teelt spuitzones worden aangewezen. Een gemeente kan daarnaast in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het aanbrengen van een groenblijvende haag tussen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelig gebouw. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.

Met het initiatief is geen sprake van bomenteelt en/of akkerbouw waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of wijzigen van gevoelige gebouwen of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico's op de locatie als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen.

5.17

Lichthinder

Met het initiatief zal geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder ter plaatse. Kunstmatige verlichting kan verschillende soorten nadelige effecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van hinder voor de mens, bijvoorbeeld als mensen zich niet kunnen afschermen van het aanwezige kunstlicht, maar daar wel behoefte aan hebben. Daarnaast kan sprake zijn van hinder langs wegen, bijvoorbeeld door reclamezuilen met veel licht of van horizonvervuiling, bijvoorbeeld als het licht van een verlichte stal of verlicht sportveld in het open landschap op grote afstand goed is te zien. Ten slotte kan sprake zijn van verstoring van de natuur, bijvoorbeeld door het verstoren van het gedrag van diersoorten. Omdat de nadelige effecten van kunstlicht afhankelijk zijn van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld het soort licht en de plaats waar de bron van het licht gevestigd is, heeft de Rijksoverheid in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) alleen instructieregels opgenomen voor kunstlicht in de glastuinbouw bij het gebruik van kassen. Voor de overige vormen van mogelijke lichthinder moeten gemeenten regels opnemen in het geldende omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor lichthinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met agrarische neventak mogelijk gemaakt. Daarbij vinden geen activiteiten plaats die leiden tot mogelijke lichthinder plaats. Er is geen sprake van het gebruik van kunstlicht, anders dan het gangbare gebruikte licht. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot onaanvaardbare lichthinder aan de omgeving. 61

Verder is het belangrijk om lichthinder voor mensen te voorkomen als nieuwe gevoelige gebouwen worden opgericht. Het gaat dan vooral om ruimtes in deze gebouwen waarin langdurig mensen verblijven. Het is daarbij van belang dat mensen die in deze ruimtes verblijven zich voldoende kunnen afschermen van eventueel hinderlijk kunstlicht uit de omgeving. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of wijzigen van gevoelige gebouwen of functies waarin langdurig mensen verblijven. Er zal ter plaatse dan ook geen sprake zijn van onaanvaardbare lichthinder op de locatie.

5.18

Bezonning

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke belemmeringen met betrekking tot bezonning en/of schaduwwerking. Bezonning maakt onderdeel uit van de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken. Een te grote toename van schaduw door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Bijvoorbeeld door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan. Voldoende zon op de gevel van een gebouw kan ook belangrijk zijn. Bij bezonning gaat het echter niet om zonlicht in de woning: dat is het onderwerp daglichttoetreding. Hiervoor staan regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bezonning hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Met het initiatief wordt uitsluitend gebruik gemaakt van bestaande bebouwing. Er vindt geen nieuwbouw plaats. Er is daarmee geen sprake van mogelijke verdere belemmeringen voor de bezonning van percelen. Rondom de standplaatsen en voorzieningen voor verblijfsrecreatie is voldoende groen aanwezig voor schaduwwerking in de warme periodes. Deze beplanting staat echter voornamelijk aan de randen van het perceel, waarmee er naast voldoende schaduw ook voldoende zonlicht beschikbaar blijft op en nabij de standplaatsen en voorzieningen. Belangrijk is dat de daken waarop de zonnepanelen komen te liggen voldoende zon krijgen en houden. Met het initiatief is daar rekening mee gehouden en de bezonning van de daken waarop de zonnepanelen komen te liggen, wordt niet beperkt. Met het initiatief is daarmee voldoende rekening gehouden met bezonning en schaduwwerking.

5.19

Slagschaduw van windturbines

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van een windturbine. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke hinder als gevolg van slagschaduw van windturbines aan gevoelige gebouwen en/of functies in de omgeving. Met het initiatief worden daarnaast geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en/of gewijzigd. Daarmee zal geen sprake zijn van mogelijke hinder op de locatie door slagschaduw van windturbines in de omgeving.

62

In het omgevingsplan staan regels voor de bescherming van gevoelige gebouwen of functies tegen slagschaduw door activiteiten, zoals een windturbine. De regels voor windturbines en windparken staan eerst in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit tijdelijke deel bestaat uit de bruidsschat en planologische regels. In de bruidsschat staan gebruiksregels over slagschaduw van windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter. Vanuit de regels die gelden voor windturbines moet een windturbine voorzien zijn van een automatische stilstandvoorziening. Deze schakelt de windturbine uit als er te veel slagschaduw optreedt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. De windturbine wordt afgeschakeld als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen om overlast door slagschaduw van windturbines te voorkomen. Daarbij mogen gemeenten zelf bepalen welke mate van hinder door slagschaduw aanvaardbaar is, maar moeten zij wel de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in acht nemen. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor slagschaduw hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van een windturbine. Daarmee zal vanuit de locatie geen sprake zijn van mogelijke hinder door slagschaduw van windturbines aan gevoelige gebouwen en/of functies in de omgeving. Verder is het van belang om te kijken of op de locatie sprake kan zijn hinder door slagschaduw vanuit windturbines in de omgeving. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten of wijzigen van gevoelige gebouwen en/of functies. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten of wijzigen van gevoelige gebouwen of functies. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke toename van de hinder door slagschaduw vanuit windturbines.

5.20

Windhinder

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke nadelige gevolgen door windhinder. Wind kan hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen. De gemeente kan de gevolgen van windhinder beperken door bijvoorbeeld regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan. Windhinder maakt deel uit van de fysieke leefomgeving. De gemeente moet het onderdeel windhinder daarom meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. De Rijksoverheid heeft voor windhinder geen instructieregels opgesteld. De gemeente heeft daarmee de vrijheid om deze zelf in het omgevingsplan verder in te vullen. Daarbij is het voor de gemeente van belang om rekening te houden met de mogelijke gevolgen van windhinder en daarvoor passende maatregelen op te nemen in het omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor windhinder hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over het aspect windhinder. Het is echter wel belangrijk om te kijken of er sprake kan zijn van mogelijke gevolgen door windhinder. Windhinder vindt vooral plaats bij of in de buurt van hoge gebouwen. Op de locatie is geen sprake van 63

hoge gebouwen. Daarnaast zijn in de omgeving van de locatie geen hoge gebouwen gelegen. De kans op windhinder is daarmee zeer beperkt. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen door windhinder.

64

Hoofdstuk 6

Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet omschreven als een gebied dat bij of krachtens de wet (door de Rijksoverheid of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht de Rijksoverheid en provincies om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de voormalige wetgeving waren en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf. Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers).

De locatie is gelegen in of nabij een zone die is aangemerkt als de beschermingszone van een regionale waterkering (de Hogedijk). Binnen deze gebieden gelden aanvullende regels voor activiteiten en ontwikkelingen. Met het initiatief zal echter geen sprake zijn van werkzaamheden binnen deze zone. Daarnaast vinden geen werkzaamheden of wijzigingen plaats aan de waterkering. Het initiatief zal niet leiden tot een mogelijke belemmering of beperking van de betreffende zone. Verder is de locatie nabij oppervlaktewateren gelegen. De locatie ligt echter binnen de eventuele beschermingszones van deze oppervlaktewateren, maar binnen deze zones vinden geen activiteiten of werkzaamheden plaats. Met het initiatief is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de oppervlaktewateren en/of de beschermingszones daarvan. Het initiatief heeft daarmee geen nadelige gevolgen op werken en/of objecten.

65

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

Als sprake is van een concreet initiatief is het belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Het initiatief wordt als economisch uitvoerbaar beschouwd. De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen. De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten mogen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn. Tussen de gemeente Kaag en Braassem en de initiatiefnemer is naast dit project een aparte overeenkomst gesloten met betrekking tot het verhalen van de gemaakte kosten. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook het verhalen van eventuele nadeelcompensatie in een aparte overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het initiatief economisch uitvoerbaar wordt geacht.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het initiatief wordt als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd. Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Kaag en Braassem met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de 66

nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet. In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO. De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt: Voorbereiding: Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald.

Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld. Ontwerpen: In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd. Besluiten: Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld. Bekendmak ing: Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Rechtsbescherming: In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vanuit de Omgevingswet is het nog wel belangrijk om aan te geven of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden. Zoals in deze toelichting omschreven in de paragraaf "Participatie" (paragraaf 3.2) heeft er ten behoeve van het initiatief voldoende participatie plaatsgevonden. Daarnaast zijn geen zienswijzen of beroepen ingediend en/of zijn ingediende zienswijzen en beroepen in voldoende mate beantwoord. Er zijn daarmee geen verdere maatschappelijke bezwaren ten aanzien van het initiatief.

Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt het initiatief maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

67

Hoofdstuk 8 8.1

Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Wanneer sprake is van een wijziging van het omgevingsplan dan wordt het plan alleen gewijzigd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving). Daarnaast gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Zie hiervoor ook de paragrafen "Rijksbeleid" (paragraaf 4.1) en "Provinciaal beleid" (paragraaf 4.2). De vraag bij de wijziging van het omgevingsplan is of het initiatief, de gevraagde activiteit, leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er, na een zorgvuldige belangenafweging, met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).

8.2

Conclusie

Zoals blijkt uit de toetsing aan de geldende beleidskaders, welke is opgenomen in het hoofdstuk "Beleidsmatige afweging" (hoofdstuk 4), past het initiatief binnen de beleidsregels, beleidsuitgangspunten en instructieregels van de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente. Er is daarmee geen sprake van strijdigheden met het beleid dat van toepassing is op de locatie. Verder zal het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Afweging effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5), geen nadelige gevolgen hebben op de fysieke leefomgeving. Het initiatief zal een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit daarmee niet in de weg staan. Daarnaast zal met het initiatief, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Beperkingengebieden" (hoofdstuk 6), geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van een werk of object waarvoor een beperkingengebied is opgenomen. Ten slotte wordt het initiatief, zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Uitvoerbaarheid" (hoofdstuk 7), zowel economisch als maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Verder heeft in voldoende mate participatie plaatsgevonden en is de juiste procedure doorlopen. Op basis van het voorgaande is met het initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt de ontwikkeling als aanvaardbaar beschouwd.

68

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=e0564352-db27-4e68-959e-4c7c14a92b11