CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

OUD 20260703 NL.IMRO.1884.TAMWVDVELDENWEG57-VAS1 toelichting OUD

Gemeenteraad 6 juli 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Willem van der Veldenweg 57, Leimuiden’.32.831 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22I WILLEM VAN DER VELDENWEG 57 LEIMUIDEN

T AM -omgevingsplan Hoofdstuk 22i Willem van der Veldenweg 57 Leimuiden

Vastgesteld

Teammanager/Projectleider Ruimtelijke Ordening en Milieu Mw. F. Klomp-Pullens Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp

Datum: 6 juli 2026

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding van het initiatief 1.2 Omschrijving van de locatie 1.3 Geldend omgevingsplan 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief 2.1 De gewenste situatie 2.2 Landschappelijke inpassing 2.3 Bijdrage aan maatschappelijke doelen Hoofdstuk 3 Voorbereiding 3.1 Vooroverleg met de gemeente 3.2 Participatie Hoofdstuk 4 Beleidsmatige afweging 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Beleid van het hoogheemraadschap 4.4 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 5 Afweging effecten op de fysieke leefomgeving 5.1 Beoordeling m.e.r. 5.2 Activiteiten en milieuzonering 5.3 Geluid 5.4 Geur 5.5 Kwaliteit van de buitenlucht 5.6 Veiligheid in de leefomgeving 5.7 Bodemkwaliteit 5.8 Trillingen 5.9 Natuur en natuurlijke waarden 5.10 Volksgezondheid 5.11 Cultureel erfgoed 5.12 Water 5.13 Duurzaam ontwikkelen 5.14 Mobiliteit 5.15 Hoogspanningsverbindingen 5.16 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen 5.17 Lichthinder 5.18 Bezonning 5.19 Slagschaduw van windturbines 5.20 Windhinder Hoofdstuk 6 Beperkingengebieden Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Hoofdstuk 8 Belangenafweging en conclusie 8.1 Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? 8.2 Conclusie

3 4 4 5 7 8 10 10 11 12 14 14 15 16 16 18 23 25 27 27 28 29 32 33 35 39 39 40 45 46 48 52 55 59 60 61 62 62 63 65 66 66 66 68 68 68

2

T oelichting

3

Hoofdstuk 1

Inleiding

Deze toelichting beschrijft de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Kaag en Braassem met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor de locatie Willem van der Veldenweg 57 te Leimuiden. Bij een wijziging van het omgevingsplan voor een locatie is het van belang dat de gevolgen op de fysieke leefomgeving van de activiteiten die mogelijk worden gemaakt worden afgewogen zodat, ook na het wijzigen van het omgevingsplan, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze afweging vindt plaats in deze toelichting.

1.1

Aanleiding van het initiatief

Met de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) wordt het omschakelen van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met agrarische neventak mogelijk gemaakt. Het initiatief is verder uitgebreid beschreven in het hoofdstuk "Beschrijving van het initiatief" (hoofdstuk 2). De huidige boerderij is aangekocht door de opa van de initiatiefnemer als een kleinschalige melkrundveehouderij. De ouders van de initiatiefnemer hebben het bedrijf uiteindelijk overgenomen en verder uitgebreid en gemoderniseerd. Met de bouw van een ligboxenstal kon destijds worden voorzien in een groei van de veestapel en in meer arbeidsgemak, waarmee het bedrijf meer toekomstbestendig werd gemaakt. De ouders van de initiatiefnemer hebben veel geïnvesteerd in het bedrijf en hun inzet was dusdanig groot dat de initiatiefnemer, naast het werk op de boerderij, mogelijkheden had om zich ook buiten de deur te ontplooien. Met name het sociale aspect van het werken buiten de deur was voor de initiatiefnemer belangrijk. Uiteindelijk heeft de initiatiefnemer het bedrijf overgenomen van diens ouders.

Het runnen van een agrarisch bedrijf was, en blijft, een grote financiële verantwoordelijkheid, maar met name het feit dat het fulltime werken op een boerderij met een fysiek beperkt terrein het aantal sociale contacten behoorlijk beperkte was voor de initiatiefnemer een belangrijke reden om de bedrijvigheid te verbreden. Om het sociale aspect uit te breiden is destijds door de initiatiefnemer gekozen om in te zetten op agrotoerisme. Het agrotoerisme is in het begin als kleinschalige verbreding bij het bedrijf begonnen in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein op de boerderij, maar heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een uitgebreide nevenactiviteit. Ook de agrarische tak is verder uitgebreid, waarbij het jongvee op een andere locatie werd gehuisvest, zodat de veestapel kon groeien zonder hiervoor nieuwe stallen te hoeven bouwen. Wegens persoonlijke omstandigheden was de initiatiefnemer genoodzaakt het bedrijf (zowel de veestapel als de gronden in eigendom) te halveren, waarmee de verhouding tussen de agrarische tak en de recreatieve tak verschoof van in hoofdzaak agrarisch naar in hoofdzaak recreatief. Door problemen van medische aard, waardoor de initiatiefnemer niet meer mobiel was, was deze uiteindelijk ook genoodzaakt de melkveehouderij te beëindigen. Het melkvee werd daarbij vervangen door enkele Lakenvelder zoogkoeien.

Deze dragen bij aan het beheer van het grasland en vragen om minder arbeid, waardoor het voor de initiatiefnemer mogelijk was deze dieren te houden en op die manier toch deels in de agrarische sector actief te blijven. In die tijd zijn gesprekken gevoerd met de gemeente voor een passende omschakeling van het bedrijf naar een recreatiebedrijf om deze tak verder te faciliteren en uit te breiden. Vanwege de problemen met de gezondheid van de initiatiefnemer zijn aan de hand van deze gesprekken echter geen vervolgstappen gezet. De initiatiefnemer is inmiddels weer mobiel en wil verdere stappen zetten om het bedrijf verder op een juiste wijze in overeenstemming te brengen met het omgevingsplan en verder te ontwikkelen en toekomstbestendig te maken, ook met het oog op een eventuele bedrijfsopvolging. Verder loopt er vanuit de omgeving een verzoek tot handhaving, omdat de huidige activiteiten niet in overeenstemming zijn met het geldende omgevingsplan. De initiatiefnemer wenst daarom de omschakeling van het agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak definitief in gang te zetten en dusdanig vorm te geven dat dit past binnen het omgevingsplan en daarnaast nog ruimte biedt voor een verdere ontwikkeling van het bedrijf om het ook in de toekomst duurzaam en volwaardig te kunnen blijven uitvoeren.

Om het initiatief mogelijk te maken is het noodzakelijk het omgevingsplan van rechtswege van de 4

gemeente Kaag en Braassem te wijzigen. Omdat de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld dient dit te gebeuren met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De gemeente heeft aangegeven dat het initiatief voorstelbaar is, mits de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed zijn afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.

1.2

Omschrijving van de locatie

De locatie is gelegen aan de Willem van der Veldenweg 57 te Leimuiden en ligt in het landelijk gebied van de gemeente Kaag en Braassem. De locatie ligt ten zuiden van Leimuiden en is kadastraal bekend onder gemeente Leimuiden, sectie A, nummer(s) 3417, 3940 en 3941. In de volgende afbeelding is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

Uitsnede topografische kaart met locatie aangegeven. Bron: Topotijdreis.nl. Het landschap waarin de locatie is gelegen betreft een droogmakerijenlandschap met klei. Voor dit type landschap zijn de grootschalige openheid, de biodiversiteit en het agrarisch karakter de belangrijkste kernkwaliteiten. De verkaveling bestaat uit een strokenverkaveling met een relatief grootschalige opzet. Het groen in de omgeving bestaat voornamelijk uit beplanting rondom de (agrarische) erven en enkele bosschages. In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Verder is er een enkel niet-agrarisch bedrijf en een begraafplaats met een maatschappelijke functie aanwezig in de omgeving. Op de locatie mag vanuit het geldende omgevingsplan een grondgebonden agrarisch bedrijf worden uitgevoerd. Daarbij mogen vanuit het geldende omgevingsplan ook recreatieve nevenactiviteiten worden uitgevoerd, zoals een kampeerterrein (tot maximaal 2.500 m²) en recreatief nachtverblijf (tot maximaal 200 m²). Hoewel er op het bedrijf nog steeds sprake is van agrarische activiteiten in de vorm van het houden van 5

ongeveer 25 stuks Lakenvelder zoogkoeien en het agrarisch beheer van de graslanden in eigendom en pacht, zijn er op het bedrijf meer recreatieve functies aanwezig dan agrarische functies. Daarmee is het bedrijf feitelijk gezien in hoofdzaak meer als een recreatief bedrijf aan te merken dan als een agrarisch bedrijf. Het bedrijf beschikt over één bedrijfswoning. Er was voorheen een tweede bedrijfswoning aanwezig, maar deze is in een eerdere procedure van het bedrijf afgesplitst als plattelandswoning en maakt niet langer deel uit van het bedrijf. Verder zijn op het bedrijf de volgende functies en gebouwen aanwezig:

3 pipowagens (ca. 10 m² per wagen) voor recreatief nachtverblijf in de periode van 1 maart tot 1 november. 1 stacaravan (ca. 30 m²) voor recreatief nachtverblijf in de periode van 1 maart tot 1 november. 1 blokhut (ca. 75 m²) voor recreatief nachtverblijf, jaarrond. 4 bed & breakfast-kamers (totaal ca. 290 m²) voor recreatief nachtverblijf, jaarrond. 1 gebouw (ca. 66 m²) met daarin sanitaire voorzieningen (4 douches, 5 toiletten, wastafels en wascabines) voor in de periode van 1 maart tot 1 november. 1 dubbele stal (ca. 1.200 m²) met daarin stalruimte voor de gehouden Lakenvelders (voor de perioden waarop deze niet kunnen worden beweid), strohokken voor het gehouden kleinvee (alpaca's, kalfjes, geiten, kippen, konijnen, cavia's, varkens), een kantine, een creatieve ruimte voor workshops etc., sanitaire voorzieningen (douche en toilet) voor in de periode 1 november tot 1 maart, en een algemene ruimte voor opslag en kleinschalige evenementen (zoals een kinderfeestje of theater). 1 gebouw (ca. 238 m²) met daarin opslagruimte, kantoor, werkplaats, een horecakeuken en een ophaalpunt voor bereidde producten zoals broodjes en pizza. 1 gebouw (ca. 100 m²) met daarin een ontvangstruimte, een indoor keuken en een vergaderkamer (op 1e etage).

Dit gebouw is ook delen van het jaar opengesteld als terras (zowel binnen als buiten) in de periode van 1 maart tot 1 november en incidenteel als bijeenkomstruimte en voor een muziekevenement (ca. 8x per jaar). 1 afwasruimte (ca. 10 m²) met daarin voorzieningen voor gasten om de afwas te doen en collectief ? 21 camperplaatsen voor overnachting met campers, waarvan 13 camperplaatsen jaarrond gebruikt mogen worden en 8 camperplaatsen seizoensgebonden gebruikt mogen worden. De seizoensgebonden camperplaatsen mogen worden gebruikt in de periode van 1 april tot 1 oktober. De camperplaatsen onderscheiden zich door de verharde ondergrond. ? 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen voor overnachting met caravans en daarmee vergelijkbare kampeermiddelen, jaarrond beschikbaar. ? 1 voormalig mestbassin (ca. 285 m²), wordt momenteel gereinigd en is niet in gebruik.

Verder is een stortplaats aanwezig voor grijs water vanuit de kampeervoertuigen en is een milieustraat voor het scheiden van afval aanwezig. Daarnaast is ter plaatse een parkeerplaats voor ca. 70 auto's aanwezig met daarbij een mogelijkheid voor 2 elektrische voertuigen om te laden. Ten slotte zijn nog enkele speeltoestellen en een uitkijktoren van een voormalig maïsdoolhof aanwezig. Aan de locatie is een bouwvlak van ongeveer 1,95 hectare toegekend. Een deel van dit bouwvlak is echter gelegen op gronden ten noorden van het erf die niet langer in eigendom zijn van de initiatiefnemer. In de volgende afbeeldingen is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.

6

Luchtfoto huidige situatie locatie. Bron: Omgevingsloket.

1.3

Geldend omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan. Binnen het geldende omgevingsplan is de locatie in een gebied met de volgende functies gelegen:

Functie 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Functie 'Waterstaat - Waterkering'. Waarde 'Waarde - Archeologie 1'. Daarnaast zijn op de locatie zelf de volgende functies en aanduidingen van toepassing: Aanduiding 'bouwvlak'. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de kaart van het geldende omgevingsplan ter plaatse van de locatie weergegeven. 7

Uitsnede kaart geldend omgevingsplan ter plaatse van de locatie. Bron: Omgevingsloket. Het initiatief is in strijd met het omgevingsplan op de volgende punten:

Vanuit artikel 4.1 van het geldende omgevingsplan is ter plaatse van de agrarische functie uitsluitend een agrarische bedrijfsvoering mogelijk. Recreatieve activiteiten zijn uitsluitend als nevenactiviteiten mogelijk en niet als hoofdfunctie. Met het initiatief is sprake van recreatie als hoofdfunctie. Dit past niet binnen de mogelijkheden uit artikel 4.1. In tabel 4.1 van het geldende omgevingsplan zijn maximale oppervlaktes en/of aantallen voor recreatieve nevenactiviteiten opgenomen. Met het initiatief worden deze overschreden, waarmee het initiatief niet past binnen de mogelijkheden voor recreatie uit het geldende omgevingsplan. Het initiatief past daarmee niet binnen het geldende omgevingsplan. Om die reden is het noodzakelijk het geldende omgevingsplan van rechtswege te wijzigen. Omdat de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld kan dit alleen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Voor het wijzigen van het omgevingsplan is het belangrijk om een goede afweging te maken van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. In deze toelichting is deze afweging verder gemotiveerd. Concreet zal het omgevingsplan van rechtswege op de volgende punten worden gewijzigd:

De functie 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' op de locatie zal met het initiatief worden gewijzigd in de functie 'Recreatie'. Binnen de functie 'Recreatie' worden de huidige en gewenste activiteiten mogelijk gemaakt, waaronder ook de agrarische nevenactiviteit, waarbij een klein koppel zoogkoeien mogen worden gehouden. Het bouwvlak ter plaatse zal worden gewijzigd. Daarbij zal het deel dat op de gronden ten noorden van het erf gelegen is worden verplaatst naar de zuidzijde van het bedrijf. Daarnaast zal het bouwvlak worden uitgebreid tot een omvang van 2 hectare.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit: Hoofdstuk 2 met daarin de beschrijving van het initiatief. Daarbij wordt het initiatief beschreven en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief. Hoofdstuk 3 met daarin de beschrijving van de voorbereiding op de te doorlopen procedure. Daarin is beschreven welke (procedurele) stappen al zijn gezet ter voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege. Hoofdstuk 4 met daarin de beleidsmatige afweging. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat van toepassing is vanuit de Rijksoverheid, de provincie, het hoogheemraadschap en de gemeente. Hoofdstuk 5 met daarin de afweging van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke 8

leefomgeving. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan de verschillende van belang zijnde regels voor de fysieke leefomgeving en of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 6 met daarin de afweging aan eventuele beperkingengebieden. Daarin wordt gekeken naar eventuele beperkingengebieden ter plaatse van of nabij de locatie en wordt een afweging gemaakt van de eventuele gevolgen van het initiatief op werken of objecten waarop deze beperkingengebieden van toepassing zijn. Hoofdstuk 7 met daarin de uitvoerbaarheid van het initiatief. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.

9

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het initiatief

De wijziging van het omgevingsplan van rechtswege met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) maakt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met agrarische neventak mogelijk. In dit hoofdstuk wordt het initiatief verder omschreven en toegelicht en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief en de bijdrage daarvan aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet.

2.1

De gewenste situatie

Op de locatie wenst de initiatiefnemer de recreatieve tak op het bedrijf verder te faciliteren en uit te breiden om zo een volwaardig en toekomstbestendig recreatiebedrijf mogelijk te maken. Enerzijds om op een prettige, duurzame en passende manier te kunnen blijven voorzien in een inkomen en anderzijds om, gezien de leeftijd van de initiatiefnemer, met het oog op een toekomstige bedrijfsovername een representatief bedrijf te kunnen aanbieden. Daarbij wenst de initiatiefnemer het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen te faciliteren tot maximaal 45 standplaatsen buiten: 13 camperplaatsen jaarrond, 8 seizoensgebonden camperplaatsen en 24 kampeerplaatsen/caravanplaatsen jaarrond. De camperplaatsen onderscheiden zich door de verharde ondergrond. Het huidige bouwvlak is aan de noordkant deels gelegen op gronden die niet langer in eigendom zijn van de initiatiefnemer. Om deze reden is het wenselijk om dit deel van het bouwvlak te verplaatsen naar het zuidelijk deel van de locatie en dit verder uit te breiden, zodat voldoende ruimte ontstaat voor de beoogde standplaatsen en bijbehorende inrichting. Daarbij zal het bouwvlak worden gewijzigd en worden uitgebreid tot een omvang van ongeveer 2 hectare. Daarmee kan een duurzaam en toekomstbestendig recreatiebedrijf mogelijk worden gemaakt.

De gronden ter plaatse van het te verplaatsen deel van het bouwvlak zullen worden teruggebracht naar agrarische cultuurgronden zonder bouwvlak en als zodanig worden beheerd.

Daarnaast wenst de initiatiefnemer meer in te zetten op dagrecreatie. Daarbij wil de initiatiefnemer de gelegenheid bieden aan de maatschappij om samen te komen door de boerderij open te stellen. Vooral in het laagseizoen zal dit met name gericht zijn op kinderen en ouders, ouderen en mensen met een beperking. In beginsel zal de boerderij hiervoor maximaal 1 dag per week open worden gesteld, maar de initiatiefnemer wil de mogelijkheid hebben om dit naar behoefte eventueel verder uit te breiden. Het zal daarbij gaan om een kleinschalige activiteit voor het samenkomen van mensen uit de directe omgeving voor een verbeterd gevoel van saamhorigheid en het voorkomen van eenzaamheid. Het is niet de bedoeling dat er hele groepen of bussen van heinde en ver naar de locatie komen en niet de bedoeling dat dit de hoofdactiviteit ter plaatse zal gaan worden. Verder wil de initiatiefnemer het organiseren van kleinschalige evenementen verder faciliteren en uitbreiden. De gewenste evenementen betreffen kleinschalige evenementen van culturele, muzikale, sociale, recreatieve en educatieve aard. Het gaat daarbij uitsluitend om kleinschalige activiteiten (maximaal 60 personen) en uitsluitend in de dag- en avondperiode (tot maximaal 22:00 in de avond).

Deze activiteiten zullen voor een groot deel plaats gaan vinden in het gereinigde mestbassin, dat voor mensen toegankelijk wordt gemaakt en deels in het bestaande horecagebouw. De evenementen worden bewust kleinschalig gehouden om de rust voor de overige gasten op het kampeerterrein te waarborgen. De initiatiefnemer wil zich daarnaast ook blijven inzetten in de agrarische sector en draagt de boeren die ook nog aan beweiden doen een warm hart toe. Momenteel houdt de initiatiefnemer 25 stuks Lakenvelder zoogkoeien op het bedrijf en heeft deze 5 hectare grond in eigendom en 2 hectare grond in pacht. Doel is om extensief en op natuurlijke wijze te blijven beheren. Daarnaast kan, als nodig, extra grond in de toekomst worden aangewend voor bijvoorbeeld waterberging, recreatief medegebruik zoals wandel- en fietsroutes en kleinschalige landschappelijke elementen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit in de omgeving. De landschappelijke waarde van de gronden zal daarbij centraal staan.

Het is daarbij niet de bedoeling om de agrarische bedrijfsactiviteiten van het bedrijf verder uit te breiden, maar de eventueel aan te kopen extra gronden aan te wenden voor extensieve begrazing en voor meer ruimte voor het vee (een extensivering van het grondgebruik), waarmee meer van de agrarische cultuurgronden op extensieve en natuurlijke wijze kunnen worden beheerd. Voor het overige wenst de initiatiefnemer de feitelijke huidige situatie verder voort te zetten. 10

De 8 seizoensgebonden camperplaatsen worden alleen gebruikt in de periode van 1 april tot 1 oktober. Daarmee wordt de afspraak die is gemaakt met de buren ten zuiden van de locatie over het seizoensgebonden gebruik van de camperplaatsen aan die zijde gehonoreerd. Er zal ten behoeve van het initiatief geen sprake zijn van sloop en/of van nieuwbouw. Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing. Daarmee blijft de ruimtelijke impact van het initiatief op de omgeving beperkt. Met het initiatief zullen, zoals nader is besproken met de gemeente, de toestellen en de uitkijktoren van het voormalige maïsdoolhof worden verwijderd. De gewenste situatie is in de volgende afbeelding in een dronefoto weergegeven.

Dronefoto bedrijf gewenste situatie. Bron: Initiatiefnemer.

2.2

Landschappelijke inpassing

Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat of dat deze, waar mogelijk, juist wordt versterkt. Afhankelijk van de impact die een ontwikkeling heeft op het landschap en de omgeving wordt een tegenprestatie gevraagd om bij te dragen aan het behouden of het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het belangrijk om het initiatief op een goede manier landschappelijk in te passen. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief is door een landschappelijk deskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Daarin is een nadere afweging gemaakt van het omliggende landschap en hoe de voorgestelde landschappelijke inpassing kan bijdragen aan het behoud en/of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Daarnaast is in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen welke landschappelijke elementen worden aangebracht en welke beplanting daarvoor wordt gebruikt. In de volgende afbeelding is de tekening met daarop de voorgestelde landschappelijke inpassing weergegeven. Het volledige landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen als "Bijlage 1 Landschappelijk inrichtingsplan".

11

Tekening landschappelijke inpassing van het initiatief. Bron: Visser Tuinen. Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de belangrijke kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen. Daarbij is vanuit het landschap bekeken op welke manier de landschappelijke inpassing kan bijdragen aan de kwaliteit van het landschap, zonder dat dit al te veel ten koste gaat van een efficiënte inrichting van het erf. Daarmee is ter plaatse sprake van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief.

2.3

Bijdrage aan maatschappelijke doelen

In de Omgevingswet zijn maatschappelijke doelen opgenomen. De Rijksoverheid wil dat wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Daarvoor wordt ingezet op het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Daarover is in de Omgevingswet het volgende opgenomen:

Beschermen: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Benutten: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. Het is dus belangrijk dat met een nieuwe ontwikkeling rekening wordt gehouden met de fysieke leefomgeving en de omgevingskwaliteit. Er moet daarbij sprake zijn van een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Daarbij moet worden gelet op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen van activiteiten op de leefomgeving. Het initiatief maakt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische nevenactiviteit mogelijk. Met de omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een recreatief bedrijf kan er geen volwaardig veehouderijbedrijf meer worden gevestigd. Daarmee wordt geborgd dat de emissies van geur, fijnstof, 12

stikstof en/of andere hinderlijke stoffen (aanzienlijk) afnemen. Dit komt ten goede aan de omgevingskwaliteit en draagt daarmee bij aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Verder wordt ter plaatse, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe landschappelijke elementen aangebracht. Dit draagt bij aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en de omgevingskwaliteit. Naast een verbeteirng van de fysieke leefomgeving wordt een bijdrage geleverd aan maatschappelijke doelen. Er wordt een gelegenheid geboden voor mensen die daar minder gelegenheid toe hebben om samen te komen. Daarnaast wordt met agrotoerisme bijgedragen aan de versterking van de recreatieve sector in de omgeving. Daarmee wordt voorzien in maatschappelijke behoeften. Omdat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en ondernomen is sprake van een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Omdat daarnaast eveneens wordt bijgedragen aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een betere omgevingskwaliteit wordt een bijdrage geleverd aan de maatschappelijke doelen zoals zijn opgenomen in de Omgevingswet.

13

Hoofdstuk 3

Voorbereiding

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan die nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan.

3.1

Vooroverleg met de gemeente

Zoals al eerder omschreven in de inleiding van deze onderbouwing is het voor de initiatiefnemer om meerdere redenen noodzakelijk om op de locatie het initiatief mogelijk te maken. Hiervoor heeft eerst een vooroverleg met de gemeente plaatsgevonden. Daarbij is eerst een verzoek bij de gemeente Kaag en Braassem ingediend om mee te werken met het initiatief. In dat verzoek is uitgebreid omschreven waarom het initiatief wenselijk of noodzakelijk is en wat het initiatief precies inhoudt. Het ingediende verzoek is door de gemeente behandeld op de zogenaamde "intaketafel" en/of "omgevingstafel", waarbij de gemeente het verzoek op verschillende vakgebieden uitgebreid heeft beoordeeld. Naar aanleiding van het verzoek heeft de gemeente aangegeven onder voorwaarden medewerking te willen verlenen met het initiatief. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat zij de omschakeling naar een recreatief bedrijf met agrarische nevenactiviteiten als voorstelbaar zien, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Het bouwvlak dient te worden aangepast, waarbij het noordelijke deel kleiner wordt en het zuidelijke deel groter wordt. Er dient een wijziging van het omgevingsplan te worden gedaan zodat het bouwvlak kan worden aangepast. Het zuidelijke deel van het bouwvlak moet ruimtelijk worden ingepast (bijvoorbeeld door het aanplanten van knotwilgen). De uitkijktoren en speeltoestellen van het voormalige maïsdoolhof moeten worden verwijderd. Er moeten voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn volgens de Nota parkeernormen 2018 en parkeren moet binnen het bouwvlak plaatsvinden. Een eventuele uitbreiding van de activiteiten moet worden meegenomen in de aanvraag om het omgevingsplan te wijzigen, waarbij als voorwaarde wordt gesteld dat dit in bestaande bebouwing moet plaatsvinden. Het initiatief moet voldoen aan het provinciale beleid. Er moet bij de wijziging van het omgevingsplan worden gekeken hoe de activiteit "evenementen" kan worden opgenomen. Het initiatief moet milieuhygiënisch inpasbaar zijn. Bij de functiewijziging moet ook aandacht zijn voor het aspect veiligheid en dan met name brandveiligheid, bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Er moet op tijd een aanvraag worden gedaan om het omgevingsplan te wijzigen in relatie tot de lopende zaak met betrekking tot handhaving. De gemeente heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan een wijziging van het geldende omgevingsplan.

Omdat de gemeente echter nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld dat aan de wettelijke standaarden voldoet kan dit alleen met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Daarbij is het van belang dat de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed worden afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.

14

3.2

Participatie

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft tweemaal een bijeenkomst gehouden waarbij omwonenden en belanghebbenden zijn uitgenodigd om het initiatief te bespreken. Daarbij hebben alleen de directe buren ten zuiden van de locatie aangegeven dat zij het niet wenselijk vinden dat de huidige activiteiten mogelijk worden gemaakt en verder worden uitgebreid en ontwikkeld. Dit met name omdat zij rechtstreeks zicht hebben op het terrein, met name in de wintermaanden als de erfbeplanting die normaal gesproken het zicht verzacht kaal is. Met de buren ten zuiden van de locatie is daarom de afspraak gemaakt om de camperplaatsen in het zicht van de woning van deze buren alleen te gebruiken in de periode van april tot oktober, wanneer de erfbeplanting nog volop in het groen staat en daarmee het aanzicht verzacht.

Voor het overige waren er geen bezwaren of aandachtspunten naar voren gekomen. Om dit te borgen in dit plan is ter plaatse van de betreffende camperplaatsen een aanduiding opgenomen. In de regels bij dit plan is vervolgens opgenomen dat de camperplaatsen ter plaatse van die aanduiding alleen in de periode van april tot oktober mogen worden gebruikt. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het ingebrachte aandachtspunt van de directe buren. De initiatiefnemer heeft op 27 en 28 december 2024 een aanvullende bijeenkomst gehouden om het concept van dit plan te bespreken met de omwonenden. Eventuele aandachtspunten die uit dit overleg naar voren zijn gekomen zijn verder meegenomen in een volgende versie van dit plan. Het verslag is opgenomen als "Bijlage 2 Verslag participatie". De initiatiefnemer zal nog een derde bijeenkomst houden ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het voorliggende plan. Daarin zal het plan nogmaals worden besproken met de omwonenden en wordt duidelijk gemaakt op welke manier de eventueel eerder aangegeven aandachtspunten zijn meegenomen in het plan. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de verslagen onherkenbaar gemaakt.

15

Hoofdstuk 4

Beleidsmatige afweging

Een ontwikkeling moet passen binnen het beleid dat door zowel de gemeente als door de Rijksoverheid en de provincie is vastgesteld. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt of een initiatief passend is binnen de uitgangspunten en regels die in de verschillende beleidsstukken zijn opgenomen of, wanneer een initiatief daar niet helemaal binnen past, dat met behulp van maatwerk sprake kan zijn van een aanvaardbare of wenselijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat is vastgesteld door de Rijksoverheid, de provincie, het hoogheemraadschap en de gemeente.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen. Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. duurzaam economisch groeipotentieel. sterke en gezonde steden en regio's. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot 16

gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI. Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen. Het initiatief betreft daarnaast geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee geen nadere afweging van de behoefte hoeft te worden gemaakt. Verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente. Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen. Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.

In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Het initiatief maakt een recreatiebedrijf mogelijk. Daarbij is het de vraag of dit kan worden gezien als een "andere stedelijke voorziening". In de afgelopen jaren zijn door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State verschillende uitspraken met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking gedaan. Zo ook de uitspraak van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075), waarin staat dat wanneer een plan ten opzichte van het voorheen geldend plan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt en geen nieuw ruimtebeslag, maar alleen een functiewijziging dit in beginsel niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Met het initiatief is geen sprake van een uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, is geen sprake is van een uitbreiding van het ruimtebeslag en is enkel sprake van een functiewijziging. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verdere afweging van de (kwalitatieve en kwantitatieve) behoefte is daarmee dan ook niet nodig.

17

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale omgevingsvisie Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsvisie. De provincie Zuid-Holland heeft op 12 oktober 2022 de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld. De omgevingsvisie is op verschillende punten geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 mei 2024 geconsolideerd en in werking getreden. De omgevingsvisie bevat de doelstellingen van de provincie voor zover sprake is van een provinciaal belang. De doelstellingen in de omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar bieden wel het kader voor de instructieregels die de provincie vastlegt in de provinciale omgevingsverordening, die gemeenten vervolgens moeten verwerken in hun omgevingsplannen. Met het initiatief is sprake van de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve nevenactiviteit naar een recreatief bedrijf met een agrarische nevenactiviteit in het landelijk gebied. Daarbij wordt ingezet op het faciliteren van de bestaande recreatieve voorzieningen en een beperkte uitbreiding daarvan. Het bouwvlak wordt gewijzigd en uitgebreid om een verdere uitbreiding van het kampeerterrein mogelijk te maken.

Daarnaast worden als agrarische nevenactiviteit 25 stuks Lakenvelder zoogkoeien gehouden die worden ingezet voor duurzaam agrarisch beheer van de graslanden in eigendom van de initiatiefnemer en worden enkele stuks kleinvee gehouden. Ten aanzien van recreatie streeft de provincie naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van het landschap, water en erfgoed. Samen met de partners zorgt de provincie voor het beheer van recreatiegebieden, recreatienetwerken en recreatievoorzieningen. Daarnaast streeft de provincie ernaar om deze geschikter te maken voor recreatief en sportief bewegen. Hiervoor heeft de provincie belangrijke recreatieve fietsroutes en wandelroutes opgenomen in het provinciale fietsnetwerk en het provinciale wandelroutenetwerk. Om te zorgen dat er voor alle inwoners voldoende ruimte is voor ontspanning, sport en recreatie zet de provincie in op een, in omvang en kwaliteit, goed netwerk en goede voorzieningen, locaties en gebieden voor sport en recreatie. Dit draagt bij aan een goede leefkwaliteit en aan de spreiding van toerisme, zodat daardoor geen onevenredige overlast wordt veroorzaakt. Verder is het van belang om met recreatie kansrijke verbindingen te maken met andere maatschappelijke doelen zoals natuur, erfgoed, economie, toerisme en klimaat. Vanuit de visie worden daarmee kansen geboden voor recreatieve ontwikkelingen.

Daarbij streeft de provincie naar ontwikkelingen die bijdragen aan een beweegvriendelijke leefomgeving en een versterking van de belevingswaarde van het landschap, het water en het erfgoed. De locatie is gelegen tussen verschillende plassen en meren in en ligt daarmee in een populair gebied voor toerisme en recreatie. Er zijn mogelijkheden voor verschillende vormen van recreatie, waardoor het gebied in trek is bij toeristen. De locatie sluit goed aan op de provinciale recreatieve netwerken. Daarnaast wordt door de combinatie met het agrarisch duurzaam beheer van de graslanden bijgedragen aan de instandhouding en de beleving van het landschap. Het initiatief sluit daarmee goed aan bij de doelstellingen die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsvisie ten aanzien van recreatie. De locatie is gelegen in een landschap dat is aangemerkt als droogmakerijlandschap. Binnen deze landschappen streeft de provincie naar ontwikkelingen die bijdragen aan een duurzame waterhuishouding. Overige ontwikkelingen in dit landschap mogen een duurzame waterhuishouding niet in de weg staan. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.12) zal het initiatief geen nadelige invloed hebben op de waterhuishouding en is geen sprake van een ontwikkeling die een duurzame waterhuishouding in de weg staat.

Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen die de provincie in de visie heeft opgenomen ten aanzien van ontwikkelingen in de droogmakerij landschappen. Verder is het van belang dat de kenmerkende kwaliteiten van het landschap behouden blijven of waar mogelijk worden versterkt. De kenmerkende kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen, zijnde een droogmakerij met klei als ondergrond, zijn de openheid, de kenmerkende strokenverkaveling, 18

de dijken als structuurdragers en begrenzing van de polders en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land. Het initiatief is relatief kleinschalig van aard en vindt plaats op en aansluitend aan een bestaand erf. Er wordt in hoofdzaak gebruik gemaakt van het bestaande ruimtebeslag. De maximale oppervlakte aan bebouwing en voorzieningen is in de planregels behorende bij dit plan vastgelegd en biedt (nagenoeg) geen ruimte voor een verdere uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Daarmee wordt voorkomen dat de openheid van het landschap verder wordt aangetast. Daarnaast wordt een deel van het bouwvlak, momenteel gelegen aan de noordzijde van het bedrijf, verplaatst naar de zuidzijde van het bedrijf. Waar het bouwvlak aan de zuidzijde wordt uitgebreid (in ruil voor het wegnemen van het deel aan de noordzijde) is al bebouwing aanwezig. Daarmee worden geen bestaande doorzichten verder belemmerd. Aan de noordzijde is op de plaats waar het deel van het huidige bouwvlak wordt weggenomen geen bebouwing aanwezig. Als het bouwvlak aan die zijde wordt behouden dan biedt dat mogelijkheden om daar bebouwing op te richten. In dat geval zou wel een bestaand doorzicht worden beperkt.

Met de gewenste verplaatsing van het betreffende deel van het bouwvlak wordt daarmee juist voorkomen dat doorzichten verder worden beperkt en dat daarmee de openheid van het landschap wordt aangetast. De huidige strokenverkaveling van het landschap en de lengtesloten tussen de percelen worden niet gewijzigd met het initiatief. De kenmerkende structuur van het landschap blijft daarmee behouden. Het huidige bouwvlak met het "uitstekende" deel aan de noordzijde maakt een uitbreiding aan die zijde in het huidige open doorzicht mogelijk. Daarbij zou een demping van de watergang en een aanpassing van het kavel op die plek mogelijk zijn. Door het wegnemen van dit deel van het bouwvlak en dit terug te brengen aansluitend aan het bestaande bouwvlak binnen de begrenzing van de kavels die al voor bebouwing zijn benut wordt voorkomen dat de kenmerkende verkaveling en structuur van het landschap wordt aangepast. Daarnaast wordt het bouwvlak niet over de watergangen aan de noord- en zuidzijde van de locatie gelegd, waarmee het behoud van de verkaveling en de lengtesloten wordt geborgd. Er kan daar immers geen uitbreiding meer plaatsvinden. Het initiatief draagt daarmee bij aan het behoud van het kenmerkende verkavelingspatroon met strokenverkaveling en lengtesloten en aan het behoud van de doorzichten. De percelen in de omgeving zijn in gebruik als in cultuur gebracht grasland.

Dit is kenmerkend voor de polder en droogmakerijenlandschap daarin en daarmee van belang dat dit zoveel mogelijk wordt behouden. Door het agrarisch duurzaam beheer van de graslanden in de vorm van extensieve begrazing daarvan door de gehouden Lakenvelder zoogkoeien wordt bijgedragen aan de instandhouding en het natuurlijk beheer van het grasland. Dit sluit goed aan bij de landschappelijke kwaliteiten in het droogmakerijenlandschap. De locatie is niet aan een dijk of aan de rand van het gebied gelegen. Wel is de locatie aansluitend aan een polderlint gelegen. De gewenste ontwikkeling vindt echter aan de van dit lint afgekeerde zijde van het erf plaats en er vinden geen wijzigingen in of aan het lint plaats. De doorzichten vanuit het lint naar het achterliggende landschap worden, zoals in het voorgaande omschreven, niet aangetast. Met het initiatief wordt het behoud van de doorzichten juist gewaarborgd. Het initiatief zal daarmee geen invloed hebben op de dijken als structuurdragers en begrenzing van de polders en het hoogteverschil tussen de laaggelegen droogmakerij en het hoger gelegen omliggende landschap. Daarnaast is in de huidige situatie een maïsdoolhof met uitkijktoren aanwezig. Deze zullen worden verwijderd (dit is ook als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels behorende bij dit plan), waarmee het behoud van de openheid verder wordt geborgd.

Verder moeten nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerijen worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling met groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. Het bedrijf van de initiatiefnemer zal, anders dan in de huidige situatie, volledig worden ingepast tussen de sloten in lengterichting die aan de noord- en zuidzijde van de locatie zijn gelegen. In de huidige situatie is, omdat aan de noordzijde nog een stuk bouwvlak "uitsteekt" boven de noordelijke lengtesloot, sprake van uitbreidingsmogelijkheden buiten deze begrenzing. Door het verplaatsen van dit deel van het bouwvlak naar de zuidzijde, tussen de noordelijke en zuidelijke sloot in wordt de harde begrenzing verder geborgd en wordt het behoud van de doorzichten versterkt. Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt de groene omzoming van het erf gerealiseerd, waarmee een hardere begrenzing van het erf wordt bereikt. De landschappelijke inpassing is erop gericht om de begrenzing van het erf in het landschap te benadrukken en het behouden van de ruime doorzichten aan weerszijden van het erf. Omdat de landschappelijke 19

inpassing de richting en begrenzing van de sloten volgt die dienen als begrenzing van de kavels draagt deze bij aan het behoud van de rechthoekige verkaveling. Daarnaast wordt met de landschappelijke inpassing een verzachting van het beeld op de campers en caravans bereikt. Ook dit draagt bij aan een betere kwaliteit van de omgeving. Het initiatief past gezien het voorgaande goed binnen de doelstellingen die de provincie heeft opgenomen in de visie ten aanzien van de landschappelijke kwaliteiten. De provincie wil daarnaast de depositie van stikstof van de landbouw, maar ook van de industrie en verkeer, langdurig en stevig terugdringen, ruimtelijke en economische ontwikkeling mogelijk maken en natuurherstel realiseren. Het is daarbij van belang dat de stikstofdepositie van ruimtelijke ontwikkeling niet mag toenemen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Natura 2000-gebieden" (paragraaf 5.9.1) is met het initiatief geen sprake van een toename van de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen van de provincie ten aanzien van stikstof. Het initiatief sluit daarmee goed aan bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland.

4.2.2 Provinciale omgevingsverordening Het initiatief is niet in strijd met de regels die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft op 15 december 2021 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Deze is meerdere keren geactualiseerd. De meest recente versie is geconsolideerd en in werking getreden op 18 februari 2025. De omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij deze zijn vastgelegd in instructieregels die de verschillende gemeenten in hun omgevingsplannen moeten verwerken. Met het initiatief is sprake van de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak in het landelijk gebied. Daarbij is sprake van het faciliteren en verder uitbreiden van de huidige recreatieve activiteiten die worden uitgevoerd binnen het bedrijf en het mogelijk maken van de huidige agrarische activiteiten van het bedrijf als nevenactiviteit. 4.2.2.1 Specifieke regels Voor recreatie heeft de provincie alleen specifieke regels opgenomen voor zover sprake is van recreatie in grondwaterbeschermingsgebieden (artikel 3.3.13 van de omgevingsverordening).

De locatie is niet in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen, waarmee de betreffende regels niet van toepassing zijn op het initiatief Vanuit de omgevingsverordening geldt vanuit artikel 7.45g wel nog een verbod op permanente bewoning van recreatiewoningen. Dit geldt bij verblijfsrecreatieparken met een omvang van 12 recreatiewoningen of meer. Met het initiatief is geen sprake van recreatiewoningen en is geen sprake van permanente bewoning. Bovendien is het permanente bewoning in verblijfsrecreatieve onderkomens expliciet uitgesloten in de regels. De aanvullende regels uit artikel 7.45g van de omgevingsverordening zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief. 4.2.2.2 Algemene regels Naast specifieke regels voor een ruimtelijke ontwikkeling gelden vanuit paragraaf 7.3.7 van de omgevingsverordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit en vanuit paragraaf 7.3.6 van de omgevingsverordening algemene regels ten aanzien van de risico's van klimaatverandering. Bij ruimtelijke kwaliteit is het van belang te kijken naar de impact van een ontwikkeling op het landschap en de omgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van 20

de kwaliteitskaart (inpassen). 2. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau (aanpassen). 3. De ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren). Met het initiatief wordt de bestaande structuur van het landschap gevolgd, dat in hoofdzaak wordt bepaald door de verkavelingspatroon en de aanwezige ontsluitingswegen. Bij de uitvoering van het initiatief is het niet noodzakelijk de verkaveling te wijzigen en/of om wijzigingen aan de ontsluitingswegen aan te brengen. Daarnaast wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Met het initiatief wordt voorzien in goede landschappelijke inpassing en is sprake van een goed onderhoud van de bestaande bebouwing. Daarmee is sprake van een zorgvuldige inpassing van het initiatief waarbij voldoende aandacht is geschonken aan de beeldkwaliteit en de typologie van het landschap. Het initiatief voorziet niet in wijzigingen aan de structuur van het landschap en is zeer kleinschalig van aard. Daarnaast vinden geen wijzigingen aan de verkaveling en infrastructuur plaats en wordt vrijwel geheel ontwikkeld binnen het bestaande ruimtebeslag (bestaand bouwperceel). Daarmee zal het initiatief een slechts zeer beperkte impact hebben op de omgeving. De toetsing aan de kwaliteitskaart is verderop in deze paragraaf opgenomen.

Daaruit blijkt dat het initiatief voldoet aan de richtlijnen vanuit de kwaliteitskaart en dat het initiatief niet leidt tot een mogelijke aantasting van de kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen. Ten slotte betreft het initiatief een kleinschalige uitbreiding van een reeds bestaand bedrijf. Daarnaast wordt aangesloten bij de karakteristiek van het gebied waarin de locatie is gelegen. Het initiatief past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau en voldoet aan de richtlijnen van de kwaliteitskaart. Daarmee is sprake van inpassen. Op basis van de algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit, zoals in het voorgaande beschreven, dient te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit. De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart. Daarin zijn de volgende lagen opgenomen:

laag van de ondergrond; laag van de cultuur- en natuurlandschappen; laag van de stedelijke occupatie; laag van de beleving. Laag van de ondergrond: Vanuit de laag van de ondergrond is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Veencomplex - Oude zeeklei'. Binnen deze gronden is sprake van een hoge waterstand met een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De gronden zijn gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in dit landschap dragen zorg voor een duurzame waterhuishouding en dragen bij aan de beperking van de bodemdaling. Het initiatief leidt, zoals reeds eerder aangegeven in deze paragraaf, niet tot een mogelijke aantasting van de kwaliteiten van het landschap. Daarnaast zal met het initiatief, zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.12), geen nadelige invloed hebben op de waterhuishouding. Verder vinden geen activiteiten plaats die leiden tot een mogelijke aantasting van de ondergrond en/of die de maatregelen tegen bodemdaling in de weg staan. Door agrarisch duurzaam beheer van de graslanden in de omgeving draagt het initiatief bij aan het behoud van het landschap en het veen. Het initiatief leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen voor de laag van de ondergrond.

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: Vanuit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'droogmakerij (klei)'. De droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit vereveningen. De droogmakerijen worden duidelijk begrensd door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is, buiten de verstedelijkte gebieden, visueel open en grootschalig en ligt gemiddeld genomen enkele meters lager dan de omliggende gronden. De droogmakerijen kennen een aangelegd watersysteem met een regelmatige basisverkaveling. De maat, kavelgrootte en 21

lengte-breedte-verhouding is bepalend voor de manier van inpassen van nieuwe ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij (klei) worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling. Daarbij krijgen zij een strakke groene omzoming met het behoud van ruime doorzichten. Het initiatief vindt plaats op een bestaand erf en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag. Er is geen sprake van wijzigingen aan de verkaveling en/of de structuur van het landschap. Het erf wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing met groene omzoming en leidt niet tot een beperking van de ruime doorzichten in de omgeving. Het initiatief leidt daarmee niet tot een mogelijke aantasting van de kenmerkende waarden van het landschap en past binnen de rechthoekige verkaveling. Het initiatief past daarmee binnen de landschappelijke kenmerken en waarden van het droogmakerijenlandschap (klei). Door het wegnemen van het deel van het bouwvlak aan de noordzijde van het erf wordt voorkomen dat dit open deel wordt bebouwd, waarmee het initiatief het behoud van de open doorzichten juist versterkt. Ook wordt het maïsdoolhof met uitkijktoren verwijderd (dit is ook opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels behorende bij dit plan) wat eveneens bijdraagt aan de openheid.

Daarnaast is de locatie gelegen in/aan een lint, dat nader is aangemerkt als polderlint. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Een polderlint is een lint waarin de bebouwing ligt op een gelijk niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door een verschil in kaveldiepte. In deze linten liggen kansen voor ontwikkelingen, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. De uitbreiding van het bedrijf vindt buiten het lint, maar aansluitend daaraan plaats. Er is daarmee sprake van kansen voor ontwikkelingen, mits deze de overige karakteristieken van het lint niet aantasten. De ontwikkeling vindt plaats op de van het lint afgekeerde zijde van het erf. Het bebouwingsbeeld van het lint zal daarmee niet worden aangetast. Daarnaast is geen sprake van nieuwe bebouwing en geen sprake van wijzigingen aan de structuur van het lint. Er is daarmee geen sprake van doorzichten vanuit het lint naar het achterliggende landschap die met het initiatief kunnen worden aangetast. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de karakteristieken van het lint, waarmee de ontwikkeling als passend wordt gezien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=e0564352-db27-4e68-959e-4c7c14a92b11