NL.IMRO.1884.TAMWESTERDIJK56A-VAS1_Toelichting
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Lei muiden vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
3
BJZ.nu Bestemmingsplannen
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Lei muiden vastgesteld
Toelichting
BJZ.nu Bestemmingsplannen
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden
Status: Vastgesteld Februari 2026
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden
Plantype: Plannaam: Hoofdstuk: IMRO: Status: Datum:
TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden 22e NL.IMRO.1884.TAMWESTERDIJK56A-VAS1 Vastgesteld V1 Februari 2026
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING.............................................................4
AANLEIDING ......................................................................................................... 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ..................................................................................... 4 HET OMGEVINGSPLAN ............................................................................................... 4 LEESWIJZER.......................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE ...............................7
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING .................................................9
3.1 3.2
HET VOORNEMEN .................................................................................................... 9 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE ........................................................................... 9
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3
ALGEMEEN .......................................................................................................... 10 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ..................................................................... 10 LANDSCHAPPELIJKE EN/OF STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN .................................................... 11
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN 10
BELEIDSKADERS....................................................12
RIJKSBELEID ........................................................................................................ 12 PROVINCIAAL BELEID ............................................................................................... 14 GEMEENTELIJK BELEID ............................................................................................. 18
HOOFDSTUK 6
OMGEVINGSVEILIGHEID...........................................22
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN .......................24
7.1 7.2 7.3 7.4
VIGEREND BELEID .................................................................................................. 24 WATERASPECTEN ................................................................................................... 25 WATERTOETSPROCES EN WATERHUISHOUDING PLANGEBIED ..................................................... 25 CONCLUSIE ......................................................................................................... 25
HOOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ....................................................................................... 26 BODEMKWALITEIT .................................................................................................. 27 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................... 29 GEUR ................................................................................................................ 30 TRILLINGSHINDER .................................................................................................. 31 GEZONDHEID ....................................................................................................... 31
HOOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ..........................35
WETTELIJK KADER ............................................................................................... 35 ARCHEOLOGIE ................................................................................................... 35 CULTUURHISTORIE .............................................................................................. 35 CONCLUSIE ...................................................................................................... 36
HOOFDSTUK 11 11.1 11.2 11.3
BESCHERMING VAN DE NATUUR..................................33
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................ 33 SOORTENBESCHERMING ............................................................................................ 34 CONCLUSIE ......................................................................................................... 34
HOOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3 10.4
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU .................26
M.E.R.- BEOORDELING ............................................37
ALGEMEEN ....................................................................................................... 37 SITUATIE PLANGEBIED........................................................................................... 37 CONCLUSIE ...................................................................................................... 38
HOOFDSTUK 12
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................39 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld 12.1 12.2 12.3
ALGEMEEN ....................................................................................................... 39 KOSTENVERHAAL ................................................................................................ 39 SITUATIE PLANGEBIED........................................................................................... 39
HOOFDSTUK 13 13.1 13.2 13.3
PARTICIPATIE .................................................................................................... 40 AFSTEMMING OVERLEGPARTNERS ............................................................................... 40 ZIENSWIJZEN .................................................................................................... 40
HOOFDSTUK 14 14.1 14.2 14.3
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ......................40
JURIDISCHE VERANTWOORDING ................................41
INLEIDING........................................................................................................ 41 OPZET VAN DE REGELS .......................................................................................... 41 VERANTWOORDING VAN DE REGELS ............................................................................ 42
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING ...........................................44 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2
WATERTOETSRESULTAAT ................................................................................. 44 VERKENNEND BODEMONDERZOEK ........................................................................ 44
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het bedrijfsperceel aan de Westerdijk 56a te Leimuiden (gemeente Kaag en Braassem). Het voornemen bestaat de bedrijfsfunctie te wijzigen naar een reguliere woonfunctie. Dit aangezien de bedrijfsmatige activiteiten zijn gestopt en de initiatiefnemers zo in hun huidige woning kunnen blijven wonen. Het voornemen is strijdig met het geldende omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt in het zuidwesten van de kern Leimuiden, in de gemeente Kaag en Braassem. Het plangebied ligt ten noorden van het Braassemermeer. Het perceel staat kadastraal bekend als LMD02, sectie A, perceelnummer 1678. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in afbeelding 1.1 met een rode ster en rode omlijning.
Afbeelding 1.1:
Ligging plangebied ten opzichte van de omgeving (Bron: Plattekaart.nl, bewerkt)
1.3
Het omgevingsplan
1.3.1
Geldend omgevingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Er is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat op deze locatie uit de volgende documenten: • • •
Parapluplan algemene afwijkingen (Vastgesteld op 17-06-2024); Parapluplan karakteristieke objecten (Vastgesteld op 18-03-2024); Buitengebied Oost (Vastgesteld op 28-05-2018).
Voor de duiding van het planologisch regime is met name het bestemmingsplan “Buitengebied Oost” van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
Afbeelding 1.2:
Planologische situatie plangebied (Bron: Omgevingswet.nl Regels op de kaart)
‘Bedrijf’ De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitvoering van bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 2 van de ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouw. Ter plaatse van de maatvoeringaanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m²)' is aangegeven hoeveel m² aan gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak gebouwd mogen worden. ‘Leiding – Hoogspanning’ De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een hoogspanningsleiding met de daar bijbehorende bouwwerken en andere werken ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding hoogspanning' met de daarbij behorende belemmeringenstrook. ‘Waarde – Archeologie 1’ & ‘Waarde – Archeologie 3’ De voor ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. ‘Waterstaat - Waterkering’ De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor de waterkering.
Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - vaarweg’ Gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' zijn bedoeld voor bescherming van de vaarweg. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' kan worden voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mits rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen, of advies wordt gevraagd aan de vaarwegbeheerder.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld 1.3.2
Opheffen strijdigheid
Het voornemen is om op de Westerdijk 56a in Leimuiden de bestaande woning en opstallen te gebruiken ten behoeve van een reguliere woning. Voorgaande is niet mogelijk volgens het geldende planologisch regime. Dit aangezien het gebruik van de bedrijfsgronden ten behoeve van reguliere woongebruik in strijd is met het Omgevingsplan. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 14 nader op ingegaan.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 en 4 gaan achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 7 de bescherming van de waterbelangen wordt behandeld. Hoofstuk 8 en 9 gaan respectievelijk in op de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 10 behandelt de archeologische en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 11 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 12 en 13 behandelen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen. In hoofdstuk 14 in de juridische verantwoording opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied ligt aan de Westerdijk 56a, in het zuidwesten van de kern Leimuiden. Het plangebied ligt tussen de kernen Leimuiden en Roelofarendsveen in, ten noorden van het Braassemermeer. De functionele structuur van de omgeving wordt gekenmerkt door het watergang de ‘Oude Wetering’. De omgeving bestaat uit met name wonen en bedrijvigheid en wordt gekarakteriseerd als gemengd gebied. In de omgeving is ruimte voor wonen en bedrijvigheid met name langs de vaart de ‘Oude Wetering’, en in het achterland agrarische (cultuur)gronden. Het bebouwingslint bestaat overwegend uit vrijstaande woningen. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door een woonperceel. De oostzijde wordt begrensd door de Westerdijk met daarachter agrarische gronden. Ten zuiden wordt het plangebied begrensd door een bedrijf met bedrijfswoning en opstallen. De bedrijfsmatige gebouwen (schuren) van nummer 56 en 58b zijn tegen elkaar aangebouwd, en de woning is ‘vrijstaand’ gebouwd. Ten westen vormt de watergang ‘Oude Wetering’ in de vorm van een klein kanaal de begrensing. Het plangebied heeft een oppervlakte van 820 m². In het plangebied staat een vrijstaande woning met voormalige bedrijfsloods. De woning is gesitueerd nabij de watergang en heeft een oppervlakte van circa 85 m², de bedrijfsloods aan de zijde van de Westerdijk heeft een oppervlakte van circa 200 m².
Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich de in-en uitrit die vanaf de weg doorloopt naar de achterzijde van het erf. Op dit perceel vinden al jaren geen bedrijfsactiviteiten meer plaats (de bedrijfsloods staat leeg), het perceel wordt gebruikt voor woondoeleinden. Op afbeelding 2.1 en 2.2 zijn straatbeelden van het plangebied weergegeven vanaf de Westerdijk en de overzijde van de vaart. Op afbeelding 2.3 is de huidige situatie met een luchtfoto weergegeven.
Afbeelding 2.1: Straataanzicht plangebied vanaf de Westerdijk (Bron: Google Streetview)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
Afbeelding 2.2: Straataanzicht plangebied vanaf de overzijde van de vaart (Bron: Google Streetview)
Afbeelding 2.3: Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK, bewerkt)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
HOOFDSTUK 3 3.1
PLANBESCHRIJVING
Het voornemen
Met het voornemen worden de bestaande gronden en bebouwing gewijzigd van de functie ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Zodoende kan men regulier wonen op het erf en de bestaande gebouwen hiervoor in gebruik nemen. In beginsel is er geen sprake van sloop of nieuwbouw van de gebouwen. De huidige feitelijke situatie blijft ruimtelijk gezien behouden.
3.2
Infrastructuur en openbare ruimte
3.2.1
Algemeen
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 3.2.2
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. In de huidige situatie is er al sprake van een parkeerbehoefte voor de bedrijfswoning. Met de omzetting naar een regulier woonerf blijft dit behouden. De parkeerbehoefte neemt hierdoor niet toe en zal juist afnemen door het wegbestemmen van de bedrijfsmatige activiteiten. Het parkeren vindt overeenkomstig de huidige situatie plaats op eigen terrein. Hier is, gelet op de omvang en inrichting van het perceel, ruim voldoende ruimte voor 3 parkeerplaatsen. Daarnaast is ook geen sprake van een toename van de verkeersgeneratie. Gesteld wordt dat vanuit planologisch oogpunt de verkeersgeneratie afneemt, immers zal het perceel niet meer in gebruik worden genomen voor bedrijfsmatige activiteiten met de daarbij behorende verkeersgeneratie. 3.2.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
HOOFDSTUK 4 4.1
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN
Algemeen
In het vorige hoofdstuk is de gewenste ontwikkeling beschreven. Dit hoofdstuk gaat in op de manier waarop het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 van het Bkl instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •
Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking;
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in hoofdstuk 10 worden behandeld. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en de gebiedsspecifieke landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten. De overige van bovenstaande thema’s zijn niet van toepassing op het plangebied.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld 4.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Het project voorziet in de wijziging van de bedrijfsfunctie naar een reguliere woonfunctie. Er wordt per saldo niet voorzien in een toevoeging van woning aan de woningvoorraad. Dit aangezien de bestaande bedrijfswoning omgezet wordt naar een reguliere woning. Wanneer een project voorziet in niet meer dan 11 woningen dan kan dit niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak ‘ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921’. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
4.3
Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden
Het voornemen voorziet enkel in de planologische wijziging van de gronden. Met het voornemen wordt de ruimtelijke structuur niet gewijzigd. Door deze omzetting zal het plangebied een nieuwe toekomstfunctie krijgen waardoor het niet leeg zal staan wat een vermindering betekend van het plangebied. Gesteld wordt dat het voornemen voldoet gelet op de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
BELEIDSKADERS
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
5.1
Rijksbeleid
5.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
5.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 5.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat de economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld 5.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 5.1.2
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de motivering moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 5.1.3
Luchthavenindelingsbesluit Schiphol
In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) dat hoort bij de Schipholwet uit 2003 zijn ruimtelijke maatregelen in verband met de luchthaven Schiphol opgenomen. De maatregelen betreffen regels omtrent de veiligheid en gezondheid over de bestemming/functies en het gebruik van de gronden,
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld zowel binnen het luchthavengebied als binnen het beperkingengebied rondom Schiphol. Aanvullende regels en bepalingen zijn vervat in de artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.4 van het Luchthavenindelingbesluit. De aanvullende regels hebben betrekking tot bebouwing en gebruik van bebouwing, bouwhoogten gebouwen, toetshoogte i.v.m. radar en functies met een vogelaantrekkende werking. Met name de aspecten geluid en externe veiligheid zijn hierin van belang. De beperkinggebieden zijn vervat in kaarten/bijlage bijhorende de voorgaand genoemde artikelen. Situatie plangebied Het voornemen ligt binnen de kaarten/bijlagen 4 (maatgevende kaart toetshoogtes), 4a (toetshoogtes radar) en 6 (toetszone voor windturbines en laser). Al deze voorgaande regels hebben betrekking op de bouwhoogte. Het voorziet enkel in een functiewijziging waarbij er geen planologische regels gewijzigd worden die betrekking hebben op de bouwhoogte ter plaatse. Het voornemen blijft dan ook onder de gestelde maximale bouwhoogte. Conclusie Uit de toetsing wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de regels die gelden vanuit het Luchthavenbesluit Schiphol. 5.1.4
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
In voorliggend geval betreft het een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
5.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 5.2.1
Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland
5.2.1.1 Algemeen Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De hoofdambitie van de omgevingsvisie is een strategisch inzicht te geven op de gewenste ontwikkelingen voor de lange termijn en de kwaliteit van nieuwe ontwikkelingen te waarborgen. Zuid-Holland is een strategisch gelegen, vruchtbare delta, grotendeels onder zeeniveau. ZuidHolland is uniek in de combinatie van het kust-, veen-, weide- en rivierdeltalandschap. In de deltalandschappen zijn, veelal op strategische plekken aan water en handelsroutes, steden en bedrijvigheid ontstaan. De provincie vindt het belangrijk dat ontwikkelingen op de juiste plek landen. Daarbij is leidend dat de provincie Zuid-Holland een aantrekkelijke provincie is om te wonen en te werken en dat de leefomgeving gezond en veilig is. De ruimte is beperkt, waardoor zuinig, duurzaam en efficiënt ruimtegebruik het uitgangspunt is. De omgevingsvisie bevat meerdere ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De ambities worden als volgt geformuleerd: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2.
Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een welvarend Zuid-Holland: groei kwaliteit en volume economie: duurzaam, innovatief en inclusief; 5. Naar vitale balans water, natuur en landbouw: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, samenhangende aanpak is nodig; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidsdoelen en beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling is het beleidsdoel ‘Wonen’ relevant. 5.2.1.2 Wonen Het beleidsdoel wonen richt zich op voldoende betaalbare huisvesting voor iedereen. Hiervoor moeten er op korte termijn veel betaalbare woningen worden toegevoegd. Hierbij is het streven dat minimaal 30% van de woningvoorraad uit sociale huur bestaat. In de periode 2022-2030 zullen er ongeveer 248.000 woningen moeten worden toegevoegd. Gelet op de snelheid waarmee nieuwe woningen benodigd wordt het realiseren van flexwonen gezien als ‘flexibele schil’’ om de bestaande woningvoorraad.
Daarnaast wordt er toekomstbestendig gebouwd, zodat er zorg wordt gedragen voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Toekomstbestendige bouw bestaat onder andere uit energiepositief, klimaatbestendig en waterrobuust. 5.2.1.3 Toetsing initiatief aan omgevingsvisie provincie Zuid-Holland Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de functiewijziging naar wonen binnen stedelijk gebied. Met het voornemen wordt een toekomstbestendig vervolg gegeven aan het plangebied. Tot slot wordt een bedrijfsfunctie in een overwegend woongebied omgezet naar wonen wat ten goede komt van het huidig woon- en leefklimaat. De woning wordt niet aan de voorraad onttrokken, maar door de functiewijziging juist bereikbaar gemaakt voor een bredere doelgroep. Om de woning te kunnen bewonen hoeft er namelijk niet langer een relatie te zijn met een bedrijf. Dat draagt bij aan de woonthema’s vanuit provincie en gemeente. Geconcludeerd wordt dat het voornemen bijdraagt aan de ambities en beleidsdoelen zoals deze zijn verwoord in de provinciale omgevingsvisie. 5.2.2
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In voorliggend geval zijn met name de artikelen 7.43, 7.43a, 7.43c, 7.45, 7.45c en 7.77 van belang.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a.
inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten, genoemd in bijlage IX, onder A.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.45 (ladder van duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g; 2.
Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Artikel 7.45c (bereikbaarheid) Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Artikel 7.77 (vrijwaringszone provinciale vaarwegen) 1. Een omgevingsplan voor een gebied binnen de vrijwaringszone provinciale vaarwegen, bedoeld in artikel 2.7, houdt rekening met het voorkomen van belemmeringen voor: a. de vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; b. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; d. de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten; e. het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciaal vaarweg. 2. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het eerste lid wordt advies gevraagd aan de vaarwegbeheerder. 3. De breedte van de vrijwaringszone provinciale vaarweg gemeten vanuit de oever, bedraagt: a.
10 m aan weerszijden van een recht vaarwegvak; b. 15 m in een buitenbocht; c. 25 m in een binnenbocht.
Toetsing initiatief aan artikel 7.43, 7.43a en 7.43c De voorgenomen ontwikkeling valt onder ‘inpassen’ als bedoeld in artikel 7.43 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De planologische functiewijziging vindt plaats in een woongebied en past zodoende goed in de omgeving, zonder dat wijzigingen op structuurniveau plaatsvinden. Er is geen sprake van een aanpassing van de ruimtelijke kwaliteit waardoor de ontwikkeling blijft binnen de bestaande ruimtelijke structuur en de gebiedsidentiteit. De ruimtelijke kwaliteit blijft zodoende met het voornemen minimaal gelijk. Gesteld kan worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse verbeterd door de wijziging van bedrijf naar wonen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld Toetsing initiatief aan artikel 7.45 In paragraaf 4.2 is uitgebreid ingegaan op de ‘ladder van duurzame verstedelijking’. Hieruit blijkt dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Toetsing initiatief aan artikel 7.45c In de bestaande situatie is er al sprake van voldoende parkeergelegenheid op eigen erf en is er al sprake van verkeersgeneratie van de (bedrijfs)woning. Geconcludeerd wordt dat de verkeerssituatie ter plaatse zal verbeteren aangezien de bedrijfsmatige activiteiten zullen stoppen. Toetsing initiatief aan artikel 7.77 Met het voornemen wordt er ruimtelijk gezien op de locatie niks gewijzigd of aangepast. De huidige doorgang en situatie blijft behouden. Er is geenszins sprake van een belemmering ten opzichte van de huidige situatie zoals bedoeld in artikel 7.77. In het kader van een goede participatie wordt het plan wel aangeboden bij de vaarwegbeheerder. 5.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciale beleid
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het beleid van de provincie Zuid-Holland.
5.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijke beleid is verwoord in tal van beleidsplannen het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie Kaag en Braassem en de nota parkeernormen. 5.3.1
Omgevingsvisie Kaag en Braassem
5.3.1.1 Algemeen De samenleving verandert. Er is vergrijzing, grotere culturele diversiteit, een veranderende arbeidsmarkt, een groter verschil in gezondheid en persoonlijke voorkeuren, specifieke zorg, nieuwe woonvormen, een veranderend klimaat. De gemeente ziet een gemeente die meer taken en verantwoordelijkheden krijgt, die vaker regionaal samenwerkt. Er zijn gemeenschappen en dorpen die initiatief nemen: energiecoöperaties die worden opgericht, sportverenigingen die meer dan een sportclub zijn. Deze veranderende samenleving vraagt om een gemeente die mee verandert. Een gemeente die niet afwacht, maar zelf alvast aan de slag gaat om er tijdig klaar voor te zijn en vernieuwing in gang zet. Het vraagt ook om een gemeente die midden in de samenleving staat en die weet wat er speelt. Bijvoorbeeld door een stap naar voren, opzij of achteren te zetten om zo ruimte te bieden aan alles wat er in de gemeente gebeurt en kan gebeuren. Door de krachten te bundelen met inwoners, ondernemers en organisaties, kan gezamenlijk de ambities en opgaven voor de toekomst opgepakt worden. 5.3.1.2 Gebiedstype ‘Kernen’ De gemeente wordt in de visie opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s.
In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘Kernen’. De specifieke uitgangspunten voor dit gebiedstype zijn:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld 1. Het wordt wenselijk geacht om (agrarische) bedrijfsbestemmingen in en rondom de kern te wijzigen naar bijvoorbeeld woningbouw, om zo bedrijfsbestemmingen te clusteren op de bedrijventerreinen en het woon- en leefklimaat in de kernen te verbeteren. 2. Binnen sommige kernen zijn er karakteristieke gebieden (voorheen: beschermde dorpsgezichten). Denk bijvoorbeeld aan het haventje bij de Witte Singel in Roelofarendsveen, de Julianalaan op Kaag en de Kerkstraat-Veerstraat in Oude Wetering. Deze straatbeelden moeten zoveel mogelijk behouden blijven en dus worden ontwikkelingen in deze linten voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal: • • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
5.3.1.3 Wonen in Kaag en Braassem Een dak boven je hoofd hebben is één van de basisbehoeften van de mens. Kaag en Braassem is een mooie woongemeente en dat willen ze ook blijven. Een gemeente met aantrekkelijke kernen in het Groene Hart, die zich onderscheidt van andere gemeenten door haar unieke ligging en woonmilieus. Maar de druk op de woningmarkt is groot. Er is een grote wachtlijst voor de sociale huursector, er is behoefte aan meer huur- en koopwoningen in het (betaalbare) middensegment en er is sprake van specifieke huisvestingsvraagstukken voor doelgroepen. Ingezet wordt op het sneller realiseren van woningen, met de focus op het sociale en betaalbare segment. De gemeente vindt dat alle doelgroepen evenredig aan de behoefte aan bod moeten komen op de woningmarkt. Er is dan ook aandacht voor (het realiseren van) een grote mate aan diversiteit in woningtypes om betaalbaar en geschikt wonen mogelijk te kunnen maken voor iedereen. Daarbij is de leefbaarheid van de kernen is van groot belang. Een voldoende aanbod van woningen die zoveel als mogelijk aansluit bij de specifieke behoefte van die kern draagt bij aan het behoud van de voorzieningen en de vitaliteit van het verengingsleven. Daarom wordt ingezet op woningbouwontwikkelingen in elke kern van de gemeente.
Bij elke ontwikkeling wel rekening houdend met de ruimtelijke kwaliteit, met de focus op ‘passend in de omgeving’. Plannen die aan deze criteria voldoen kunnen dan ook op de volle steun rekenen van de gemeente, ook als deze op gespannen voet staan met het contourenbeleid van de provincie Zuid-Holland. Woningbouwplannen richten op de behoefte De gemeente zet zich in op de behoefte van de inwoners en kernen van Kaag en Braassem, rekening houdend met de regionale afspraken. Nieuwbouwplannen in de kernen zijn in eerste instantie bedoeld voor de eigen inwoners en hier zijn nu al verschillende vormen van maatwerk voor om dit te waarborgen. De gemeente zet hiervoor de reeds bestaande en mogelijke toekomstige wettelijke mogelijkheden zo optimaal mogelijk in. Het woningbouwproject Braassemerland voorziet daarbij ook gedeeltelijk in het huisvesten van mensen van buiten de regio. De ambitie in Kaag en Braassem is: iedereen binnen een redelijke termijn een passende woning op de juiste plek. Als voorbeelden wordt onder andere genoemd: • • •
het gericht toevoegen van woningtypen waar behoefte aan is in de gemeente en/of kern zoals sociale- en middeldure huurwoningen of betaalbare koop tot aan de NHG-grens (in 2022: €355.000). het toevoegen van woningtype voor specifieke doelgroepen, zoals bijvoorbeeld zorgseniorenwoningen (levensloopbestendig) of jongerenhuisvesting; het zoeken naar een oplossing voor een onwenselijke activiteit; bijvoorbeeld een bedrijf met een hoge milieucategorie binnen een dorpskern;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld • •
het realiseren van ruimtelijke kwaliteitswinst; bijvoorbeeld in het kader van de ‘ruimte voor ruimte-regeling’ en/of door het slopen van vervallen bebouwing; het meewerken aan functiewijziging van kantoor- , bedrijfs- of maatschappelijke bestemming naar een woonbestemming, mits dit ruimtelijk en milieutechnisch gezien haalbaar is.
5.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. Zoals reeds gezegd wordt de woning wordt niet aan de voorraad onttrokken, maar door de functiewijziging juist bereikbaar gemaakt voor een bredere doelgroep. Om de woning te kunnen bewonen hoeft er namelijk niet langer een relatie te zijn met een bedrijf. Dat draagt bij aan de woonthema’s vanuit provincie en gemeente Er wordt geen bebouwing gerealiseerd of gesloopt op het perceel. Er verandert feitelijk niks aan de situatie op het perceel, het betreft uitsluitend een planologische wijziging. Met het voornemen wordt gekeken naar de specifieke kwaliteiten en wensen. Hiermee is het plan ‘passend in de omgeving’ en sluit het aan bij de ambities uit de omgevingsvisie van de gemeente Kaag en Braassem. De wijziging van de functie ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ sluit aan bij de visie op dit deelgebied, het wordt wenselijk geacht om (agrarische) bedrijfsbestemmingen in en rondom de kern te wijzigen naar bijvoorbeeld woningbouw, om zo bedrijfsbestemmingen te clusteren op de bedrijventerreinen en het woon- en leefklimaat in de kernen te verbeteren. Het voorliggend verzoek geeft hier uitvoering aan. Geconcludeerd wordt dat het initiatief passend is binnen de omgevingsvisie. 5.3.2
Herziening Nota Parkeernormen 2018
5.3.2.1 Algemeen In 2018 heeft de gemeente Kaag en Braassem de Nota Parkeernormen 2018 vastgesteld. Vanaf dat moment was de nota het toetsingskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Dit blijft, alleen in 2025 heeft er een relatief kleine herziening plaatsgevonden om meer scherpte aan te brengen in de verschillende type ruimtelijke ontwikkelingen. Waarbij ook duidelijker wordt aangegeven wanneer salderen wel en niet een mogelijkheid is. Na deze wijziging wordt er gesproken van de Herziening Nota Parkeernormen 2018. Het doel van de ‘Nota parkeernormen 2018’ is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Deze doelstelling wordt niet gewijzigd met deze herziening. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het hanteren van deze normen heeft als doel te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij ruimtelijke ontwikkelingen in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Met de voorliggende parkeernota worden de volgende effecten beoogd: • • • •
Het waarborgen van de bereikbaarheid; Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen.
5.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Herziening Nota Parkeernormen 2018 In paragraaf 3.2 is het voornemen getoetst aan de parkeerbehoefte en desbetreffende Nota. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt doormiddel van een wijziging van het omgevingsplan moet de gestelde regel terug moeten komen. Zodoende is in voorliggend TAMOmgevingsplan de regels omtrent parkeren geborgd. Hierin is aangegeven dat voldaan moet worden aan de parkeernormennota van de gemeente Kaag en Braassem. Op deze manier bestaat er een koppeling tussen onderdelen van het tijdelijke omgevingsplan en deze nota. Geconcludeerd wordt dat het voornemen passend is binnen de Nota parkeernormen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld 5.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
OMGEVINGSVEILIGHEID
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). 6.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan de hand van de risicokaart van Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.1 is een uitsnede weergegeven. Het plangebied is met een rode ster aangeduid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
Afbeelding 6.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uit de inventarisatie blijkt dat er ter plaatse van het plangebied en in de nabije omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico op de projectlocatie. 6.3
Conclusie
Het plangebied ligt niet binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s. Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Westerdijk 56a, Leimuiden Vastgesteld
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
7.1
Vigerend beleid
7.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3
Provinciaal beleid
Het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 fungeert als een strategisch kader voor het waterbeleid in de provincie, met een sterke focus op samenwerking, duurzaamheid en het anticiperen op toekomstige uitdagingen in waterbeheer. Het RWP brengt alle watergerelateerde beleidsaspecten samen in één document, inclusief verplichte onderwerpen zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Daarnaast behandelt het programma thema's als zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Deze integrale benadering biedt een helder overzicht van de provinciale aanpak en benadrukt de samenhang tussen verschillende watergerelateerde onderwerpen. De belangrijkste speerpunten zijn: • • • • •