NL.IMRO.1884.BPZWETWEG5-VAS1 toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Zwetweg 5, Woubrugge Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPZWETWEG5-VAS1
Datum:
18-03-2024
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. K. Lodewijks | dhr. J. Brem
Kenmerk Buro SRO:
SR230296
Opdrachtgever:
Fam. Linting
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied......................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................................... 7
2 Het initiatief ........................................................................................................................................ 8 2.1 Huidige situatie ............................................................................................................................................. 8 2.2 Toekomstige situatie ..................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid .......................................................................................................................................... 11 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................................ 12 3.3 Regionaal beleid .......................................................................................................................................... 17 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................... 18
4 Haalbaarheid ................................................................................................................................... 20 4.1 Milieueffectrapportage ............................................................................................................................... 20 4.2 Milieu .......................................................................................................................................................... 21 4.3 Waterhuishouding....................................................................................................................................... 28 4.4 Ecologie ....................................................................................................................................................... 30 4.5 Archeologie ................................................................................................................................................. 31 4.6 Cultuurhistorie ............................................................................................................................................ 32 4.7 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................... 32
5 Juridische planbeschrijving ............................................................................................................. 34 5.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 34 5.2 Toelichting ................................................................................................................................................... 34 5.3 Verbeelding ................................................................................................................................................. 34 5.4 Planregels .................................................................................................................................................... 34 5.5 Wijze van bestemmen ................................................................................................................................. 35
6 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................ 36 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................. 37 7.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 37 7.2 Verslag vooroverleg .................................................................................................................................... 37 7.3 Verslag zienswijzen ..................................................................................................................................... 38
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe woning te realiseren op het perceel aan Zwetweg 5 te Woubrugge (gemeente Kaag en Braassem). In de huidige situatie betreft de planlocatie een bouwvlak van een agrarisch perceel, Het initiatief voor de ontwikkeling van een burgerwoning in het plangebied is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Burgerwoningen zijn niet toegestaan binnen de ter plaatse van toepassing zijnde bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Ten behoeve van het planvoornemen heeft de initiatiefnemer daarom een principeverzoek ingediend bij de gemeente. Hierop gaf de gemeente aan onder voorwaarden medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Daarbij is de belangrijkste voorwaarde dat met de ontwikkeling één vrijstaande woning wordt gerealiseerd, i.p.v. de twee woningen die er met het principeverzoek beoogd werden. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Omdat het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kent en een buitenplanse afwijking op grond van de 'kruimellijst' evenmin tot de mogelijkheden behoort is een herziening van het bestemmingsplan vereist. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied aan de Zwetweg 5 te Woubrugge ten noordoosten van de kern van Woubrugge. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich het Braassemermeer. Het plangebied staat kadestaal bekend onder Woubrugge, sectie C, perceelnummer 2848. Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en globale begrenzing van het plangebied. Het plangebied wordt omringd door agrarische gronden.
Globale ligging plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', vastgesteld op 28 mei 2018 door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. De gronden van het plangebied beschikken hierin over de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'.
Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden van het plangebied voorzien van de bestemming 'agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' en van een bouwvlak. Het bouwvlak beschikt
6
over de functieaanduiding 'wonen uitgesloten', ter plaatse van deze aanduiding zijn geen (bedrijfs)woningen toegestaan.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
7
2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het betreffende perceel is langgerekt en strekt zich over een breedte van circa 300 meter uit langs de Zwetweg. Centraal op dit langgerekte perceel bevindt zich een concentratie van bebouwing in de vorm van diverse opstallen en schuren. Het perceel aan weerszijden van dit bouwvlak bestaat uit onbebouwde agrarische gronden. Deze agrarische gronden zijn momenteel in gebruik als grasland voor koeien en schapen van een aangrenzend agrarisch perceel. In de schuren op het bouwvlak hebben in het verleden paarden, kalveren, schapen en konijnen gestaan. Momenteel zijn ze in gebruik als opslagruimte. Binnen het bouwvlak van circa 1.340 m² is momenteel 540 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Het bouwvlak vertoont in de huidige situatie een rommelig beeld. De grote schuur aan de westzijde van het perceel is onlangs opgeknapt. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie van het plangebied.
Impressie huidige situatie plangebied, gezien vanaf de Zwetweg (bron: Google Streetview)
8
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemers hebben het voornemen om op de locatie aan de Zwetweg 5 een woning te bouwen en een groot deel van de huidige bebouwing te slopen, met uitzondering van de onlangs opgeknapte grote schuur aan de westzijde van het perceel. Met het voornemen wordt er circa 385 m² aan agrarische bebouwing verwijderd en komt het bouwvlak van circa 1.340 m² voor agrarische bebouwing te vervallen. De nieuwe woning zal gesitueerd worden binnen het gebied dat in het bestemmingsplan als bouwvlak is aangemerkt. De overige agrarische gronden rondom het bouwvlak worden intact gehouden.
Beoogde inrichting plangebied (bron: Buro SRO)
In de beoogde situatie wordt er uitgegaan van een open erf aan het lint waaromheen de te behouden schuur en de nieuwe woning gegroepeerd staan. Op het erf is ruimte voor twee parkeerplaatsen en een groenvlak met beplanting en een fraaie grote boom. Hiermee ontstaat een aantrekkelijk beeld aan het lint. De woning is gelegen aan de oostzijde van het voormalige bouwvlak en is aan de voorzijde georiënteerd op het erf en het lint. De erfafscheiding varieert tussen een bomenrij of landschappelijke haag aan de west- en zuidzijde ter afscherming van het perceel en een lage haag aan de oost- en zuidoostzijde. Met deze afscheidingen krijgt de woning de nodige privacy en ook zicht op het landschap en aansluiting in het lint. Het bouwvlak voor de beoogde woning bedraagt 10 bij 14 meter. De woning komt met de kap evenwijdig aan het lint te staan zodat er een gevarieerd beeld ten opzichte van de schuur ontstaat. Stedenbouwkundige motivatie Het hiervoor omschreven schetsvoorstel betekent een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het bebouwingsbeeld. Zowel bezien vanuit het lint als het omliggende open landschap. Storende bebouwing op een rommelig perceel wordt immers verwijderd en hier komt een aantrekkelijk, groen ingericht erf met een representatieve woning voor in de plaats. Met de realisatie van de woning verbetert daarnaast de landschappelijke inpassing.
Erfafscheidingen in de vorm van natuurlijke hagen of bomenrijen aan de zuidwestelijke zijde vervangen hier de rommelige blinde gevels van de bestaande schuren. Tuin, erfje en lage hagen vervangen het rommelige opslagterrein aan de lintzijde. Niet alleen ten opzichte van de huidige situatie verbetert de kwaliteit. Ook het komen te vervallen van bestaande bouwmogelijkheden van ruim 1.300 m² aan agrarische bebouwing betekent een
9
kwaliteitsverbetering. Ten slotte zal er in de nadere uitwerking van de plannen veel aandacht uitgaan aan de hoogwaardige en duurzame uitvoering van de woning en het erf. Een uitvoering als een houten woning in de vorm van 'schuurwoning' passend bij het agrarische karakter en zoveel mogelijk energieneutraal is het streven.
10
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is niet specifiek van toepassing op de beoogde ontwikkeling.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen, die de nationale belangen uit de SVIR juridisch borgen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen; het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden.
11
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, wordt deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Het voorgenomen plan heeft betrekking op realisatie van één nieuwe woning en wordt daarom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Desalniettemin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de ontwikkeling worden aangetoond. Uit toelichting paragraaf 3.3.2 en toelichting paragraaf 3.4.1 blijkt dat er zowel regionaal als gemeentelijk een behoefte aan woningen is. Voorliggend plan komt aan deze behoefte tegemoet. Het voorgenomen plan hoeft niet nader getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur;
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;
het bodem- en watersysteem;
12
•
energie.
2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
•
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.
13
Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich op een ondergrond met bijzonder reliëf en aardkundige waarden. ZuidHolland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre) historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Richtpunten voor dit gebied zijn het in stand houden van de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap en de archeologische waarden van de structuren meer herkenbaar maken bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezien de schaal van het plangebied zal de ontwikkeling geen invloed hebben op de patronen en het reliëf van de ondergrond. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in een droogmakerijenlandschap. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden.
Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Richtpunt voor deze kaartlaag is dat nieuwe ontwikkelingen worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. Met de uitvoering van dit plan wordt het patroon van de verkavelingin stand gehoudenen en worden de ruimtelijke doorzichten verbetert door het verwijderen van meerdere schuren. Laag van de beleving De Zwetweg maakt deel uit van het netwerk van fiets- en wandelroutes. Dit netwerk verbindt een verscheidenheid van stedelijke en landschappelijke gebieden, natuur- en recreatiegebieden en andere toeristische trekpleisters. Dit netwerk is bedoeld als ontsluiting, maar ook als middel om stad en landschap van Zuid-Holland te ervaren. Richtpunten voor deze kaart zijn het vermijden van (nieuwe) obstakels en omwegen in het recreatief netwerk en het koppelen van recreatieve voorzieningen aan recreatieknooppunten.
De beoogde ontwikkeling is hier niet strijdig mee en zorgt voor een verbetering van de beeldkwaliteit langs de route. De beleidskeuzes uit de omgevingsvisie die relevant zijn voor voorliggend plan komen navolgend aan bod. Wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeente, marktpartijen en woningcorporaties, in voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van woningcorporatie. Met de beoogde ontwikkeling wordt er één nieuwe woning gerealiseerd. Dit levert een bijdrage aan het doel om te voorzien in voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Door het grotendeels slopen van de bestaande bebouwing en de realisatie van een woning die zorgvuldig wordt ingepast verbetert de ruimtelijke kwaliteit op en rond deze locatie. Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie wil zoveel mogelijk bouwen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De planlocatie ligt in het gebied dat is aangemerkt als landelijk
14
gebied. Omdat de hoeveelheid bebouwing op deze locatie afneemt en de ontwikkeling slechts één woning betreft is er hier geen sprake van verstedelijking. Door de beoogde ontwikkeling is er tevens sprake van een vermindering van verharding in het plangebied. Toekomstbestendig bouwen De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Met voorliggend plan wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De woning zal energieneutraal en klimaatbestendig uitgevoerd worden. Bovendien wordt de woning zorgvuldig ingepast in het landschap. De beoogde ontwikkeling is daarmee toekomstbestendig. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. Er vindt geen aantasting van de ruimtelijke kwaliteit plaats. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland en in lijn is met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening.
De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, zoals aan bod is gekomen in toelichting paragraaf 3.2.1, en geen wijziging op structuurniveau veroorzaakt. Daarmee is het plan in lijn met artikel 6.9 lid 5 en kan voorzien worden in de ruimtelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de sloop van een aantal schuren en de realisatie van een nieuwe woning. Het plangebied ligt in het lint van de Zwetweg, wat niet deel uitmaakt van het stedelijk gebied. Omdat er in het plangebied reeds bebouwing aanwezig is die gesloopt zal worden en de beoogde woning per saldo tot minder bebouwing leidt blijft het onderscheid tussen stad en buitengebied intact. Bovendien worden de erfafscheidingen en hagen voor de voorgevel laag gehouden om de doorzichten en openheid te behouden en markeren de hogere landschappelijke
15
erfafscheiding het bebouwde perceel. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met artikel 6.9a van de omgevingsverordening. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. In deze paragraaf is reeds beschreven dat het plan niet gezien wordt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nadere toetsing aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is daarom niet aan de orde. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
- Wateroverlast Uit de Klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat op de beoogde locatie van de woning geen sprake is van overlast bij extreme neerslag. De neerslag die er valt zal infiltreren in de bodem. Specifieke maatregelen met betrekking tot wateroverlast worden daarom niet nodig geacht. - Overstroming Uit raadpleging van de overstromingskaart van de Klimaatatlas van Zuid-Holland blijkt dat er ter plaatse van het plangebied een kleine overstromingskans van toepassing is. Voor de primaire waterkeringen geldt een overstromingsbeeld van <0,5 m. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet nodig geacht. - Hitte Ter plaatse van het plangebied is het op dit moment ongeveer dezelfde temperatuur als in de omgeving. Door de plaatsing van de woning met bij behorende erfinrichting zal de hoeveelheid verharding hier afnemen en is het niet aannemelijk dat de hittestress hier toeneemt. Specifieke maatregelen met betrekking tot hitte worden daarom niet nodig geacht. - Droogte In het plangebied is, op basis van de Klimaatatlas, droogte geen probleem. Specifieke maatregelen met betrekking tot droogte worden niet nodig geacht. Beschermingscategorie 3 buitengebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt.
In artikel 6.9a van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden:
16
a. b. c. d.
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Omgevingsagenda 2040 Op 11 juni 2021 hebben de gemeenten Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Voorschoten, Teylingen en Zoeterwoude gezamenlijk de eindversie van de Regionale Omgevingsagenda gepresenteerd. De omgevingsagenda van de regio Holland-Rijnland bespreekt hoe op integrale wijze alle ruimte-vragende functies een plek kunnen krijgen in de regio of waar keuzes gemaakt moeten worden. Dat leidt tot de integrale hoofdopgave: zoeken naar balans. Deze omgevingsagenda helpt bij het maken van richtinggevende keuzes voor de toekomst. In ieder geval stelt de regio zichzelf de volgende doelen: 1. 2. 3. 4. 5.
versterken kenniseconomie en complementaire bedrijvigheid; realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting; investeren in infrastructuur voor mobiliteit en energievoorziening; creëren van voldoende plekken voor het opwekken van duurzame energie; bieden van een toekomstperspectief voor het landschap.
Met de Regionale Omgevingsagenda zet de regio een stip op de horizon. Zo levert Holland Rijnland een bijdrage aan nationaal en provinciaal beleid en bestaande afspraken over verstedelijking, economie en mobiliteit. Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt een nieuwe woning gerealiseerd in het lint van de Zwetweg. Dit raakt aan de vijfde ambitie 'bieden van een toekomstperspectief voor het landschap. Er wordt een nieuwe bestemming toegekend aan het perceel, waardoor de landschappelijke kwaliteit ter plaatse kan verbeteren en het perceel een meer duurzame invulling krijgt. Waar het nu een verrommeld terrein is met oude opstallen kan er straks een nieuwe woning komen met goede landschappelijke inpassing. Gesteld kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de Regionale Omgevingsagenda 2040.
3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2023. In de Regionale Woon Agenda 2023 (vastgesteld op 6 juni 2023) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal en subregionaal geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de woningbehoefte. Om hier aan te voldoen heeft de regio een aantal afspraken gemaakt over de woningbouwproductie tot en met 2030 en daarna. Ten eerste voegt de regio 30.500 woningen toe tussen 2021 en 2030. Vervolgens is het aantal te bouwen woningen verdeeld onder de drie subregio's van Holland Rijnland.
17
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling van de woning draagt bij aan de kwantitatieve behoefte aan woningen in de regio. Specifiek voor de subregio Oost waar de gemeente Kaag en Braassem deel van uitmaakt. Het aantal te bouwen woningen in de gehele regio is verdeeld onder de drie subregio's, voor subregio Oost is uitgegaan van 9.500 tot 11.000 woningen tot 2030. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Kaag en Braassem.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie staan de volgende ambities opgenomen:
• • • •
Woningbouwplannen richten op de behoefte. Doorstroming bevorderen. Huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen realiseren. Het definiëren van 'wat is passend in de omgeving?'.
Bij nieuwe ontwikkelingen worden de volgende specifieke uitgangspunten gehanteerd:
• • •
er wordt rekening gehouden met de omgeving; nieuwe ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van het gebied; ruimte voor recreatie en bedrijvigheid;
18
• •
men maakt zich hard voor een prettige leefomgeving die schoon, heel en veilig is; aandacht voor duurzaamheid in relatie tot de fysieke omgeving.'
Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek In de beoogde situatie vindt een grote kwaliteitsverbetering plaats ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt bijgedragen aan een prettige leefomgeving die schoon, heel en veilig is. Er wordt rekening gehouden met de omgeving door de openheid en karakteristiek van het gebied te behouden. Tot slot past de ontwikkeling bij de aard en schaal van het gebied. Ten opzichte van de huidige situatie met bedrijfsbebouwing op het perceel dat niet meer in goede staat verkeerd, zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verbeterde situatie waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de woningvoorraad. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype 'buitengebied', specifiek binnen het subgebiedstype 'droogmakerij'. De ambitie van de gemeente voor het buitengebied is om deze zo open mogelijk te houden, maar om ook ruimte te bieden voor woningbouw.
De ambitie voor het subgebied is het behouden en versterken van de landbouw en de biodiversiteit. De beoogde ontwikkeling past binnen de ambities voor het buitengebed. Er wordt een nieuwe woning gerealiseerd waarbij de openheid van het landschap wordt bevorderd. Hoewel voorliggend plan niet voorziet in het stimuleren van landbouw, vindt er ook geen beperking plaats voor omliggende akkerbouw en/of veeteelt. Tevens wordt door de toename van groen in de beoogde ontwikkeling meer ruimte gecreëerd voor biodiversiteit dan in de huidige situatie. Gesteld kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de omgevingsvisie Kaag en Braassem. 3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid.
Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de rijksmonumenten, karakteristieke panden en karakteristieke gebieden. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een rijksmonument, karakteristieke pand of in een karakteristieke gebied zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Uit het raadplegen van de welstandskaart, horend bij de welstandsnota, blijkt dat de planlocatie is gelegen in een welstandsluw gebied. Er worden vanuit de welstandsnota geen nadere voorwaarden gesteld aan de ontwikkeling.
19
4 Haalbaarheid In het kader van een ‘goede’ ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete
20
omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het bestemmingsplan voorziet de realisatie van een woning in het buitengebied van Woubrugge. De planlocatie ligt in een open en agrarisch gebied met zeer verspreide woningen en bedrijfsbebouwing. Ook kan de omgeving van het plangebied niet worden omschreven als (stedelijke) lintbebouwing. Dit betekent dat er in deze situatie, voor het realiseren van een enkele alleenstaande woning, geen sprake is en kan zijn van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder D 11.2. van de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en een vormvrij m.e.r.beoordeling niet aan de orde is.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Met behulp van dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek Onderhavig plan voorziet in een bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' naar 'Wonen', waardoor sprake is van een strenger bodemgebruik. Bij een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik dient aangetoond te worden dar de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Er is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 uitgevoerd (Inventerra, d.d. 19 oktober 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 1). De bevindingen en adviezen worden hieronder samengevat. Bodemonderzoek In verband met het gevoeliger bodemgebruik is er een bodemonderzoek uitgevoerd. Gezien het agrarisch gebruik van het bouwvlak is er uitgegaan van een verdachte locatie, waaronder ook verdacht voor asbest.
Om deze reden is er ook een asbestonderzoek uitgevoerd. Bij het asbestonderzoek is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Uit het bodemonderzoek blijkt dat de bodem van het plangebied licht verontreinigd is. De kleiige bovengrond waar merendeels van het plangebied uit bestaat is licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK en minerale olie. De bovengrond ter plekke van de opslag van oliën in de oostelijke schuur is licht verontreinigd met kwik, lood en PAK. De venige ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood. Ter plekke van de onderzoekslocatie voor grondwater doormiddel van peilbuis is lichte verontreiniging met naftaleen aangetroffen. Conclusie Concluderend is heeft het bodemonderzoek en het asbestonderzoek aangetoond dat de bodem van het plangebied niet asbesthoudend is, maar dat zowel de bovengrond als de ondergrond licht verontreinigd is met diverse stoffen. Ook geeft een meting van het grondwater lichte verontreiniging aan. Deze verhoogde gehaltes zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet nodig zijn. De bevindingen van het bodemonderzoek en het asbest onderzoek vormen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
21
4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM 10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal maar een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt immers slechts één nieuwe woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,7 μg/m³ PM10, 8,3 μg/m³ PM2,5 en 13,1 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Er wordt echter niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald.
Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in 2030.
22
Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Een woning is een geluidsgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. In dit kader dienen de geluidbronnen uit de Wgh te worden beschouwd. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Zwetweg waar een snelheidsregime geldt van 60 km/uur. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek naar geluidsbelasting uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, d.d. 16 oktober 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet door de geluidsbelasting van het wegverkeer op de Zwetweg/Woudsedijk-Zuid wordt overschreden. Na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 46 dB. Er hoeft voor de geluidsbelasting door wegverkeer geen hogere waarden aangevraagd te worden. Railverkeerslawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Desalniettemin is in het kader van het bedrijven en milieuzonering wel gekeken naar het geluid van de omliggende bedrijven.
Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 4.2.4. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de Wgh geen belemmeringen vormen voor het initiatief. 4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).
23
Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt.
Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. Het plangebied is gelegen aan een bebouwingslint waar (agrarische) bedrijven en woningen voorkomen waardoor de omgeving aangemerkt kan worden als gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap verminderd kunnen worden, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Met dit bestemmingsplan wordt het toevoegen van een woning mogelijk gemaakt. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Hierdoor moet worden bepaald of de beoogde ontwikkeling omliggende bedrijven niet belemmerd in de uitvoering van haar bedrijfsactiviteiten. Indien de nieuwe woningen binnen de milieucontour van een bestaand bedrijf liggen, zal dit het betreffende bedrijf kunnen hinderen in zijn bedrijfsvoering en doet dit mogelijk afbreuk aan het woon- en leefklimaat bij de woningen. Rondom het plangebied bevinden zich alleen agrarische gronden. Het enige agrarische bouwvlak komt met de ontwikkeling te vervallen. Drift gewasbeschermingsmiddelen In verband met de omliggende agrarische gronden is in beeld gebracht of er in de omgeving van het plangebied gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
De omliggende gronden beschikken over de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Deze gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf zoals genoemd in lid 1.8 onder a: a.
grondgebonden veehouderij: het, geheel of nagenoeg geheel op open grond, houden van melk- en ander vee alsmede het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waarbij het africhten van en de handel in paarden in ondergeschikte mate is toegestaan;
24
De teelt van gewassen is hier niet toegestaan, er worden dan ook geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Ter plaatse van de aanduiding 'sierteelt' is de teelt van gewassen wel toegestaan. Op circa 170 meter van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen met de functieaanduiding 'sierteelt'. Het is mogelijk dat hier gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Echter kan de afstand van de vuistregel verkleind worden als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. De ABRvS geeft in haar uitspraak van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2373) aan dat het mogelijk is om bij vollegrondsteelt van gewassen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, af te wijken van de vuistregel van 50 m. Bij dergelijke vollegrondsteelt worden gewasbeschermingsmiddelen, in tegenstelling tot boom- en fruitteelt, op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden.