CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPWESTEINDE25-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 22 april 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Westeinde 25, Leimuiden'.15.922 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met het voorliggende bestemmingplan wordt een gevoelige bestemming (woning) mogelijk gemaakt. Derhalve dient beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of bedrijvigheid in de omgeving niet wordt belemmerd als gevolg van het plan. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' is gekeken of er voldaan wordt aan de richtafstanden. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt, gezien de ligging aan de rand van de kern Leimuiden en door de mix van (agrarische) bedrijvigheid en wonen, aangemerkt als 'gemengd gebied'.

25

In navolgende tabel zijn de relevante bedrijfsactiviteiten in de omgeving weergegeven. Activiteit

Adres

Milieucategorie (maximaal toegestaan)

Richtafstand gemengd gebied

Voldoet?

100 m

Minimale afstand tot beoogd bouwvlak 51 m

Scheepsbouw- en reparatiebedrijf Scheepsbouw- en reparatiebedrijf Jachtwerf en schoonspuiterij Betonfabriek

Westeinde 10

4.1

Westeinde 16/17 Westerdijk 1a

4.1

100 m

57 m

Nee

4.1

100 m

24 m

Nee

Westerdijk 14a-18b

5.2

300 m

181 m

Nee

Nee

Westeinde 10 Ten noordwesten van het plangebied, aan het Westeinde 10, bevindt zich een bedrijfsperceel. In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' hebben de gronden een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw- en reparatiebedrijf'. Hier zijn bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 4.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter in gemengd gebied. De afstand van het bouwvlak van de bedrijfsbestemming tot aan de planlocatie bedraagt ca. 51 meter, waarmee niet aan de richtafstand wordt voldaan. Het is mogelijk gemotiveerd af te wijken van de richtafstanden. Tussen de planlocatie en de bedrijfsbestemming zijn al woningen aanwezig. Dit betekent dat het bedrijf niet wordt belemmerd door de realisatie van de beoogde woning. Daarnaast vinden er op het perceel geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. De gronden zijn reeds verkocht aan een investeerder die hier (woning)bouwplannen heeft. Het heeft daarmee geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woning. Westeinde 16-17 Ten westen van de planlocatie, aan het Westeinde 16-17, bevindt zich een bedrijfsperceel. Ook deze gronden beschikken over de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw- en reparatiebedrijf'.

Hier zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan tot categorie 4.1 van de staat van bedrijfsactiviteiten, waarvoor een richtafstand geldt van 100 meter in gemengd gebied. De afstand van de bedrijfsbestemming tot aan de planlocatie bedraagt ca. 57 meter. Daarmee wordt niet aan de richtafstand voldaan. Ook voor deze inrichting geldt dat er andere woonbestemmingen op een kortere afstand zijn gelegen van de planlocatie, waardoor het bedrijfsperceel niet wordt belemmerd door de nieuwe woning. Daarnaast vinden ook hier geen bedrijfsactiviteiten meer plaats, maar is het in gebruik als loods (opslag) en hobbyschuur voor particulier gebruik. Het heeft daarmee geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woning. Westerdijk 1a Ten zuiden van de planlocatie, aan de overzijde van de Drecht, bevindt zich Jachtwerf Kraan. Het bedrijf is voorzien van een moderne afspuitplaats en een inzamelstation voor bilgewater en huishoudelijk afvalwater. Ingevolge het geldende bestemmingsplan is het een bedrijf met milieucategorie 4.1, waarbij het aspect geluid maatgevend is. Jachtwerf Kraan heeft een havengedeelte waarbij ca. 40 ligplaatsen worden aangeboden voor de recreatievaart, tussen deze ligplaatsen bevinden zich woonarken/boten waar mensen wonen. Verder heeft Jachtwerf Kraan zomer- en winterstalling (250 boten) waarvan ca. 1600 m² overdekte winterstalling.

In de winter worden alle boten uit het water gehaald en gedurende de hele winter staat het gehele achterterrein (perceel 3872) vol met de buitenstalling en in de twee loodsen (perceel 1434) de binnenstalling. De boten worden vooral in de maand april te water gelaten en in de maand oktober/november er uitgehaald. Deze werkzaamheden van in- en uit halen van boten wordt uitgevoerd aan de Drecht met een kraan. Jachtwerf Kraan faciliteert daarnaast ook reparatiewerkzaamheden. Dit gebeurt met name wanneer de boten in de winterstalling liggen. De reparatiewerkzaamheden worden over het algemeen op het achterterrein en in de twee loodsen uitgevoerd. Het geluid dat ontstaat tijdens de

26

reparatiewerkzaamheden wordt dan ook geblokkeerd door de loodsen en de arken/boten waar mensen wonen. Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat er ter plaatse van de beoogde ontwikkeling sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. De jachtwerf Kraan wordt daarnaast niet belemmerd in haar bedrijfsvoering, omdat de werkzaamheden vrijwel alleen aan de andere zijde van de bebouwing (zuidzijde) of in de loodsen uitgevoerd worden. Daarnaast ook omdat de woning Westeinde 24 zich op dezelfde afstand van de Jachtwerf bevindt als de beoogde woning. Hierdoor vormt de beoogde ontwikkeling geen nieuwe belemmering voor de bedrijfsactiviteiten van de jachthaven. Westerdijk 14a-18b Ten zuiden van de planlocatie, op ca. 181 m, is een betonfabriek toegestaan. Conform het geldende bestemmingsplan is dit een betonfabriek met milieucategorie 5.2. Hierbij hoort in gemengd gebied een richtafstand van 300 m, waarbij het aspect geluid maatgevend is. Hoewel de betonfabriek niet meer in gebruik is, zijn hiervoor wel de geldende rechten overgenomen. In het geldende bestemmingsplan is een geluidszone opgenomen voor de betonfabriek, waar het plangebied buiten ligt. Hieruit kan opgemaakt worden dat geluid geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief. Agrarische activiteiten Ten oosten van het plangebied bevinden zich meerdere agrarische percelen.

Op de gronden met een agrarische bestemming kunnen werkzaamheden plaatsvinden met landbouwmachines. Gelet op de bodemkwaliteit en het waterpeil ligt, afgezien van eventuele maïsteelt, de teelt van akkerbouwgewassen niet voor de hand. Sierteelt en bollenteelt zijn überhaupt niet toegestaan op deze gronden, met uitzondering van een- en tweejarige sierteeltgewassen op open grond, zoals zonnebloem, asters en papavers. Het meest waarschijnlijk is het gebruik als grasland voor beweiding en of maaien voor ruwvoederwinning. De frequentie en de omvang van de landbouwmachines die ingezet worden zal relatief beperkt en incidenteel zijn. Er is op de agrarische percelen geen sprake van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Daarmee kan geluidhinder vanwege landbouwmachines en spuitzones redelijkerwijs uitgesloten worden en vormt dit aspect geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van de woning zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied worden niet in hun uitvoering belemmerd.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

27

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor

28

dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (born: risicokaart.nl)

Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied is gelegen op ongeveer 1 kilometer afstand van de A4. De A4 is onderdeel van het landelijke basisnet en heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer als gevolg van het transport van toxische vloeistoffen van de categorie LT3. Dit houdt voor dit plan in dat er rekening mee gehouden moet worden dat bij een calamiteit met het transport van deze stoffen op de A4 een gifwolk kan ontstaan die de locatie kan bereiken. Derhalve dient een beperkte verantwoording van de groepsrisico te worden opgenomen. Beperkte verantwoording groepsrisico Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is goed bereikbaar en kent voldoende ontvluchtingsmogelijkheden. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Het is mogelijk om via Westeinde te ontvluchten. De personen binnen het plangebied zijn zelfredzaam. Ter beperking van de effecten van een gifwolk zijn goedkope en voor de hand liggende maatregelen mogelijk, zoals het centraal en eenvoudig uitschakelbaar en afsluitbaar maken van ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. In de planregels is voor de nieuwe woning een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

29

Risicovolle inrichtingen Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat ongeveer 570 meter ten noordoosten van het plangebied een risicovolle inrichting aanwezig is. Gezien de ruime afstand tot de inrichting en het beperkte invloedsgebied van de inrichting zal deze geen risico vormen voor de beoogde ontwikkeling. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Luchthaven Schiphol Het plangebied is gelegen binnen het beperkingsgebied van het Luchthavenindelingsbesluit. In toelichting paragraaf 3.1.4 is hier nader op in gegaan. Het plangebied is niet gelegen binnen de LIB-4 of LIB-5 contour. Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt op een onbebouwd terrein een vrijstaande woning gerealiseerd. De ontwikkeling gaat mogelijk gepaard met gevolgen voor beschermde natuurgebieden en/of beschermde soorten. Derhalve is voor de ontwikkeling een ecologisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 1 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Beschermde gebieden Het gebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN ligt op een afstand van 500 meter ten noordoosten van het plangebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn Nieuwkoopse Plassen & De Haeck op een afstand van circa 12 kilometer ten zuidoosten van de planlocatie en Kennemerland Zuid, ook op circa 12 kilometer, ten noordwesten van de planlocatie. Gezien de afstand vanaf de planlocatie worden er geen negatieve effecten verwacht op het NNN of de Natura 2000-gebieden. De planlocatie is daarnaast niet gelegen in een gebied uit de strategische reservering natuur of het belangrijk weidevogelgebied. Tevens beschikt het plangebied niet over karakteristieke landschapselementen. Er zijn dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de provinciaal beschermde gebieden.

30

Beschermde soorten Uit het bureauonderzoek volgt dat alleen algemeen voorkomende soorten als meerkoet, krakeend, zilvermeeuw, kokmeeuw, buizerd, merel, mol en egel op de locatie verwacht worden. Tijdens het veldbezoek zijn op het perceel geen bijzonderheden waargenomen. Het perceel betreft een weiland, bemest en gemaaid, waardoor sprake is van weinig diversiteit. Er zijn geen bijzondere waarnemingen gedaan. In de rietkraag kunnen vogels als rietzangertjes voorkomen, maar deze zijn tijdens het locatiebezoek niet waargenomen. Ook is er sprake van dusdanig verstoring door bewoning en recreatie dat schuwe soorten als rietbroeders niet verwacht worden. Conclusie Op basis van de gegevens van het bureauonderzoek en het veldbezoek worden geen zwaar beschermde soorten verwacht binnen het plangebied, alleen algemeen beschermde soorten. Indien aan de zorgplicht wordt voldaan zal met de nieuwbouw van de woning geen sprake zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming. Op basis van de kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling worden geen negatieve effecten verwacht op omliggende beschermde gebieden. Een nader onderzoek of een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Zorgplicht Aan de zorgplicht wordt voldaan als:

•

Tijdens de werkzaamheden soorten als kleine zoogdieren en amfibieën de gelegenheid krijgen om te vluchten;

•

Het eventueel maaien van het riet plaatsvindt buiten het broedseizoen (het broedseizoen loopt globaal van half maart -half juli);

•

Verlichting alleen wordt gericht op de bouw en niet op de omgeving of de watergang.

4.8 Cultureel erfgoed 4.8.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen karakteristieke panden en/of rijksmonumenten aanwezig. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van een karakteristiek gebied en zijn er geen andere cultuurhistorische elementen te vinden. Daarmee dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. 4.8.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken.

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan

31

wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem met het plangebied zwart omkaderd.

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Kaag en Braassem, plangebied zwart omkaderd

Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem blijkt dat het plangebied is gelegen in 'Historische kernen' en beschikt over een 'middelhoge verwachting'. Een kleine strook in het noordwesten van het plangebied is aangemerkt als 'historische kernen'. Hiervoor geldt dat onderzoek dient plaats te vinden bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 150 m² en die dieper reiken dan 30 cm onder het maaiveld. De rest van het plangebied beschikt over een middelhoge verwachting. Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Er vinden geen (diepe) grondwerkzaamheden plaats in het noordwestelijke deel van het plangebied. Voor de rest van het plangebied geldt dat de voorwaarden niet worden overschreden. Wel dienen (toevals)vondsten op grond van artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen vormt voor het initiatief.

4.9 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma.

32

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. 2. 3. 4.

5. 6. 7.

Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.

33

Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

34

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

• • •

het toepassen berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Planspecifiek Watercompensatie Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied waarbij de toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m² bedraagt is watercompensatie vereist. De verharding die met het voorliggende plan wordt toegevoegd bestaat uit de nieuwe woning en de aanleg van de verharding in de tuin. Het gehele plangebied beschikt over een oppervlakte van ca. 635 m². De woning krijgt een oppervlakte van maximaal 240 m². Dit betreft een worst-case benadering omdat de woning mogelijk kleiner wordt. De rest van het plangebied wordt ingericht als tuin. Het hoogheemraadschap rekent voor tuinen 50% als verharding. De onderstaande tabel toont de toename in verharding. onderdeel woning tuin Totaal

type verharding bebouwing 100% 50%

oppervlakte 240 m² 199 m² 439 m²

Er wordt minder dan 500 m² aan verharding aangelegd, waardoor er geen watercompensatie benodigd is. Watercompenserende maatregelen worden voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht. Hierbij dient vermeld te worden dat met ingang van de Omgevingswet (1 januari 2024) het hoogheemraadschap 75% van tuinen als verharding rekent. In dat geval kan het zo zijn dat er wel watercompensatie nodig is. Dit zal verder worden uitgewerkt worden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.

35

Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt met de beoogde ontwikkeling afgekoppeld. Het afvalwater zal aangesloten worden op het bestaande rioleringsstelsel. Voor het aanleggen van een riolering is er vermoedelijke grondwateronttrekking nodig. Het onttrekken van grondwater moet altijd worden gemeld (of valt mogelijk onder de vergunningsplicht). Waterkeringen De legger van het hoogheemraadschap van Rijnland laat zien dat het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Voor het bouwen van een woning binnen een waterkering geldt een vergunningsplicht. Er heeft reeds contact plaatsgevonden met het hoogheemraadschap van Rijnland (9 juni 2022) over de beoogde ontwikkeling. Het hoogheemraadschap geeft aan dat in de regels van het bestemmingsplan de standaardregels van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' moeten worden opgenomen. Deze regels zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Voor het bouwen dient te worden voldaan aan de uitvoeringsregels van artikel 19 van het hoogheemraadschap. Er mag geen bebouwing/objecten/vlonders/steigers komen op de 1,5 m brede kruin van de waterkering. Het bouwvlak is op 1.5 meter afstand gelegen vanaf de kruin van de waterkering. De beoogde woning, inclusief fundering en isolatie (met uitzondering van palen) dient boven het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte komen.

Hier zal rekening mee worden gehouden bij verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de toename van het aantal verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling van de vrijstaande woning aan te tonen, is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Hierbij wordt uitgegaan van een 'koop, huis, vrijstaand' in 'niet stedelijk'-gebied in het 'buitengebied'. De gemiddelde verkeersgeneratie die hiervoor geldt is 8,2 verkeersbewegingen per etmaal.

Deze zeer beperkte toename van de verkeersgeneratie kan opgevangen worden in het huidige wegennet in de omgeving.

36

Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek De 'Nota Parkeernormen 2018' van de gemeente Kaag en Braassem vormt de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente Kaag en Braassem. Eén van de uitgangspunten uit deze nota is dat de benodigde parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden ondergebracht. In lijn met de 'Nota Parkeernormen 2018' van de gemeente Kaag en Braassem is voor de planlocatie uitgegaan van de categorie 'buitengebied'. Met de beoogde ontwikkeling wordt één vrijstaande woning toegevoegd. Voor een dergelijke woning in het buitengebied geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. Op het perceel is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen (afgerond 3) te realiseren. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

37

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

38

5.2 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, die ontleend zijn aan het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, waarbij aangesloten wordt op de mogelijkheden van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Zo is het gehele bestemmingsvlak aangeduid als bouwvlak en bedragen de maximum goot- en bouwhoogte van het hoofgebouw respectievelijk 4,5 en 8 m. De maximum inhoudsmaat van het hoofdgebouw is 750 m³ (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen). Er is één woning toegelaten. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' Voor de gronden in het plangebied is de archeologische dubbelbestemming van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' overgenomen. Dit betekent dat het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toebedeeld krijgt. Waterstaat - Waterkering Voor het gehele plangebied geldt dat de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' wordt opgenomen. De regels van betreft deze dubbelbestemming zijn overgenomen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Voorwaardelijke verplichtingen

•

De 'Voorwaardelijke verplichting mechanische ventilatie' regelt dat het in gebruik nemen van de nieuwe woning uitsluitend is toegestaan indien de woning wordt voorzien van een uitschakelbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten.

•

Tot slot is in de Overige regels een 'Voorwaardelijke verplichting parkeren' opgenomen, gericht op het voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeren moet voorts binnen het bouwvlak plaatsvinden.

39

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure worden via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer doorberekend. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. Gesteld kan worden dat het bestemmingsplan hiermee financieel uitvoerbaar is.

40

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende zes weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.

De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Omwonenden zijn op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkeling. Zij hebben aangegeven niet negatief te staan tegenover de beoogde ontwikkeling. De opmerkingen van de omwonenden hebben niet tot aanpassingen van de beoogde ontwikkeling geleid.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Bro is het voorontwerpbestemmingsplan in oktober 2023 gestuurd naar hoogheemraadschap van Rijnland en Veiligheidsregio Hollands Midden. Voor wat betreft provincie Zuid-Holland bleek uit het invullen van het e-formulier dat het bestemmingsplan niet strijdig is met provinciale belangen en dat het om die reden niet opgestuurd hoefde te worden. Hieronder zijn de ingekomen reacties weergegeven, met de gemeentelijke reactie in cursief. Hoogheemraadschap van Rijnland (mail d.d. 6 november 2023) Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft in een mail van 17 januari 2023 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan, mits de woning buiten de kruin van de regionale waterkering wordt gebouwd. Omdat er wordt gebouwd binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering dient er een watervergunning aangevraagd te worden. Reactie: Op basis van het advies is het bouwvlak aangepast zodat deze ten minste 1,5 m van de kruin van de regionale kering is gelegen. Er zal een watervergunning aangevraagd worden.

41

Veiligheidsregio Hollands Midden (mail d.d. 30 oktober 2023) Veiligheidsregio Hollands Midden heeft de belangrijkste zaken ten aanzien van de fysieke veiligheid op een rijtje gezet. Dat betreft:

• •

Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten.

•

De zorgnormtijd bedraagt tien minuten voor woonfuncties, de daadwerkelijke tijd is tien minuten. Daarmee scoort het nieuwe initiatief ‘Goed’. Er zijn in het kader van het Dekkingsplan geen aanvullende voorzieningen benodigd, de te verwachten preventieve voorzieningen en opkomsttijd voldoen aan de uitgangspunten van het Dekkingsplan.

•

Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ is ook het scenario overstroming vanuit een regionale kering van toepassing. Het overstromingsbeeld kan oplopen tot een diepte van ruim 4 meter. Een droge verdieping is in de bestaande woning niet aanwezig. Geadviseerd wordt de nieuwbouwwoning te voorzien van een verblijfsruimte op de tweede verdieping zodat verticale evacuatie mogelijk is. Horizontale evacuatie is het beste mogelijk door op de Kerklaan in westelijke richting te vluchten (polderdijk bij het Westeinde).

•

Voor een incident met gevaarlijke stoffen vanaf de Rijksweg A4 wordt geadviseerd de mechanische ventilatie eenvoudig afschakelbaar te maken. Op deze wijze kan geschuild worden in de woning.

Ten aanzien van de bluswaterwinning is er nabij het plangebied een brandkraan aanwezig. Daarnaast is de planlocatie direct gelegen naast het open water de Drecht. Het water uit de Drecht kan dienen als defensieve bluswatervoorziening, op voorwaarde dat er een plek is waar het brandweervoertuig zich op kan stellen. Deze opstelplaats moet voldoen aan de eisen zoals zij staan beschreven in het beleidsdocument Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid VRHM.

Reactie: deze vooroverlegreactie geeft verder geen aanleiding tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Wel is er een voorwaardelijke verplichting voor mechanische ventilatie in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.

7.3 Verslag zienswijzen Het bestemmingsplan heeft van 21 december 2023 t/m 31 januari 2024 ter inzage gelegen. Er is tijdens deze periode één zienswijze ontvangen. De beantwoording van de zienswijze heeft plaatsgevonden in een separate bijlage (nota van beantwoording zienswijzen, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4).

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=1219ab1b-3475-40bc-ac10-88754b9b67dc