NL.IMRO.1884.BPWATERLOOSPOLDER2-VAS1 toelichting
Tekst van het document
28
Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden.
Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Keur en beleidsregels 2015 De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
• • •
Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versies betreffen de Keur Rijnland 2015 en de Uitvoeringsregels Keur 2015. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Planspecifiek Watercompensatie Voor de beoogde recreatiewoning wordt gebruik gemaakt van een gedeelte van de bestaande schaapschuur. Daarnaast is het plangebied in de huidige situatie vrijwel volledig verhard.
Met de realisatie van de recreatiewoning zal dan ook geen sprake zijn van een toename van meer dan 500 m² aan verharding. Daarnaast worden er geen watergangen gedempt. Om die reden is watercompensatie niet noodzakelijk. Waterkeringen
29
Ten westen van het plangebied ligt een waterkering. Echter vindt de beoogde ontwikkeling niet plaats binnen de beschermingszone van deze waterkering. De waterkering vormt daarmee geen belemmering. Riolering en afkoppeling De nieuwe recreatiewoning wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Archeologie en Cultuurhistorie 4.4.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft een archeologische beleidskaart op laten stellen voor haar gebied. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied zwart omcirkeld)
30
Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem ligt het plangebied in een gebied met een middelhoge verwachting. Voor bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Met de beoogde ontwikkeling worden deze normen niet overschreden. Daarnaast wordt de nieuwe recreatiewoning ter plaatse van de bestaande schaapschuur gerealiseerd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Om de mogelijk aanwezige archeologische waarde te beschermen is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' opgenomen in dit bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.4.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een karakteristiek gebied. Tevens zijn er binnen het plangebied geen karakteristieke panden en/of monumenten aanwezig. Wel is de planlocatie gelegen binnen de grenzen van het kroonjuweel 'Kagerplassen en Molens'. Deze gebiedseenheid heeft een bijzondere kwaliteit door de samenhang tussen natuurlijke veenmeren, het unieke patroon van onregelmatig verkavelde veenweidepolders en een groot aantal molens. Het plassengebied was oorspronkelijk een laag en moerassig gebied doorsneden door kronkelige veenstromen: de Oude Ade, Warmonderleede, Zijl en Ade. Het onregelmatige verkavelingspatroon is hiervan afgeleid. In tegenstelling tot andere veenweidegebieden in Zuid-Holland zijn de kavels niet lang en smal, maar blokvormig. De Kagerplassen zijn samengesteld uit natuurlijke meren van voor de ontginning en meren die door oeverafslag en erosie van de veenstromen zijn ontstaan. Uitgangspunten bij ontwikkelingen zijn dat zowel de structuur als de fysieke elementen behouden en versterkt moeten worden. De bestaande structuren blijven met de beoogde ontwikkeling behouden. Zo worden er geen watergangen gedempt of gegraven. Daarnaast wordt een in matige staat verkerende schaapschuur opgeknapt en voorzien van een recreatiewoning. Het toevoegen van een recreatiewoning zorgt voor een betere beleving van de aanwezige cultuurhistorische waarde.
Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
4.5 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.5.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
31
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling van de recreatiewoning aan de Waterloospolder 2 te Oud Ade moet inzichtelijk gemaakt worden wat de effecten zijn voor het aspect verkeer. Om die reden is aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' bekeken wat de verkeersgeneratie van de recreatiewoning is. Het plangebied bevindt zich in een 'weinig stedelijk' gebied in het 'buitengebied'. Voor de recreatiewoning wordt uitgegaan van de categorie 'bungalow (huisjescomplex)'. Voor de recreatiewoning geldt een verkeersgeneratie van 2,7 voertuigbewegingen per etmaal. Gelet op deze minimale toename van het aantal verkeersbewegingen kan dit opgevangen worden met de bestaande verkeersstructuur. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.5.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen.
Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft de 'Nota parkeernormen 2018' opgesteld om voor de gehele gemeente de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Voor een recreatiewoning (bungalow) geldt in het 'buitengebied' een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen. Op het terrein rond de beoogde recreatiewoning is voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
32
5 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
33
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De omwonenden zijn mondeling op de hoogte gesteld door de initiatiefnemer. De omwonenden hebben laten weten geen bezwaar te hebben en zijn positief over de ontwikkeling.
6.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg Op 16 april 2021 is het ontwerpbestemmingsplan in het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening verstuurd naar vooroverlegpartners. Reacties zijn ontvangen van hoogheemraadschap van Rijnland, Veiligheidsregio Hollands Midden, Omgevingsdienst West-Holland en Provincie Zuid-Holland. De opmerkingen zien hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie (in cursief) voorzien. 1. Hoogheemraadschap van Rijnland (mail d.d. 22 april 2021) Hoogheemraadschap van Rijnland geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding en de werkzaamheden kunnen zonder watervergunning uitgevoerd worden. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen. 2. Veiligheidsregio Hollands Midden (brief/advies d.d. 26 april 2021) Op basis van de ingediende documenten zijn er ten aanzien van de fysieke veiligheid een aantal aandachtspunten. De aandachtspunten en het advies is verwerkt in paragraaf 4.2.5 Externe veiligheid.
34
3. Omgevingsdienst West-Holland (mail d.d. 10 mei 2021) De Omgevingsdienst West--Holland heeft naar aanleiding van de beoogdeling van de ter beschikking gestelde informatie het volgende geconcludeerd:
• • • • • •
De paragrafen 4.2.2 Geluid, 4.2.3 Luchtkwaliteit en 4.2.5 Externe veiligheid van de toelichting zijn akkoord. De paragrafen 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland, 4.1 Milieueffectrapportage, 4.2.1 Bodem en 4.2.4 Milieuzonering van de toelichting moeten aangepast worden. Er hoeft geen (vormvrij) m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. De planregels en verbeelding zijn akkoord. Er moet een aanvullend bodemonderzoek naar asbest uitgevoerd worden. De quickscan Wnb moet worden aangepast
De paragrafen 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland, 4.1 Milieueffectrapportage, 4.2.1 Bodem, 4.2.4 Milieuzonering en 4.2.6 Ecologie zijn aan de hand van het advies van de Omgevingsdienst aangepast. Tevens is er een aanvullend asbest in bodemonderzoek uitgevoerd en heeft er een huismusinspectie plaatsgevonden. De uitkomsten zijn verwerkt in het bestemmingsplan. 4. Provincie Zuid-Holland (mail d.d. 14 juni 2021) De provincie Zuid-Holland heeft aangegeven met de ruimtelijke ontwikkeling in te stemmen. De toegestuurde tekeningen (zie toelichting paragraaf 2.2) geven voldoende informatie en houvast om positief te kunnen adviseren. Wel wordt aandacht gevraagd voor het feit dat nieuwe recreatiewoningen buiten recreatieparken in principe ongewenst zijn, vanwege het risico op permanente bewoning. Echter is in de planregels (artikel 3 lid 3) een verbod opgenomen voor permanente bewoning en voert de gemeente een actief handhavingsbeleid. In paragraaf 2.2 'Toekomstige situatie' is een 3D impressie als afbeelding toegevoegd. Verder hebben de opmerkingen van de provincie niet geleid tot aanpassingen.
6.3 Verslag zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 6 januari t/m 16 februari 2022 ter inzage gelegen. Gedurende de periode van ter inzagelegging zijn er geen zienswijzen ontvangen.
35
7 Juridische planbeschrijving 7.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
7.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
7.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
36
7.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Recreatie – Verblijfsrecreatie De recreatiewoning is voorzien van de bestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ en de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – categorie 4’. Binnen deze bestemming is een onderkomen bedoeld voor tijdelijk recreatief verblijf van personen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - 4’ is een verblijfsrecreatief hoofdgebouw tot een oppervlakte van 90 m² toegestaan. Naast een recreatief onderkomen zijn binnen deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, toegangswegen etc. toegestaan. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse van de maatvoeringaanduiding ‘maximum aantal recreatieve onderkomens’ staat het maximaal aantal verblijfsrecreatieve onderkomens aangeduid. In onderhavig geval bedraagt het aantal verblijfsrecreatieve onderkomens één. Waarde - Archeologie - 1 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 1’ is opgenomen voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij een bouwplan met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
37