NL.IMRO.1884.BPVEENWETERING2021-VAS1_REGELS EN TOELICHTING gewijzigd versie 14-02-2022
Tekst van het document
Gemeente Kaag en Braassem Bestemmingsplan ‘‘Veenwetering 2021” Vaststelling
Februari 2022
Gemeente Kaag en Braassem Bestemmingsplan ‘‘Veenwetering 2021” Vaststelling
Inhoud: - Toelichting - Regels - Verbeelding
werknummer: 617.156.30 datum: februari 2022 bestand: J:\617\156\30\3.Projectresultaat\ Procedureoverzicht Fase
Datum
Voorontwerp
Juni 2021
Ontwerp
September 2021
Vaststelling
Februari 2022
Onherroepelijk
KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam
Gemeente Kaag en Braassem Bestemmingsplan ‘‘Veenwetering 2021” Toelichting
Februari 2022
Inhoudsopgave van de toelichting
1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Ligging plangebied Vigerende plannen Samenhang tussen de diverse planologische procedures / ruimtelijke plannen Leeswijzer
1 1 2 2 4
2
Gebiedsbeschrijving
5
2.1 2.2 2.3
Historische context Ruimtelijke structuur Functionele structuur
5 5 7
3
Planbeschrijving
8
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Algemeen Wonen Bedrijven en voorzieningen Groen en verkeer Ontwikkelingen
8 8 9 10 10
4
Beleidskader
11
4.1 4.2 4.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
11 11 15
5
Omgevingstoets
19
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
Algemeen Vormvrije m.e.r.-beoordeling Geluidhinder Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Bodem Luchtkwaliteit Flora en fauna Water Archeologie en cultuurhistorie Overige belemmeringen
19 19 20 21 26 27 28 30 33 37 42
6
Juridische planbeschrijving
43
6.1 6.2 6.3
Planvorm Toelichting op de regels Overig
43 43 48
7
Uitvoerbaarheid
49
7.1
Economische uitvoerbaarheid
49
7.2 7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Handhaving
49 49
8
Procedure
51
8.1 8.2 8.3
Voorbereidingsfase Ontwerpfase Vaststellingsfase
51 51 51
Bijlagen: Bijlage 1 Bijlage 2
Nota inspraakreacties, oktober 2021 Nota van beantwoording zienswijzen, februari 2022
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De gemeente Kaag en Braassem heeft voor het overgrote deel van haar grondgebied actuele bestemmingsplannen. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt het noordelijke deel van de samengegroeide kernen Roelofarendsveen en Oude Wetering van een actueel juridischplanologisch kader voorzien. Het voorliggende bestemmingsplan continueert de bestaande rechten uit het voorgaande bestemmingsplan ‘Veenwetering’. De in het plangebied gerealiseerde (en vergunde) bouwplannen, waarvoor door middel van afwijkingsprocedures en/of postzegelbestemmingsplannen onherroepelijk medewerking is verleend, zijn integraal in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. Dat geldt ook voor nieuwbouwwijk ‘De Bloemen’, waarvoor thans een beheersverordening geldt. Door het integreren van de verschillende postzegelplannen ontstaat een uniforme regeling voor het noordelijke deel van de samengegroeide kernen Roelofarendsveen en Oude Wetering.
1.2
Ligging plangebied Het plangebied omvat het noordelijk deel van de samengegroeide kernen Roelofarendsveen en Oude Wetering, voor zover dit ten westen van de Alkemadelaan is gelegen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Googermolenweg en glastuinbouwgebied De Baan en Sotaweg. De zuidoostelijke plangrens wordt gevormd door de Alkemadelaan en Westeinde. Aan de westzijde grenst het plangebied aan bedrijventerrein De Lasso. De ligging en globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1: globale ligging en begrenzing plangebied
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
1.3
Vigerende plannen Voor de in het bestemmingsplan gelegengronden gelden thans diverse (postzegel)bestemmingsplannen en een beheersverordening. Deze zijn hieronder opgesomd: • Bestemmingsplan ‘Veenwetering’, vastgesteld door de gemeenteraad op 2 maart 2009. • Bestemmingsplan ‘Sotaweg 134-150 Roelofarendsveen’, vastgesteld door de gemeenteraad op 15 juli 2013. • Beheersverordening ‘De Bloemen’, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 december 2016. • Bestemmingsplan ‘Wilgenstraat 22’, vastgesteld door de gemeenteraad op 3 december 2018. • Bestemmingsplan ‘Essenweg 1a’, vastgesteld door de gemeenteraad op 3 december 2018. Naast de voorgenoemde bestemmingsplannen en beheersverordening zijn er diverse (uitgebreide) omgevingsvergunningen verleend. Deze zijn allemaal meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan.
Afbeelding 1.2.: overzicht vigerende plannen
1.4
Samenhang tussen de diverse planologische procedures/ruimtelijke plannen Voor het plangebied gelden – naast het bestemmingsplan ‘Veenwetering’ – nog twee andere plannen. Ook zijn er in het verleden diverse afwijkingsprocedures doorlopen. Om het huidige juridisch-planologische kader actueel te houden en de samenhang te waarborgen, is het wenselijk om het bestemmingsplan ‘Veenwetering’ te actualiseren. De beheersverordening ‘De Bloemen’ en de postzegelbestemmingsplannen ‘Sotaweg 134-150 Roelofarendsveen’, 'Wilgenstraat 22’ en ‘Essenweg 1a' worden hierin geïntegreerd, waardoor één actueel Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
bestemmingsplan voor het noordelijke deel van de samengegroeide kernen Roelofarendsveen en Oude Wetering tot stand komt. De regeling die is opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan heeft een actualiserend karakter en is primair gericht op het vastleggen van de bestaande rechten. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geformuleerde uitgangspunten. Het plan voldoet aan de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Herontwikkeling Sportpad en vrijvallende schoollocaties Het Sportpad is het cluster van sport- en cultuurvoorzieningen tussen de kernen van Roelofarendsveen en Oude Wetering. Binnen dit gebied zal de komende jaren sprake zijn van een herontwikkeling. De directe aanleiding voor de herontwikkeling van het Sportpad is veelzijdig: - de vraag om vernieuwing van zwembad en sporthal De Tweesprong; - de plannen voor een Integraal Kindcentrum (IKC) van de basisscholen en kinderopvang; - de wens van de overige organisaties om de voorzieningen binnen dit gebied toekomstbestendig te maken. Voor het gebied aan het Sportpad is daarom recentelijk een masterplan ontwikkeld. Het masterplan is de ruimtelijke uitwerking van de door de gebiedspartijen opgestelde gezamenlijke visie.
In deze visie komen sport, onderwijs, kinderopvang, cultuur, wonen en zorg samen voor alle inwoners van 0 tot 100 jaar. De voornaamste veranderingen die op de planning staan zijn: - nieuwbouw van sporthal en zwembad; - nieuwbouw Integraal Kindcentrum; - uitbreiding tennisvoorzieningen en aanleg hockeyveld op meest oostelijk gelegen voetbalveld; - nieuwbouw kantine gefuseerde voetbalverenigingen (en wellicht Hockeyclub Alkemade); - nieuwbouw woningen op Gogherweide. Met de realisatie van een IKC worden drie basisscholen (De Klimboom, Elckerlyc en De Roelevaer) en twee kinderopvanglocaties (Grote Beer en Zonnewijzer) voorzien van een nieuw onderkomen. Met de verhuizing van deze basisscholen en kinderopvang is er ook sprake van een aantal vrijvallende locaties. Het is aannemelijk dat op deze locaties op termijn woningen gerealiseerd zullen worden, die tevens als kostendragers kunnen dienen voor het gehele Sportpad-project. De precieze invulling is echter nog niet duidelijk. Wel ligt het in de lijn der verwachting dat er op het ‘Scholeneiland’ (cluster van De Klimboom, Elckerlyc en Grote Beer) nieuwbouwwoningen gerealiseerd worden voor de huidige bewoners van Gogherweide.
Omdat er nog te veel onduidelijk is omtrent de herontwikkeling van het Sportpad-gebied en de vrijvallende locaties van de basisscholen en kinderopvang, zijn deze gebieden buiten deze integrale bestemmingsplanherziening gelaten. Dat betekent dat op deze locaties witte vlekken op de verbeelding staan en dat hiervoor het oude bestemmingsplan uit 2009 nog blijft gelden. Voor deze locaties zal op termijn een separate procedure doorlopen worden om de bestemming te wijzigen.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
Omgevingswet In 2022 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. Met de Omgevingswet wordt het aantal regels in het omgevingsrecht teruggebracht. Met het in werking treden van de Omgevingswet worden alle vigerende bestemmingsplannen van rechtswege vervangen door een omgevingsplan. Derhalve is het nu al van belang zoveel mogelijk vooruit te kijken naar de invoering van de Omgevingswet. Dit vraagt om bestemmingsplannen waarmee kan worden geanticipeerd op maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkelingen over een lange periode. Het bestemmingsplan dient daarom flexibel en veerkrachtig te zijn, om zoveel mogelijk te kunnen voorzien in de ruimtelijke ontwikkelingen die de komende tijd plaatsvinden. In dit verband is het belangrijk om voor de toekomst vast te leggen welke onderdelen binnen de fysieke leefomgeving beschermd en behouden dienen te blijven. Het omgevingsplan biedt hiervoor de basis. Een ander belangrijk doel van de Omgevingswet is dat het omgevingsplan een integrale regeling voor de gehele leefomgeving omvat en breder is dan alleen de aspecten die een rol spelen in een ruimtelijk plan. Dit is een duidelijk verschil met de huidige wetgeving waarin dergelijke aspecten alleen sectoraal worden getoetst.
Concreet betekent dit dat niet alleen de milieutechnische, ecologische en cultuurhistorische belangen worden afgewogen, maar ook de economische en maatschappelijke gevolgen (People, Planet, Profit). In het voorliggende bestemmingsplan is zoveel mogelijk voorgesorteerd op de invoering van de Omgevingswet. De vigerende regeling is – waar mogelijk – vereenvoudigd, met behoud van de bestaande rechten. Daarnaast ontstaat met de voorliggende actualisatie een integraal en actueel juridisch-planologisch kader, dat als basis kan dienen voor het toekomstige omgevingsplan. 1.5
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na deze inleiding is in hoofdstuk twee ingegaan op de ruimtelijke structuur van het plangebied en de omgeving. In het derde hoofdstuk worden de belangrijkste uitgangspunten voor voorliggend bestemmingsplan verwoord. In hoofdstuk vier komen de verschillende beleidskaders aan de orde op rijksniveau, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk vijf is verslag gedaan van het onderzoek naar de randvoorwaarden en belemmeringen die gelden vanuit de diverse planologische en milieukundige toetsingskaders. In hoofdstuk zes is de juridische toelichting op het bestemmingsplan gegeven. Hoofdstuk zeven gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan, dat in een economisch en maatschappelijk facet uiteengezet wordt. Tevens wordt daarbij ingegaan op het aspect handhaving. Ten slotte wordt de bestemmingsplanprocedure in het laatste hoofdstuk nader toegelicht.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
2 2.1
Gebiedsbeschrijving Historische context Het plangebied omvat het noordelijk deel van de samengegroeide kernen Roelofarendsveen en Oude Wetering, voor zover dit ten westen van de Alkemadelaan is gelegen. In de landschappelijke context van Roelofarendsveen en Oude Wetering zijn verschillende hoofdstructuren te onderscheiden. Rondom het stedelijk gebied liggen voornamelijk open polders. Het noorden van de kern (Oude Wetering) grenst aan de Ringvaart die het drooggelegde Haarlemmermeer omsluit. Aan de oostzijde ligt het Braassemermeer met direct ten westen daarvan een niet afgegraven veengebied, dat thans wordt ontwikkeld als woongebied (Braassemerland). Het Noordeinde – direct ten zuiden van het plangebied – is het oudste bebouwingslint binnen Roelofarendsveen. De weg werd rond de 13e eeuw aangelegd als basis voor de ontginning van het achterliggende veengebied. Langs de weg is vervolgens een langgerekt lint van bebouwing ontstaan. Dit lint heeft zich in de loop der tijd in oostelijke en westelijke richting uitgebreid langs respectievelijk de Langeweg en het Westeinde. Deze bebouwingslinten vormen de zuidelijke begrenzing van het voorliggende plangebied. Naar het noorden toe zijn in de jaren zestig twee tuinderslinten gerealiseerd in de vorm van de Sotaweg en de Baan. Om de historische bebouwingslinten verkeerstechnisch te ontlasten is al voor 1950 de Alkemadelaan aangelegd.
Deze weg staat sinds de jaren zestig rechtstreeks in verbinding met de rijksweg A4, waardoor de kernen Roelofarendsveen en Oude Wetering zeer goed bereikbaar zijn. De Alkemadelaan vormde de basis voor verschillende planmatige uitbreidingen. Door deze ontwikkelingen zijn de kernen Roelofarendsveen en Oude Wetering in vijftig jaar van bescheiden lintdorpen samengegroeid tot een volwaardige kern met werkgelegenheid. Wat voorzieningen betreft functioneren de kernen als één dorp. In het midden van beide kernen – centraal in het plangebied – bevindt zich een cluster van sportvoorzieningen. Het sportcomplex ligt strategisch in het dorp, maar vormt tegelijkertijd een fysieke barrière. Dit wordt met name veroorzaakt door de aaneengesloten ligging van de sportvelden.
2.2
Ruimtelijke structuur Lint Westeinde/Langeweg Het bebouwingslint Westeinde/Langeweg loopt in oost-west richting door Roelofarendsveen en staat haaks op het bebouwingslint Noordeinde. Op het kruispunt van deze linten bevindt zich het centrumgebied van Roelofarendsveen. In de noordoosthoek van de kruising ligt een pleinruimte die wordt gemarkeerd door de opvallende watertoren. De recente bebouwing rondom het plein wijkt qua maat en schaal af van de oorspronkelijke kleinschalige lintbebouwing. De bebouwingslinten Westeinde en Langeweg hebben zich ontwikkeld langs de vaart, die de zuidelijke begrenzing van de Gogerpolder vormt. Het lint Westeinde/Langeweg ligt dan ook op de grens tussen het niet-afgegraven veengebied in het zuiden en de lager gelegen polder in het noorden (plangebied). De bebouwing aan de noordzijde van de vaart ligt daardoor op een dijklichaam. Het dijklichaam is niet in alle gevallen bebouwd. Onder andere ter hoogte van het centrum (Wilgenstraat) vormt de dijk een groene ruimte tussen de bebouwing.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
De woonwijken van Roelofarendsveen Roelofarendsveen kent een aantal naoorlogse uitbreidingswijken. In tegenstelling tot de bebouwingslinten hebben deze wijken allemaal een projectmatig karakter. Dit uit zich in de veelvuldige herhaling van woningtypes in rijen of reeksen en de concentratie van voorzieningen op bepaalde plekken binnen de wijk. De woonwijken zijn in verschillende tijdsperiodes ontwikkeld en hebben daardoor ook een verschillend karakter gekregen. De eerste uitbreidingswijken (jaren ‘50 en ‘60) liggen tussen het Westeinde en de Alkemadelaan. Deze wijken zijn uitgevoerd in een traditionele blokverkaveling waarbij de woningen rug aan rug liggen en de voorzijde aan de straat. De wijken ten noorden van de Alkemadelaan zijn vanaf de jaren ‘70 ontwikkeld. In deze wijken is afgestapt van het traditionele bouwblok als bouwsteen voor een woonwijk. Een deel van de wijken is namelijk uitgevoerd in een strokenverkaveling waarbij de bebouwing is georganiseerd in rechte stroken met parkeren voor de deur. De latere woonwijken zijn uitgevoerd als woonerf, waarbij het parkeren in afzonderlijke parkeerkoffers is opgelost. Deze woonwijken kennen een veel grilligere verschijningsvorm met knikken in de straat en verspringende rooilijnen. De meest recente woonwijk van Roelofarendsveen is De Bloemen. Deze woonwijk is gerealiseerd op de plek van de voormalige veiling.
De woonwijk kent een meer thematische opzet met een mix van verschillende woningtypes. Het programma bestaat uit zowel grondgebonden als gestapelde woningen. Woonwijken van Oude Wetering In aansluiting op Roelofarendsveen kent ook Oude Wetering een aantal naoorlogse uitbreidingswijken, die allemaal een projectmatig karakter hebben. Dit uit zich in de veelvuldige herhaling van woningtypes in rijen of reeksen en de concentratie van voorzieningen op bepaalde plekken binnen de wijk. De wijken ten westen van de Alkemadelaan zijn vanaf de jaren tachtig en negentig ontwikkeld. In deze wijken is afgestapt van het traditionele bouwblok als bouwsteen voor een woonwijk. De woonwijken zijn hoofdzakelijk uitgevoerd als woonerf, waarbij het parkeren veelal in afzonderlijke parkeerkoffers is opgelost. Deze woonwijken kennen een grillige verschijningsvorm met knikken in de straat en verspringende rooilijnen. Verkeerssituatie Het plangebied wordt in hoofdzaak ontsloten via de Alkemadelaan, die dwars door het plangebied loopt. Het merendeel van het verkeer wordt via deze weg afgewikkeld richting de A4, die ten westen van het plangebied is gelegen. In noordelijke richting takt de Alkemadelaan aan op de Weteringweg (richting Leimuiden en de N207) en Lisserweg (richting de A44).
Naast de Alkemadelaan vormt de Sotaweg een belangrijke ontsluitingsweg voor het glastuinbouwgebied De Baan en Sotaweg, ten noordwesten van het voorliggende plangebied. De overige wegen binnen het plangebied zijn grotendeels ingericht als 30 km-zone. Voor de ontsluitingswegen in het plangebied – de Alkemadelaan, Stationsstraat, Sotaweg, Langeweg, Middenweg en Rembrandt van Rijnsingel – geldt een maximumsnelheid van 50 km/u. Parkeren wordt in het plangebied zoveel mogelijk op eigen terrein opgelost. Waar parkeren op eigen terrein niet mogelijk is, wordt gebruik gemaakt van de openbare ruimte. Groenvoorzieningen en water Binnen het plangebied komen diverse groenvoorzieningen voor, waarvan een deel is gelegen op privaat terrein. De aanwezige groenvoorzieningen bestaan hoofdzakelijk uit bermen en groene oevers. Verder komen er verspreid over het plangebied verschillende kleinschalige groenvoorzieningen voor in de vorm van plantsoenen, speelweiden en kleine bosschages. Ook het sportcomplex – dat centraal in het plangebied is gelegen en aan vrijwel alle zijden wordt
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
omzoomd door een robuuste houtsingel – draagt in belangrijke mate bij aan het groene karakter van het plangebied. In het plangebied is relatief veel oppervlaktewater aanwezig in de vorm van watergangen en andere waterpartijen. De watergangen in het gebied hebben een recreatieve waarde. 2.3
Functionele structuur De meest voorkomende functie binnen het plangebied is de woonfunctie, hoewel er verspreid over het plangebied diverse afwijkende functies voorkomen. Binnen het plangebied zijn de volgende voorzieningen aanwezig.
2.3.1
Detailhandel en dienstverlening De aanwezigheid van detailhandel beperkt zich tot het voorzieningencluster rondom De Watertoren. In het overige deel van het plangebied is geen detailhandel aanwezig. Dienstverlening is uitsluitend toegestaan in de vorm van een aan huis verbonden beroep en komt verspreid over het voorliggende plangebied voor.
2.3.2
Horeca In het plangebied zijn enkele horecaondernemingen aanwezig. Deze bevinden zich op de hoek Sotaweg-Alkemadelaan. Het gaat onder meer om een snackbar en een partycentrum.
2.3.3
Bedrijven Verspreid over het plangebied komen verschillende bedrijven voor. Een deel daarvan past binnen de omschrijving ‘aan huis verbonden beroep of bedrijf’, het betreft onder meer enkele kapperszaken en schoonheidssalons. Het uitoefenen van deze beroepen of bedrijven is mogelijk binnen de woonbestemmingen. In het plangebied komen echter ook veel bedrijven voor die niet passen binnen de omschrijving ‘aan huis verbonden beroep of bedrijf’. Deze bedrijven zijn bestemd als zelfstandig bedrijf. Het gaat onder meer om enkele verspreid liggende bedrijven aan de Alkemadelaan, Populierenstraat en Westeinde.
2.3.4
Maatschappelijke voorzieningen In het plangebied komen diverse maatschappelijke voorzieningen voor, waaronder een kerk met bijbehorende begraafplaats aan het Pastoor Onelplein, diverse basisscholen en een woonzorgcomplex.
2.3.5
Sport en recreatie In het plangebied zijn enkele verblijfsrecreatieve eenheden aanwezig, waaronder aan de Essenweg (1a) en Wilgenstraat (22). Ook bevinden zich diverse sportvoorzieningen in het plangebied, waaronder de ijsbaan.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
3
Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de belangrijkste uitgangspunten voor voorliggend bestemmingsplan beknopt verwoord. De uitgangspunten volgen uit de analyse van de bestaande situatie, de toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied en het beleid ten aanzien van het plangebied. Bij elk uitgangspunt is aangegeven hoe het uitgangspunt is vertaald in het bestemmingsplan.
3.1
Algemeen Zoals al in de inleiding is aangegeven, is het verkrijgen van een actueel bestemmingsplan de belangrijkste aanleiding geweest voor het opstellen van dit bestemmingsplan. Bovendien moet voldaan worden aan de digitaliserings- en standaardiseringseisen die aan bestemmingsplannen worden gesteld. Het standaardiseren van bestemmingsplannen heeft een aantal belangrijke voordelen: • tussen verschillende bestemmingsplannen bestaan geen onlogische verschillen meer; • het vergelijken van de plannen wordt daardoor gemakkelijker; • standaardisering maakt borging van de juridische kwaliteit eenvoudiger; • het raadplegen van bestemmingsplannen door inwoners, bestuurders en ambtenaren op papier of via internet wordt veel eenvoudiger; • het uitwisselen van bestemmingsplannen tussen de gemeente, de provincie en andere bestuursorganen wordt eenvoudiger. Het bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ is opgesteld om te voorzien in een eenduidige en uniforme juridische regeling voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied. De regeling die is opgenomen in het bestemmingsplan heeft een actualiserend karakter en is gericht op het vastleggen van de bestaande rechten. Het bestemmingsplan moet voldoende flexibel zijn.
De verschillende bestemmingen bieden voldoende flexibiliteit voor kleinschalige toekomstige ontwikkelingen, zonder aantasting van ruimtelijke en functionele kwaliteiten. Zo is voor alle woningen een uniforme bijgebouwenregeling opgenomen en biedt de verkeersbestemming de ruimte om ook groenvoorzieningen te realiseren. Door middel van diverse afwijkingsmogelijkheden wordt flexibiliteit geboden voor ontwikkelingen die niet zonder meer overal toelaatbaar zijn, maar die om een extra afweging vragen. In het vervolg van deze paragraaf worden de belangrijkste uitgangspunten voor voorliggend bestemmingsplan beknopt verwoord. De uitgangspunten volgen uit de analyse van de bestaande situatie, de toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied en het beleid ten aanzien van het plangebied.
3.2
Wonen Bestaande woningen De vigerende gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden worden zoveel mogelijk gerespecteerd. In het voorliggende plangebied vormt wonen de hoofdfunctie. De meeste bebouwing in het plangebied heeft daarom een woonbestemming gekregen. Alle bestaande woningen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Bedrijfswoningen zijn voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’ met de aanduiding ‘bedrijfswoning’. De woningen in het bestemmingsplan zijn zoveel mogelijk bestemd conform de gemeentelijke standaard. Dit houdt in dat elke woning een bouwvlak heeft gekregen, strak om de bestaande
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
bebouwing getrokken. Voor zover de bebouwing nog niet gerealiseerd is, is het bouwvlak overgenomen conform de vergunde situatie. De meeste bouwvlakken hebben een bouwaanduiding gekregen, afhankelijk van de woningtypologie. Voor vrijstaande woningen is de aanduiding ‘vrijstaand’ opgenomen, twee-aaneengebouwde woningen zijn voorzien van de aanduiding ‘twee-aaneen’ en gestapelde woningen hebben de aanduiding ‘gestapeld’ gekregen. Voor rijwoningen is geen aanduiding opgenomen. De maximum goot- en bouwhoogte van elke woning is op de verbeelding weergegeven. Voor woningen met twee bouwlagen en een kap is over het algemeen een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9 meter opgenomen. Voor woningen in één bouwlaag met kap geldt doorgaans een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. In enkele specifieke situaties is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte opgenomen. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn standaardbepalingen opgenomen in de regels. Bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht, op een minimale afstand van 1 meter achter de voorgevelrooilijn. Hierbij geldt dat maximaal 50% van het achtererf mag worden bebouwd, waarbij het maximum aantal vierkante meters bebouwing afhankelijk is gesteld van de perceelsgrootte. De maximum goot- en bouwhoogte bedragen 3 en 6 meter.
De voortuinen van de woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Binnen deze bestemming zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt, om het groene karakter te waarborgen. Bebouwing vóór de voorgevelrooilijn is enkel toegestaan in de vorm van een erker. Hiervoor geldt dat de voorgevelbouwgrens met ten hoogste 1 meter mag worden overschreden. Een erker mag daarnaast over maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel gebouwd worden. Bestaande bijgebouwen in de voortuin zijn voorzien van de aanduiding ‘bijgebouwen’. Ter plaatse van deze aanduiding mogen vrijstaande en/of aangebouwde bijgebouwen worden gebouwd, mits de gooten bouwhoogte niet meer bedraagt dan respectievelijk 2,5 en 3,5 meter. 3.3
Bedrijven en voorzieningen De aanwezige bedrijven en voorzieningen worden positief bestemd om het huidige voorzieningenpeil in stand te kunnen houden. Voor het plangebied is een inventarisatie van huidige aanwezige functies uitgevoerd. Bedrijven De verspreid liggende bedrijven hebben een bedrijfsbestemming gekregen. Binnen deze bestemming is – overeenkomstig de vigerende rechten – bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Bedrijven in hogere milieucategorieën zijn voorzien van een maatwerkbestemming. Dat betekent dat de huidige functie voortgezet mag worden. Maatschappelijke voorzieningen Uitgangspunt is het behoud van de bestaande voorzieningen. De maatschappelijke voorzieningen in het plangebied, waaronder de aanwezige kerk met begraafplaats, basisscholen en de diverse woonzorgcomplexen, hebben een maatschappelijke bestemming gekregen. De kerk en begraafplaats zijn beide voorzien van een specifieke aanduiding. Binnen de bestemming “Maatschappelijk” is een veelheid aan maatschappelijke voorzieningen toegestaan.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
Sportvoorzieningen De landijsbaan is overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan voorzien van de bestemming ‘Sport’. Ter plaatse zijn de gronden uitsluitend bestemd voor sport- en recreatievoorzieningen, sportvelden en ondergeschikte horeca. Verblijfsrecreatieve voorzieningen De verblijfsrecreatieve voorzieningen aan de Essenweg 1a en Wilgenstraat 22 zijn overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen voorzien van de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’. De bestaande rechten zijn daarbij een-op-een overgenomen. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op dag- en/of verblijfsrecreatie. Overige voorzieningen Het horecacluster op de hoek Alkemadelaan-Sotaweg is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan voorzien van een gemengde bestemming: ‘Gemengd – 1’. Dat geldt eveneens voor het voorzieningencluster rondom De Watertoren, dat de bestemming ‘Gemengd – 2’ heeft gekregen. Binnen beide bestemmingen zijn verschillende functies toegestaan, die bovendien onderling uitwisselbaar zijn. Hierdoor ontstaat veel flexibiliteit en zijn er mogelijkheden om het bestaande voorzieningenniveau uit te breiden, mocht hier behoefte aan zijn. Binnen de bestemmingen ‘Gemengd – 1’ en ‘Gemengd – 2’ wordt onder meer ruimte geboden aan maatschappelijke voorzieningen, kantoren en woningen.
Andere bestaande functies binnen deze bestemmingen – zoals detailhandel en horeca – zijn middels een aanduiding op de verbeelding weergegeven. 3.4
Groen en verkeer Alle wegen in het gebied hebben de bestemming ‘Verkeer’ gekregen. Daarnaast is de bestaande groenstructuur geïnventariseerd. Belangrijke groenplekken hebben de bestemming ‘Groen’ gekregen. Hier zijn ook de speelplekken onder gerekend. De kleinere of minder belangrijkere groengebieden vallen onder andere bestemmingen, zoals ‘Verkeer’, ‘Sport’ of ‘Wonen’.
3.5
Ontwikkelingen Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
4 4.1
Beleidskader Rijksbeleid Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in verschillende nationale beleidskaders, waaronder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het rijksbeleid worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien een bestemmingsplan wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten bevat, kan bij het moederplan worden bepaald dat de Laddertoets zich niet richt op de toelichting bij het moederplan, maar op de toelichting bij het wijzigings- of uitwerkingsplan. Voorliggend plan heeft een actualiserend karakter. Het plan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ aangemerkt kunnen worden. De Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.
4.2
Provinciaal beleid Op 1 april 2019 zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie ZuidHolland in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, die deel uit maken van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het Programma Ruimte en het Programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
4.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; 2. De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; 3. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.
Afbeelding 4.1: ruimtelijke hoofdstructuur (bron: Omgevingsbeleid Provincie Zuid-Holland)
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. De provincie maakt hierbij onderscheid in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau. Zij zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen en bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie Zuid-Holland heeft in 2012 het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied' opgesteld. In overleg met de regio en de gemeenten zijn de kernkwaliteiten uit de kwaliteitskaart uitgewerkt in het gebiedsprofiel. Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied.
Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
Het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied' is voornamelijk opgesteld om bij ontwikkelingen sturing te geven op kwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan heeft een actualiserend karakter, waardoor van inpassing, aanpassing en/of transformatie geen sprake is. Het voorliggende bestemmingsplan neemt uitsluitend de bestaande rechten over. Uitgangspunt van dit bestemmingsplan is dan ook het vastleggen van de aanwezige kwaliteiten van het gebied, hetgeen bijdraagt aan de ambitie van het gebiedsprofiel om de bestaande kwaliteiten te behouden. Het voorliggende bestemmingsplan is daarmee in lijn met het gebiedsprofiel. De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. •
•
•
•
4.2.2
Landschap en cultuurhistorie: een belangrijke opgave is het beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. Ten noordwesten van het plangebied is een traditionele molen – de Googermolen – gesitueerd. De molenbiotoop van deze molen reikt tot in het voorliggende plangebied. Om de windvang van de molen te beschermen is in dit bestemmingsplan een vrijwaringszone opgenomen (zie ook paragraaf 4.2.2). Ruimte en verstedelijking: een belangrijke opgave in het kader van ruimte en verstedelijking is het zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving, zoals beschreven in paragraaf 4.1 van deze toelichting. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder.
Omdat het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, is toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde. Overigens is het plangebied aangemerkt als ‘bestaand stedelijk gebied’. Wonen: naast zorgvuldig ruimtegebruik vindt de provincie het belangrijk dat er voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving beschikbaar zijn. Deze opgave is erop gericht dat de woonbehoeften van verschillende doelgroepen kunnen worden gerealiseerd, zowel wat betreft de beschikbaarheid van passende woningen als de aantrekkelijkheid van de woon- en leefomgeving. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk en voorziet slechts in een actueel juridisch-planologisch kader voor het bestaande woongebied. Natuur en recreatie: de provincie zet in op het behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water. In dit bestemmingsplan zijn de bestaande groen- en waterstructuren voorzien van een passende bestemming (‘Groen’ en ‘Water’), waarmee het behoud van groenvoorzieningen en water in het woongebied is gewaarborgd.
Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Omgevingsvisie en het Programma Ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma Ruimte. De verordening is
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. Molenbiotoop In artikel 6.25 van de Omgevingsverordening is bepaald dat voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van een traditionele windmolen, de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende gewaarborgd dienen te worden. Uit de Omgevingsverordening blijkt dat de Googermolen – ten noordwesten van het plangebied – is aangemerkt als cultureel erfgoed (Kaart 15). De molenbiotoop van deze molen overlapt een klein deel van het voorliggende plangebied. Om de windvang van de molen te beschermen is in dit bestemmingsplan de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400 m’ opgenomen. De regeling die hieraan gekoppeld is voorkomt dat binnen een afstand van 400 meter tot het middelpunt van de molen nieuwe bebouwing wordt opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/100 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Op deze wijze is voldoende vrije windvang geborgd en wordt recht gedaan aan de kenmerken en waarden van de windmolen in relatie tot zijn omgeving (de ruimtelijke kwaliteit). Dankzij de molenbiotoop kan de molen blijven draaien en blijft de bouwkundige (functionele) staat behouden.
Afbeelding 4.2: uitsnede Kaart 15 Omgevingsverordening ‘Cultureel erfgoed’
Regionale waterkeringen In artikel 6.22 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van regionale waterkeringen. In de Omgevingsverordening zijn diverse regionale waterkeringen aangeduid (zie
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
afbeelding 4.1), waaronder de Alkemadelaan, Langeweg en Westeinde. Deze waterkeringen zijn in dit bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’, waarmee de waterkerende functie primair is gesteld ten opzichte van de andere aangegeven bestemmingen.
Afbeelding 4.3: uitsnede Kaart 3 Omgevingsverordening ‘Regionale waterkeringen’
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuwing en ontwikkeling waar dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld, met bijbehorende kenmerken en waarden. Het plangebied bevindt zich binnen het gebiedstype ‘Kernen’. De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze zijn per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven. Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in centrum dorps en landelijk dorps. Het plangebied behoort tot centrum dorps. Onder centrum dorps vallen de kernen Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Deze kernen hebben een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal ten opzichte van de kernen die vallen onder het sub-gebiedstype landelijk dorps. Binnen deze kernen is hoogbouw mogelijk, mits passend in de omgeving.
Vanaf vijf bouwlagen wordt er gesproken over hoogbouw. De volgende drie doelen zijn geformuleerd: • Het in stand houden en verder opwaarderen van het voorzieningenniveau binnen de kernen. • Een passende woning voor iedereen. • Een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving.
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
Specifieke uitgangspunten hierbij zijn: • Grootschalige woningbouwprojecten zijn mogelijk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van Braassemerland en Leimuiden-West. Deze ontwikkelingen zijn mogelijk mits er voldoende maatregelen worden getroffen die een positieve invloed hebben op de klimaatadaptatie. • Detailhandel concentreren we zoveel mogelijk in de dorpscentra. In het buitengebied, glastuinbouwgebieden en de bedrijventerreinen is detailhandel uitgesloten, op volumineuze detailhandel en verkoop van streekproducten na. • Binnen sommige kernen zijn er karakteristieke gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het haventje bij de Witte Singel in Roelofarendsveen, de Julianalaan op Kaag en de Kerkstraat in Oude Wetering. Deze straatbeelden moeten behouden blijven en worden niet specifiek gekoppeld aan de sub-gebiedstypen centrum dorps en landelijk dorps. Dorpsperspectief Roelofarendsveen/Oude Wetering In de omgevingsvisie wordt aangegeven dat Roelofarendsveen samen met Oude Wetering het meest verstedelijkte gebied in de gemeente vormt. Veel van de voorzieningen in de gemeente zijn dan ook hier gevestigd. Detailhandel concentreert zich in het winkelcentrum Noordplein en Zuidplein, en ook rondom de Meerkreuk blijft er ruimte voor detailhandel. Daarnaast bevindt zich er grootschalige bedrijvigheid.
Kenmerkend voor Roelofarendsveen is de aanwezigheid van de glastuinbouw aan de noord- en aan de westzijde van de kern. Roelofarendsveen en Oude Wetering liggen centraal in de gemeente, tussen het Braassemermeer, de Ringvaart en de corridor van de A4/HSL. De ligging van Roelofarendsveen aan de A4 maakt de dorpen erg goed bereikbaar vanuit de richting Schiphol/Amsterdam en vanuit de regio Den Haag. Wat voorzieningen betreft functioneren de dorpen als één dorp. In het midden van beide dorpen bevindt zich een cluster van sportvoorzieningen. Een groot deel van de inwoners beschouwt deze locatie als het hart van de woonkern. Voor het gebied aan het Sportpad is daarom recentelijk een masterplan ontwikkeld. Het masterplan is de ruimtelijke uitwerking van de door de gebiedspartijen opgestelde gezamenlijke visie. In deze visie komen sport, onderwijs, kinderopvang, cultuur, wonen en zorg samen voor alle inwoners van 0 tot 100 jaar. De komende jaren vinden er verschillende inbreidingsinitiatieven en herontwikkelingen binnen deze kernen plaats. Voorliggend bestemmingsplan heeft een actualiserend karakter en maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Voor toekomstige ontwikkelingen geldt dat er dient te worden aangesloten bij de uitgangspunten uit de omgevingsvisie en dat een zorgvuldige inpassing gewenst is.
Binnen het voorliggende plangebied wenst de gemeente op termijn een Integraal Kindcentrum (IKC) te ontwikkelen. Voorliggend bestemmingsplan heeft een actualiserend karakter en voorziet dan ook niet in de ontwikkeling van een IKC. Omdat er nog te veel onduidelijk is omtrent de herontwikkeling van het Sportpad-gebied en de vrijvallende locaties van de basisscholen en kinderopvang, zijn deze gebieden buiten deze integrale bestemmingsplanherziening gelaten. Dat betekent dat op deze locaties witte vlekken op de verbeelding staan en dat hiervoor het oude bestemmingsplan uit 2009 nog blijft gelden. Voor deze locaties zal op termijn een separate procedure doorlopen worden om de bestemming te wijzigen. Gelet op het voorgaande is het voorliggende bestemmingsplan niet in strijd met de uitgangspunten van de omgevingsvisie. 4.3.2
Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 is de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘Nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief, maar geeft wel een indicatie. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpskernen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te kunnen voorzien. Dit betekent uiteraard niet dat alle onbebouwde of in onbruik geraakte ruimte binnen de kernen moet worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe woningen, winkels en bedrijfsruimten.
Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota Inbreidingslocaties voor elke kern een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. Het uiteindelijke doel van de Nota Inbreidingslocaties is om de behandeling van inbreidingsinitiatieven op een transparante manier te laten verlopen en om de initiatieven uiteindelijk te laten leiden tot een duurzame ruimtelijke/functionele ontwikkeling van de locatie zelf en het dorp als geheel. De Nota Inbreidingslocaties heeft betrekking op kleinschalige, zelfstandige ontwikkelingen. Bij deze zelfstandige ontwikkeling moet sprake zijn van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan maar wel binnen de rode contouren van de kernen. Het voorliggende bestemmingsplan heeft een overwegend actualiserend karakter. Uitgangspunt van dit bestemmingsplan is het continueren van de bestaande rechten. Concreet zijn in de Nota Inbreidingslocaties richtlijnen opgenomen voor ontwikkelingen binnen het lint ‘Westeinde/Langeweg’, de woonwijken van Oude Wetering en de woonwijken van Roelofarendsveen.
Eventuele toekomstige ruimtelijke initiatieven worden getoetst aan de richtlijnen die voor deze gebieden zijn opgenomen. 4.3.3
Nota Parkeernormen 2018 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’, die op 15 maart 2018 in werking is getreden. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het doel hiervan is te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Met de parkeernota worden de volgende effecten beoogd: • Het waarborgen van de bereikbaarheid; • Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit;
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
• •
Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen.
Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft een eigen parkeerbehoefte. Als er geen voorwaarden aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden gesteld, zal de parkeerbehoefte op de openbaar ruimte worden afgewenteld, terwijl deze niet altijd voorziet in voldoende parkeeraanbod. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers van de openbare ruimte. Door parkeernormen te hanteren wil de gemeente enerzijds voorkomen dat er parkeeroverlast ontstaat als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en anderzijds tracht de gemeente de bereikbaarheid van nieuwe functies te waarborgen. De Nota Parkeernormen 2018 heeft geen betrekking op bestaande situaties en is dan ook niet bedoeld om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Omdat het voorliggende bestemmingsplan uitsluitend voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader en in principe geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is toetsing aan de Nota Parkeernormen 2018 niet aan de orde. 4.3.4
Welstandsnota De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de karakteristieke gebieden (voorheen beschermde dorpsgezichten), rijksmonumenten, karakteristieke panden (voorheen gemeentelijke monumenten) en de omliggende percelen van karakteristieke panden. In de welstandsnota zijn deze gebieden en objecten beschreven. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk dat een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Voor het voorliggende bestemmingsplan betekent dit dat slechts voor enkele gebieden een welstandstoets aan de orde is. Het gaat uitsluitend om enkele karakteristieke panden aan de Alkemadelaan, het Pastoor Onelplein en het Westeinde (zie ook afbeelding 4.3).
Afbeelding 4.3.: uitsnede gemeentelijke welstandskaart
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
5 5.1
Omgevingstoets Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende moet borgen.
5.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.2.1
Kader Het gewijzigde Besluit m.e.r. (milieueffectrapportage) is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.
Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud.
5.2.2
Onderzoek Voorliggend bestemmingsplan betreft een actualisatie van de vigerende regeling, waarbij de bestaande rechten een-op-een gecontinueerd worden. Dat houdt in dat de bestemmingen voor de binnen het plangebied gelegen gronden worden afgestemd op de planologische gebruiksmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, tenzij er beleidsmatig of vanwege beperkende wet- en regelgeving aanleiding bestaat daarvan af te zien. Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
In de volgende paragrafen is daarnaast per aspect beoordeeld wat de effecten van het plan zijn. Uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van het plan geen (belangrijke) nadelige milieueffecten optreden. 5.2.3
Conclusie Gezien voorgaande beoordeling zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van het planvoornemen en kan worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport en het doorlopen van de formele milieueffectrapportageprocedure.
5.3
Geluidhinder
5.3.1
Kader Wegverkeerslawaai Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) (2007) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen in bepaalde gevallen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Alvorens geluidgevoelige objecten - zoals woningen of scholen - kunnen worden geprojecteerd, dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Normstelling Als er nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone van een weg worden gerealiseerd, dan mag de geluidsbelasting van het wegverkeer niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde. Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde niet overschrijden. Daarnaast worden in het Bouwbesluit 2012 eisen gesteld aan de karakteristieke geluidwering. Dit betreffen eisen aan de geluidwering van de gevel zodat deze zodanig wordt geconstrueerd dat voldaan wordt aan de maximale binnenwaarde van 33 dB.
Voor een bedgebied (verblijfsgebied waarin bedden aanwezig zijn) is de waarde van de karakteristieke geluidwering 5 dB hoger. Dit betekent dat de binnenwaarde in het bedgebied niet hoger mag zijn dan 28 dB. Voor woonerven en voor wegen waarop de maximum snelheid 30 km/h bedraagt, geldt geen onderzoekszone, waardoor ze - strikt formeel gezien - niet hoeven te worden getoetst aan de normen van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk dat deze wegen mee worden genomen in de afweging. Railverkeerslawaai In de Wgh en het Besluit geluidhinder (Bgh) is de zonering van spoorwegen (en ook van tram- en metrotracés) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Het voorliggende plangebied is niet gelegen binnen de zone van een spoorweg.
5.3.2
Onderzoek De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen. In het voorliggende bestemmingsplan worden echter
Bestemmingsplan ‘Veenwetering 2021’ Toelichting Vaststelling
geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt en is geen sprake van reconstructies van wegen. 5.3.3
Conclusie Onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder is dan ook niet aan de orde.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.
Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6-contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken.