NL.IMRO.1884.BPOFWEGEN7-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Vanwege het transport van toxische vloeistoffen LT3 geldt voor de A4 een effectengebied van meer dan 4.000 m. Het plangebied ligt op een afstand van ca. 2.000 m uit de as van de A4 en is daarmee gelegen binnen het effectengebied van de A4. Het uitvoeren van een nieuwe risicoberekening is niet noodzakelijk, omdat de afstand tot de A4 meer dan 200 m bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art. 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de planlocatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en het zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en
24
faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Bij sloop van bebouwing moet er getoetst worden aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Verantwoord moet worden dat er geen schade aan beschermde soorten en/of gebieden veroorzaakt wordt met de ontwikkeling.
Doordat er met het onderhavige initiatief bebouwing gesloopt wordt, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (20 augustus en 10 september 2020, Bureau Natuurzorg, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Op grond van deze quickscan zijn de volgende conclusies naar voren gekomen. De te slopen opstanden (inclusief de stacaravan) en de directe omgeving zijn vrij van beschermde flora en fauna. De sloop kan per direct aanvangen. Indien de sloopwerkzaamheden plaatsvinden gedurende het voortplantingsseizoen, grofweg tussen 15 maart en 1 oktober, is men gehouden de Wet natuurbescherming na te leven voor wat betreft actief bezette nesten. Bij enige twijfel over nestvormen dient kort voor de sloop binnen het voortplantingsseizoen nogmaals te worden gekeken door een ter zake deskundig ecoloog. Daarnaast zijn er geen vleermuizen en/of verblijfsplaatsen aanwezig in de te slopen bebouwing. De woonboerderij die op de planlocatie is gelegen bevat enkele open stootvoegen. De aftimmering van de woonboerderij en overige opstallen, alsmede het metselwerk van de overige opstallen sluiten naadloos aan en zijn niet toegankelijk voor vleermuizen. Alle potentiële invliegmogelijkheden zijn grondig onderzocht. Er zijn daarbij geen sporen van voormalig of hedendaags gebruik gevonden, ergo de conclusie dat alle bouwsels niet zijn- en worden gebruikt door vleermuizen.
De werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op mogelijke foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen. De sloop en nieuwbouw hebben geen negatieve invloed op enige vorm van habitat van de vleermuizen. Negatieve gevolgen op het voortbestaan van beschermde en algemene soorten wordt niet verwacht. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. Voor de soortgroepen grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op alle soorten flora en fauna is het hele jaar de zorgplicht van toepassing. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de strategische reservering natuur of een belangrijk weidevogelgebied. Er zijn dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de provinciaal beschermde gebieden. Het plangebied bevindt zich op een afstand van ca. 6 km van het Natura 2000-gebied De Wilck. Het Natura 2000-gebied De Wilck is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Nieuwkoopse Plassen en De Haeck en ligt op een afstand van meer dan 10 km van het plangebied. Gezien de aard en omvang, en de afstand tot het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied kan gesteld worden dat er geen sprake van significante effecten zal zijn. Een AERIUS-berekening is dan ook niet noodzakelijk.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
25
4.3 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing.
26
Keur en beleidsregels 2015 De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteitsen kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
• • •
Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versies betreffen de Keur Rijnland 2015 en de Uitvoeringsregels Keur 2015. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie bestaat het plangebied voor een groot deel uit verhard oppervlak. Met de sloop van de huidige bebouwing en de herinrichting van het erf zal de oppervlakte aan verharding dan ook afnemen.
Daarnaast worden er geen watergangen gedempt. Om die reden is watercompensatie niet noodzakelijk. Waterkeringen De meest oostelijke strook van het plangebied ligt in de beschermingszone van een regionale waterkering. Op dit deel van het plangebied wordt er niet gebouwd en vinden er geen werkzaamheden plaats. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' wordt in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. Riolering en afkoppeling De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Archeologie en Cultuurhistorie 4.4.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt
27
namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft een archeologische beleidskaart op laten stellen voor haar gebied. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied zwart omcirkeld)
Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem ligt het plangebied grotendeels in een ontginningsas. Voor bodemingrepen groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Echter wordt het grootste deel van de nieuwe bebouwing gebouwd op reeds verstoorde gronden. Daarnaast worden de gronden van het plangebied opgehoogd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.4.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Tevens zijn er binnen het plangebied geen gemeentelijke- en/of rijksmonumenten aanwezig.
Het meest nabijgelegen monument bevindt zich ten noorden van het plangebied aan de Ofwegen 5. Het betreft een rijksmonumentale boerderij. De beoogde ontwikkeling heeft verder geen invloed op dit monument.
28
De planlocatie is gelegen aan een polderlint. Door één van de woningen aan het lint te bouwen en de tweede woning verder achter op het terrein te bouwen blijven de karakteristieken van het lint zoveel mogelijk behouden. Daarnaast wordt het zicht naar het achtergelegen landschap verbeterd en sluit het zuidelijke gedeelte van het plangebied hier beter op aan. Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
4.5 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.5.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling van de twee vrijstaande woningen aan de Ofwegen 7 te Woubrugge moet inzichtelijk gemaakt worden wat de effecten zijn voor het verkeer.
Om die reden is aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' bekeken wat de verkeersgeneratie van de twee vrijstaande woningen is. Het plangebied bevindt zich in een 'weinig stedelijk' gebied in het 'buitengebied'. Conform de CROWpublicatie 381 bedraagt hier de verkeersgeneratie voor een vrijstaande woning 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. De twee vrijstaande woningen veroorzaken een verkeersgeneratie van 16,4 voertuigbewegingen per etmaal. Deze minimale verkeersgeneratie kan door middel van de huidige ontsluiting opgevangen worden. Er worden geen problemen met de verkeersafwikkeling verwacht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.5.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen.
In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
29
Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft de Nota parkeernormen 2018 opgesteld om voor de gehele gemeente de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Voor een vrijstaande woning in het 'buitengebied' en 'weinig stedelijk' gebied geldt volgens de parkeernormen van Kaag en Braassem een norm van minimaal 2,0 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen. Met de beoogde ontwikkeling zullen er minimaal vier parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Op het eigen terrein is voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
30
5 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
31
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Het beoogde plan is voorgelegd door middel van een brief aan de buren aan de Ofwegen en Kerkweg. Alle brieven zijn ondertekend teruggestuurd. De reacties op de plannen waren positief.
6.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het (concept) ontwerpbestemmingsplan op 7 november 2020 aan de wettelijke overlegpartners ter kennis gesteld met het verzoek om op de inhoud van het bestemmingsplan te reageren. Het Hoogheemraadschap van Rijnland, de Veiligheidsregio Hollands Midden en de Omgevingsdienst West-Holland hebben een reactie gegeven op het bestemmingsplan. Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft geen bezwaar tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig. Veiligheidsregio Hollands Midden Vanwege de ligging van het plangebied nabij een buisleiding wordt geadviseerd om het binnengaan van rook en toxische stoffen tegen te gaan. In paragraaf 4.2.5 Externe veiligheid is dit advies opgenomen. Omgevingsdienst West-Holland De omgevingsdienst had naar aanleiding van de beoordeling opmerkingen op de aspecten milieueffectrapportage, bodem, geluid, externe veiligheid en ecologie. De paragrafen 4.1 Milieuzonering, 4.2.1 Bodem, 4.2.2 Geluid, 4.2.5 Externe veiligheid en 4.2.6 Ecologie zijn aangepast. Daarnaast zijn er verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd en is de quickscan flora en fauna aangepast.
32
6.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor een periode van 6 weken, vanaf 4 maart 2021 t/m 14 april 2021, ter inzage gelegen. In deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn twee zienswijzen ingediend. De Nota van beantwoording zienswijzen is in de bijlagen bij toelichting bijlage 5 toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
33
7 Juridische planbeschrijving 7.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
7.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
7.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
34
7.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor het behoud en herstel van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden. Het hobbymatig houden van vee is toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden'. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Een uitzondering hierop zijn erf- en terreinafscheidingen en windmolens ten behoeve van de waterhuishouding. Wonen De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de woonpercelen binnen het plangebied. Binnen deze bestemming is wonen in samenhang met de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Bijgebouwen, aanbouwen en overkappingen bij de woning dienen ten minste 1 m terugliggend op de voorgevelrooilijn te worden gebouwd.
Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' is opgenomen ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 150 m² en dieper dan 30 cm is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Waarde - Archeologie 3 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is opgenomen ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Waterstaat - Waterkering Het meest oostelijke gedeelte van het plangebied ligt binnen een regionale waterkering. Ter bescherming van deze waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen.
35