CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPNOORDKADE21-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 27 november 2023, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan Noordkade 21, Roelofarendsveen.14.225 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van een nieuwe woning, ter plaatse van een reeds bestaande woonfunctie aan de Noordkade. Hier zullen geen activiteiten plaatsvinden die een belemmering vormen voor de omliggende (woon)functies. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Voor zover bekend zijn er geen risicobronnen in de directe buurt van de locatie aanwezig. Er kan van uitgegaan worden dat er geen nader onderzoek naar het plaatsgebonden en/of groepsrisico vereist is.

26

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied.

Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld, bron: risicokaart.nl).

Transport gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 1,5 km ten westen van het plangebied is de rijksweg A4 gelegen. De A4 is een weg waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd, vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 km. Er geldt een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m en een groepsrisicocontour 10-7 van 65 m. Een risicoberekening is echter niet verplicht gezien de ruime afstand tot de A4. Uit eerdere berekeningen (onder andere Risicoberekening BP Bedrijventerrein A4 (ODWH, 2013) en Risicoberekening BP Sotaweg 134-150 (ODWH, 2013)) is bovendien bekend, dat het groepsrisico van de A4 ter hoogte van Roelofarendsveen kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig.

Ook worden er met onderhavig initiatief geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Op meer dan 2,3 km zijn enkele aardgasleidingen gelegen, maar gezien de grote afstand is het niet te verwachten dat dit een belemmering is.

27

Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.

Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het voorliggende plan betreft de sloop van een bestaande woning en het oprichten van een nieuwe woning. Dergelijke ingrepen kunnen leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Om de mogelijke gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ('Quickscan natuurwetgeving, Geonius, d.d. 13 januari 2023), zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. In de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de werkzaamheden en het vigerend beleid. Soortenbescherming Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat door de ingreep negatieve effecten optreden voor de volgende (mogelijk) aanwezige soorten:

• • •

Vogels zonder een jaarrond beschermd nest – diverse soorten; Grondgebonden zoogdieren – algemene grondgebonden zoogdieren; Amfibieën – rugstreeppad en algemene amfibieën.

Het is mogelijk om alle negatieve effecten met mitigerende maatregelen op voorhand te voorkomen. Als deze maatregelen toepasbaar en uitvoerbaar zijn binnen de ingreep is de ingreep niet ontheffing plichtig in het kader van soortenbescherming Wnb. De aanwezige algemene soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën zijn vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ingrepen. Daarmee vervalt de noodzaak voor mitigerende maatregelen. Wel blijft voor deze soorten (en alle andere soorten) de zorgplicht gelden. Deze maatregelen betreffen voor: Vogels zonder een jaarrond beschermd nest Negatieve effecten treden op door de werkzaamheden in het broedseizoen uit te voeren/starten. Voer de sloopwerkzaamheden en het kappen van vegetatie daarom uit in de periode 15 augustus tot 1 maart. Werkzaamheden kunnen echter wel in het broedseizoen gestart worden, enkel na inspectie en vrijgave door een daartoe deskundig ecoloog. Deze inspectie heeft als doel vast te stellen of nestplaatsen binnen de verstoringsafstand van de werkzaamheden liggen. Mocht dit zo blijken te zijn, dienen de werkzaamheden aldaar uitgesteld te worden tot na het natuurlijk verlaten van het nest. Amfibieën Negatieve effecten treden op enkel wanneer het plangebied gedurende de werkzaamheden geschikt wordt voor de rugstreeppad en de soort vervolgens het plangebied koloniseert. Dit kan voorkomen worden door in

28

het plangebied wegkruipplekken te voorkomen en ontstaan van waterpoelen in grondopslag of rijsporen te voorkomen. Is dit niet mogelijk, dan kunnen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn door te werken buiten het actieve seizoen van deze soorten. Dit resulteert in een werkbare periode van september t/m maart. Ook kunnen maatregelen genomen worden om de betreding van soorten te voorkomen in het plangebied door een amfibieënscherm te plaatsen rondom de werkzaamheden. Zorgplicht Maatregelen voor alle soorten in het kader van de zorgplicht dienen te allen tijde genomen te worden. Dit geldt ook voor de in het plangebied vrijgestelde soorten. Een inzicht van deze maatregelen is hieronder gegeven. Dit betreft echter enkel een indicatie en kan afhankelijk van de manier van ingreep en daadwerkelijke invulling van de werkwijze aangevuld worden.

•

Voer de werkzaamheden altijd in één richting uit naar aanwezige groenstructuren toe zodat eventueel aanwezige dieren altijd kunnen vluchten naar schuilplaatsen. Vermijd daarbij het werken naar water of wegen toe.

•

Maak gebruik van vooraf bepaalde aan- en afvoerroutes die voor zoverre mogelijk lopen over al aanwezige verharding om het omliggende habitat zoveel als mogelijk te behouden.

•

Voer de werkzaamheden uit met daartoe bestemde machines en opgeleid personeel om onnodige schade aan de omgeving door foute toepassing ervan te voorkomen. De werkzaamheden worden in de periode april tot en met half oktober alleen overdag uitgevoerd in verband met vliegroutes van vleermuizen.

• •

Er wordt geen gebruik gemaakt van tijdelijke verlichting of verlichting van de nieuwbouwwoning.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk Weidevogelgebied, strategische reservering natuur of karakteristieke landschapselementen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt. Stikstofdepositie Een plan mag geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Gelet op de afstand tot de dichtst bijgelegen Natura 2000-gebieden 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' circa 11 km, kan alleen stikstofdepositie nog een verstorende factor zijn. Door Geonius is een AERIUS-berekening uitgevoerd ('Notitie AERIUS-berekening Noordkade 21', Geonius, d.d. 13 februari 2023), zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. Uit de berekening voor de realisatiefase blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op gevoelige habitattypen ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase blijkt dat voor de omliggende Natura 2000-gebieden de stikstofdepositietoename onder de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jr. blijft. Daarmee worden er ook geen significante gevolgen verwacht voor een Natura 2000-gebied vanwege dit plan.

Er is geen vergunning nodig ingevolge de Wet natuurbescherming, onderdeel Gebiedsbescherming. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de gestelde mitigerende maatregelen ten aanzien van amfibieën. Daarnaast dienen voor de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht) maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Het voorliggende plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ecologie.

29

4.3 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. 2.

Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur.

30

3. 4.

5. 6. 7.

Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.

Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15 % van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van

31

(verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);

• •

het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

•

het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Planspecifiek Het plangebied van voorgenomen ontwikkeling heeft een oppervlakte van circa 950 m². In de huidige situatie bevindt zich een vrijstaande woning en een bijgebouw in het plangebied. Voorts is een deel van het plangebied verhard. Watercompensatie In de toekomstige situatie wordt de bestaande bebouwing (woning en bijgebouwen) gesloopt en wordt er een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd met bijbehorende parkeervoorzieningen en ontsluiting. De navolgende tabel geeft een balans weer van de huidige en toekomstige situatie:

32

Bestaande situatie (m²) Water

-

Toekomstige situatie (m²) -

Groen

-

-

Verharding: parkeren en woning/bebouwing

394,7

630,1

Kavels onverhard

553

476,6

Totaal

947,7

1.106,7

Uit voorgaande tabel volgt dat er als gevolg van de ontwikkeling een toename aan verharding plaatsvindt van circa 236 m². Omdat geen toename aan verharding plaatsvindt van meer dan 500 m² is watercompensatie niet noodzakelijk. Naast de ontwikkeling van een nieuwe woning wordt een deel van de bestaande grond afgegraven ten behoeve van een insteekhaven. Het voornemen is om de hoeveelheid afgegraven grond aan de westzijde van het plangebied extra aan te leggen. Wanneer er meer land gecreëerd wordt, houdt dit in dat er water gedempt wordt, voor deze werkzaamheden is een watervergunning nodig. Het verlies aan bergend vermogen dient gecompenseerd te worden. Dit kan onder andere gedaan worden door water aan te leggen dat minimaal even groot is als het oppervlak van de demping. De extra grond aan de westzijde is 115 m² en wordt één op één gecompenseerd door de aanleg van de insteekhaven die ook een oppervlak van 115 m² heeft. Dit is ook weergegeven op de afbeelding in toelichting paragraaf 2.2. Het voorliggende initiatief is besproken met het hoogheemraadschap. Er is aangegeven dat mits er voldaan wordt aan de compensatieeisen en de benodigde watervergunning wordt verkregen, er geen belemmeringen zijn te verwachten. Ten aanzien van deze werkzaamheden zal er een watervergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap van Rijnland.

Waterkering Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat de gronden van het plangebied zijn gelegen in de beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen deze zones mag niet gebouwd worden zonder watervergunning. Bouwen is mogelijk, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering. Aan de gronden die binnen de beschermingszone liggen is in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' toegekend. Tevens dient er voor deze werkzaamheden een watervergunning verkregen te worden. Waterafvoer Het afvalwatersysteem van de ontwikkeling wordt zodanig vormgegeven dat het regenwater kan worden afgekoppeld. Het overige vuilwater wordt afgevoerd middels de riolering. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen vormt voor het beoogde initiatief.

4.4 Archeologie en Cultuurhistorie 4.4.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan

33

wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft een archeologische beleidskaart op laten stellen voor haar gebied. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied.

Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omkaderd) (bron gemeente Kaag en Braassem 2013).

Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem ligt het plangebied grotendeels in het gebied aangeduid als 'Middelhoge verwachting'. Hierbij geldt dat bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Er dient aangetoond te worden dat er op de betrokken locatie geen archeologisch waardevolle objecten worden verwacht. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande vrijstaande woning gesloopt en wordt een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd, tevens wordt een deel van de grond afgegraven en verplaatst. De oppervlakte van de gronden waar deze ingrepen op voorzien zijn is ruim kleiner dan 2.500 m². Derhalve is er geen archeologisch onderzoek nodig. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat ten aanzien van de realisatie van een nieuwe woning geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de gemeente dienen te worden gemeld. 4.4.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

34

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De planlocatie maakt geen deel uit van een karakteristiek gebied en de bestaande bebouwing betreft geen karakteristiek pand of rijksmonument. Ook zijn er geen andere cultuurhistorische elementen aanwezig binnen het plangebied. In de omgeving van de planlocatie bevinden geen (gemeentelijk) monumenten. Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.

4.5 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.5.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling van een vrijstaande woning brengt verkeersbewegingen met zich mee. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk' gebied.

In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie conform de CROW-publicatie 381 weergegeven. Soort woning

Aantal

CROW verkeersgeneratie

Koop, huis, vrijstaand Totaal

1 1

8,2 (gemiddelde) 8,2

Totale verkeersgeneratie 8,2 8,2

De totale verkeersgeneratie die de nieuwe vrijstaande woning met zich meebrengt bedraagt 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. De planlocatie is ontsloten via de Noordkade en er wordt een nieuwe inrit naar het plangebied aangelegd. De nieuwe woning vervangt de bestaande vrijstaande woning, er zal daarom geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Zodoende kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie opgevangen kan worden met de huidige ontsluiting. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

35

4.5.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft de Nota parkeernormen 2018 opgesteld om voor de gehele gemeente de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Soort woning

Aantal

Parkeernorm

Grondgebonden, vrijstaand Totaal

1 1

2,3 (gemiddelde) 2,3

Totaal aantal parkeerplaatsen 2,3 2,3

Zoals in bovenstaande tabel staat aangegeven moeten er met de ontwikkeling 2,3 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt worden. Het plangebied beschikt over ruimte aan de wegkant, waar de nieuwe toegang tot het perceel komt, om het benodigde aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

36

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

37

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: 'Tuin' Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, toegangswegen en inritten en insteekhavens. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt. 'Water' Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen en waterpartijen, oevers en oeververbindingen, steigers, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, infiltratievoorzieningen, kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden. 'Wonen' De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de woning binnen het plangebied. Woningen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Het aantal wooneenheden mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding botenhuis' mag een gebouw of overkapping voor een botenhuis worden gerealiseerd. De gronden zijn tevens bestemd voor insteekhavens en andere bij de bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, parkeervoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en groenvoorzieningen. Naast de woonfunctie is ook kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van een aan huis verbonden beroep toegestaan.

'Waarde - Archeologie 3' De gronden aangewezen met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.

38

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente sluit ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.

39

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) is het voorliggende bestemmingsplan toegestuurd aan diverse vooroverleg partners. Er zijn twee vooroverlegreacties ontvangen van de Veiligheidsregio Hollands Midden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Veiligheidsregio Hollands Midden In de vooroverlegreactie van de veiligheidsregio is aangegeven dat er geen bijzonderheden zijn ten aanzien van de bereikbaarheid en dat het plangebied bereikbaar is voor de hulpdiensten. Het aanwezige openwater kan dienst doen voor de offensieve bluswaterwinning en aanvullende voorzieningen zijn niet benodigd. Daarnaast voldoen de te verwachte preventieve voorzieningen en opkomsttijd aan de uitgangspunten van het Dekkingsplan. Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ zijn er geen andere scenario’s relevant (denk hierbij aan externe veiligheid en overstromingsrisico). Ook heb ik geen aanvullingen/opmerkingen op de uitwerking van paragraaf 'Externe veiligheid' in de Toelichting. Daarnaast is het advies om de nieuwe woning te voorzien van de mogelijkheid om de (mechanische)ventilatie met een druk op de knop af te kunnen schakelen, met het oog op een externe calamiteit, een brand of toxische wolk in de omgeving. Dit advies wordt meegenomen bij de uitwerking van de woning. De vooroverlegreactie leidt niet tot aanpassingen van het voorliggende plan.

Hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft in de vooroverlegreactie aangegeven dat er rekening gehouden dient te worden met het leggerprofiel/profiel van vrije ruimte. Zolang er geen kelder onder de woning komt zal het leggerprofiel/profiel van vrije ruimte niet in geding komen. Wel dient er voor de werkzaamheden een watervergunning aangevraagd te worden. Tevens zijn er aanbevelingen gedaan ten aanzien van het opgenomen beleid in de toelichting van het voorliggende plan, de meeste recente beleidsstukken zijn verwerkt in paragraaf 4.3. De vooroverlegreactie gaf aanleiding tot het aanpassen voor het voorliggende plan.

40

7.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Noordkade 21, Roelofarendsveen’ heeft van 31 augustus tot en met 11 oktober 2023 ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen. Buiten de termijn is één zienswijze ontvangen. Er is desalniettemin voor gekozen deze zienswijze toch te betrekken bij het proces van de vaststelling van het bestemmingsplan. Deze zienswijze is in de bijgevoegde 'Nota van beantwoording zienswijzen Noordkade 21, Roelofarendsveen' samengevat en beantwoord (zie bijlagen bij toelichting bijlage 4).

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=813877a0-bdc4-485c-b4cd-0ccbbd423099